CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Concept ruimtelijke onderbouwing flexwoningen Haansberg

Raad besluit 18 september 2023, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Afgifte algemene verklaring van geen bedenkingen binnen vast te stellen kaders voor de realisatie en ontsluiting van circa 100 flexwoningen en bijbehorende voorzieningen op de locatie Bankenstraat-Hoevenseweg12.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5.2

Stikstofdepositie

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiervoor is sinds 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) van kracht. Beoordeling Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De voorgenomen ontwikkeling mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Voor het plan is het projecteffect van zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Het stikstofdepositieonderzoek is als Bijlage 8 toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing. Hieronder zijn de conclusies weergegeven.

33

Conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat gedurende zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de planontwikkeling aan de Hoevenseweg ong. te Etten-Leur de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hiertoe moet tijdens de aanleg worden voldaan aan de uitgangspunten uit onderhavige rapportage. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000 gebieden. Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er derhalve vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden.

4.6.1

Archeologie

In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologische erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Beoordeling De verschillende archeologische beleidsgebieden zijn op basis van het geldende beleid ten aanzien van bodemingrepen in het vigerend bestemmingsplan vertaald naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. In het vigerend bestemmingsplan is ter plaatse van onderhavig projectgebied sprake van zowel Waarde - Archeologie 2, 3 en 4. Bij bodemingrepen is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek derhalve ook verplicht. In Bijlage 9 is het plan van aanpak voor het archeologisch onderzoek opgenomen. In juli/augustus 2023 heeft vervolgens het bureau- en inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden. De rapportage hiervan is als Bijlage 10 opgenomen. Hieronder is een samenvatting opgenomen.

Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek Op basis van het vooronderzoek geldt er in het oosten en zuidoosten van het plangebied een hoge archeologische verwachting op vindplaatsen uit het (Laat-)Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en in het zuiden een hoge verwachting voor de restanten van een

34

historisch erf uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. In het oosten van het plangebied wordt het potentieel archeologisch niveau naar waarschijnlijkheid aangetast door de beoogde werkzaamheden. Om deze reden wordt tot een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd binnen het in figuur 4.5 aangegeven oranje gebied. Voorafgaand aan een dergelijk onderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Etten-Leur). In het zuiden en zuidoosten van het plangebied wordt een rotonde aangelegd. Naar verwachting worden bij deze werkzaamheden de verwachte archeologische resten niet aangetast. Het historisch erf ligt buiten de beoogde werkzaamheden en het archeologisch niveau uit het (Laat-)Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen wordt pas verwacht vanaf een diepte van circa 70 cm onder maaiveld. Mochten de werkzaamheden toch dieper reiken dan 40 cm onder maaiveld, wordt alsnog geadviseerd hier een vervolgonderzoek uit te voeren. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Etten-Leur, om op basis van dit advies een besluit te nemen ten aanzien van het vervolgtraject. De archeologische meldingsplicht blijft te allen tijde van kracht.

Wanneer tijdens graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient dit, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016, direct te worden gemeld bij de bevoegde overheid.

Figuur 4.5 Advieskaart archeologisch vervolgonderzoek (bron: Bijlage 10, 8 augustus 2023)

35

Conclusie Op basis van het uitgevoerde bureau- en inventariserend veldonderzoek is gebleken dat aanvullend onderzoek voro een deel van het plangebied noodzakelijk is. Dit vervolgonderzoek zal uitgevoerd worden middels proefsleuven. Ten behoeve van dit onderzoek zal eerst een Programma van Eisen opgesteld worden. Het proefsleuvenonderzoek zal in het najaar 2023 worden uitgevoerd.

4.6.2

Cultuurhistorie

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de beeldbepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Figuur 4.6 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (projectgebied is rood omlijnd)

Beoordeling en conclusie In figuur 4.5 is onderhavig projectgebied weergegeven in een uitsnede van de CHW. Te zien is dat er geen beeldbepalende cultuurhistorische gebouwen aanwezig zijn binnen het projectgebied. Wel is de Hoevenseweg aangemerkt als historisch geografische lijn met redelijke hoge waarde. Deze geografische lijn blijft gehandhaafd. Wel vinden er aanpassingen plaats aan het kruispunt met de Kattestraat, waarbij, zoals eerder vermeld een aantal bomen niet duurzaam behouden kunnen worden. Deze aanpassingen hebben geen negatief effect op de waarde van de Hoevenseweg als historische geografische lijn.

4.7

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:

36

Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de inventarisatie van de risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen kan de Nederlandse risicokaart gebruikt worden. Hiervan is hieronder een uitsnede weergegeven.

Figuur 4.7 Uitsnede risicokaart (projectgebied is rood omlijnd)

Beoordeling Risicovolle inrichtingen Nabij het projectgebied (< 200 meter) zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen Nabij het projectgebied (< 200 meter) zijn geen buisleidingen aanwezig die van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Spoor De locatie van het projectgebied bevindt zich op circa 260 meter afstand van de spoorlijn

37

Roosendaal - Breda. Deze spoorlijn is opgenomen in de Regeling basisnet. Gezien de afstand tot het spoor meer dan 200 meter bedraagt is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Het invloedsgebied wordt bepaald door onder andere de stofcategorie D4 en bedraagt derhalve 4.000 meter. Onderhavig projectgebied ligt daarmee wel binnen het invloedsgebied van het spoor, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

Wegen Op ruim 2.000 meter ten zuiden van het projectgebied loopt de Rijksweg A58 waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Onderhavig projectgebied ligt buiten de 200 meter zone van de weg, derhalve is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Over de A58 wordt onder andere de stofcategorie GT4 vervoerd met een invloedsgebied van 4.000 meter. Het projectgebied ligt dan ook binnen het invloedsgebied, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

Beperkte verantwoording groepsrisico Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de gevaarlijke stoffen die getransporteerd worden over het spoor. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens omschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. zelfredzaamheid; bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Omdat het projectgebied binnen het invloedsgebied bevindt van toxische stoffen, is het van belang dat de aanwezigen naar binnen kunnen vluchten en de ramen en deuren kunnen sluiten zodat de toxische stoffen niet naar binnen kunnen komen. Ook is het van belang dat de toxische stoffen niet via de ventilatie naar binnen kan komen. Centraal afsluitbare mechanische ventilatie is hierbij een relatief goedkope veiligheidsmaatregel. De brandweer heeft protocollen om een dergelijk scenario bij de bron te bestrijden.

Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het projectgebied wordt ontsloten via de nieuw aan te leggen noordelijke randweg welke aansluit op de Hoevenseweg. Deze weg sluit aan op het overige wegennetwerk van Etten-Leur. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de

38

bestrijdbaarheid ten goede. De woningen binnen het projectgebied zijn voor hulpdiensten bereikbaar via de centrale aansluiting op de nieuwe noordelijke randweg. De toegangsweg wordt in een lusvorm aangelegd in het projectgebied waardoor de hulpdiensten altijd rond kunnen rijden. De bereikbaarheid voor de brandweer en aanwezigheid van voldoende bluswatervoorzieningen zal nog worden afgestemd met de Veiligheidsregio / brandweer

Conclusie Ter plaatse van het projectgebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Daarnaast is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden (Stb. 2007,141). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin wordt gereguleerd hoe moet worden omgegaan met overschrijdingen op het gebied van de luchtkwaliteit. Het NSL houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen binnen de voorwaarden van het NSL behoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden die gelden voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'Niet in betekende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan deze grenswaarden. Hieronder vallen onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen.

Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 en NO2.

Beoordeling Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van 100 flexwoningen. Het planvoornemen behoort tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) dient echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Via Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit zijn de concentraties van de nabijgelegen rekenpunten voor de jaren 2021 en 2030 afgelezen op het dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Hoevenseweg. De concentraties liggen allemaal ruimschoots onder de normen voor NO2, PM10 en PM2,5.

Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van de het initiatief 'niet in betekende

39

mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.9

Niet Gesprongen Explosieven

In de huidige bodem waarop wij werken, wonen en recreëren zijn nog een aanzienlijke hoeveelheid Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog aanwezig. Minder dan een ton kilo aan explosieven, welke niet tot ontploffing zijn gekomen of gebracht, liggen mogelijk nog in de grond. De aanwezigheid van dit achtergebleven oorlogstuig kan (grote) uitwerkingsgevolgen teweegbrengen, zoals luchtdruk en scherfwerking, welke een gevaar vormen voor mens, dier en omgeving bij de ontwikkeling van infrastructurele werken en bouwprojecten. In opdracht van de gemeente Etten-Leur heeft Bodac in 2021 een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd voor de gehele gemeente Etten-Leur. Het onderzoek is als Bijlage 11 aan de onderbouwing toegevoegd. Conclusie Delen van het grondgebied van de gemeente Etten-Leur worden gekwalificeerd op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als verdacht op de aanwezigheid van OO (ongesprongen oorlogsresten). Onderhavig projectgebied is niet aangewezen als locatie welke verdacht is op aanwezigheid van OO. Nader onderzoek is derhalve niet aan de orde. Het is echter raadzaam voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een protocol op te stellen met betrekking tot de handelwijze bij het incidenteel aantreffen van OO uit de Tweede Wereldoorlog.

4.10

Verkeer en parkeren

Parkeren De gemeente Etten-Leur hanteert een parkeernorm welke uitgaat van: huur of koop; huis, appartement of kamer en een prijssegmentatie. Er is geen parkeernorm voor tijdelijke woningen bekend. Ook hanteert de gemeente nog geen parkeernorm op basis van gebruiksoppervlakte. Het plan voor tijdelijke woningen vraagt dus om een maatwerkoplossing, waarbij wel zoveel mogelijk aansluiting wordt gevonden bij de vigerende normering. Gelet op de typologie en grootte van de woningen en vergelijking bij andere gemeenten voor tijdelijke - /flexwoningen (zoals tiny-houses) wordt in dit plan een norm van 0,9 parkeerplaats per woning gehanteerd. Dit is het minimum van de bandbreedte die het CROW voorschrijft voor goedkope appartementen. Voor 100 woningen betekent dit dat er in totaal 90 parkeerplaatsen nodig zijn. Door in beginsel minimaal 90 parkeerplaatsen aan te leggen wordt de omgeving niet onnodig verhard, maar wordt er wel voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Door niet te veel parkeerplaatsen aan te leggen wordt ook gestimuleerd dat toekomstige bewoners gebruik maken van alternatieve vervoerswijzen. Denk hierbij aan lopen, met de fiets of openbaar vervoer reizen. Wel is de aanbeveling om ruimte te reserveren voor een eventuele uitbreiding van de parkeerruimte. Wanneer de parkeerbehoefte tóch hoger is dan het aanbod parkeerplaatsen kan in de toekomst hierop worden ingespeeld.

40

Gelet op de specifieke doelgroepen die genoemd worden is deelmobiliteit daarnaast een uitgelezen mogelijkheid om vervoer voor deze doelgroepen aan te bieden. Het gaat ook vervoersarmoede tegen. Bovendien helpt deelmobiliteit ook bij het beperken van het bezit (en daarmee gebruik) van de privéauto. Voor deelmobiliteit valt te denken aan deelfietsen, deelscooters en deelauto's. Hier wordt bij de verdere uitwerking nader naar gekeken.

Verkeer De nieuwe woonbuurt wordt aan de oostelijke kant ontsloten. Deze nieuwe ontsluitingsweg is onderdeel van de interne lus, welke is beoogd voor de gebiedsontwikkeling Haansberg. Uit een verkeersonderzoek ten behoeve van de ontsluiting voor gebiedsontwikkeling Haansberg is gebleken dat deze variant haalbaar en het meest gewenst is. Voor de tijdelijke woonbuurt wordt alvast een gedeelte van de toekomstige ontsluiting aangelegd.

4.11

Beoordeling Milieueffectrapportage

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c.

Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De activiteit die met het onderhavige ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, is de realisatie van 100 flexwoningen. Deze activiteit valt binnen onderdeel D. (D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Er is geen definitie gegeven voor een 'stedelijk ontwikkelingsproject'.

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden

41

gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aard, de omvang en het ruimtebeslag van belang zijn. In voorliggende situatie wordt woningen gebouwd buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van een gehele functiewijzigingen van een nu nog grotendeels onbebouwde locatie. De activiteit blijft onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2. Er dient derhalve op grond van stap 1 een m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hieruit zal blijken of alsnog sprake is van een m.e.r.-plicht. Op grond van de stappen 2 en 3 is geen directe aanleiding voor een m.e.r.-plicht. Ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als Bijlage 12 aan de onderbouwing toegevoegd en gaat in op de volgende onderdelen: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis van de aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). Het besluit m.e.r.-beoordeling is een separate procedure en dient genomen te worden alvorens de vergunning zal worden verleend.

42

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening dient bij nieuwe ontwikkelingen tegelijk met een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken een exploitatieplan te worden vastgesteld, tenzij de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. In dit geval zijn de kosten anderszins verzekerd. De investeringen bestaan uit de kosten voor bouw- en woonrijpmaken van de planontwikkeling. Hier heeft de gemeente budget voor beschikbaar gesteld. De realisatie en exploitatie van de tijdelijke woningen is voor rekening en risico van de uitbater.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Omgevingsdialoog

Participatie wordt een belangrijke pijler onder de toekomstige Omgevingswet. Derden moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. In het kader van de omgevingsdialoog is op 18 januari 2023 een informatiebijeenkomst met omwonenden geweest. Na het raadsbesluit van 6 februari 2023 zijn er in maart en april twee schetssessies geweest met de aangrenzende eigenaren en daarop volgend meerdere dialooggesprekken met betrokkenen. De voorkeursvariant is verder uitgewerkt en op 14 juni heeft een nieuwe informatieavond plaatsgevonden waarbij het voorlopige ontwerp werd gepresenteerd.

5.2.2

Ontwerpbesluit

Het ontwerpbesluit wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen.

43

Hoofdstuk 6

Conclusie

In de gemeente Etten-Leur is er een groot tekort aan betaalbare huurwoningen. Het aanbod aan sociale huurwoningen kan steeds minder voldoen aan de vraag, waardoor wachttijden oplopen. Naast de lokale Etten-Leurse woningzoekende ligt er ook een urgente opgave rondom het huisvesten van statushouders en Oekraïners. Door het in zetten van flexwoningen wil de gemeente deze druk op de sociale huurmarkt verlagen en voldoen aan de (wettelijke) taakstelling. De gemeenteraad heeft begin 2023 het besluit genomen om circa 100 tijdelijke sociale flex-huurwoningen te realiseren. De flexwoningen worden voor een periode van maximaal 15 jaar geplaatst. De gemeenteraad heeft gekozen voor de locatie Bankenstraat-Hoevenseweg en grenst aan de gebiedsontwikkeling Haansberg waar de gemeente onder andere circa 1.300 woningen wenst te realiseren vanaf 2025. Het gebied zal worden ontsloten vanaf een nieuwe rotonde op de kruising Hoevenseweg-Kattestraat. Om de flexwoningen te kunnen ontsluiten zal een eerste deel van de nieuwe ontsluitingsweg en de rotonde geprioriteerd worden aangelegd. Het planvoornemen is niet passend binnen de kaders van het vigerend bestemmingsplan. Om het planvoornemen te realiseren wordt middels een omgevingsvergunning afgeweken van het vigerend bestemmingsplan. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Hieruit blijkt dat het project planologisch aanvaardbaar is en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=6ac19bea-54bf-4706-8daa-095735f53d84