CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Indoor speelpaleis De Hoge Neer ontwerp

Raad besluit 20 januari 2025, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Voorstel over het afgeven van een Verklaring van Geen bedenkingen voor het Bouwplan van de indoor speeltuin Hoge Neer13.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan welke afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend verleend worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan een omgevingsvergunning worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

36/55

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan naast de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. 4.9.1.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en  de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone

37/55

pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Natuurinclusief bouwen Om pro-actief om te kunnen gaan met beschermde soorten heeft de gemeente Etten-Leur een soortenmanagementplan opgesteld. Bescherming is dan niet gericht op een paar dieren op één plek, maar op de hele populatie binnen een gemeente. Zo kunnen heel effectief maatregelen worden genomen die de populatie versterken en gunstige staat van instandhouding borgen. Als onderdeel van het Soorten Management Plan Etten-Leur (SMP) is het Werkboek natuurmaatregelen opgesteld. Bij werkzaamheden aan gebouwen of de bouw van nieuwe gebouwen dient rekening gehouden te worden met het SMP. Een voorwaarde bij die werkzaamheden is dat de maatregelen die in het Werkboek natuurmaatregelen staan worden uitgevoerd. In nieuwbouw is het uitstekend mogelijk om verblijfplaatsen voor vleermuizen en nestlocaties voor gierzwaluw en huismus te integreren. Wanneer in een vroeg stadium aandacht is voor 'natuurinclusief bouwen' kunnen voorzieningen eenvoudig worden toegepast. Om maatregelen effectief te realiseren moeten wel richtlijnen gevolgd worden. In het Werkboek natuurmaatregelen worden deze per soortgroep behandeld.

Alle nieuwbouw (woningen en bedrijven) in de gemeente Etten-Leur moet natuurinclusief gebouwd worden. Elke locatie is anders en geeft maatwerk de grootste kans op succes. Afstemming met een ecoloog en de gemeente welke maatregelen succesvol zijn en tevens kunnen bijdragen tot het creëren van plussen op de salderingsboekhouding wordt geadviseerd. 4.9.2 Toetsing 4.9.2.1 Gebiedsbescherming De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 4.6 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 10,0 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.

38/55

Figuur 4.6 Locatie beoogde ontwikkeling ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS calculator) Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In de onderzoeksmemo zoals opgenomen als bijlage 1 wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. Voor de verkeersgeneratie is gerekend met de gegevens uit paragraaf 2.2.3.2 van deze ruimtelijke onderbouwing. De rekenbladen voor de realisatie- en de gebruiksfase met bijbehorende in- en uitvoergegevens vanuit AERIUS zijn opgenomen in de bijlagen (realisatiefase) en (gebruiksfase). Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2023.1) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.9.2.2 Soortenbescherming De huidige locatie is grotendeels verhard en in gebruik als parkeerterrein.

De bouw van de nieuwe Vlaamse schuur vindt plaats op de locatie van de voormalige Vlaamse schuur. Met het planvoornemen vinden geen sloopwerkzaamheden plaats. Ook is geen sprake van het verwijderen van houtopstanden. De groene inrichting aan de zuidzijde en rond het projectgebied blijft ongewijzigd. De uitvoer van ecologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Omdat binnen het projectgebied geen verblijfplaatsen van beschermde soorten (vleermuis, huismus en gierzwaluw) aanwezig zijn geen maatregelen nodig om deze soorten te beschermen. Vanuit de Wet natuurbescherming is het dan ook niet nodig natuurinclusief te bouwen. Gezien de reeds gedetailleerde uitwerking van de beoogde nieuwbouw, is het toepassen van voorzieningen in een vroeg stadium niet meer aan de orden. Bij de uitvoer van de bouwwerkzaamheden en inrichting van de buitenruimte wordt de volgende maatregelen toegepast voor het vergroten van de biodiversiteit:

39/55

   

het aanplanten van meerdere hagen; het aanplanten van meerdere bomen; het vergroenen van het maaiveld d.m.v. van open grastegels; het aanbrengen van diervriendelijke maatregelen zoals insectenkasten, vogelkasten en vleermuiskasten.

4.9.3 Conclusie en vervolg Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoer van de beoogde ontwikkeling.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2

Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

40/55

4.10.2 Toetsing Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 71 mvt/etmaal (werkdaggemiddelde), zie paragraaf 2.2.3. Worst-case wordt gerekend met 72 mvt/etmaal. Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. In de nibm-tool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,04 µg/m³ en van fijnstof van 0,01 µg/m³ (figuur 4.7). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.

Figuur 4.7

Resultaten NIBM-tool 2022 (Bron: InfoMil)

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Bredaseweg is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4.8) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) 19,1 µg/m³ en fijn stof (PM10 en PM2,5) 16,5 µg/m³ en 9,0 µg/m³ langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

41/55

Figuur 4.8

Toetspunten directe omgeving projectgebied (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)

4.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Water 4.11.1 Normstelling en beleid In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) van 22 december 2021. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden.

42/55

Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente.

Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Het waterschap heeft een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie.

Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:  het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;  de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;  de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak;

43/55

de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06'.

Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van het beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Hemelwaterverordening Etten-Leur De gemeenteraad van Etten-Leur heeft op 6 december 2022 de 'Hemelwaterverordening Etten-Leur' vastgesteld. Deze nieuwe verordening gaat in op het gemeentelijke beleid met betrekking tot de opvang en verwerking van hemelwater en vormt een aanvulling op het VGRP. De Hemelwaterverordening past ook een nieuwe compensatieregel toe, waarmee 60 liter waterberging per vierkante meter verharding en bebouwing moet worden gerealiseerd. De regels uit de Hemelwaterverordening dienen in acht genomen te worden en hieraan moet worden voldaan. Na afgifte van de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad gaat onder andere de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage.

Dan moet duidelijk zijn dat aan de Hemelwaterverordening wordt voldaan 4.11.2 Toetsing 4.11.2.1 Bestaand systeem Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het projectgebied niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Het projectgebied is alleen onderdeel van het grondwaterdeelgebied 'westelijke zandgronden'. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat beschermd is op basis van de Keur. Het plangebied ligt ook niet binnen de keurzone van een waterkering. In figuur 4.9.1 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie die beschikbaar is via de legger oppervlaktewaterlichamen van het waterschap Brabantse Delta. Hieruit blijkt dat ten noorden van het projectgebied een categorie A waterloop is gelegen. Richting het westen gaat deze waterloop over in een duiker. De beschermingszone van deze waterloop heeft een breedte van 1 meter. Deze beschermingszone valt derhalve niet over het projectgebied.

44/55

Figuur 4.9.1 Uitsnede Watertoets Viewer met aanduiding projectgebied (Bron: Waterschap Brabantse Delta) 4.11.2.2 Uitgangspunten waterhuishouding Het totale projectgebied heeft een oppervlakte van 4.404 m2. Het noordelijk deel waar de beoogde bebouwing is voorzien en waar de wijzigingen in de terreininrichting plaatsvinden heeft een oppervlakte van circa 2.100 m 2. In de bestaande situatie zijn de gronden deels bebouwd en deels verhard. In de toekomstige situatie wordt 585 m 2 nieuwe bebouwing gerealiseerd. Dit gebeurt grotendeels binnen de nog aanwezige contouren van de voormalige Vlaamse schuur. In de nieuwe situatie wordt de buitenruimte tevens opnieuw ingericht met nieuwe (deels doorlatende) verhardingen De parkeerplaatsen en toerit etc. zijn momenteel uitgevoerd in grind. De buitenruimte wordt verder vergroend. De nieuwe parkeerplaatsen worden uitgevoerd in grastegels. 4.11.2.3 Ontwerp Hemelwater Conform het hemelwaterbeleid van de gemeente Etten-Leur zal de hemelwaterafvoer op eigen terrein worden verwerkt met een bergingseis van 60 mm per m2 verhard oppervlak. De hemelwaterverordening gaat uit van nieuwe bebouwing. Voor de bestaande bebouwing geldt dat deze enkel meegenomen dient te worden indien deze aangrijpend wordt gerenoveerd. Van renovatie is geen sprake, de bestaande bebouwing blijf ongewijzigd.

De beoogde ontwikkeling op de planlocatie voorziet in 585 m2 nieuwe bebouwing en circa 800 m2 te compenseren verhardingen, bestaande uit daken van de nieuwe bebouwing en grastegels. Dit resulteert in (afgerond) 83 m 3 te bergen water in het projectgebied.

45/55

Figuur 4.9.2 Locatie wadi Het hemelwater wordt binnen het projectgebied opgevangen. Het water wordt afgekoppeld naar het eigen terrein. Een wadi met een omvang van 84 m3 wordt gerealiseerd aan de zuidzijde van de locatie, zie figuur 4.9.2. De wadi kan over ongeveer een diepte van 60 cm water opvangen. Dit op basis van het maaiveld en de grondwaterstand uit het sonderingsonderzoek. Dat betekent dat de oppervlakte van de wadi 140 m2 moet zijn. 140 m2 x 60 cm resulteert in 84 m3 waterberging capaciteit. Onder de wadi wordt drainage zand toegevoegd, voor goede infiltratie in de bodem. Er is een leegloper voorzien voor het moment dat de wadi zou overstromen. Dit kan naar de sloot aan de noordzijde afgevoerd worden (daar is echter een vergunning van het Waterschap voor noodzakelijk) of naar het gemeente riool.

Figuur 4.9.3 Principe doorsnede wadi

46/55

Verder wordt het eigen terrein vergroend in plaats van het nu aanwezige grind. De parkeervakken en aanrijroute worden uitgevoerd in Nidagrass roosters (of gelijkwaardig), deze zijn volledig begroeid met gras voor groene parkeerplaatsen en "bestrating". Dit kan een positieve werking hebben op te uiteindelijk te bergen hoeveelheid hemelwater. Vuilwater Het vuilwater voert via de bestaande afvoer af naar het gemeentelijke riool. Hier vinden geen wijzigingen plaats. 4.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de nadere uitwerking van het plan.

4.12 Trillingen 4.12.1 Normstelling en beleid Treinpassages kunnen resulteren in trillinghinder in gebouwen nabij een spoorlijn. Op basis van trillingmetingen en overdrachtsberekeningen van de trillingsoverdracht kan worden bepaald of er noodzaak is tot trillingbeperking. Het onderzoeksgebied van trillingen bij spoorwegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden vrijwel nooit voelbare trillingen op. In deel B van de SBR-richtlijn (opgesteld door Stichting Bouwresearch), bekend als 'richtlijn Hinder voor personen in gebouwen (door trillingen)' zijn specifieke richt- en streefwaarden opgenomen voor de beoordeling van trillinghinder door weg- en railverkeer. Dit zijn geen wettelijke richtlijnen. Indien uit onderzoek blijkt dat trillingsreducerende maatregelen noodzakelijk zijn, dan zijn in principe drie mogelijkheden tot maatregelen, te weten bij de bron, bij de overdacht en bij het gebouw. Maatregelen bij de bron en in het overdrachtgebied zijn zeer kostbaar en moeilijk realiseerbaar. Bij het gebouw zelf kunnen relatief eenvoudige maatregelen worden genomen. Dit kan in de vorm van het inpakken van de fundatie of door toepassing van een trillingdempende isolatie in de fundatie, waarbij de bodemtrillingen worden geïsoleerd van de bovenliggende constructie.

4.12.2 Toetsing Het projectgebied ligt circa 1 kilometer ten zuiden van het spoortraject Breda-Roosendaal. Gezien deze ruime afstand is geen trillingshinder te verwachten. Onderzoek naar trillingen is dan ook niet noodzakelijk. 4.12.3 Conclusie Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Bomen en groen 4.13.1 Normstelling en beleid Zoals beschreven in paragraaf 3.4.5 heeft de door de gemeenteraad vastgestelde Groenbeleidsnota als doelstellingen het beschermen en versterken van het openbaar groen in bestaand stedelijk gebied, evenals het versterken van de samenhang van het groen met oog voor landschappelijke, ecologische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische patronen.

47/55

4.13.2 Toetsing Op de beschermde bomenlijst staan beschermde houtopstanden en losse bomen binnen de gemeente Etten-Leur. Binnen het projectgebied zijn geen bomen of andere elementen die op de beschermde bomenlijst staan. De bomen rond de Oude Baan en de bomen op en rond de parkeerplaats van de sportvelden aan de Olympiade staan wel op deze lijst. Deze liggen echter allemaal buiten het projectgebied. De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op deze bomen. De beschermde bomenlijst is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. Binnen het projectgebied is geen sprake van openbaar groen. Het projectgebied is geheel privaat terrein. Met de beoogde ontwikkeling wijzigt het omliggende openbare groen niet. Met de beoogde ontwikkeling wordt het terrein aan de noordzijde opnieuw ingericht. De lage hagen aan de rand worden aan de noordzijde doorgezet. De parkeerplaatsen worden met groen omgeven en de parkeerplaatsen zelf worden met halfopen-verhardingen (grastegels) gerealiseerd. Zodoende ontstaat een groenere uitstraling van het projectgebied dat beter aansluit bij zijn directe omgeving. 4.13.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de groene doelstellingen van de gemeente Etten-Leur.

4.14 Duurzaamheid 4.14.1 Normstelling en beleid Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als:  bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering);  uitputting van grondstoffen te verminderen;  vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan. Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD.

De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt:  Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak;  Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak;  Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%.  Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in.

48/55

Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw.

4.14.2 Toetsing en conclusie Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde bebouwing de volgende maatregelen toegepast:  Aansluiten bij BENG normen;  Geen aansluiting op gasnet;  Toepassing van luchtwarmtepompen;  Toepassing doorlatende verhardingen (grastegels) op eigen terrein. Verder zijn van toepassing de volgende duurzame, circulaire bouwmaatregelen:  casco in CLT ( Cross Laminated Timber): stikstof bindend;  gevelbekleding van biobased planken: stikstof bindend;  interieur bekleding van biobased materiaal;  groen sedum dak op de binnenstraat;  het afkoppelen van het hemelwater;  onderhoudsvriendelijke materialen;  biobased verven toepassen;  toepassen van natuurlijke koeling: zomer nachtspuien. Met de voorgaande maatregelen wordt mede invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van de BENG, de Wet VET en GPR Gebouw.

49/55

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële aspecten

Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om o.a. kosten van de planontwikkeling (procedure artikel 2.12 eerste lid onder a onder 3 Wabo) en mogelijke planschade te verhalen op grondeigenaren. In het kader hiervan wordt tussen initiatiefnemer en gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst betreft de kostenraming van de gehele realisatie van de ontwikkeling. Deze kostenraming is gedeeld met de gemeente Etten-Leur. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

5.2

Maatschappelijke aspecten en procedure

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken. 5.2.1 Participatietraject In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft op donderdagavond 28 november 2023 een participatiebijeenkomst plaatsgevonden. De informatieavond is bezocht door circa 40 personen. Dit betrof een mix van omwonenden, raadsleden en enkele adviseurs. Bij drie stands konden de aanwezigen informatie ontvangen over het plan variërend van bouwkundig tot het beoogde integraleleisure concept met het pannenkoekenhuis en de naastgelegen buitenspeeltuin aan de Hoge Neer. Het initiatief van de indoor speeltuin is positief ontvangen, echter is een aantal omwonenden bezorgd over het parkeren (het aantal parkeervakken op de loactie) en de parkeer- en verkeersituatie in de wijk in zijn algemeenheid. Het verslag van de participatieavond is opgenomen als bijlage PM bij deze ruimtelijke onderbouwing. In het verslag wordt het plan nogmaals kort toegelicht en zijn de vragen en aanbevelingen opgenomen zoals deze op de avond zijn opgehaald. Op basis van de vragen en aanbevelingen zijn de vervolgstappen benoemd.

50/55

5.2.2 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de ruimtelijke onderbouwing toegestuurd naar de vaste overlegpartners. Dit zijn voor dit plan de Veiligheidsregio, provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta en ProRail. 5.2.3 Procedure Gemeente Etten-Leur heeft aangegeven medewerking te willen verlenen in de vorm van een uitgebreide omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo en artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo). De ontwerp omgevingsvergunning wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd.

51/55

52/55

Bijlagen

53/55

54/55

Bijlage 1 Stikstofonderzoek

55/55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=9e1c6404-fb70-47ca-9767-7d02b98939e4