Indoor speelpaleis De Hoge Neer ontwerp
Tekst van het document
Indoor speelpaleis De Hoge Neer
5 december 2024
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
4
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding en doel
5
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
7
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Toekomstige situatie
11
Beleidskader
17
3.1
Inleiding
17
3.2
Rijksbeleid
17
3.3
Provinciaal beleid
19
3.4
Gemeentelijk beleid
22
Hoofdstuk 4
Milieu aspecten
26
4.1
Inleiding
26
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
26
4.3
Bedrijven en milieuzonering
27
4.4
Externe veiligheid
28
4.5
Kabels en leidingen
30
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
31
4.7
Geluid
34
4.8
Bodem
35
4.9
Ecologie
36
4.10
Luchtkwaliteit
40
4.11
Water
42
4.12
Trillingen
47
4.13
Bomen en groen
47
4.14
Duurzaamheid
48
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
50
5.1
Financiële aspecten
50
Hoofdstuk 3
2/55
5.2
Maatschappelijke aspecten en procedure
Bijlagen Bijlage 1
3/55
50
53 Stikstofonderzoek
55
Ruimtelijke onderbouwing
4/55
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
De oude Vlaamse schuur aan de Hoge Neerstraat 1 in Etten-Leur is in 2020 afgebrand. Deze schuur was tot die tijd in gebruik als feestzaal. Initiatiefnemer is voornemens een nieuwe schuur, in de oude stijl, te realiseren en het gebruik als feestzaal te wijzigen in een indoor speeltuin. Hierbij heeft initiatiefnemer een nieuw totaalconcept voor het gehele ensemble voor ogen. Voor het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Etten Zuid', waarbij de gronden bestemd zijn als 'Horeca'. Tevens is gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' van toepassing en gelden een bouwvlak en enkele maatvoeringsaanduidingen. De aanvraag voor de bouw van de schuur is in december 2023 reeds ingediend. Het beoogde gebruik is echter in strijd met het geldend bestemmingsplan. De gemeente Etten-Leur heeft aangegeven medewerking voor de ontwikkeling te willen verlenen via een uitgebreide omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan (art. 2.1, lid 1 onder c Wabo en artikel 2.12 lid 1a onder 3 Wabo). Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
Figuur 1.1
5/55
Aanzicht Noordoostgevel nieuwe Vlaamse schuur (Bron: OSA Architecten)
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt aan de oostzijde van Etten-Leur, ten zuiden van de Bredaseweg. Het projectgebied wordt kadastraal aangeduid als gemeente Etten-Leur, sectie P perceelnummers 3447 en 3448. Het projectgebied heeft een gezamenlijk oppervlak van 4.404 m2. Het noordelijk deel van het projectgebied waar de wijzigingen plaatsvinden heeft een oppervlakte van circa 2.100 m2. De ligging en begrenzing is weergegeven in de figuren 1.2 en 1.3.
Figuur 1.2
Ligging projectgebied (Bron: Google Maps)
Figuur 1.3
Begrenzing projectgebied (Bron: Kadastrale kaart)
6/55
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Etten Zuid' (vastgesteld op 28 september 2010 en onherroepelijk geworden op 25 november 2010), waarbij de gronden bestemd zijn als 'Horeca' en aan de noordwestzijde een klein gedeelte als 'Groen'. Een uitsnede van de verbeelding is weergegeven in figuur 1.4. In het projectgebied is een bouwvlak van toepassing en gelden tevens enkele maatvoeringsaanduidingen. Hierbij is een maximum bebouwingspercentage terrein van 40% opgenomen, daarbij gelden een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter.
Figuur 1.4 Uitsnede geldend bestemmingsplan met aanduiding projectgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen) De gronden met de bestemming 'Horeca' zijn bestemd voor een horecabedrijf die voorkomt in categorie 1 en/of 2 in de staat van horeca-activiteiten, een bedrijfswoning alsmede voor (bijbehorende) magazijn, kantoor en/of kantine, terras, tuinen en andere groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen en andere verhardingen. Volgens de staat van horeca-activiteiten (Bijlage 2 bij het bestemmingsplan 'Etten Zuid') betreft categorie 1 'lichte horeca'. Onder 'lichte horeca' vallen onder andere een koffiebar, snackbar, bistro en restaurant. Categorie 2 betreft 'middelzware horeca' zoals een bar, café en zalenverhuur. In het grootste deel van het projectgebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' (figuur 1.5). De gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor de instandhouding en bescherming van de voorkomende waarden.
7/55
Figuur 1.5
Gedeelte projectgebied met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' (Bron: Ruimtelijkeplannen)
De (her)bouw van de nieuwe schuur is op basis van het bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk. Binnen de geldende bestemmingen is het gebruik als indoor speeltuin echter niet toegestaan. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld en zijn de benodigde onderzoeken uitgevoerd.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie in en rond het projectgebied en geeft inzicht in de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Etten-Leur. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het initiatief en de procedure.
8/55
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het projectgebied ligt aan de Hoge Neerstraat 1. De locatie heeft een ietwat solitaire ligging en opzichte van de zuidelijk gelegen woonwijk Hoge Neerstraat. Aan de zuidzijde wordt de locatie begrensd door de Olympiade die richting het westen overgaat in de Vlaamse schuur. Aan de westzijde wordt de projectlocatie begrensd door de Hoge Neerstraat, dit betreft de toerit naar de projectlocatie, die in het noorden doorloopt richting de Oude Baan. De Oude Baan wordt middels een waterloop gescheiden van het projectgebied. Aan de westzijde ligt vervolgens een groenstrook en het de Lage Neestraat, een langzaamverkeersroute richting het noorden. De oostzijde wordt begrensd door de oude weide die in gebruik is als buitenspeeltuin Hoge Neer. In de omgeving van het projectgebied komen verder overwegend verschillende functies voor: Woonfuncties in het zuiden, sport en spel en parkeren in het oosten. Verder naar het oosten en noorden komt tevens bedrijvigheid voor. De voormalige Vlaamse schuur is in 2020 afgebrand. De nog aanwezige bebouwing binnen het projectgebied bestaat uit de boerderij (met voormalige woongedeelte), bakhuisje, voormalige dierenverblijf en keukengebouw. Deze bebouwing is in gebruik als kinderopvang, lunch restaurant en pannenkoekenhuis. In de noordwesthoek van het projectgebied is een transformatorhuisje aanwezig.
De zuidelijke zijde van het projectgebied, en ten noorden van de boerderij, is ingericht als groene tuin en terras bij het pannenkoekenhuis. De noordzijde van het projectgebied is bija geheel verhard. Het perceel wordt aan de rand omgeven door een lage haag. Aan de zuidzijde, parallel aan de Olympiade staat een dubbele bomenrij.
Figuur 2.1
9/55
Zicht op de locatie vanuit het noordwesten (Bron: Google Maps, juli 2023)
Figuur 2.2
Zicht op de locatie vanuit het zuidoosten (Bron: Google Maps, juli 2023)
De contour van de voormalige Vlaamse schuur is momenteel nog goed zichtbaar. Via Topotijdreis is de ligging en aanwezigheid van de voormalige Vlaamse schuur tot 2018 goed te zien, zie figuur 2.3.
Figuur 2.3 Luchtfoto 2018 (Bron: topotijdreis.nl)
10/55
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Programma en karakter De ontwikkeling heeft betrekking op de herbouw van de Vlaamse schuur en het realiseren van een indoor speeltuin. De te herbouwen Vlaamse schuur wordt in totaal 447 m² groot. Hier kunnen maximaal 175 mensen verblijven, evenveel als in de voormalige schuur. De nieuwe schuur en de centrale keuken worden met elkaar verbonden via een nieuwe ruime binnenstraat/ hal. Deze heeft een oppervlakte van 135 m2. Dit wordt de toekomstige centrale entree vanaf de parkeerplaats tot de indoor speeltuin. De oude Vlaamse schuur stond in de oude situatie 3 meter vanaf de centrale keuken. De nieuw te bouwen Vlaamse schuur zal op circa 6 meter vanaf de centrale keuken gesitueerd worden. Daarmee schuift de nieuwe schuur dus enkele meters naar het noorden en wordt een ruimere binnenstraat gerealiseerd. Op hetzelfde perceel zijn al een lunch restaurant, pannenkoekenhuis en kinderdagverblijf aanwezig en naast het perceel ligt een buitenspeeltuin. Deze functies zijn vanaf de zuidzijde, de straatzijde Olympiade, bereikbaar. De indoor speeltuin is een goede aanvulling op deze locatie. Hiermee ontstaat ruimte om zowel binnen als buiten te spelen en dus meer mogelijkheden tijdens alle weersomstandigheden. Tabel 2.1 Oppervlakten bebouwing oppervlakte m2 bvo
gebouw/ bouwdeel
functie
bestaande woning in boerderij
kinderopvang
159 m2
bestaande oude 'stal' in boerderij
lunch restaurant
253 m2
bestaand oud dierenverblijf
pannenkoekenhuis
128 m2
bestaande keuken
gemeenschappelijke keuken
171 m2
bestaand bakhuisje
bergplaats
31 m2
nieuwe Vlaamse Schuur
indoor speeltuin
447 m2
nieuwe binnenstraat
entree / hal
135 m2
11/55
Figuur 2.4
Inrichtingsplan toekomstige situatie (Bron: OSA Architecten)
De nieuwe Vlaamse schuur wordt ingericht met een speelgedeelte, circa 300 m2 aan speeltoestellen (blauw deel in figuur 2.5) en een zitgedeelte, circa 85 m2, voor ouders en verzorgers (oranje deel in figuur 2.5). In het zitgedeelte kan genoten worden van een hapje en een drankje. Dit wordt voorzien vanuit de bestaande centrale keuken. Op de begane grond zijn verder voorzieningen als sanitair en kleedruimte gelegen (groen deel in figuur 2.5). Op de eerste verdieping wordt een entresol van circa 60 m2 gerealiseerd die ouders en verzorgers als werkplek kunnen gebruiken (oranje deel in figuur 2.6). De doelgroep van de indoor speeltuin is kinderen tot circa 12 jaar. Het betreft dus kinderen tot maximaal einde van de basisschoolleeftijd. Deze kinderen komen onder begeleiding van ouders en verzorgers. Voor deze begeleiders worden voldoende voorzieningen gerealiseerd voor een aangenaam verblijf. De horeca/zitgedeelte en de werkplekken zijn te allen tijde ondergeschikt aan het gebruik als indoor speeltuin. Het meeste gebruik van de speeltuinen, binnen en buiten, zal na schooltijden en in de vakanties plaats vinden. Voor kinderfeestjes en dergelijke wordt gebruik gemaakt van het bestaande pannenkoekenhuis.
12/55
Figuur 2.5
13/55
Plattegrond begane grond (Bron: OSA Architecten)
Figuur 2.6
Plattegrond eerste verdieping (Bron: OSA Architecten)
Figuur 2.7
Aanzicht kopgevel (Bron: OSA Architecten)
2.2.2 Terreininrichting De zuidzijde van het terrein blijft ongewijzigd. Deze is en blijft ingericht als tuin en terras bij het pannenkoekenhuis. Met de herbouw van de Vlaamse schuur wordt ook de noordzijde van het terrein opnieuw ingericht. Dit voornamelijk ten behoeve van parkeren. Parkeren voor de nieuwe functies gebeurt dan ook volledig op het eigen terrein. Hiervoor zullen 30 parkeervakken aangelegd worden aan de noordelijke zijde van het perceel. Ook zal er op eigen terrein een fietsenstalling aanwezig zijn. Het parkeerterrein wordt aangekleed met voldoende groen om een groene uitstraling te creëren. Ook wordt er gebruik gemaakt van grastegels. Daarmee wijzigt het nu grotendeels verharde terrein naar een half-verhard terrein met een groene aankleding aan de randen. Het gehele terrein zal afgesloten worden met een hek en poorten, zodat de kinderen veilig overal naar toe kunnen lopen. Het parkeerterrein heeft een toegang tot de Hoge Neerstraat aan de westzijde. Verder zijn het kinderdagverblijf, het lunch restaurant en het pannenkoekenhuis via losse paden bereikbaar. Aan de oostzijde is een entree naar de buitenspeeltuin. 2.2.3 Verkeer en parkeren Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wel dient in de ruimtelijke onderbouwing te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet mag leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
14/55
2.2.3.1 Ontsluiting Het projectgebied wordt aan de westzijde ontsloten via de Hoge Neerstraat. Het betreft een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u. Vanaf de Hoge Neerstraat leidt het gemotoriseerd verkeer richting het westen via de Vlaamse Schuur naar de Couperuslaan. Een kleiner deel van het gemotoriseerd verkeer rijdt via de Olympiade naar het zuiden, om eveneens op de Couperuslaan uit te komen. De Couperuslaan is een gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km/u. De buitenspeeltuin en sportvoorzieningen ten oosten van het projectgebied hebben een eigen toerit en parkeerplaats die ontsluit op de Olympiade. Langs de Vlaamse Schuur en Olympiade ligt een gescheiden fietspad. Ten noorden van het projectgebied kan langzaam verkeer tevens via de Lage Neerstraat, onder de Bredaseweg door, richting de Nachtegaallaan ontsluiten. 2.2.3.2 Verkeersgeneratie en -afwikkeling De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van kencijfers van het CROW (publicatie 381). Uitgegaan wordt van sterk stedelijk gebied binnen 'rest bebouwde kom'. In de huidige situatie heeft het projectgebied een horecafunctie met reeds een verkeersaantrekkende werking als gevolg van de aanwezige functies. Bij de voormalige feestzaal kwamen bovendien regelmatig touringcars. De berekening ziet uitsluitend op de toename van de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
De verkeersgeneratie is weergegeven in tabel 2.2. Het horeca/zitgedeelte bij de indoor speeltuin geldt niet als 'losse' restaurantfunctie, maar als ondergeschikt bij de indoor speeltuin. Ook de werkplekken zijn ondergeschikt aan de indoor speeltuin en genereren geen extra verkeer. De oppervlakte van de gehele nieuwe schuur maakt daarmee onderdeel uit van de indoor speeltuin zelf. De beoogde indoor speeltuin valt gezien zijn omvang van maximaal 447 m2 in de CROW categorie 'indoorspeeltuin (kinderspeelhal) gemiddeld en kleiner'. Hiervoor geldt een verkeersaantrekkende werking van minimaal 3,3 mvt/e per 100 m2 bvo en maximaal 11,8 mvt/e per 100 m2 bvo. Worst-case wordt in de berekening uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. Tabel 2.2
Verkeersgeneratie toekomstige situatie
indoor speeltuin Totaal
Aantal
Kencijfers CROW Weekdag (per 100 m2 bvo)
Werkdag
447 m2
11,8
71 mvt/e
53 mvt/e
71 mvt/e
Voor het beoogde programma betekent dit een verkeersgeneratie van 53 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,33. Op een gemiddelde werkdag genereert de ontwikkeling 71 mvt/etmaal. Het meest gebruik van de speeltuinen, indoor en outdoor, zal na schooltijden en in de vakanties plaats vinden. Dit is dus buiten de ochtendspits. De berekende verkeersgeneratie is dusdanig beperkt dat het zal opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Er bestaat ook een sterke relatie tussen de nieuwe indoor speeltuin en de reeds bestaande functies. Gebruikers van de indoor speeltuin maken veelal ook gebruik van het lunch restaurant en het pannenkoekenhuis, maar ook van de naastgelegen buitenspeeltuin. In werkelijkheid zal de toename van verkeer daarom minder zijn. De berekende toename van de verkeersgeneratie betreft derhalve een worst-case scenario.
15/55
Bovendien zou op deze verkeersgeneratie planologisch gezien de verkeersgeneratie van het voormalige gebruik als feestzaal nog in mindering gebracht kunnen worden. In tegenstelling tot de oude feestzaal zullen er in de nieuwe situatie verder geen touringcar bussen meer door de wijk rijden. 2.2.3.3 Parkeren In de basis moet worden voldaan aan de 'Parkeernormen Etten-Leur'. Dit is als zodanig ook opgenomen in de ruimtelijke kaders waarmee de gemeenteraad heeft ingestemd. Hierbij wordt uitgegaan van een ligging in 'Rest bebouwde kom', en een 'sterk stedelijkheid'. De ontwikkeling ziet uitsluitend op de realisatie van een indoor speeltuin met daaraan ondergeschikte functies zoals horeca. Daarom wordt voor de parkeerbehoefte van de ontwikkeling uitgegaan van het brutovloeroppervlak (bvo) van de indoor speeltuin. Volgens de parkeernormen kan voor een indoor speeltuin een norm van 4,4 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo worden gehanteerd. De parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling is weergegeven in tabel 2.2. Tabel 2.2
Parkeerbehoefte toekomstige situatie Aantal
indoor speeltuin Totaal
447 m
2
Norm (gemiddeld) 2
4,4 per 100 m bvo
Parkeerbehoefte 19,6 20
Het parkeren ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling vindt, zoals weergegeven in de figuren in paragraaf 2.2.1, aan de noordzijde van het projectgebied plaats. In totaal worden binnen het projectgebied 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Binnen het projectgebied wordt verder door eigen personeel geparkeerd. Dit zijn circa 6-8 personenauto's. Daarnaast wordt voor eigen personeel verwezen naar het parkeerterrein bij de sportvelden. Met de realisatie van 30 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen voor de indoor speeltuin. In de huidige situatie wordt ten behoeve van het lunch restaurant en het pannenkoekenhuis gebruik gemaakt van bestaande parkeervakken aan de Olympiade en het naastgelegen parkeerterrein. Uitsluitend het personeel parkeert op het eigen terrein. Deze horecafuncties zijn niet direct bereikbaar vanaf de parkeerplaats. Enkel door om het perceel heen te lopen. Dit zal ook in de toekomstige situatie zo zijn. Bij een mogelijk opening naar de buitenspeeltuin dient nog steeds om het perceel heen gelopen te worden. De overige 10 parkeerplaatsen op de parkeerplaats bieden naast parkeerruimte voor het personeel echter wel ruimte voor de achtervang van de bestaande horecafuncties. De parkeerbehoefte aan de straatzijde kan daarmee verder worden ontlast worden.
Gezien de aan elkaar gerelateerde functies zijn geen verdere parkeerexcessen te verwachten. Met deze beoogde parkeeruitwerking wordt het open, groene karakter en daarmee de verblijfskwaliteit binnen het projectgebied gewaarborgd.
16/55
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal en regionaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Tot slot wordt in paragraaf 3.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Toetsing Het planvoornemen voorziet in functiewijzigingen en de herbouw van de Vlaamse schuur. Een dergelijk project is op de nationale schaal dermate kleinschalig dat dit geen invloed kan hebben op de rijksbelangen. Wel wordt met het planvoornemen een duurzame en toekomstbestendige invulling gegeven aan een bestaande locatie. Dit sluit aan op de ambitie zoals opgenomen in de NOVI dat men open staat voor verandering maar waar de kracht van traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling in het bestaand stedelijk gebied van Etten-Leur past binnen de Nationale omgevingsvisie. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in de NOVI. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden.
Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Toetsing Op het projectgebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro.
17/55
3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt bij een functie toevoeging of wijziging op basis van jurisprudentie op 500 m². De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit twee stappen: de eerste stap bestaat uit het aantonen van de behoefte voor de beoogde ontwikkeling. Voor de tweede stap wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dit nadrukkelijk gemotiveerd te worden in de ruimtelijke onderbouwing. Toetsing Uitgangspunt is het toevoegen van in totaal 582 m2 aan nieuwe bebouwing, een indoor speeltuin van 447 m2 en een entreegebouw voor het gehele ensemble van 135 m2. Het speelgedeelte van de indoorspeeltuin heeft een oppervlakte van 300 m2.
Daarnaast zijn er nieuwe ondergeschikte functies aanwezig zoals een zitgedeelte met horeca (circa 85 m2) en een werkruimte (circa 60 m2). Het bouwen van ondergeschikte bouwdelen zoals het entreegebouw en het gebruik ten behoeve van horeca is rechtstreeks mogelijk. De beoogde functie als indoor speeltuin is op dit moment niet toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan, zie paragraaf 1.3. Een ontwikkeling van functies zoals een indoor speeltuin wordt vanaf 500 m2 gezien als een stedelijke ontwikkeling. De beoogde indoor speeltuin is relatief klein in omvang, maximaal 300 m2 aan speeltuin exclusief ondersteunende functies en maximaal 447 m2 inclusief ondergeschikte functies zoals horeca en werkruimte. De indoor speeltuin is daarnaast geen op zichzelf staande functie maar vormt een aanvulling op het gehele ensemble. Daarnaast is de indoor speeltuin tevens een aanvulling op de naastgelegen buitenspeeltuin. De toevoeging van 300 m2 aan indoor speeltuin wordt daarom niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. De overige nieuwe functies zijn wel toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan. Deze functies zijn ondergeschikt aan de indoor speeltuin en tevens ondersteunend aan de reeds bestaande functies binnen het projectgebied.
Het projectgebied ligt binnen het 'bestaand stedelijk gebied' van Etten-Leur. Een nadere beschrijving van de behoefte is vanwege de omvang, de ondergeschiktheid van de overige functies en de ligging binnen 'bestaand stedelijk gebied' niet noodzakelijk. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.
18/55
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant (vastgesteld op 14 december 2018) is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing In de stedelijke structuur streeft de provincie naar concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur, inspelen op demografische ontwikkelingen en versterking van economische clusters.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de herstructurering van gronden ten behoeve van horeca en ontspanning voor een specifieke doepgroep op een binnenstedelijke locatie. Daarmee wordt ingespeeld op het streven naar concentratie van verstedelijking en zorgvuldig ruimtegebruik. Tevens speelt dit in op de hoofdopgaven 'Werken aan een concurrerende, duurzame economie'. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. De provincie heeft nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen).
Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
19/55
Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Toetsing Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'kernen in landelijk gebied'. Het projectgebied ligt binnen het gebied 'kernen in landelijk gebied' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (figuur 3.1).
Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen met als hoofdregel dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaats moet vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik. Voorliggende ontwikkeling speelt in op deze mogelijkheden en is hiermee passend binnen de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
20/55
Figuur 3.1
Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant)
3.3.3 Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen het provinciaal en regionaal beleid.
21/55
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Etten-Leur doet het gewoon! De gemeente Etten-Leur heeft een Omgevingsvisie voor het grondgebied opgesteld. Daarmee legt de gemeenteraad zijn lange termijnambities en -doelstellingen voor de fysieke leefomgeving vast. De gemeenteraad heeft op 11 juli 2022 de Omgevingsvisie Etten-Leur doet het gewoon! vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn vijf ambities geformuleerd. Deze ambities worden gebruikt als rode draad voor het bepalen van de koers van het beleid. Het gaat om de volgende ambities: Iedereen kan meedoen; Behoud en versterking (basis)kwaliteit leefomgeving; Zorg voor leefbaarheid en gezondheid; Bevorderen van een goede (ook digitale) bereikbaarheid; Duurzame economische ontwikkeling met haalbare en betaalbare doelen en oog voor innovatie. Buiten deze vijf ambities zijn er gebiedsvisies geformuleerd voor verschillende gebieden binnen de gemeente. De situering van het projectgebied binnen bestaand stedelijk gebied binnen een woonwijk geeft aanleiding voor het toedelen van het gebied 'woongebieden' (figuur 3.3).
Figuur 3.3
Uitsnede kaart Omgevingsvisie Etten-Leur met projectgebied wit aangeduid (Bron: Gemeente Etten-Leur)
Voor het gebied 'woongebieden' zijn acht speerpunten geformuleerd: Beschermen en behouden groen stedelijk karakter; Behoud, versterken en verduurzamen van de bestaande woningvoorraad; Verbreden woningaanbod in bestaande wijken; Wijk- en buurtwinkelcentra zijn plek voor ontmoeting;
22/55
Onderwijs, spel, sport en andere maatschappelijke voorzieningen; Zorgvriendelijke wijken; Gezonde wijken met een goede omgevingskwaliteit; Uitbreiding van en ruimte voor nieuwe woongebieden.
De omgevingsvisie formuleert tevens een aantal ambities, doelstellingen en uitgangspunten met betrekking tot milieu en duurzame ontwikkeling, geïntegreerd vanuit de voormalige Milieuvisie 2010 - 2020. Eén daarvan is de integratie van milieubeleid met ruimtelijk beleid. Het is voor iedere ruimtelijke ontwikkeling dus van belang rekening te houden met bodem, water, flora en fauna, milieuzonering, geluidshinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid en duurzaamheid. Toetsing De beoogde ontwikkeling van voorzieningen (horeca en speelvoorzieningen) is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en binnen de aanduiding woongebied. Hierbij wordt een plek voor ontmoeting en ontspanning gerealiseerd binnen een bestaand woongebied. De beoogde nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd conform de nieuwste duurzaamheidstandaarden te vinden in de BENG normen en worden zonder gasaansluiting gebouwd (zie ook paragraaf 4.14). Uitgangspunt voor de herinrichting van het projectgebied is een kwalitatief goed plan met een balans tussen verstening (bebouwing en verharding) en groen. Binnen het projectgebied wordt voldaan aan de parkeernormen. Een toets aan de in de omgevingsvisie opgenomen milieuaspecten vindt plaats in hoofdstuk 4 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis hiervan kan gesteld worden dat
de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Etten-Leur.
3.4.2 Beleidsvisie externe veiligheid Op 15 december 2008 heeft de gemeenteraad de beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Deze visie bevat voor verschillende gebiedstypen de ambities en keuzes met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de opstelling van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met deze ambities en uitgangspunten. Toetsing Het projectgebied valt conform de beleidsvisiekaart externe veiligheid binnen het gemengd gebied (figuur 3.4). Uitgangspunt binnen dit gebiedstype is dat bij een ontwikkeling geen overschrijding van de grenswaarde van het plaatsgebonden risico mag plaatsvinden. Een overschrijding van de richtwaarde is binnen het gemengd gebied acceptabel. Een toename van het groepsrisico is bij een ontwikkeling in beginsel acceptabel mits er een verantwoording van het groepsrisico met extra aandacht voor bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, beheersbaarheid, zelfredzaamheid en resteffect plaatsvindt. Nieuwe kwetsbare objecten bestemd voor groepen minder zelfredzame mensen zijn niet toegestaan, tenzij de nut en noodzaak van de ontwikkeling sterker wegen dan de overige aspecten.
23/55
Figuur 3.4 Uitsnede gebiedsindelingen Beleidsvisie externe veiligheid, projectgebied met wit aangeduid (Bron: gemeente Etten-Leur) Het aspect externe veiligheid is nader verantwoord in paragraaf 4.4. 3.4.3 Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 Op 4 februari 2019 heeft de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 vastgesteld. In dit nieuwe plan zijn het rioolbeleid en de maatregelen voor de komende planperiode vastgelegd en is tevens de financiële dekking geregeld voor nog te verrichten investeringen. Met dit rioleringsplan voldoet de gemeente aan haar wettelijke verplichting en geeft de gemeente invulling aan haar zorgplichten voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater, inzameling en verwerking van hemelwater en de zorgplicht voor grondwater. De gemeente heeft in de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in het rioolstelsel en dit is grotendeels technisch op orde. De komende jaren zal weer een deel van de riolering worden vervangen. Er wordt op een aantal locaties hemelwater afgekoppeld van het vuilwater en er vindt renovatie plaats van gemalen. Tot slot is er een beperkt budget gereserveerd voor klimaatadaptatie. Toetsing In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten van de beoogde ontwikkeling.
3.4.4 Hemelwaterverordening Etten-Leur De gemeenteraad van Etten-Leur heeft op 6 december 2022 de 'Hemelwaterverordening Etten-Leur' vastgesteld. Deze nieuwe verordening gaat in op het gemeentelijke beleid met betrekking tot de opvang en verwerking van hemelwater en vormt een aanvulling op het VGRP. De Hemelwaterverordening is op 21 maart 2023 in werking getreden. Toetsing In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten van de beoogde ontwikkeling.
24/55
3.4.5 Groenbeleidsnota Op 3 december 2013 heeft de gemeenteraad de Groenbeleidsnota 2013-2018 vastgesteld. De Groenbeleidsnota heeft als doelstellingen het beschermen en versterken van het openbaar groen in bestaand stedelijk gebied evenals het versterken van de samenhang van het groen met oog voor landschappelijke, ecologische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische patronen. De nota dient als integraal beleidskader voor de stedelijke groenstructuur van de gemeente Etten-Leur, inclusief de randen tussen stedelijk gebied en buitengebied. De nota is in samenhang met andere beleidsterreinen een van de toetsingskaders voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing De huidige groenstructuur binnen het projectgebied zoveel mogelijk behouden. Doel is het bestaande groen daarbij te behouden. Uitgangspunt voor de herinrichting van het projectgebied is een kwalitatief goed plan met een balans tussen verstening (bebouwing en verharding) en groen. Het gebied heeft en behoud een groene uitstraling. In paragraaf 4.13 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt nader in gegaan op het aspect bomen en groen. 3.4.6 Welstandsnota Op 24 mei 2010 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota 2010 vastgesteld. Eén van de doelen van de welstandsnota is het leveren van een bijdrage aan het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteiten van een omgeving.
Deze kwaliteiten worden met name bepaald door de stedenbouwkundige opzet, de inrichting van het openbaar gebied en de architectonische vormgeving van de gebouwen en bouwwerken. De stedenbouwkundige opzet, waaronder de verkaveling en de toegestane bouwmassa’s worden begrepen, wordt vastgelegd in een bestemmingsplan. Bij de inrichting en materiaalkeuze van het openbaar gebied wordt rekening gehouden met de omgeving zodat er een harmonisch geheel ontstaat. Het architectonisch kwaliteitsniveau van de bebouwing, zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving, wordt geregeld in een welstandsnota. Toetsing Bij de verdere planuitwerking wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria van de welstandsnota. 3.4.7 Erfgoedverordening Etten-Leur 2018 In de 'Erfgoedverordening Etten-Leur 2018' (vastgesteld op 19 februari 2018) is onder andere vastgelegd op grond van en op welke wijze een gemeentelijk monument aangewezen kan worden en hoe de instandhoudingsplicht en bescherming geborgd is. Ook is hier een vergunningstelsel in opgenomen voor bescherming van monumenten. Toetsing Het bakhuisje binnen het projectgebied is aangewezen als rijksmonument. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe Vlaamse schuur gerealiseerd en in gebruik genomen. De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid.
Voor een uitgebreide toets aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie zie paragraaf 4.6. 3.4.8 Conclusie De beoogde ontwikkeling aan de Hoge Neerstraat 1 is in lijn met het gemeentelijk beleid.
25/55
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu aspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft grotendeels herbouw van een Vlaamse schuur met beperkte omvang. Van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in D11.2 is dan ook geen sprake. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van 585 m 2 aan bebouwing, waarvan het grootste deel herbouw. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee eveneens ruim onder de drempelwaarden. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling is een vormvrije mer-beoordelingsprocedure dan ook niet noodzakelijk. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Uit de toetsing van de verschillende milieuaspecten zoals in de volgende paragrafen is opgenomen blijkt dat er geen negatieve effecten opspelen.
26/55
4.3
Bedrijven en milieuzonering
4.3.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de ruimtelijke onderbouwing de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.3.2 Toetsing In de beoogde situatie wordt een indoor speeltuin met ondergeschikte functies gerealiseerd. Hiermee wordt geen milieugevoelige functie opgericht.
Toetsing aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure vanuit functies in de directe omgeving van het projectgebied op de ontwikkeling is dan ook niet noodzakelijk. In de omgeving van het projectgebied zijn echter wel gevoelige functies gelegen, namelijk woningen. Derhalve dient de mogelijke hinder als gevolg van de nieuwe functie beschouwd te worden in relatie tot deze woningen. Het projectgebied kenmerkt zich door verschillende functies, namelijk wonen, horeca, sport en richting het oosten dienstverlening. Tevens ligt het projectgebied nabij brede infrastructuur (Bredaseweg) en een parkeerterrein, een speeltuin en groenvoorzieningen, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied', zie figuur 4.1. De meest nabij gelegen gevoelige functies zijn de woningen aan de Olympiade. Deze liggen op circa 25 meter van het projectgebied. De beoogde indoor speeltuin wordt op circa 75 meter van de meest nabij gelegen woningen gesitueerd. Mogelijke hinder als gevolg van de indoor speeltuin betreft stemgeluid van spelende kinderen en ouders of buiteninstallaties. De richtafstand voor geluid betreft 30 meter in een 'rustige woonwijk'. In een 'gemengd gebied' kan dit met één stap worden teruggebracht tot 10 meter. Gezien de afstand tot de woningen wordt voldaan aan de richtafstanden. Daarnaast is bij de indoor speeltuin geen sprake van een buitenterras.
Bovendien zorgt de bestaande bebouwing binnen het projectgebied voor een afschermende werking tussen de indoor speeltuin en de woningen. De verschillende afstanden van de aanwezige en nieuwe functies tot de bestaande woningen aan de Olympiade zijn in figuur 4.1 weergegeven. Aan de zuidzijde van het projectgebied is het pannenkoekenhuis met terras gelegen, op circa 45 meter. Deze situatie is hier op basis van het geldende bestemmingsplan reeds toegestaan en blijft ongewijzigd. Aan de Olympiade ligt op circa 25 meter tevens een buitenspeeltuin. De nieuwe functie van indoor speeltuin heeft gezien zijn ligging en de reeds aanwezige toegestane 'buiten' activiteiten geen aanvullende invloed op de woningen aan de Olympiade.
27/55
Figuur 4.1 Functies en afstanden rond het projectgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen) 4.3.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor
28/55
kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10 -6 per jaar. Bij verlening van de omgevingsvergunning moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Beleidsvisie externe veiligheid Zoals beschreven in paragraaf 3.4.2 valt het projectgebied conform de beleidsvisiekaart externe veiligheid binnen het gemengd gebied. Uitgangspunt binnen dit gebiedstype is dat bij een ontwikkeling geen overschrijding van de grenswaarde van het plaatsgebonden risico mag plaatsvinden. Een overschrijding van de richtwaarde is binnen het gemengd gebied acceptabel. Een toename van het groepsrisico is bij een ontwikkeling in beginsel acceptabel mits er een verantwoording van het groepsrisico met extra aandacht voor bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, beheersbaarheid, zelfredzaamheid en resteffect plaatsvindt.
29/55
4.4.2 Toetsing Uit de informatie op de risicokaart blijkt dat de spoorlijn Roosendaal – Breda zich ten noorden van het projectgebied bevindt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt van onder andere de stofcategorie D4. Het invloedsgebied van dit spoor bedraagt 4 kilometer. Het projectgebied ligt op circa 1 km van deze spoorlijn. Omdat de afstand groter is dan 200 meter, is een berekening van het groepsrisico (QRA) niet noodzakelijk. Op ruim 500 meter richting het zuidoosten vanaf het projectgebied bevindt zich de A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verder vindt er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water of door buisleidingen. Ook bevindt het projectgebied zich niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.
4.4.3 Conclusie De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Kabels en leidingen
4.5.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Voor het aspect externe veiligheid ten aanzien van leidingen wordt verwezen naar paragraaf 4.4. 4.5.2 Toetsing en conclusie Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
30/55
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
4.6.1 Normstelling en beleid Erfgoedwet In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het projectgebied. Beleid provincie Noord-Brabant De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Beleid gemeente Etten-Leur In oktober 2010 heeft de gemeenteraad een actualisatie van het archeologiebeleid, de archeologische beleidskaart en de Erfgoedverordening vastgesteld. De beleidskaart is gebaseerd op de laatste archeologische stand van zaken en de actuele inzichten over dit onderwerp. De beleidskaart is leidend voor lokale projecten. 4.6.2 Toetsing 4.6.2.1 Archeologie Het projectgebied heeft een oppervlakte van 4.404 m2 en ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Etten-Leur grotendeels in gebied met een hoge (historische kern) verwachtingswaarde. De archeologische beleidskaart met daarbij de aanduiding van het projectgebied in wit is weergegeven in figuur 4.3.
31/55
Figuur 4.3
Archeologische beleidskaart Etten-Leur, projectgebied wit omlijnd (Bron: Gemeente Etten-Leur)
Volgens de geldende bestemming 'Waarde - Archeologie 1', zie paragraaf 1.3, geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij het oprichten of uitbreiden van gebouwen met een oppervlakte van maximaal 2.500 m 2 en de uitvoer van grondwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter onder maaiveld. Voor gebouwen ter vervanging van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd is geen onderzoek noodzakelijk. Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Etten-Leur uit 2009 geldt hier echter een 'hoge archeologische verwachting, historische kern' met een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De beoogde nieuwe bebouwing is bijna geheel voorzien binnen de contouren van de oude bebouwing. De nieuwe schuur komt echter 3 meter meer naar het noorden te liggen en valt daarmee niet geheel binnen de oude contour. De oppervlakte van de nieuwe schuur bedraagt 447 m2, even groot als de oude schuur. De nieuwe binnenstraat komt geheel binnen de contouren van de oude binnenstraat en de oude schuur. Slechts circa 100 m 2 van de nieuwe bebouwing komt buiten de oude contour. Met het planvoornemen wordt geen kelder gerealiseerd en vinden geen bodemingrepen plaats dieper dan 40 centimeter.
De grond is vanwege de voormalige aanwezigheid van bebouwing dusdanig verstoord dat ter plaatse van de beoogde nieuwe bebouwing geen archeologische waarden te verwachten zijn. De uitvoer van een archeologisch onderzoek is voor de beoogde werkzaamheden dan ook niet noodzakelijk. 4.6.2.2 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de beeldbepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
32/55
In figuur 4.4 is onderhavig projectgebied weergegeven in een uitsnede van de CHW. Binnen het projectgebied is rijksmonumentale bebouwing aanwezig. Dit betreft een bakhuisje met monumentnummer 15383 gelegen aan de zuidzijde van het projectgebied. Dit pand met pannendak en gele baksteen is in gebruik als opslag. In de toekomstige situatie worden geen wijzigingen aan dit pand aangebracht. De Hoge Neerstraat is aangemerkt als historische route met een hoge waarde. Met het planvoornemen vinden geen wijzigingen plaats aan de omliggende infrastructuur. Onderhavig planvoornemen heeft derhalve geen negatieve effecten op cultuurhistorische elementen, waarmee het aspect cultuurhistorie niet van verdere invloed is.
Figuur 4.4 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met aanduiding projectgebied (Bron: Provincie Noord-Brabant)
33/55
Figuur 4.5
Bakhuisje, monument 15383 (Bron: wikipedia: Lijst van Rijksmonumenten)
4.6.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Geluid
4.7.1 Normstelling en beleid De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.7.2 Toetsing Het de beoogde ontwikkeling worden geen geluidgevoelige functies gerealiseerd. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. Als gevolg van de nieuwe functie binnen het projectgebied ontstaan geen geluidshinder richting de omgeving. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 4.3.2.
4.7.3 Conclusie Het aspect geluid vormt na vaststelling hogere waarden Wet geluidhinder vanwege railverkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
34/55
4.8
Bodem
4.8.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.8.2 Toetsing De beoogde nieuwbouw wordt bijna geheel gerealiseerd ter plaatse van de fundering van de voormalige Vlaamse schuur. Deze fundering is vanwege de brand in 2020 niet meer bruikbaar en wordt in zijn geheel vervangen. Derhalve is een sonderingsonderzoek uitgevoerd naar de stabiliteit van de bodem. De aanvullende grondroerende werkzaamheden vinden uitsluitend plaats op dat deel dat direct buiten de bestaande fundering valt. Bodemonderzoeken uit het verleden geven geen aanleidingen om voor deze ruimtelijke onderbouwing nader onderzoek te laten verrichten.
Daar waar mensen samenkomen en verblijven moet de bodemkwaliteit zodanig goed zijn dat er geen risico is voor de gebruikers van de gebouwen op die bodem. Er is slechts beperkt sprake van een functiewijziging van horeca naar indoor speeltuin, waarbij tevens horeca(gerelateerde)functies worden gerealiseerd. De overige delen krijgen ook in de toekomstige situatie een horecafunctie. Horeca en een indoor speeltuin zijn geen bodemgevoelige functies in de zin dat ze geen risico voor bodemverontreiniging opleveren. Een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem ten behoeve van het toestaan van de indoor speeltuin is voor deze ruimtelijke procedure daarom niet noodzakelijk. Gezien de grote hoeveelheid personen die op de locatie langer verblijven zijn het wel functies die gevoelig (kunnen) zijn voor een slechte bodemkwaliteit. Hiervoor zal een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Voor de bouwvergunning zal derhalve wel een nieuw bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. 4.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor de bouwvergunning wordt een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd.
35/55
4.9
Ecologie
4.9.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 4.9.1.1 Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.