Bijlage 5C - Natuurtoets Hoge Zijpolder.pdf
Tekst van het document
5.4.1
Onderzoek aanwezigheid en gebiedsgebruik Door de geluiden die vleermuizen maken op te nemen kunnen ruimtelijke verschillen in de activiteit in beeld worden gebracht. Het aantal opnames vormt hierbij een maat voor de vastgestelde activiteit. Veldonderzoek naar de betekenis van het plangebied voor vleermuizen is uitgevoerd door met batloggers een vaste route in het onderzoeksgebied in de zomer (kraamtijd) en nazomer (paartijd en doortrek) te onderzoeken. De route is tijdens vier bezoeken met een batlogger op lage snelheid per fiets afgelegd (zie Bijlage IV). Een batlogger neemt automatisch vleermuisgeluiden op en legt daarbij de locatie vast. De opnames zijn geanalyseerd met het programma batscope. Aanvullend op het reguliere onderzoek met batloggers (zie hiervoor) is het plangebied in het najaar aanvullend onderzocht met een batdetector. Dit vond plaats op 21 augustus en 26 september 2018. Op deze wijze is gericht onderzoek verricht naar de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van boombewonende soorten.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
32
5.4.2
Bepaling van het aantal aanvaringsslachtoffers In zijn algemeenheid geldt voor het optreden van vleermuisslachtoffers in windparken het volgende: vleermuissoorten die zijn aangepast aan het vliegen en het foerageren in een open omgeving lopen het grootste risico om slachtoffer te worden. In Nederland lijkt de kans het grootst dat ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger als slachtoffer van een aanvaring met een windturbine zullen worden gevonden. Dit zijn de zogenaamde risicosoorten als het gaat om aanvaringen met windturbines. De kans op slachtoffers is het grootst op locaties in bos en op locaties waar gestuwde trek plaatsvindt (kustzone, oevers grote meren). Ook op korte afstand van bos en bomenrijen is sprake van een verhoogd risico op slachtoffers. Er is geen eenduidig effect van de grootte van windturbines in relatie tot risico’s op aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen. Technische aspecten (ashoogte, rotordiameter) van de geplande windturbines worden in de beoordeling dan ook niet als onderscheidend criterium meegenomen. Meer achtergrondinformatie over het optreden van vleermuisslachtoffers in windparken is beschikbaar in Bijlage II. In 2018 is veldonderzoek uitgevoerd om soortensamenstelling, aantallen per soort en habitatgebruik van vleermuizen in het plangebied te bepalen.
Deze data zijn gebruikt om risico’s per vleermuissoort door de windturbine te bepalen. Bijlage II gaat in op hoe de aantallen slachtoffers per soort worden berekend op basis van deze velddata.
5.4.3
Effectbeoordeling in relatie tot sterfte door aanvaringen Tijdens de gebruiksfase zijn effecten beperkt tot aanvaringsslachtoffers. Het risico op aantallen slachtoffers in de gebruiksfase wordt getoetst aan de staat van instandhouding van de relevante vleermuissoorten. De staat van instandhouding van een populatie wordt volgens de Habitatrichtlijn als gunstig beschouwd als: • uit populatie dynamische gegevens blijkt dat de soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op langere termijn zal blijven, en • het natuurlijk verspreidingsgebied van de soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en • er een voldoende groot habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populatie van de soort op lange termijn in stand te houden. Voor de landelijke staat van instandhouding zijn de schattingen voor de Nederlandse populaties gebruikt als gegeven in European Topic Centre on Biological Diversity (2021). Deze schattingen zijn te beschouwen als de populatieomvang van een soort voor de periode 2012-2017 op basis van beschikbare gegevens en deskundigenoordeel. De lokale instandhouding is in voorliggende rapportage berekend met deze data (Bijlage II). Daar waar is afgeweken van deze schatting, is dit toegelicht.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
33
Per vleermuissoort wordt in voorliggende effectbeoordeling het effect van het aantal aanvaringsslachtoffers op de populatie ingeschat door te toetsen aan de 1%mortaliteitsnorm (zie 5.3.2 en Bijlage II). In de voorliggende rapportage zijn de berekende/geschatte risico’s gerelateerd aan de ‘lokale populatie’ en vergeleken met 1% van de natuurlijke sterfte van de lokale populatie. De populatie is hierbij berekend voor een catchment area met een straal van 30 km rondom de nieuwe windturbine (zie Bijlage II). Grote wateroppervlakken worden niet als catchment area meegenomen.
5.5
Effectbepaling NNN en overige beschermde gebieden NNB Het plangebied van Windturbine Hoge Zijpolder maakt geen onderdeel uit van het NNB. Wel moet er rekening gehouden worden met externe werking. Dit betekent dat onderzocht moet worden of de aanleg en gebruik van de windturbine effecten kan hebben op de omvang en/of kwaliteit van het nabijgelegen NNB. Overige beschermde gebieden Er liggen geen overige beschermde gebieden, zoals rust- en foerageergebied ganzen en smienten, in de nabijheid van het plangebied.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
34
DEEL 2 AANWEZIGE NATUURWAARDEN
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
35
6 Vogels in en nabij het plangebied 6.1
Broedvogels
6.1.1
Broedvogels in het plangebied Broedvogels van de Rode Lijst Het plangebied en omgeving wordt gebruikt als broedgebied door broedvogels van de Rode Lijst, waaronder gele kwikstaart, grutto, graspieper, slobeend, torenvalk, tureluur en veldleeuwerik. Het betreft veelal enkele broedparen wijdverspreid door het plangebied op voornamelijk agrarische percelen en de slootranden. De torenvalk broedt in een nestkast tegen de stal nabij woonadres Zeedijk 2. Jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn meerdere nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten vastgesteld, het betreft een viertal nesten (in aanbouw, maart 2021) van buizerd. Deze nestlocaties bevinden zich allemaal in de populierenrij ten zuiden(oosten) van de beoogde windturbine. Deze nesten liggen op ca. 100-150 m van de beoogde windturbine.
Figuur 6.1 Jaarrond beschermde nesten in de omgeving van de beoogde windturbine
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
36
Koloniebroedvogels Het plangebied beschikt over weinig tot geen geschikt habitat voor vogels die broeden in kolonieverband, zoals reigers, aalscholvers, meeuwen en sterns. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen kolonies van vogels aanwezig. De dichtstbijzijnde kolonies zijn die van roeken op ruim 3 km afstand of meer in de omgeving van Prinsenbeek, in EttenLeur en aan de oostzijde van Oudenbosch. Waarnemingen uit het plangebied ontbreken, maar waarschijnlijk foerageren af en toe roeken in of nabij het plangebied. Blauwe reigers broeden in kolonieverband op meer dan 4 km afstand in de omgeving van Prinsenbeek en Breda. Deze vogels foerageren o.a. in het NNN tussen Etten-Leur en het plangebied en in het NNN wat verder ten oosten van het plangebied. Het plangebied zelf is van ondergeschikt belang sinds plas-dras gebieden ontbreken en sloten vrijwel ontbreken. Weidevogels en/of akkerbroedvogels De akkers en weilanden in het plangebied worden slechts marginaal gebruikt als broedgebied door weide- en akkerbroedvogels, waaronder kievit en scholekster. Door intensief agrarisch beheer zijn de aantallen broedparen van deze soorten laag in het plangebied, maximaal enkele broedparen.
Overige broedvogels Het plangebied maakt, naast bovenstaande soorten, deel uit van het broedgebied van algemene soorten broedvogels die wijdverspreid in Nederland voorkomen, waaronder duiven, spreeuw, mezen en andere zangvogels. Voornamelijk in bosschages langs de sloot aan de Groene Dijk en rondom de woning aan de Zeedijk 2 bieden geschikt broedgebied.
6.1.2
Broedvogels uit Natura 2000-gebieden in relatie tot het plangebied Aalscholver De Natura 2000-gebieden Biesbosch, Voornes Duin, Rijntakken en Veerse Meer zijn aangewezen voor aalscholver als broedvogel. In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen broedlocaties bekend van de aalscholver (NDFF 2020). Het plangebied beschikt niet of nauwelijks over geschikt foerageer- of rustgebied. Aalscholvers foerageren in de regio vooral op rivieren en in de Voordelta. In de omgeving van het plangebied foerageren af en toe enkele vogels op de rivier de Mark. De soort wordt in het plangebied weinig aangetroffen. Gezien de ligging van de belangrijke foerageergebieden (alle ten noorden van het plangebied) en de afstand tussen het plangebied en voornoemde Natura 2000gebieden zal dit slechts sporadisch gebeuren; er liggen veel geschikte(re) foerageergebieden in en dicht bij de broedkolonies in voornoemde gebieden. Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000-gebieden voor de aalscholver als broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De aalscholvers die in omliggende Natura 2000-gebieden broeden worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Lepelaar De Natura 2000-gebieden Hollands Diep, Krammer-Volkerak en Markiezaat zijn aangewezen voor lepelaar als broedvogel.
De soort broedt niet in het plangebied, de dichtstbijzijnde kolonies bevinden zich op Sassenplaat in het Hollands Diep en in het Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
37
Krammer-Volkerak. Het plangebied van Windturbine Hoge Zijpolder beschikt niet of nauwelijks over geschikt foerageergebied. Binnen het plangebied is de soort recent slechts incidenteel aangetroffen. Wel komt de lepelaar in beperkte mate voor in de natte gebieden in en rond het natuurgebied ‘Kelsdonk’ ten zuiden van het plangebied (NDFF 2021). Mogelijk is een deel van deze vogels afkomstig uit de voornoemde kolonies. Gezien de verspreiding en de lage aantallen zijn regelmatige vliegbewegingen over het plangebied uitgesloten; de bewegingen zijn beperkt tot af en toe een enkeling. Bruine kiekendief Het Natura 2000-gebied Biesbosch is aangewezen voor bruine kiekendief als broedvogel. In het plangebied wordt de bruine kiekendief incidenteel waargenomen, voornamelijk foeragerend. In de directe omgeving is een broedlocatie bekend, namelijk ten zuiden van het plangebied in het natuurgebied ‘Kelsdonk’, welke geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied (NDFF 2021). De foerageervluchten van de bruine kiekendief concentreren zich grotendeels ten zuiden van de Leurse Haven, voornamelijk in ‘Kelsdonk’. Voor de bruine kiekendieven die in de Biesbosch broeden liggen veel geschikte(re) foerageergebieden in en dicht bij de Biesbosch. Het optreden van effecten op het behalen van de IHD die in de Biesbosch voor de bruine kiekendief als broedvogel geldt kan met zekerheid worden uitgesloten.
De bruine kiekendieven die in de Biesbosch broeden worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Zwartkopmeeuw, grote stern en visdief De Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Haringvliet en Zoommeer zijn aangewezen voor zwartkopmeeuw en visdief als broedvogel. In het plangebied en de directe omgeving zijn sporadische waarnemingen van beide soorten bekend (NDFF 2021). Gezien het ontbreken van geschikt foerageergebied in de directe omgeving zijn geregelde vliegbewegingen over het plangebied uitgesloten. De Natura 2000-gebieden Haringvliet, Oosterschelde, Grevelingen en Westerschelde & Saeftinghe zijn aangewezen voor grote stern als broedvogel. In en in de ruime omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de grote stern (NDFF 2021). Het plangebied van Windturbine Hoge Zijpolder beschikt niet over geschikt foerageer- of rustgebied. Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000-gebieden voor de zwartkopmeeuw, grote stern en visdief als broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De zwartkopmeeuwen, grote sterns en visdieven die in omliggende Natura 2000-gebieden broeden worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
38
6.2
Niet-broedvogels
6.2.1
Niet-broedvogels in het plangebied De polders ten noorden van Etten-Leur fungeren buiten het broedseizoen als pleisterplaats voor watervogels, in het bijzonder zwanen, ganzen en eenden. De meest talrijke soorten arriveren vanaf oktober om in februari en maart weer naar noordelijker pleisterplaatsen te vertrekken. In de meeste jaren wordt het maximum in januari bereikt. In zachte winters is het aantal wintergasten doorgaans lager dan tijdens strenge winters. In strenge winters worden pleisterplaatsen in het noorden van Nederland verwisseld voor meer zuidelijker gebieden. In onderstaande tabellen zijn voor een aantal relevante niet-broedvogels in het plangebied en de directe omgeving de getelde aantallen (SOVON-telvakken, zie paragraaf 5.1.1) weergegeven. Tabel 6.1 Maandgemiddelde van de afgelopen 10 jaar van diverse niet-broedvogelsoorten uit SOVON-telvak in het plangebied (telvak NB1752, zie Figuur 5.1 voor de ligging van het telgebied). Soort
sep
okt
nov
dec
jan
feb
mrt
aalscholver
-
0
0
0
0
1
0
bergeend
-
0
0
0
0
0
0
brandgans
0
0
0
0
0
0
0
fuut
-
0
0
0
0
1
1
grauwe gans
0
0
0
0
0
0
0
kievit
-
0
0
0
0
0
0
kleine zwaan
0
0
0
0
0
0
0
knobbelzwaan
0
0
0
0
0
0
0
kokmeeuw
-
0
0
50
0
0
26
kolgans
0
0
0
0
0
0
0
krakeend
-
0
0
0
0
0
0
kuifeend
-
0
0
0
0
0
0
meerkoet
-
1
4
5
3
11
3
smient
-
0
0
0
0
0
0
stormmeeuw
-
0
0
0
0
0
0
toendrarietgans
0
0
0
0
0
0
0
wilde eend
-
0
6
1
1
5
0
wilde zwaan
0
0
0
0
0
0
0
wintertaling
-
0
0
0
0
0
0
zilvermeeuw
-
0
0
0
0
0
0
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
39
Tabel 6.2 Maandgemiddelde van de afgelopen 10 jaar van diverse niet-broedvogelsoorten uit SOVON-telvakken in de directe omgeving van het plangebied (het weergegeven maandgemiddelde is een optelling van de maandgemiddelden van de nabijgelegen telgebieden, zie Figuur 5.1 voor de ligging van de telgebieden). Soort
sep
okt
nov
dec
jan
feb
mrt
-
6
6
10
11
11
9
aalscholver bergeend
-
0
0
0
2
0
0
brandgans
5
26
0
18
8
23
2
fuut
-
3
3
3
6
4
4
411
757
673
1.396
1.001
1.333
257
kievit
-
62
6
6
62
20
41
kleine zwaan
0
0
35
10
0
13
0
knobbelzwaan
4
8
5
26
20
27
18
kokmeeuw
-
134
297
169
92
412
160
kolgans
0
113
1.404
3.527
3.519
3.209
393
krakeend
-
30
48
55
58
53
48
kuifeend
1
28
39
49
53
61
43
meerkoet
-
68
139
124
182
142
99
smient
-
0
21
29
116
55
19
stormmeeuw
-
9
121
38
41
19
33
toendrarietgans
0
1
18
13
266
47
0
wilde eend
-
117
104
124
215
165
100
wilde zwaan
0
0
0
1
0
1
0
wintertaling
-
2
4
13
25
19
39
zilvermeeuw
15
4
6
2
14
14
2
grauwe gans
Het plangebied zelf is matig geschikt als foerageergebied voor watervogels, omdat het relatief kleinschalig akkerlandgebied is en er weinig graslanden zijn. Dit wordt bevestigd door de gegevens van de watervogeltellingen (Tabel 6.1). Ten westen en ten oosten van het plangebied liggen polders die grootschaliger zijn met veel grasland-gebieden. Op deze locaties foerageren grote aantallen kolganzen. Hieronder volgt een korte literatuurbeschrijving van de aanwezigheid van watervogels nabij het plangebied. Zwanen In de polders ten noorden van Etten-Leur verblijven in het winterhalfjaar enkele tientallen knobbelzwanen, tientallen kleine zwanen en incidenteel enkele tot een tiental wilde zwanen (NDFF 2021). Tot in de jaren nul (2000-2010) verbleven grotere aantallen kleine zwanen ten noorden van Etten-Leur, tot circa 250 exemplaren (Lensink et al. 2007 a, b, c). Inmiddels zijn de aantallen in de regio van Etten-Leur sterk afgenomen (Hornman et al. 2015). Concentraties zijn vooral te vinden in Kelsdonk en in de Oostpolder direct ten noordoosten van Etten-Leur. Het plangebied zelf wordt door kleine zwanen niet gebruikt. Kleine zwanen die ten noorden van Etten-Leur foerageren slapen regelmatig op de ijsbaan bij Terheijden en tijdens strenge winters onregelmatig op de Westpolderplas aan de noordzijde van Etten-Leur (Lensink et al. 2007 a, b, c).
Gezien de ligging van de huidige foerageergebieden en slaapplaatsen zijn dagelijkse vliegbewegingen over het plangebied uitgesloten. Hooguit passeren onregelmatig kleine zwanen het plangebied.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
40
Ganzen In de polders ten noorden van Etten-Leur verblijven in de winter 500 tot meer dan 1.000 toendrarietganzen, 2.000-4.000 kolganzen, 1.000-2.000 grauwe ganzen en af en toe groepen van 100-200 brandganzen (NDFF 2021, Hornman et al. 2015). Veelvuldig gebruikte foerageergebieden liggen ter weerszijde van het noordelijk deel van de Bollendonkseweg en in de omgeving van Weimeren. Waarnemingen van lokale vogelaars wijzen erop dat de riet- en kolganzen alsmede grauwe ganzen overwegend in de Biesbosch slapen (Lensink et al. 2007 a, b, c). Een klein deel van de ganzen gaat naar de Ventjagersplaten bij het Hellegatsplein. Sinds een aantal jaren brengt een klein deel van de ganzen in het ‘overloopgebied’ van natuurreservaat Weimeren de nacht door. Tevens slapen onregelmatig ganzen in het Zandwiel, ter hoogte van de Haagsedijk oostelijk van het plangebied. In 2011-2014 zijn hier verschillende keren tellingen uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat af en toe meer dan 600 grauwe ganzen en 150 kolganzen op de plas gingen slapen (NDFF). Regelmatige passages van ganzen over de windturbinelocaties zijn niet uitgesloten. Eenden Verschillende dagrustplaatsen van de smient liggen tussen het plangebied en de noordzijde van Etten-Leur (figuur 6.3). In de afgelopen vijf jaar ging het om enkele tientallen tot meer dan 300 vogels.
Smienten rusten overdag op open water en foerageren ’s nachts op graslanden tot op maximaal 11 km afstand van de dagrustplaats (Boudewijn et al. 2009). In de directe omgeving van het plangebied zullen vooral de graslandgebieden die ten zuiden en ten westen liggen gebruikt worden als foerageergebied. Het plangebied zelf beschikt slechts in zeer beperkte mate over voedsel in de vorm van gras. Regelmatige vliegbewegingen van smienten over het plangebied zijn uitgesloten omdat de locatie van de windturbine niet of nauwelijks op de route van foerageer- en rustgebieden en vice versa ligt. Wilde eenden zijn in Kelsdonk en Weimeren met enkele honderden vogels aanwezig. Overige soorten eenden, zoals kuifeend en krakeend, zijn hoogstens met enkele tientallen vogels aanwezig. Het plangebied zelf is ongeschikt voor de meeste soorten eenden. Wel kunnen gedurende de nacht wilde eenden op de akkers foerageren. Gezien de aantallen vinden regelmatige vliegbewegingen van maximaal enkele tientallen wilde eenden in en nabij het plangebied plaats. Grote zilverreiger In de omgeving van het plangebied verblijven in de winter regelmatig tot meer dan 40 grote zilverreigers (NDFF). Vooral de nattere gebieden, zoals Kelsdonk en Weimeren zijn in trek. Incidenteel is een vogel in het plangebied aanwezig. De vogels slapen in Weimeren.
Regelmatige vliegbewegingen over het plangebied zijn uitgesloten omdat de locatie van de windturbine niet of nauwelijks op de route ligt van foerageer- naar rustgebieden en vice versa. Steltlopers Kieviten zijn in de omgeving van het plangebied vooral aanwezig in het najaar en in het voorjaar met groepen tot meer dan 500 vogels (NDFF 2021). Concentraties zijn te vinden
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
41
in de natte gebieden zoals Kelsdonk ten zuiden van het plangebied, in de Strijpen en in Weimeren. Binnen het plangebied zelf zijn geen concentraties aanwezig. Omdat de locatie van de windturbine niet of nauwelijks op de route ligt van foerageergebieden naar slaapplaatsen en vice versa zijn regelmatige vliegbewegingen van kieviten over het plangebied uitgesloten. Daarnaast foerageren wulpen in de winter op de graslanden ten noorden van Etten-Leur. Deze verschijnen in de nazomer en bereiken in de winter een maximum van 300-500 vogels. Het verspreidingsgebied is vergelijkbaar met die van de kievit. De wulpen brengen de nacht door in Kelsdonk en de Westpolderplas juist ten noorden van Etten-Leur. In hetzelfde gebied zijn goudplevieren met enkele tientallen vogels aanwezig. Andere soorten steltlopers ontbreken nagenoeg. Omdat de locatie van de windturbine niet of nauwelijks op de route ligt van foerageergebieden naar slaapplaatsen en vice versa zijn regelmatige vliegbewegingen van wulpen en goudplevieren over het plangebied uitgesloten. Meeuwen Vooral kokmeeuwen en stormmeeuwen zijn aanwezig in het poldergebied tussen het plangebied en Etten-Leur. Het gaat hier om enkele honderden vogels van iedere soort. Meeuwen slapen vooral op de spaarbekkens in de Biesbosch (sovon.nl).
Tijdens dagelijkse foerageervluchten passeren naar inschatting maximaal enkele tientallen tot een honderdtal meeuwen het plangebied. Roofvogels In het plangebied overwinteren onder ander buizerd en torenvalk. In de directe omgeving van het plangebied overwintert verder de slechtvalk en blauwe kiekendief.
6.2.2
Niet-broedvogels uit Natura 2000-gebieden in relatie tot het plangebied Aalscholver De Natura 2000-gebieden Biesbosch, Krammer-Volkerak en Haringvliet zijn aangewezen voor de aalscholver als niet-broedvogel. De aalscholver is onregelmatig in lage aantallen (enkelen) in het plangebied aangetroffen o.a. in de Leurse Haven ten zuiden van het plangebied. Passages van deze aalscholvers door de geplande windturbine zullen slechts incidenteel plaatsvinden. Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000-gebieden voor de aalscholver als niet-broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De aalscholvers die in omliggende Natura 2000-gebieden buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Grote zilverreiger Het Natura 2000-gebied Biesbosch is aangewezen voor de grote zilverreiger als nietbroedvogel. De grote zilverreiger komt onregelmatig en in lage aantallen in en rondom het plangebied voor. Het optreden van effecten op het behalen van de IHD die in de Biesbosch voor de grote zilverreiger als niet-broedvogel geldt kan met zekerheid worden uitgesloten.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
42
De grote zilverreigers die in de Biesbosch buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Lepelaar De Natura 2000-gebieden Hollands Diep en Biesbosch zijn aangewezen voor lepelaar als niet-broedvogel. Het plangebied van Windturbine Hoge Zijpolder beschikt niet of nauwelijks over geschikt foerageergebied. Waarnemingen van de lepelaar in het plangebied en directe omgeving zijn met name gedaan gedurende de broedperiode, waarvan bekend is dat de maximale foerageerafstanden van de lepelaar groter zijn dan buiten de broedperiode. Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000-gebieden voor de lepelaar als niet-broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De lepelaars die in omliggende Natura 2000-gebieden buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Kleine zwaan Het Natura 2000-gebied Biesbosch is aangewezen voor kleine zwaan als niet-broedvogel. De kleine zwaan is alleen sporadisch waargenomen in de ruime omgeving van het plangebied, te weten de Westpolderplas. Regelmatige vliegbewegingen van de soort vanuit het Natura 2000-gebied Biesbosch zijn daarom uitgesloten. Het optreden van effecten op het behalen van de IHD die in de Biesbosch voor de kleine zwaan als nietbroedvogel geldt kan met zekerheid worden uitgesloten.
De kleine zwanen die in de Biesbosch buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Ganzen De Natura 2000-gebieden (Hollands Diep, Biesbosch, Oudeland van Strijen, KrammerVolkerak, Haringvliet, Markiezaat en Zoommeer) zijn aangewezen voor de kolgans, grauwe gans en/of brandgans als niet-broedvogelsoorten. Deze soorten komen regelmatig in de ruime omgeving van het plangebied voor, voornamelijk in het oosten, zuiden en westen van het plangebied. De aanwezigheid van de ganzen hangt samen met het aanbod van voedsel op de weilanden en akkers. Zo zijn brandganzen en kolganzen vooral te vinden op de weilanden. De grauwe gans is veel te vinden op de akkers, waar deze foerageert op de biet- en aardappelresten die na de oogst achterblijven. Voor alle soorten gaat het om aantallen van enkele honderden tot duizenden exemplaren die in het plangebied aanwezig kunnen zijn (NDFF 2021). De dwerggans, die is aangewezen voor de Natura 2000-gebieden (Oudeland van Strijen en Haringvliet), is niet recent waargenomen in de directe omgeving van het plangebied (NDFF 2021). Het optreden van effecten op het behalen van de IHD die in (Oudeland van Strijen en Haringvliet) voor de dwerggans als niet-broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten.
De dwergganzen die in (Oudeland van Strijen en Haringvliet) buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Eenden De smient, wilde eend, tafeleend en kuifeend komen in meer of mindere mate voor in de directe omgeving van het plangebied. Smient alsmede wilde eend is in groepen van
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
43
tientallen tot maximaal enkele honderden exemplaren in kleine plassen nabij het plangebied waargenomen. Hier bevinden zich af en toe en in lagere aantallen ook kuifeend (maximaal enkele tientallen exemplaren). Van de tafeleend is hier slechts een enkele waarneming bekend. Verreweg de meeste eenden worden rustend en/of foeragerend waargenomen in en nabij de plassen ten zuiden en het wiel ten oosten van de beoogde windturbine (NDFF 2021). Gezien de afstand tot voor eenden aangewezen Natura 2000gebieden (Hollands Diep, Biesbosch en/of Haringvliet), geschikt foerageergebied aldaar en de aanwezigheid van lokale slaapplaatsen is een relatie tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden afwezig dan wel zeer incidenteel. Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000-gebieden voor de smient, wilde eend, tafeleend en kuifeend als niet-broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De voornoemde eendensoorten die in omliggende Natura 2000-gebieden buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Roofvogels De zeearend en visarend komen in het plangebied en in de directe van plangebied niet of zeer sporadisch voor. Beide soorten zijn aangewezen voor het Natura 2000-gebied Biesbosch.
Beide soorten worden voornamelijk waargenomen in de Biesbosch en komen tijdens dagelijkse vluchten niet zo ver zuidelijk van de Biesbosch voor om te foerageren (NDFF 2021). Binnen de Biesbosch en de grote wateren in de directe omgeving is op grote schaal geschikter foerageergebied aanwezig dan in het plangebied en omgeving. Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000gebieden voor de zeearend en visarend als niet-broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De zeearend en visarend die in omliggende Natura 2000-gebieden buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten. Steltlopers De wulp is aangewezen voor Natura 2000-gebied Haringvliet, grutto voor Natura 2000gebied Biesbosch. De steltlopersoorten wulp en grutto komen in het plangebied voor. Voor de grutto betreft dit echter alleen vogels tijdens het broedseizoen. De wulp komt in de winterperiode wel in de directe omgeving van het plangebied voor met tientallen tot enkele honderden exemplaren. Gezien de afstand tot het aangewezen Natura 2000-gebied en voldoende geschikte foerageergebieden in de omgeving van het Natura 2000-gebied is geen sprake van een binding van de waargenomen exemplaren met nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Het optreden van effecten op het behalen van de IHDs die in omliggende Natura 2000-gebieden voor de grutto en wulp als niet-broedvogel gelden kan met zekerheid worden uitgesloten. De grutto’s en wulpen die in omliggende Natura 2000gebieden buiten het broedseizoen verblijven worden daarom in deze natuurtoets verder buiten beschouwing gelaten.
6.3
Seizoenstrek Veel vogelsoorten trekken jaarlijks van broed- naar overwinteringsgebied en vice versa. Deze trek vindt vooral plaats in het voor- en najaar en wordt daarom geclassificeerd als Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
44
seizoenstrek (LWVT/Sovon 2002). Seizoenstrek vindt plaats in een brede range aan hoogtes, van enkele meters boven het maaiveld tot enkele kilometers hoogte (KleyheegHartman & Potiek 2020a, Shinneman et al. 2020). Bij tegenwind trekken vogels over het algemeen lager (Buurma et al. 1986), maar dat zijn niet de omstandigheden waaronder grote hoeveelheden vogels trekken. Voor de najaarstrek is in de Eemshaven en op de Tweede Maasvlakte aangetoond dat bij intense trek ook grote aantallen vogels op rotorhoogte vliegen (Kleyheeg-Hartman & Potiek 2020a, b). Gestuwde trek is een fenomeen dat zich in Nederland vooral langs de kust afspeelt (LWVT/Sovon 2002). Om een vlucht over zee te vermijden passen vogels op trek hun route aan en gaan evenwijdig aan de kust vliegen. Tot op maximaal een kilometer afstand van de kust is stuwing merkbaar (vooral stuwing in de eerste 200 m). Langs de kust maken in de lagere luchtlagen zangvogels het merendeel uit van de gestuwde trek. In het binnenland treedt gestuwde trek in beperktere mate op langs het Markermeer en IJsselmeer. Op kleinere schaal kan verdichting plaatsvinden langs rivieren en andere potentiële barrières. ’s Nachts is er minder stuwing dan overdag (Buurma & van Gasteren 1989). Bovendien vliegen vogels gedurende de nacht gemiddeld hoger dan overdag (LWVT/Sovon 2002).
Het is aannemelijk dat boven het plangebied de seizoenstrek in een breed front plaatsvindt, er zijn geen barrières die tot lokale stuwing leiden.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
45
7 Vleermuizen in en nabij het plangebied 7.1
Betekenis plangebied voor vleermuizen In het plangebied en de directe omgeving is voorafgaand aan 2018 geen onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen uitgevoerd. Om een inschatting te maken van de functies die het plangebied voor vleermuizen kan hebben, is allereerst op basis van brongegevens gebruik gemaakt van veldonderzoek voor enkele nabijgelegen turbineopstellingen o.a. de Bollendonkseweg en Zwartebergseweg (Lensink et al. 2007 a, b, c). In 2007 is onder geschikte waarneemomstandigheden (weinig wind, geen neerslag) onderzoek uitgevoerd op 16/17 april, 2/3 mei, 16 mei, 30 mei, 21 juni en 3 juli. Daarnaast is het op 5 km afstand gelegen Liesbos op 15 en 29 mei 2007 onderzocht op actuele verblijfplaatsen en vliegroutes van rosse vleermuizen. Het Liesbos is van de drie bovengenoemde bosgebieden met (historische) kolonies van rosse vleermuis veruit de dichtst bij het plangebied gelegen locatie (ca. 5 km tegenover ca. 10 km en 13 km voor het Mastbos en Voorbos Ulvenhout respectievelijk) en bovendien een tussen het Mastbos en Voorbos Ulvenhout en het plangebied gelegen bosgebied. Overige (potentiële) bosgebieden met (voormalige) kolonies van rosse vleermuizen ontbreken in de omgeving van het plangebied.
Waarnemingen van vleermuizen binnen een kilometer van het plangebied, in de omgeving van de Bollendonkseweg, zijn beperkt tot gewone dwergvleermuizen nabij boerderijen en beplanting. Jagend in de omgeving van de Laakse Vaart zijn daarnaast vier laatvliegers vastgesteld. Circa 500 m zuidelijker is tweemaal een jagende rosse vleermuis vastgesteld. In en nabij de Halsche Vliet, op meer dan een kilometer ten oosten van het plangebied, zijn concentraties jagende vleermuizen aanwezig. Tijdens vier veldonderzoeken in 2018 zijn met een batlogger in totaal 372 opnames van vleermuizen geregistreerd in het studiegebied (Bijlage IV). Het betrof voornamelijk foeragerende vleermuizen. Uit een verkennend veldonderzoek uit 2021 bleek dat de bestaande structuren sinds 2017 onveranderd zijn en dat derhalve geen andere soortensamenstelling verwacht wordt en het onderzoek uit 2018 nog houdbaar is. Verblijfplaatsen Potenties voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis) zijn voornamelijk aanwezig in de boerderijen in het plangebied. Gezien de waarnemingen zal het vooral gaan om gewone dwergvleermuizen. In de nabijheid van de beoogde windturbine staan echter geen gebouwen, waardoor effecten op voorhand zijn uitgesloten. Uit het verkennend veldonderzoek bleek dat de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen eveneens zijn uitgesloten.
De populieren nabij de beoogde locatie zijn niet geschikt geacht als verblijfplaats voor vleermuizen (veldbezoek 18 maart 2021).
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
46
Vliegroutes De bomenrij op de dijk aan de zuidzijde van het plangebied is een mogelijke vliegroute voor vleermuizen. Deze bomenrij blijft behouden. De bomenrij ligt binnen 100 m van de beoogde ontwikkeling. Foerageergebied Op basis van het veldonderzoek in 2018 wordt geconcludeerd dat boerderijen en bijbehorende beplanting en de dijk met zijn populierenrij gebruikt worden als foerageergebied door gewone dwergvleermuizen en in mindere mate door ruige dwergvleermuizen. Gezien de resultaten zal het in het plangebied van Windturbine Hoge Zijpolder om hoogstens een tiental tot periodiek enkele tientallen gewone en enkele ruige dwergvleermuizen gaan. Het potentiële foerageergebied ligt binnen een afstand van 100 m van de beoogde windturbinelocatie. Het in het plangebied aanwezige foerageergebied is niet van wezenlijk belang, omdat in de directe omgeving ruim voldoende foerageergebied van vergelijkbare en zelfs betere kwaliteit aanwezig is (langs bomenrijen, boven open water, langs oevers). Op basis van het veldonderzoek in 2018 en Lensink et al. (2007 a, b, c) kan worden geconcludeerd dat andere soorten dan gewone dwergvleermuis incidenteel voorkomen of hoogstens in zeer lage dichtheden (o.a. ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis).
Migratieroutes Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied een belangrijk onderdeel is van de Noordwest-Europese migratieroutes van ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuizen of tweekleurige vleermuizen. Dit gezien de lage aantallen verspreid over de ruime omgeving. Bovendien vindt verdichting van aantallen vooral plaats op plaatsen waar stuwing optreedt, zoals lange de Noordzeekust en afsluitdijk.
7.2
Soorten in het plangebied Tijdens de vier bezoeken in 2018 zijn met een batlogger in totaal 372 opnames van vleermuizen geregistreerd in het studiegebied (Bijlage IV). De gewone dwergvleermuis is verreweg de meest frequent waargenomen soort. Dit betreft 87% van alle waarnemingen. Er zijn slechts enkele ruige dwergvleermuizen, laatvliegers en rosse vleermuizen waargenomen. De soorten meervleermuis, watervleermuis en bosvleermuis zijn hooguit incidenteel (eenmaal) vastgesteld. De ruimtelijke verspreiding is op kaart weergegeven in Bijlage IV.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
47
Tabel 7.1 Aantal vleermuisopnames per bezoek op grondhoogte (2018). Mdas = meervleermuis, Mdaub = watervleermuis, Eser = laatvlieger, Nlei = bosvleermuis, Nnoc = rosse vleermuis, Nspc = nyctaloide ongedetermineerd, Ppip = gewone dwergvleermuis, Pnath = ruige dwergvleermuis. Datum
Mdas
Mdaub
Eser
Nlei
Nnoc
Nspc
Ppip
Pnath
15-jun
-
-
2
-
-
-
10
4
21-aug
-
1
1
-
3
-
28
3
10-sep
-
-
1
-
2
1
111
17
26-sep
1
-
1
3
1
175
7
De soortensamenstelling die in 2018 in en nabij het plangebied is vastgesteld komt op hoofdlijnen overeen met gegevens uit 2007 omtrent de soortensamenstelling in de regio op basis van (Lensink et al. 2007a, b, c). Soortensamenstelling op rotorhoogte Op grond van Roemer et al. (2017) is het mogelijk om een correctie uit te voeren voor de vlieghoogte op grondhoogte vs rotorhoogte. Roemer (et al. 2017) hebben in beeld gebracht welk deel van de tijd vleermuizen zich op grotere hoogte (onderste deel van rotorbereik van moderne windturbines) ophouden. Wanneer deze correctie wordt doorgevoerd dient echter tevens gecorrigeerd te worden voor de verschillen in detectieafstand om te voorkomen dat soorten overschat worden die we over grotere afstanden kunnen waarnemen. Laagfrequent geluid wordt immers minder geremd door de atmosfeer dan hoogfrequent geluid. Soorten die op grotere hoogte vliegen gebruiken juist geluid dat ver reikt. Hierdoor hebben de soorten die op grotere hoogte vliegen de grootste detectieafstand. Om deze reden verandert er relatief weinig aan de ingeschatte soortensamenstelling wanneer deze correcties worden uitgevoerd. Voor het verschil in trefkans corrigeren we door gebruik te maken van de maximale detectieafstanden van Barataud (2015). Het aantal geluidsopnames wordt gedeeld door deze afstand.
Voor de soortspecifieke correctie voor vlieghoogte vermenigvuldigen wij het (gecorrigeerd) aantal opnames (op grondhoogte) met de “ratio of time spent at height” (zie tabel 7.2) zodat per soort het aandeel dat in het rotorbereik voorkomt wordt bepaald. Voor laagvliegende soorten zoals watervleermuis is dit minder dan één procent van de tijd, bij rosse vleermuis bijna de helft van de tijd. De gewone dwergvleermuis is op grondhoogte de meest talrijke soort maar brengt maar een tiende deel van de tijd (10%) op grotere hoogte door. Vleermuissoorten die het grootste deel van de tijd op grotere hoogte doorbrengen zouden tijdens onderzoek op grondhoogte over het hoofd gezien kunnen worden. Een correctie voor het deel dat gemist wordt, is bij nulwaarnemingen niet mogelijk. Bij de Nederlandse soorten is het risico hierop het grootst bij de tweekleurige vleermuis die 90% van de tijd op grotere hoogte doorbrengt. Vanwege de hoge detectiekans (50-70 m volgens Barataud 2015) van deze soort is het uitgesloten dat deze soort is gemist tijdens het vleermuisonderzoek.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
48
Tabel 7.2 Correctie voor detectieafstand en vlieghoogten van op grondhoogte geregistreerde vleermuizen (Tabel 7.1) in Windpark Etten-Leur.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
49
8 Overige beschermde soorten in en nabij het plangebied 8.1
Vissen In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote modderkuiper (§3.2 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; NDFF 2021). Grote modderkuiper is meermaals waargenomen in de Kelsdonk. De meest recente waarnemingen dateren uit 2013/2014. Het is echter waarschijnlijk dat de soort daar nog steeds voorkomt. Binnen het plangebied is het voorkomen van de modderkuiper wegens het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten (veldbezoek 2021).
8.2
Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander (§3.3 Beschermingsregime andere soorten; NDFF 2021). Voor de gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander geldt een vrijstelling in de provincie Noord-Brabant bij ruimtelijke ingrepen.
8.3
Grondgebonden zoogdieren In (de omgeving van) het plangebied zijn waarnemingen bekend van bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ree, vos en rosse woelmuis (allen (§3.3 Beschermingsregime andere soorten; NDFF 2021). Bunzing en hermelijn zijn niet waargenomen binnen het plangebied, maar op extensief beheerde percelen buiten het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen (recente) waarnemingen bekend van marterachtigen. De beoogde windturbinelocatie wordt niet geschikt geacht voor kleine marterachtigen. Voor de egel, haas, konijn, ree, vos en rosse woelmuis geldt een vrijstelling in de provincie Noord-Brabant bij ruimtelijke ingrepen (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, december 2020).
8.4
Flora, ongewervelden en reptielen In (de omgeving van) het plangebied zijn geen beschermde soorten flora, ongewervelden, en reptielen (NDFF 2021, veldbezoek 2021). In het plangebied zijn geen geschikte biotopen aanwezig voor deze beschermde soorten. De aanwezigheid van beschermde soorten flora, ongewervelden en reptielen in het plangebied kan daarom met zekerheid worden uitgesloten.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
50
DEEL 3 EFFECTEN BEOORDEELD
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
51
9 Effectbepaling Natura 2000-gebieden 9.1
Effecten op habitattypen In de aanlegfase wordt gebruik gemaakt van vracht- en kraanwagens die stikstof kunnen uitstoten. Daarom is de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen berekend met de rekentool Aerius (Bijlage V). Dit onderzoek is vooral uitgevoerd om te bepalen wat de depositie van stikstof betekent voor de dichtbijgelegen Natura 2000gebieden. Uit de berekeningen is naar voren gekomen dat er geen sprake is van extra stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Effecten op beschermde habitattypen als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder is op voorhand met zekerheid uitgesloten.
9.2
Effecten op Habitatrichtlijnsoorten De betrokken Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor verschillende soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn (zie §4.1). Deze soorten zijn over het algemeen gebonden aan deze Natura 2000-gebieden en komen niet of niet ver buiten deze gebieden. Met uitzondering van de meervleermuis zijn voor alle betrokken soorten op voorhand relaties met het plangebied uitgesloten (zie ook hoofdstuk 7en 8). Verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats van deze soorten in Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving als gevolg van de bouw en het gebruik van de windturbine zijn op voorhand met zekerheid uit te sluiten. De meervleermuis is slechts incidenteel (eenmaal) in de directe omgeving van het plangebied vastgesteld. Wel zijn verblijfplaatsen in de ruime omgeving bekend (Haarsma 2011). De meervleermuis is een soort die in Europa zelden als aanvaringsslachtoffer bij windturbines wordt gevonden (Dürr 2017), waarschijnlijk vanwege zijn vlieggedrag: vooral laag boven water. Ook is geen sprake van ruimtebeslag van leefgebied (aanleg- en gebruiksfase). Effecten door aanleg en het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder op de populatie van meervleermuis in het Natura 2000-gebied Biesbosch is op voorhand met zekerheid uit te sluiten.
9.3
Effecten op vogels
9.3.1
Nadere selectie van broedvogelsoorten In deze paragraaf wordt op basis van beschikbare kennis over aanwezigheid en gebiedsgebruik (beschreven in hoofdstuk 6) en gedrag, aanvullend op hoofdstuk 4 een nadere selectie gemaakt broedvogelsoorten uit nabijgelegen Natura 2000-gebieden die mogelijk effect ondervinden van de geplande windturbine.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
52
Lepelaar De Natura 2000-gebieden Hollands Diep, Krammer-Volkerak en Markiezaat zijn aangewezen voor lepelaar als broedvogel. Binnen het plangebied is de soort recent slechts incidenteel aangetroffen. In het nattere gebied ten zuiden van de beoogde ontwikkeling komt de lepelaar in beperkte mate voor. Het is niet uitgesloten dat er een binding is met het Natura 2000-gebied Hollands Diep. Echter, gezien de verspreiding en de lage aantallen zijn geregelde vliegbewegingen over het plangebied uitgesloten; de bewegingen zijn beperkt tot af en toe een enkeling. Sterfte door aanvaringen met rotorbladen door de beoogde windturbine is niet voorzienbaar. Daarnaast is het, gezien de afstand en aantallen, aannemelijk dat de waargenomen individuen niet broeden in de aangewezen Natura 2000-gebieden. Het betreffen hoogstwaarschijnlijk individuen die niet (langer succesvol) broeden en die derhalve geen binding hebben met de aangewezen Natura 2000-gebieden. Zodoende zullen de effecten op de lepelaar niet in de effectbepaling Natura 2000 worden besproken.
9.3.2
Nadere selectie van niet-broedvogelsoorten In deze paragraaf wordt op basis van beschikbare kennis over aanwezigheid en gebiedsgebruik (beschreven in hoofdstuk 6) en gedrag, aanvullend op hoofdstuk 4 een nadere selectie gemaakt niet-broedvogelsoorten uit nabijgelegen Natura 2000-gebieden die mogelijk effecten ondervinden van de geplande windturbine. Ganzen Het plangebied en omgeving wordt gebruikt door ganzen om te foerageren. Dit betreft de soorten kolgans, grauwe gans en brandgans. Alle drie de soorten komen verspreid over de gebieden in het oosten, zuiden en het westen van het plangebied voor. Voor alle soorten gaat het om aantallen van enkele honderden tot duizenden exemplaren die in en rondom het plangebied aanwezig kunnen zijn. Een deel van de ganzen heeft geen binding met aangewezen Natura 2000-gebieden en slapen in de omgeving (bijv. Weimeren of Zandwiel). Het is echter niet uitgesloten dat een deel afkomstig is van de Natura 2000gebieden Haringvliet en Biesbosch. Op een grotere afstand dan voornoemde gebieden liggen de Natura 2000-gebieden Oudeland van Strijen, Krammer-Volkerak, Haringvliet, Markiezaat en Zoommeer met IHD’s voor ganzen. Effecten van Windturbine Hoge Zijpolder op de IHD’s van deze Natura 2000gebieden zijn, gezien de afstand, met zekerheid uit te sluiten.
Zodoende zullen de effecten op de ganzen alleen voor de Natura 2000-gebieden Biesbosch en Haringvliet nader worden besproken.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
53
Tabel 9.1 Overzicht van kwalificerende niet-broedvogels, waarvoor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn aangewezen, met argument of effecten van Windturbine Hoge Zijpolder wel of niet nader worden behandeld. “nvt”, want geen IHD voor dit gebied maar wel voor een ander te toetsen N2000-gebied, ”Ja” betekent “ja, mogelijk effect onderzoeken”, “nee” betekent “nee, buiten invloedsfeer”.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
54
9.3.3
Aanvaringsslachtoffers Voor kolgans, grauwe gans en brandgans zijn met het Flux-Collision Model slachtofferberekeningen uitgevoerd. De slachtofferberekeningen zijn deels gebaseerd op aannames omdat op sommige punten gedetailleerde en locatiespecifieke informatie van betrokken soorten niet voorhanden is. Deze aannames zijn altijd op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst case-scenario is getoetst. Dit geldt bijvoorbeeld voor het aantal vogels dat bij de windturbine rondvliegt, het aandeel vogels dat op rotorhoogte vliegt en het aandeel vogels dat uitwijkt voor de windturbine. De gehanteerde aanvaringskans betreft de aanvaringskans die voor de betreffende soort(groep) is vastgesteld in een referentiewindpark. Indien voor een soort(groep) meerdere aanvaringskansen beschikbaar zijn wordt met al deze aanvaringskansen het aantal aanvaringsslachtoffers berekend en wordt in de rapportage de gemiddelde uitkomst gepresenteerd. Sommige in de literatuur beschikbare aanvaringskansen zijn gebaseerd op een te beperkt onderzoek m.b.t. flux of aantallen slachtoffers, waardoor de onzekerheidsmarge te groot wordt. Deze aanvaringskansen worden door Bureau Waardenburg daarom niet gebruikt in het Flux-Collision Model. Zie verder Bijlage III voor een nadere toelichting op het FluxCollision Model.
Aanvaringskans Ganzen Voor ganzen wordt een aanvaringskans van 0,0008% gehanteerd, zoals is vastgesteld in Windpark Sabinapolder (Verbeek et al. 2012 2 ). Dit is de enige soortgroep-specifieke aanvaringskans die voor ganzen beschikbaar is en heeft daardoor de voorkeur boven de aanvaringskans die voor ganzen en zwanen samen is vastgesteld in de Wieringermeer (Fijn et al. 2007). Daarnaast zijn bij het onderzoek in Windpark Sabinapolder, in tegenstelling tot het onderzoek in de Wieringermeer, enkele aanvaringsslachtoffers van ganzen gevonden. Op basis daarvan is nu een daadwerkelijke aanvaringskans berekend, en hoeft geen worst case-scenario meer gevolgd te worden. Bepaling soortspecifieke flux Voor ganzen is uitgegaan van het maximaal waargenomen aantal individuen per soort per maand in de ruime omgeving van het plangebied (telgegevens watervogeltellingen SOVON, zie Tabel 6.2). Vervolgens is aangenomen (worst case) dat alle individuen een binding hebben met het Natura 2000-gebied Biesbosch of Haringvliet. Voor de flux per dag zijn de aantallen vermenigvuldigd met het aantal vluchten op een dag (eenmalige trek van en naar het plangebied: twee vluchten) en het aantal dagen dat de soorten daar foerageren (210 dagen). In de berekening is, worst case, aangenomen dat 25% van de ganzen de beoogde windturbine passeren.
Uitwijking Voor de grauwe gans, kolgans en brandgans is aangenomen dat 85% van de vogels uit zal wijken voor een windpark. Deze waarden komen overeen met uitwijkpercentages (802 In Verbeek et al. (2012) wordt voor ganzen een aanvaringskans van 0,0011% genoemd. Bij de update van het Flux-Collision Model in 2016 is gebleken dat in de berekening van die aanvaringskans in Verbeek et al. (2012) sprake was van een kleine fout in de bepaling van de flux. Correctie van de flux levert een aanvaringskans van 0,0008% op.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
55
98%) die zijn gemeten voor een divers aantal soorten, waaronder ganzen (o.a. Tulp et al. 1999, Poot et al. 2001, Fernley et al. 2006, Dirksen et al. 2007, Fijn et al. 2007, Plonczkier & Simms 2012). Aandeel vogels op rotorhoogte In een berekening met het Flux-Collision Model wordt gecorrigeerd voor een mogelijk verschil in het aandeel van de flux op rotorhoogte tussen het referentiewindpark en de te toetsen windturbine (Kleyheeg-Hartman et al. 2018). In de berekening is, worst case, aangenomen dat alle ganzen de beoogde windturbine op rotorhoogte passeren. Tabel 9.2
soort
Aanvaringskansen, flux richting windturbine (totaal aantal vliegbewegingen), percentage macro-uitwijking en percentage op rotorhoogte. 1 = Verbeek et al. (2012). aanvarings-
flux per
macro-
aandeel op
kans (%)
seizoen
uitwijking
rotorhoogte
(n
(%)
(%)
vluchten) kolgans
0,00081
200.000
85
100
grauwe gans
0,00081
100.000
85
100
brandgans
0,00081
1.500
85
100
Resultaten Voor zowel kolgans, grauwe gans als brandgans worden geen jaarlijkse aanvaringsslachtoffers berekend. Het betreft uitsluitend incidentele sterfte, <1 slachtoffer per jaar. De onder- en bovengrens van de beoogde windturbine zijn hierin niet onderscheidend.
9.3.4
Verstoring en vermijding De aanwezigheid van windturbines kan een verstorende werking hebben op vogels in de vorm van geluid, beweging of aantasting van de openheid van het landschap. Ook de verhoogde menselijke activiteit nabij windturbines door onderhoudswerkzaamheden, kan een verstorende werking hebben op vogels. Het gevolg hiervan kan zijn dat lokaal broedende, foeragerende en/of rustende vogels het gebied (direct) rond de windturbines gaan mijden. In deze paragraaf wordt beschouwd in hoeverre vogels uit Natura 2000gebieden verstorende effecten van Windturbine Hoge Zijpolder kunnen ervaren die van invloed kunnen zijn op het behalen van de IHD’s. Verstoring in de aanlegfase De aanleg van een windpark gaat gepaard met veel lokale activiteiten. De verstorende invloed op vogels die uitgaat van deze activiteiten moet minstens zo groot worden ingeschat als die van de aanwezigheid van de turbines, maar bestrijkt een groter gebied. Daar staat tegenover dat het een tijdelijke verstoring betreft, die alleen optreedt in de periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd. De werkzaamheden vinden Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
56
bovendien volledig buiten de begrenzing en op grote afstand van Natura 2000-gebieden plaats. Gelet hierop zijn de verstorende effecten van de aanleg van Windturbine Hoge Zijpolder op het behalen van IHD’s van kwalificerende vogelsoorten verwaarloosbaar; er is met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring op belangrijke rust-of foerageergebieden van vogels die van belang zijn voor de functie die de Natura 2000gebieden voor deze soorten vervullen. De verschillende turbinevarianten (onder- en bovengrens) zijn niet onderscheidend voor dit aspect. Vermijding in de gebruiksfase In het kader van Wnb-gebiedenbescherming is in de omgeving van Windturbine Hoge Zijpolder alleen vermijding van de windturbine door rustende en pleisterende (water)vogels van belang. Voor lokaal foeragerende en rustende vogels varieert de vermijdingsafstand tussen soorten en soortgroepen van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters (Bijlage I). Binnen de vermijdingsafstand zullen niet alle vogels van een bepaalde soort verdwijnen, maar zal een bepaald percentage van de vogels verstoord worden. Het uiteindelijke effect van deze vermijding op populaties in Natura 2000-gebieden is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt alternatief foerageergebied en/of rustgebied zowel binnen de begrenzing als in de omgeving van deze gebieden.
Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (ca. 9,5 km) zijn effecten binnen Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Gezien de afstand tot Natura 2000gebieden en de huidige situatie, reeds veel windturbines in omgeving aanwezig, is beïnvloeding van beschikbare foerageer- of rustgebieden verwaarloosbaar. Ganzen hebben bovendien een grote actieradius en een groot aanbod aan foerageergebied. Er is derhalve geen sprake van maatgevende verstoring.
9.3.5
Barrièrewerking In algemene zin is er sprake van een effectieve barrière als vogels door een windparkopstelling hun voedsel- of rustgebied niet of moeilijk kunnen bereiken. Het betreft een realisatie van een solitaire windturbine (toegevoegd aan een bestaande windparklijn). Gezien de grote ‘tussenruimte’ van de beoogde windturbine en de bestaande windparklijn (ca. 500m) en de beperkte lengte van de totale lijn (4 turbines) zal de beoogde opstelling geen barrière vormen.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
57
10 Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden 10.1
Beoordeling van effecten op habitattypen Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de grenzen van Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van relevante emissie van schadelijke stoffen naar lucht, water en/of bodem of van verandering in grond- en oppervlaktewateren. Significante negatieve effecten op het behalen van de betrokken IHD’s van habitattypen in Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder is met zekerheid uitgesloten.
10.2
Beoordeling van effecten op Habitatrichtlijnsoorten Effecten op Habitatrichtlijnsoorten beperken zich tot eventuele aanvaringsslachtoffers van vleermuizen. In hoofdstuk 9 is beargumenteerd waarom van de meervleermuis geen of hooguit zeer incidenteel (<1 slachtoffer per jaar) om zullen komen door Windturbine Hoge Zijpolder. De windturbine zal daarom met zekerheid geen significant negatief effect hebben op het behalen van de IHD’s van Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder.
10.3
Beoordeling van effecten op vogels
10.3.1
Aanlegfase In hoofdstuk 9 is beschreven dat verstorende effecten van de aanleg van de windturbines verwaarloosbaar is; er is met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring. De windturbine zal met zekerheid geen negatief effect hebben op het behalen van de IHD’s van voornoemde kwalificerende vogelsoorten in de betrokken Natura 2000-gebieden.
10.3.2
Gebruiksfase Sterfte De kolgans, grauwe gans en brandgans wordt hooguit incidenteel slachtoffer van een aanvaring met Windturbine Hoge Zijpolder. Een negatief effect op de populaties van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Haringvliet en Biesbosch) is met zekerheid uitgesloten. Significant effecten, in de vorm van sterfte als gevolg van het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder, op het behalen van de IHD’s van vogels in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met zekerheid uitgesloten. De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect. Vermijding In hoofdstuk 9 is beschreven dat verstorende effecten tijdens de gebruiksfase van de windturbine verwaarloosbaar is; er is met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring. Significant verstorende effecten van de bouw en het gebruik van Windturbine
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
58
Hoge Zijpolder op het behalen van de IHD’s van voornoemde kwalificerende vogelsoorten in de betrokken Natura 2000-gebieden zijn met zekerheid uitgesloten. Barrièrewerking Er is geen sprake van barrièrewerking (hoofdstuk 9). Significant verstorende effecten van de het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder op het behalen van de IHD’s van voornoemde kwalificerende vogelsoorten in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met zekerheid uitgesloten.
10.4
Cumulatieve effecten Voor alle soorten uit nabijgelegen Natura 2000-gebieden vastgesteld dat een effect op instandhoudingsdoelen als gevolg van Windturbine Hoge Zijpolder op zichzelf met zekerheid is uitgesloten. Dit betekent dat ook in cumulatie met andere projecten of initiatieven geen sprake kan zijn van een significant negatief effect.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
59
11 Effecten op vogels (soortenbescherming) In dit hoofdstuk wordt op basis van beschikbare kennis over de aanwezigheid en gedrag een overzicht gegeven van de effecten op vogels als gevolg van de bouw en het gebruik van Windturbine Hoge Zijpolder. De volgende effecten op vogels kunnen in theorie optreden (zie Bijlage I): • aantasting van nesten in de aanlegfase; • verstoring in de aanlegfase; • vermijding van windturbines door lokaal broedende, rustende en foeragerende vogels in de gebruiksfase; • sterfte in de gebruiksfase; • barrièrewerking in de gebruiksfase. De effecten zijn zoveel mogelijk gekwantificeerd. Bij deze kwantificering moet echter in acht worden genomen dat, hoewel ze gebaseerd zijn op het meest recente onderzoek, de nodige aannames gedaan zijn en dat ruime marges realistisch zijn rondom de gepresenteerde aantallen. Dat betekent dat de aantallen in absolute zin niet 100% nauwkeurig zijn, maar wel zeer goed bruikbaar om een ordegrootte van effecten te geven. De aannames in de berekeningen zijn op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst case-scenario is getoetst.
11.1
Effecten in de aanlegfase Tijdens de aanleg van windturbines zijn verschillende effecten op vogels mogelijk. Vogelaanvaringen met windturbines zijn dan nog niet aan de orde, maar verstoring (als gevolg van o.a. geluid, beweging, trillingen) kan wel optreden bij de aanleg van windturbines. Er moeten mogelijk ontsluitingswegen worden aangelegd of verbreed, er wordt geregeld heen en weer gereden met vrachtwagens en personenauto’s, gewerkt met draglines en grote kranen, en in het veld wordt heen en weer gelopen door landmeters en bouwers. Zo kunnen bouwwerkzaamheden leiden tot de verstoring van vogels en de vernietiging of verstoring van hun nesten en/of eieren. Op beperkte schaal kunnen deze werkzaamheden ook (tijdelijk) habitatverlies opleveren voor vogels. De verstorende invloed op broedende, rustende en foeragerende vogels die uitgaat van de hiervoor genoemde activiteiten moet minstens zo groot worden ingeschat als die van de aanwezigheid van de windturbines, maar bestrijkt een groter gebied. Daar staat tegenover dat het een tijdelijke verstoring betreft, die alleen optreedt in de periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd.
Natuurtoets Windturbine Hoge Zijpolder
60
11.2
Aanvaringsslachtoffers in de gebruiksfase
11.2.1
Globaal overzicht van het aantal aanvaringsslachtoffers Op basis van resultaten van slachtofferonderzoeken in bestaande windparken (zie hoofdstuk 5) is voor Windturbine Hoge Zijpolder een inschatting te maken van de totale jaarlijkse vogelsterfte als gevolg van aanvaringen met de windturbines. Gemiddeld vallen in Nederland en België̈ in een windpark ongeveer 20 vogelslachtoffers per turbine per jaar. Afhankelijk van onder andere het aanbod aan vogels en de intensiteit van vliegbewegingen in de omgeving van het windpark, de configuratie van het windpark en de afmetingen van de windturbines, varieert dit aantal van minimaal een enkel tot maximaal enkele tientallen slachtoffers per turbine per jaar. Het rotoroppervlak van de geplande windturbines die voorzien zijn voor Windturbine Hoge Zijpolder is ruim anderhalf tot ruim tweemaal groter dan de grootste turbines waarvan in Nederland en België tot nu toe resultaten van slachtofferonderzoek beschikbaar zijn. Een duidelijk verband tussen het aanvaringsrisico en turbinekarakteristieken ontbreekt. Het aantal slachtoffers wordt vooral bepaald door factoren in de omgeving van de windturbine (Hötker et al. 2006, Everaert 2014, Grünkorn et al. 2016). Bij de nu geplande turbines is onder de rotorbladen circa 40 tot 67,5 m ruimte, afhankelijk van de variant.
Daardoor zal een aanzienlijk deel van lokale vliegbewegingen onder het rotorvlak plaatsvinden en dus buiten de ‘risicozone’. Daarnaast is de ruimte tussen de grotere turbines ook groter (ca. 350-700 m), waardoor vogels makkelijker tussen de turbines door kunnen vliegen dan eertijds tussen de kleinere turbines van bijvoorbeeld 0,5 MW en zodoende een passage van het rotorvlak kunnen vermijden. Op basis van deskundigenoordeel wordt voor toekomstig Windturbine Hoge Zijpolder een lager aantal slachtoffers per windturbine per jaar voorspeld in vergelijking met wat bij voornoemde slachtofferonderzoeken is gevonden. Ten opzichte van de referenties, die vooral in vogelrijke kustgebieden zijn gelegen, vliegen binnen het plangebied gemiddeld lagere aantallen vogels tijdens met name de seizoenstrek. Van de aanwezigheid van aantrekking van vogels binnen het plangebied in de vorm van broed-, foerageer- en rustgebied is beperkt sprake. Lokale vliegbewegingen worden voornamelijk verwacht van vogels die uitwisselen tussen foerageergebieden in het binnenland en rust- of slaapplaatsen buitendijks of ten noorden van het plangebied. Het is daarom waarschijnlijk dat het aantal slachtoffers in Windturbine Hoge Zijpolder maximaal 10 slachtoffers per jaar zal bedragen. Dit is in lijn met de eerste resultaten van de slachtoffermonitoring bij de naastgelegen drie windturbines.