Bijlage 4 - Concept ruimtelijke onderbouwing flexwoningen Haansberg
Tekst van het document
OMGEVINGSVERGUNNING TIJDELIJKE WOONBUURT HAANSBERG GEMEENTE ETTEN-LEUR
Opdrachtgever Gemeente Etten-Leur Auteur Bureau Dhondt Projectnummer 23033 IMRO-identificatie NL.IMRO.0777.Flexhaansberg-0001 Status ontwerp Datum 22 augustus 2023
Ruimtelijke onderbouwing
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing projectgebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
5 5 5 7 7
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Nieuwe situatie
8 8 9
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
13 13 16 19
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Geluid 4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.4 Watertoets 4.5 Ecologie 4.6 Archeologie en cultuurhistorie 4.7 Externe veiligheid 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Niet Gesprongen Explosieven 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Beoordeling Milieueffectrapportage
23 23 24 25 27 32 34 36 39 40 40 41
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Financiële uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43 43 43
Hoofdstuk 6
44
Conclusie
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
In de gemeente Etten-Leur is een groot tekort aan betaalbare huurwoningen. Het aanbod aan sociale huurwoningen kan steeds minder voldoen aan de vraag, waardoor wachttijden oplopen. Naast de lokale Etten-leurse woningzoekende ligt er ook een urgente opgave rondom het huisvesten van statushouders en Oekraïners. Door het inzetten van flexwoningen wil de gemeente deze druk op de sociale huurmarkt verlagen en voldoen aan de (wettelijke) taakstelling. De gemeenteraad heeft begin 2023 het besluit genomen om circa 100 tijdelijke sociale flex-huurwoningen te realiseren. De flexwoningen worden voor een periode van maximaal 15 jaar neergezet. De gemeenteraad heeft gekozen voor de locatie Bankenstraat-Hoevenseweg en grenst aan de gebiedsontwikkeling Haansberg waar de gemeente onder andere ca. 1.300 woningen wenst te realiseren vanaf 2025. De nieuwe wijk zal worden ontsloten door middel van een interne lus met nieuwe rotonde op de kruising Hoevenseweg-Kattestraat. Om de flexwoningen te kunnen ontsluiten zal een eerste deel van de nieuwe ontsluitingsweg en de rotonde geprioriteerd worden aangelegd. Het planvoornemen is niet passend binnen de kaders van het vigerend bestemmingsplan. Om het planvoornemen te realiseren wordt middels een omgevingsvergunning afgeweken van het vigerend bestemmingsplan. Hiervoor dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een bijlage bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.
1.2
Ligging en begrenzing projectgebied
De locatie van het projectgebied ligt ten noordwesten van de kern Etten-Leur en is gelegen ten noorden van het bedrijventerrein Vosdonk op de hoek van de wegen Hoevenseweg / Bankenstraat. Het projectgebied omvat de percelen kadastraal bekend als: Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 2607 (gedeeltelijk); Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 1383; Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 1382; Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 943; Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 2577 (gedeeltelijk); Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 941 (gedeeltelijk); Gemeente Etten-Leur, sectie O, nummer 918 (gedeeltelijk); Gemeente Etten-Leur, sectie H, nummer 4430 (gedeeltelijk); Gemeente Etten-Leur, sectie H, nummer 4653 (gedeeltelijk).
5
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing projectgebied
6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Nagenoeg het gehele projectgebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 20 mei 2015 door de raad van de gemeente Etten-Leur. Nadien zijn enkele herzieningen vastgesteld en is per 25 januari 2022 een geconsolideerde versie beschikbaar gesteld. De gronden aan de zuidkant van de rotonde liggen in enerzijds het bestemmingsplan 'Herziening 1, bedrijventerrein Vosdonk' en anderszijds 'Bestemmingsplan Etten West - De Grient'. De gronden hebben voornamelijk de bestemming 'Agrarisch'. Ter plaatse van de bestaande Hoevenseweg is de bestemming 'Verkeer' van toepassing, Ter plaatse van de zuidkant van deze weg, waar een deel van de rotonde wordt aangelegd, zijn de bestemmingen 'Verkeer', en 'Groen' van toepassing. Binnen de agrarische bestemming is de realisatie van de tijdelijke woonbuurt niet mogelijk. Ook de aanleg van de ontsluiting, inclusief rotonde is niet mogelijk binnen de vigerende regels.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied' (geconsolideerde versie 25 januari 2022).
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een planbeschrijving gegeven van enerzijds de bestaande situatie en anderzijds de nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 worden de beleidskaders van rijk, provincie en gemeente beschreven. De aspecten met betrekking tot het milieu en landschap komen in hoofdstuk 4 aan bod. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan bod. En hoofdstuk 6 sluit af met een conclusie.
7
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
De gronden maken onderdeel uit van voormalige manege "Hoeve De Grient". Deze is al ruim 18 jaar in eigendom van de gemeente en is sinds kort enkel nog hobbymatig in gebruik. Tot begin zomer 2023 was de Hoeve nog bedrijfsmatig in gebruik en werden er jaarlijks (inter)nationale paardenwedstrijden gehouden. Op de locatie bevinden zich enkele gebouwen, een tweetal paardenbakken, erfverharding en gras/weide. Het bestaande woonhuis (Hoevenseweg 34) ligt buiten het plangebied. De kruising Hoevenseweg - Kattestraat bestaat momenteel uit een T-splitsing. Komend vanuit de Kattestraat moet voorrang worden gegeven aan verkeer op de Hoevenseweg. Beide straten beschikken ter plaatse van het kruispunt over vrijliggende fietspaden.
Figuur 2.1 Bovenaanzicht projectgebied in de bestaande situatie
Figuur 2.2 Kruispunt Hoevenseweg - Kattestraat
8
2.2
Nieuwe situatie
In figuur 2.3 als ook in Bijlage 1 is het voorlopig ontwerp opgenomen.
Ontsluiting Ter hoogte van de bestaande aansluiting van de Kattestraat op de Hoevenseweg zal de nieuwe aansluiting gerealiseerd worden voor de nieuwe ontsluitingsweg. Deze nieuwe ontsluitingsweg is onderdeel van de interne lus, welke is beoogd voor de gebiedsontwikkeling Haansberg. Om de tijdelijke woonbuurt bereikbaar te maken is het noodzakelijk het eerste deel van deze interne lus reeds aan te leggen. De rotonde Kattestraat - Hoevenseweg zal worden aangelegd voordat de tijdelijke woningen gebruikt gaan worden. De bestaande T-splitsing ter plaatse van de Hoevenseweg en de Kattestraat zal worden veranderd in een rotonde met vrijliggende fietspaden. De vrijliggende fietspaden worden doorgezet langs de nieuwe ontsluitingsweg. De ontsluitingsweg bestaat uit twee rijbanen (voor elke rijrichting één) en krijgt, vanwege de ligging in het buitengebied, een maximumsnelheid van 50 km/uur. Aan de westzijde van de rotonde wordt aan weerskanten van de Hoevenseweg voorzien in een bushalte. Met de busmaatschappij wordt daarnaast overleg gevoerd om vooruit te kijken naar de behoefte en mogelijkheden t.a.v. het (toekomstige) openbaar vervoer in en rondom het gebied Haansberg. De bestaande parallelweg aan de zuidzijde van de Hoevenseweg die momenteel dient als ontsluiting van enkele bedrijven op Vosdonk, krijgt een aansluiting op de Kattestraat.
De bestaande aansluiting op de Hoevenseweg komt daarmee te vervallen. Voor de aanleg van de rotonde dient een aantal bomen gekapt te worden. Er is een aantal bomen die niet duurzaam te behouden zijn en meerdere bomen waarvoor specifieke maatregelen nodig zijn om de bomen duurzaam te kunnen behouden. Uit de Bomen Effect Analyse (zie Bijlage 2) blijkt dat de bomen niet op een duurzame wijze te verplanten zijn. De bomen worden lokaal en ruimschoots gecompenseerd.
Woongebied Het woongebied zal ontsloten worden via de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg. Van de bestaande inrichting zal alleen een deel van de bestaande schuur, de stallen, gehandhaafd blijven. Het plan gaat uit van het realiseren van 100 tijdelijke woningen. Circa 80 woningen worden uitgevoerd in één bouwlaag. Deze woningen worden in in een hofjesstructuur aangelegd. De woningen zijn aaneengeschakeld. Aan de oostzijde, parallel aan de ontsluitingsweg, komen de hogere woningen van maximaal 6,5 meter. De bruto vloeroppervlakte per woning bedraagt circa 32 m2 tot circa 50 m2. de totale woningvoorrraad bestaat uit een mix van 3-4 verschillende typen aaneengeschakelde woningen. Flex-woningen Flex-woningen worden in een fabriek “kant-en-klaar” gemaakt. Op locatie wordt alleen nog water, riolering en elektriciteit aangesloten. Ze zijn verplaatsbaar, schakelbaar en hebben een tijdelijk karakter. Op de locatie Haansberg blijven de flexwoningen maximaal 15 jaar staan. Het is de bedoeling de flexwoningen na die periode te verplaatsen naar een andere locatie.
9
De flex-woningen bestaan per stuk uit 1 of 2 slaapkamers en zijn bedoeld voor 1 tot 3 persoonshuishoudens. Dit kunnen personen zijn met een lager inkomen, personen die gescheiden zijn, urgent woningzoekenden en statushouders. Ook wordt onderzocht of deze woningen geschikt zijn voor de doorstroming van Oekraïners. De bewoning is op basis van een tijdelijke huurovereenkomst van maximaal 2 jaar.
Openbare ruimte Bij de entree van het woongebied zijn zowel aan de linker- als de rechterzijde twee hoofdparkeerterreinen gesitueerd. De rest van het woongebied is autoluw ingericht. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in een open verharding. Centraal in het gebied wordt een groene long gerealiseerd waar ook de wadi aangelegd wordt ten gunste van de waterbergingsopgave. De randen worden voorzien van extra groen om het woongebied landschappelijk in te passen in de omgeving. De woningen zullen geplaatst worden in een groen ingerichte omgeving, passend bij het omliggende landschap in Haansberg. In Bijlage 3 zijn een drietal posters opgenomen welke nader ingaan op de inrichting en uitstraling van de openbare ruimte.
Duurzaamheid De woningen worden voor een periode van 15 jaar geplaatst. Na 15 jaar zijn de woning echter nog niet afgeschreven. Samen met de woningcorporatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden om de woningen te verplaatsen naar een nieuwe locatie (circulair). een optie is om de woningen in te passen in de naastgelegen gebiedsontwikkeling Haansberg waar de komende jaren circa 1.300 woningen worden gerealiseerd. De tijdelijke locatie is ruim opgezet en krijgt een groene parkachtige uitstraling, welke aantrekkelijk is om in te wandelen en te verblijven. Dat maakt dat de nieuwe woonbuurt klimaatrobuust en natuurinclusief ontwikkeld gaat worden. De inrichting voldoet straks ruim aan de (water)bergingsnormen (zie hiervoor paragraaf 4.4), het plangebied wordt fors vergroend en het beheer wordt aangepast om biodiversiteit te ontwikkelen. Op de hele projectlocatie worden verschillende soorten beplanting door elkaar geplant. Zodra de snel groeiende (kort levende) soorten de langzaam groeiende soorten gaan verdringen, worden ze er gefaseerd uitgehaald waardoor er binnen relatief korte tijd een stevige beplantingsstructuur ontstaat. Op de grens tussen bestaande woningen en de woonbuurt komt een brede strook van hoge beplanting. Dit garandeert de privacy van omwonenden.
Daarnaast worden maatregelen genomen die nest-, voedsel- en schuilgelegenheid bieden aan onder andere vleermuizen, vogels, bijen en vlinders. Dit gebeurt onder andere met grote vleermuiskasten, vogelhuisjes en extensief beheerde grasvelden die rijk zijn aan bloeiende kruidachtige planten. De woningen voldoen aan de actuele bouweisen (Bouwbesluit), waaronder die voor duurzaamheid. Flexwoningen zijn duurzaam en circulair in aanleg. Een groot deel van de elektrische energie wordt waarschijnlijk opgewekt met zonnepanelen. Deze denkrichting dient nader uitgewerkt te worden. Er zullen kasten voor nutsvoorzieningen geplaatst gaan worden.
Parkeren Zoals hiervoor vermeld worden er twee centrale parkeerterreinen gerealiseerd. Langs de verkeerslus worden nog enkele parkeerplaatsen aangebracht. In totaal worden er 90 parkeervakken aangelegd. Dit is het minimum van de bandbreedte die het CROW voorschrijft. Door in beginsel minimaal 90 parkeerplaatsen aan te leggen wordt de omgeving
10
niet onnodig verhard, maar wordt er wel voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Door niet te veel parkeerplaatsen aan te leggen wordt ook gestimuleerd dat toekomstige bewoners gebruik maken van alternatieve vervoerswijzen. Denk hierbij aan lopen, met de fiets of openbaar vervoer reizen. Wanneer de parkeerbehoefte tóch hoger is dan het aanbod parkeerplaatsen kan er in de toekomst worden ingespeeld door de parkeerplaatsen te vergroten. Daar is voldoende ruimte voor beschikbaar. Gelet op de specifieke doelgroepen die genoemd worden is deelmobiliteit een uitgelezen mogelijkheid om vervoer voor deze doelgroepen aan te bieden. Het gaat ook vervoersarmoede tegen. Bovendien helpt deelmobiliteit ook bij het beperken van het bezit (en daarmee gebruik) van de privéauto. Voor deelmobiliteit valt te denken aan deelfietsen, deelscooters en deelauto's. Deze mogelijkheden worden later nog nader uitgewerkt. Er komt een laadpaal geschikt voor twee auto`s (vakken) op het parkeerterrein. Ten behoeve van het stallen van fietsen worden er op een viertal locaties in het woongebied gezamenlijke fietsenstallingen gerealiseerd van elk circa 80 tot 100 m2.
Figuur 2.3 Schetsontwerp tijdelijke woonbuurt (bron: Orbis, 15 augustus 2023)
11
Figuur 2.4 Referentiebeelden toekomstige openbare ruimte
12
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking zal treden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020 en biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die er zijn. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden om te bouwen aan een mooier en sterker Nederland. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonden steden en regio's Toekomstig bestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Gezien de aard en omvang van voorliggend initiatief heeft bovengenoemd rijksbeleid niet direct invloed op onderhavige ontwikkeling. De inhoudelijke keuzes en afweging ligt bij de
13
gemeente. Zij zullen daarbij uiteraard de richtlijnen en vier prioriteiten van het Rijk als leidraad gebruiken.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen etc.. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Figuur 3.1 Weergave radarverstoringsgebieden, Rarro geconsolideerde versie 1 december 2020
Beoordeling en conclusie Zoals te zien is in figuur 3.1, ligt het projectgebied binnen een radarverstoringsgebied. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom radarstations mogen geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Binnen het radarverstoringsgebied geldt een maximale bouwhoogte van 90 meter ten opzichte van het NAP. In onderhavig planvoornemen wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt die deze maat overschrijdt. Het radarverstoringsgebied is derhalve niet van invloed op onderhavig planvoornemen. Er zijn geen andere aspecten vanuit het rijk die zijn opgenomen in het Rarro of Barro die van belang zijn voor onderhavige ontwikkeling en/of locatie.
14
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Op 1 oktober 2012 is artikel 3.1.6 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'.
Beoordeling Stedelijke ontwikkeling Bij de onderhavige ontwikkeling is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoewel van tijdelijke aard. De tijdelijke woningen worden geplaatst voor een periode van maximaal 15 jaar en zijn daarna eenvoudig te verwijderen, waardoor het perceel weer in gebruik kan worden genomen conform de onderliggende agrarische bestemming. Uitgangspunt van de Ladder is nog steeds dat stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvinden. De locatie hoeft alleen te worden gemotiveerd, indien deze buiten het stedelijk gebied ligt. Dat is in de onderhavige ontwikkeling het geval, wat een nadere motivatie noodzakelijk maakt. De gebruikelijke eisen qua behoefte en uitvoerbaarheid in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' blijven overigens ook van kracht.
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bepalend voor de onderbouwing van de huisvestingsbehoefte is: 1. De wettelijke taakstelling statushouders die geldt voor de gemeente Etten-Leur. 2. De afspraak die is opgenomen in de regionale Woondeal van 9 maart 2023 om via het realiseren van flexwoningen passende vormen van tijdelijke huisvesting te bieden aan diverse doelgroepen. 3. De prestatieafspraken met de lokale woningcorporatie om in lijn met de regionale Woondeal, en vooral in aanvulling op beperkte reguliere woningbouw via tijdelijke woningen te voorzien in passende vormen van huisvesting voor beoogde doelgroepen. Op basis van het onderzoek aan de hand van de methodiek van de Ladder voor duurzame verstedelijking kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling voor het tijdelijk huisvesten van beoogde doelgroepen voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en dat er geen sprake is van onaanvaardbare effecten op de leegstand dan wel op het woon-, leef- en ondernemersklimaat.
Kwantitatieve behoefte Geconcludeerd wordt dat er een schaarste is aan reguliere sociale (lees: betaalbare) huurwoningen voor uiteenlopende groepen woningzoekenden. Feiten en cijfers over de woonruimteverdeling laten zien dat de wacht- en zoektijden al jaren oplopen. Van het beperkte beschikbare aanbod betaalbare sociale huurwoningen wordt jaarlijks een deel, soms wettelijk of anderszins verplicht, ingezet om diverse doelgroepen met voorrang passende huisvesting te bieden. Per saldo zijn er in de reguliere sociale huurvoorraad nauwelijks kansen voor mensen die om uiteenlopende redenen tijdelijk een dak boven het
15
hoofd nodig hebben. Cijfers over de belangstelling voor een eerste kleinschalig project voor 21 tijdelijke woningen laten zien dat de behoefte aan dergelijke woningen vele malen groter is.
Kwalitatieve behoefte Inzet van flexwoningen biedt voor spoedzoekers en voor andere doelgroepen die aangewezen zijn op tijdelijke vormen van huisvesting een bewezen uitkomst. Het rijk onderstreept het belang van flexwoningen. Het is daarom een onderdeel van de regionale Woondeal. Corporaties hebben inmiddels goede ervaringen met zowel de woonvorm als de te huisvesten doelgroepen.
Geen onaanvaardbare effecten Dankzij de beoogde stedenbouwkundige opzet en inpassing en noodzakelijke ruimtelijke maatregelen concluderen we dat de effecten van de onderhavige ontwikkeling per saldo als positief te beoordelen zijn. De flexwoningen worden geplaatst voor een periode van maximaal 15 jaar en zijn hierna eenvoudig te verwijderen, waardoor het perceel weer in gebruik kan worden genomen conform de onderliggende bestemming, of een andere door de gemeente te bepalen bestemming. Bovendien kunnen de wooneenheden in de toekomst elders in de gemeente of regio worden gebruikt voor dan benodigde huisvestingsopgaven.
Gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied De beoogde planlocatie ligt buiten het bestaand stedelijk gebied. Conclusie op basis van de uitgevoerde inventarisatie naar geschikte locaties of andere kansrijke oplossingen is dat er geen locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn waar op korte termijn minimaal 100 tijdelijke woningen kunnen worden geplaatst.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de Provincie Noord-Brabant alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt welke op 14 december 2018 is vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave voor de provincie is: 'werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Hierbij heeft de provincie als doel gesteld voor de middellange termijn, 2030: Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Voor de lange termijn, 2050, wil men een goede leefomgevingskwaliteit hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Om de basisopgave te behalen heeft men vier hoofdopgaven verwoord: 1. Werken aan de Brabantse energietransitie; a. Doel 2050: 100% duurzame energie, grotendeels afkomstig uit Noord-Brabant. b. Doel 2030: ten minste 50% reductie van broeikasgassen ten opzichte van de uitstoot in 1990 en ten minste 50% duurzame energie. 2. Werken aan een klimaatproof Brabant;
16
a. Doel 2050: Brabant is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. b. Doel 2030: Brabant handelt al sinds 2020 klimaatbestendig en waterrobuust; in 2030 zijn de eerste grote gebiedsopgaven daartoe al gerealiseerd. 3. Werken aan de slimme netwerkstad; a. Doel 2050: Het stedelijk netwerk van Brabant functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur. b. Doel 2030: Brabantse partijen werken aan de transformatie van het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Ondersteund door de digitale ontwikkelingen zijn er belangrijke stappen gezet in de richting van een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem. Bewoners uit alle geledingen van de bevolking voelen zich verbonden met hun omgeving en met elkaar doordat zij meedenken en meedoen aan de veranderingen in hun omgeving. 4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie; a. Doel 2050: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa.
Producten, materialen en grondstoffen worden op alle onderdelen van de Brabantse economie in verregaande mate hergebruikt. Niet hernieuwbare hulpbronnen worden behouden. Het streven naar waardecreatie voor mens, natuur en economie gaan hand in hand. De Brabantse economie is verregaand circulair. b. Doel 2030: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa. We werken aan een circulaire economie door duurzamer om te gaan met de beschikbare grondstoffen en natuurlijke bronnen. We verminderen daartoe samen met maatschappelijke partners het gebruik van niet vernieuwbare grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) volgens de landelijke afspraken met 50%. c. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, BRUG, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks (soms verplicht) thuis in een programma zoals het natuurbeheerplan en het waterprogramma. De komende tijd wordt dit sectorale beleid afgestemd op de Omgevingsvisie en al dan niet uitgewerkt in de programma's en/of omgevingsverordening. Beoordeling en conclusie Gezien de aard en omvang van voorliggend initiatief heeft bovengenoemd provinciaal beleid geen directe invloed op de ontwikkeling.
De inhoudelijke keuzes en afweging ligt bij de gemeente. Zij zullen daarbij uiteraard de richtlijnen en prioriteiten van de provincie als leidraad gebruiken.
3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV)
Alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving, staan voortaan bij elkaar in de Interim omgevingsverordening (Iov). Deze omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019. De Interim Omgevingsverordening vervangt diverse provinciale verordeningen, waaronder de verordening Ruimte. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter en is vooral bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd.
17
Figuur 3.2 Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie 1 oktober 2022)
Beoordeling Het projectgebied ligt binnen het landelijk gebied maar is wel aangeduid als 'Verstedelijking afweegbaar'. De basisregel is dat duurzame stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie binnen stedelijk gebied worden gerealiseerd. Ter plaatse van de aanduiding 'Verstelijking afweegbaar' zijn afwijkende regels van toepassing. Artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een ruimtelijk plan, ter plaatse van 'Verstedelijking afweegbaar' voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Naast de regels omtrent 'verstedelijking afweegbaar' zijn ook basisprincipes voor evenwichtige toedeling van functies van toepassing. Onder artikel 3.9 'kwaliteitsverbetering landschap' is hierbij aan de orde.
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Een ruimtelijk plan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het plan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied
18
én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing; de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Conclusie Vanuit de Interim omgevingsverordening zijn er geen provinciale belangen die de ontwikkeling op deze locatie in de weg staan. Vanuit de provincie Noord-Brabant is er een positieve grondhouding voor deze locatie. Ten behoeve van de regionale afspraken zal nog nader overleg plaatsvinden in het kader van de regionale woondeal en afsprakenkader Stedelijke Regio Breda-Tilburg. Er is daarnaast toepassing gegeven aan de Ladder (zie paragraaf 3.1.3).
Ook is in het plan rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, waaronder de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de ecologische waarden en andere relevante milieuaspecten. De verantwoording hiervan bevindt zich in hoofdstuk 4 van voorliggend ruimtelijke onderbouwing. Het projectgebied wordt daarnaast groen ingericht en ingepast in de landschappelijke omgeving.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Etten-Leur: 'Etten-Leur doet het gewoon!'
De gemeentelijke omgevingsvisie 'Etten-Leur doet het gewoon!', is op 11 juli 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Etten-Leur. In de omgevingsvisie is al het beleid over bijvoorbeeld bouwen, verkeer, wonen, milieu, natuur en water gebundeld in één document. Met de vaststelling van de omgevingsvisie legt de gemeenteraad zijn lange termijnambities en -beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving vast. De komende tien à twintig jaar is de omgevingsvisie een belangrijk kompas voor de te maken keuzen in beleid en uitvoering. Na een inventarisatie van de stand van zaken binnen de gemeente zijn er in de omgevingsvisie vijf ambities geformuleerd. Deze ambities worden gebruikt als rode draad voor het bepalen van de koers van het beleid. De ambities komen hieronder kort aan bod:
1. Iedereen kan meedoen De gemeente zet in op een passend woningaanbod, voldoende werkgelegenheid en een breed pakket aan voorzieningen. Dit stelt inwoners in staat om elkaar te ontmoeten en bevordert de sociale cohesie.
19
2. Behoud en versterking basiskwaliteit leefomgeving Etten-Leur gaat voor het behoud en versterken van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige structuren en elementen in het buitengebied en stedelijk gebied. Wel gaat er sprake zijn van meer functie menging naar aanleiding van klimaatverandering. Deze opgaven leiden tot nieuwe landschappen waarbij er rekening gehouden wordt met bestaande waarden.
3. Zorg voor de leefbaarheid en gezondheid De gemeente streeft naar een dusdanige kwaliteit van bodem, (grond)water en lucht dat er een beschikte basis is voor de gezondheid, landbouw, natuur en recreatie. Voor een goede leefbaarheid en gezonde leefomgeving is tevens belangrijk dat hinder en overlast ten gevolge van geluid, geur, licht en trillingen wordt beperkt. Etten-Leur kent geen grote knelpunten op deze gebieden maar innovaties kunnen zorgen voor nog betere omstandigheden.
4. Bevorderen van een goede bereikbaarheid De gemeente Etten-Leur wil inzetten op zowel doorstroming van autoverkeer als een goed fiets- en wandelnetwerk en openbaar vervoer. De huidige infrastructuur wordt samen met inwoners en ondernemers uitgebouwd naar een slim en duurzaam mobiliteitssysteem. Er is tevens ruimte voor nieuwe innovaties en initiatieven om uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de luchtkwaliteit te verbeteren.
5. Inzetten op duurzaamheid en innovatie De gemeente Etten-Leur wil duurzaam ontwikkelen. Initiatieven op alle fronten worden gestimuleerd mits de initiatieven leiden tot meerwaarde, bijdragen aan de duurzaamheidsopgave en verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Op het gebied van de energiestrategie wordt de koers gebaseerd op regionale afspraken voor 2030 waarbinnen elke gemeente haar bijdragen levert in het totaal.
Gebiedsvisies Buiten deze vijf ambities zijn er gebiedsvisies geformuleerd voor verschillende gebieden binnen de gemeente: Werkgebied / Woongebied / Centrumgebied / Buitengebied. Onderhavig projectgebied is gelegen binnen het gebied aangeduid als 'buitengebied'. De basiskwaliteiten van het Etten-Leurse landschap dient te worden beschermd. Daarom wordt het bestaande beleid gecontinueerd ten aanzien van bescherming en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Dit kunnen gebieden zijn, maar ook solitaire (lijn) elementen zoals bomenrijen, zandpaden, dreven, vaarten en sloten. Ontwikkelingen zijn alleen aanvaardbaar als zij geen afbreuk doen aan de basiskwaliteiten. Daarnaast wordt ook ingezet op behoud en versterken van landschappen en groenstructuren. Naast behoud van de basiskwaliteiten heeft de gemeente Etten-Leur ook strategische ontwikkelzones voor wonen aangewezen. De komende jaren bouwt Etten-Leur vooral woningen in bestaande wijken. Vanaf 2025 is er echter ook nieuw woongebied nodig. Een intensiever woonprogramma in ons stedelijk gebied leidt namelijk onherroepelijk tot meer hoogbouw en minder openbare en groene ruimte. Dat zou juist afbreuk doen aan het zo gewaardeerde groenstedelijke karakter van onze woonwijken. Zo is ruimte voor woningbouw aangewezen: aan de noordwestzijde (Haansberg) en
20
aan de oostzijde (Lage Vaartkant).
Figuur 3.3 Ligging woongebied Haansberg versus locatie tijdelijke woningen
Onderhavige locatie is gelegen aansluitend op Haansberg. De ligging in de buurt van het centrum, buitengebied en treinstation biedt kansen voor een aantrekkelijke en lokaal en regionaal goed verbonden woonwijk. Hier zal wijkontwikkeling, met een toevoeging van 1.300 woningen, een bijdrage leveren aan Etten-Leur als geheel. Om het toekomstige woongebied van meer dan 1.300 woningen bereikbaar te maken is het noodzakelijk een noordelijke randweg aan te leggen welke reeds is opgenomen in de omgevingsvisie.
Figuur 3.4 Uitsnede omgevingsvisie (projectgebied rood omlijnd)
21
Beoordeling en conclusie Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van tijdelijke flexwoningen voor een periode van 15 jaar tegen het gebied dat na 2025 in ontwikkeling wordt genomen voor woningbouw. Het eerste deel van de gekozen ontsluiting van de gebiedsontwikkeling (interne lus) zal reeds versneld tot uitvoer gebracht worden om de flexwoningen te kunnen ontsluiten. De woningbouwlocatie voor circa 1.300 woningen is reeds opgenomen in de omgevingsvisie. De locatie van de flexwoningen ligt in de randzone 'stedelijk uitloopgebied' en sluit aan bij de toekomstige woningbouwplannen.
22
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met milieuhychiënische aspecten. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhychiënische aspecten die van belang zijn voor het projectgebied nader toegelicht.
4.1
Bodem
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is door Kragten een verkennend (water-) bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor het voorgenomen initiatief. Hieronder volgen de conclusies uit het onderzoek, de volledige rapportage is als Bijlage 4 bijgevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing.
Onverhard terreindeel Geadviseerd wordt om vrijkomende bovengrond binnen het plangebied her te gebruiken. Vrijkomende ondergrond (leem) zal civieltechnisch niet geschikt zijn voor ‘zand in aanvulling of ophoging’. Derhalve wordt geadviseerd om de leemgrond elders binnen de regio, op basis van de bodemkwaliteitskaart, her te gebruiken. De vrijkomende zand ondergrond kan als sleufvulling worden hergebruikt. Voormalige tanklocatie Er is tot een diepte van circa 1,5 m mv een matig tot licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. De omvang van de olieverontreiniging (niet toepasbare grond) is in horizontale richting niet ingekaderd. Geadviseerd wordt om in eerste instantie middels een nade r onderzoek de verontreiniging in horizontale richting in te kaderen. Op basis van het inkaderingsonderzoek kunnen de vervolgstappen worden beoordeeld voor het verwijderen van de verontreinigde grond. Werkplaats Ter plaatse van de werkplaats is de laag straatzand sterk verontreinigd met minerale olie. Op basis van het onderzoek uit 2008 is deze sterke verontreiniging aangetroffen tot een diepte van circa 0,5 m -mv. De hoeveelheid werd geschat op circa 2 m3 sterk verontreinigde grond en circa 2 m2 licht verontreinigde grond. Conform het Besluit bodemkwaliteit zal zowel de sterk als de licht verontreinigde grond elders niet toepasbaar zijn.
Geadviseerd wordt om de saneringswerkzaamheden uit te voeren middels een Plan van Aanpak (PvA). Het PvA dient door het bevoegd gezag (in deze de gemeente Etten-Leur) te worden goed gekeurd. De verontreinigde grond dient na sloop van het gebouw door een BRL-SIKB 7000 gecertificeerde aannemer te worden gesaneerd. De werkzaamheden dienen door een BRL-SIKB 6000 gecertificeerde MKB-er te worden begeleid. De start van de werkzaamheden dient minimaal vijf werkdagen voor aanvang te worden gemeld bij het bevoegd gezag. De exacte werkzaamheden dienen in het PvA te worden vermeld. Paardenbakken
23
Vanwege de bijmenging van textiel en mogelijk rubberdeeltjes, wordt geadviseerd om de toplaag ter plaatse van de twee paardenbakken niet in het werk te hergebruiken, tenzij de bijmengingen uitgezeefd kunnen worden. Omdat het pakket zand met bijmengingen ter plaatse van de wedstrijd paardenbak sterk verontreinigd is met barium en nikkel (in een verwachte hoeveelheid van meer dan 25 m3) is ter plaatse sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Omdat deze laag homogeen verdeeld is zal de verontreiniging zich beperken tot de paardenbak. Voor de (graaf-)werkzaamheden ter plaatse van de verontreinigingslocaties dient een BUS-melding te worden ingediend bij de provincie Noord-Brabant. De (graaf-/sanerings-)werkzaamheden dienen door een BRL-SIKB 7000 gecertificeerde aannemer te worden uitgevoerd. De werkzaamheden dienen door een BRL-SIKB 6000 gecertificeerde MKB-er te worden begeleid. De werkzaamheden dienen minimaal vijf werkdagen voor aanvang gemeld te worden bij het bevoegd gezag (i.d. provincie Noord Brabant).
Conclusie Ter plaatse van de werkplaats en paardenbakken zijn vervolgstappen in de vorm van sanering noodzakelijk. Dit zal worden uitgevoerd. De resultaten uit het verkennend bodemonderzoek vormen verder geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.2
Geluid
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald, dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen geluidzones van (spoor)wegen, middels een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond of ter plaatse de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient namelijk te worden voorkomen. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft de omgevingsdienst een akoestisch onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd als Bijlage 5. Hieronder volgen enkel de conclusies uit het onderzoek.
Akoestisch onderzoek (wegverkeer, spoorweglawaai) De geluidbelasting van het wegverkeerslawaai is, zonder rekening te houden met de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Haansberg, zodanig dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB vanwege het spoorweglawaai wordt bij geen van de flexwoningen overschreden. Industrielawaai De grenswaarde van 50 DB(A) van het industrielawaai wordt bij de geen van de flexwoningen overschreden. Om de omliggende bedrijven niet te frustreren in hun bedrijfsvoering dient volgens de wetgeving te worden uitgegaan van de planologische geluidruimte zoals deze is bepaald in het onderzoek van DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. welke als Bijlage 6 is opgenomen. Uit dit onderzoek volgt dat bij maximale invulling de geluidbelasting bij de flexwoningen ten hoogste 53 dB(A) bedraagt. In het onderhavig geval dient voor alle flexwoningen hogere toelaatbare waarden van 53 dB(A) ten gevolge van het geluidgezoneerde industrieterrein Vosdonk te worden vastgesteld. Cumulatie De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 55 dB (berekend op één woonblok).
24
Dit is te kwalificeren als redelijk. Op de overige gevels varieert de gecumuleerde geluidbelasting van 43 tot 54 dB en is te kwalificeren van goed tot redelijk. Conclusie De geluidbelastingen vanwege het wegverkeers- spoorweg-, en industrielawaai staan de ontwikkeling niet in de weg.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
In de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van de verschillende typen bedrijven en instellingen. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de afstand, die tussen de diverse bedrijfstypen en een milieugevoelig object dient te worden aangehouden, om hinder uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Milieu categorie
Richtafstand tot 'rustige woonwijk' 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 15000 Tabel 4.2 Richtafstanden VNG-publicatie
Richtafstand tot 'gemengd gebied' 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
Beoordeling Op onderstaande afbeelding met bijhorende tabel zijn alle bedrijven en directe omgeving weergegeven. De in de tabel genoemde richtafstanden zijn tevens op het kaartbeeld weergegeven. Gezien de diversiteit aan functies in het buitengebied zou voor onderhavig projectgebied de VNG-richtafstanden tot een 'gemengd gebied' kunnen worden aangehaald. Echter, aangezien er een woongebied met 100 woningen wordt gerealiseerd en in de toekomst naar alle waarschijnlijk tevens aansluitend een woongebied met meer dan 1.000 woningen is er voor gekozen uit te gaan van de minst gunstige richtafstanden, zijnde voor een 'rustige woonwijk'.
25
Figuur 4.3 Ligging omliggende bedrijven met richtafstanden
* Bij deze bedrijven is het niet geheel bekend welke richtafstand aangehouden dient te worden i.v.m. de activiteiten. Uitgegaan is van worst case scenario en derhalve grootste richtafstand.
Bedrijf 24 is vanwege de ligging ten opzichte van het projectgebied niet weergegeven in figuur 4.2 De werkelijke afstand van dit bedrijf tot aan het projectgebied bedraagt 2,2 km en voldoet daarmee aan de richtafstand. Zoals in navolgende figuur 4.3 in detail is te zien, overlappen de richtafstanden van een vijftal bedrijven het projectgebied: Nummer 20, 26, 27, 29 en 30.
26
Zoals in figuur 4.3 is te zien dat binnen de richtafstanden van bedrijf 20, 26, 29 en bedrijventerrein Vosdonk (nummer 30) geen woningen zijn voorzien. Bedrijf 27 betreft de voormalige manege 'De Hoeve Grient'. Deze is niet meer in bedrijf en er worden enkel nog hobbymatig paarden gehouden. Technisch blijft het mogelijk om op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied' een manege op te richten. Omdat de gronden in eigendom zijn van de gemeente is dit geen realistisch scenario.
Figuur 4.4 Ingezoomd op bedrijven waarbij richtafstanden het projectgebied overlappen
Conclusie De bedrijven en functies in de omgeving van het projectgebied zijn niet van invloed op het onderhavig planvoornemen. Andersom levert de ontwikkeling van het projectgebied ook geen beperkingen op voor deze functies. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.4
Watertoets
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen dan ook verplicht.
Waterparagraaf
Beleid Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Moerdijk. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het 'Waterbeheerprogramma
27
2022-2027', welke is vastgesteld op 1 december 2021. De 'Keur Waterschap Brabantse Delta 2015' bevat vervolgens regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van het oppervlaktewater en grondwater. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'beleidsregel Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater'. Bij toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m2 is er vanuit het waterschap een compensatieverplichting. Tot 500 m2 is de gemeente het bevoegd gezag.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 (vGRP) Op 4 februari 2019 heeft de gemeente Etten-Leur het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019- 2023 (vGRP) vastgesteld. In het vGRP zet de gemeente Etten-Leur in op een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen om het (afval)watersysteem toekomstbestendig te maken. Door de klimaatverandering zijn er meer extreme regenbuien, (te) droge of juist (te) natte periodes en hittestress in stedelijk gebied. De schadelijke gevolgen wil men beperken. Uitgangspunt hierbij is het doelmatig scheiden van waterstromen, ofwel het regenwater van de riolering afkoppelen. Ambities voor het hemelwater zijn het voorkomen en verminderen van wateroverlast, het duurzaam verwerken van hemelwater en het voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Bij (her)ontwikkelingen moeten retentievoorzieningen voor hemelwater worden aangelegd. Bij het ontwerp van retentievoorzieningen geldt dat de benodigde omvang van de retentievoorziening is gerelateerd aan de toename van het verhard oppervlak. Voor de mogelijkheden van de retentievoorziening geldt het doelmatigheidsprincipe: de voorziening moet daadwerkelijk bijdragen aan het voorkomen van wateroverlast en/of het ontlasten van de riolering en; de maatregel moet efficiënt zijn, dat wil zeggen dat er geen goedkopere of effectievere alternatieven zijn.
De gemeente sluit voor de eisen vanuit hydrologisch neutraal ontwikkelen aan bij het beleid van waterschap Brabantse Delta.
Waterhuishoudkundige situatie projectgebied De bodemopbouw, geohydrologie en waterhuishouding is van belang voor de compensatieopgave en de uitwerking daarvan. Uit het verkennend bodemonderzoek (zie Bijlage 4 blijkt dat het huidige maaiveldniveau varieert van circa 4 m +NAP tot 6m +NAP. Uit de boorprofielen van het bodemonderzoek is gebleken dat de bovenlaag van de bodem voornamelij kbestaat uit matig fijn zand dat zwak tot sterk siltig is. Verder is een sterk zandige leemlaag van 20 tot 30 cm aangetroffen op variërende dieptes.
28
Figuur 4.1 Gemiddeld Hoogste Grondwaterstanden (bron: Provincie Noord-Brabant)
De grondwaterstand, met name de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG), is van belang om te bepalen tot welk niveau er waterberging gerealiseerd kan worden. Deze dient namelijk boven de GHG te worden aangelegd om natuurlijke infiltratie mogelijk te kunnen maken. Op basis van de Provinciale databank kan worden geconcludeerd dat de GHG binnen het projectgebied oploopt van west naar oost. In het westen is de GHG gelegen tussen 40-80 cm-mv en in het oosten ligt de GHG dieper dan 120 cm-mv, waarbij de GHG in het zuidoosten zelfs tussen 200 - 250 cm-mv is gelegen. In het verkennend bodemonderzoek is inzicht gegeven in de grondwaterstand op basis van het vooronderzoek en op basis van de gemeten grondwaterstand. De aangetroffen grondwaterstand op 14 juni 2023 ligt tussen de 2m en 2,8 meter onder maaiveld. Uit het bij het bodemonderzoek uitgevoerde infiltratieonderzoek komt naar voren dat de horizontale doorlatendheid van de bodem vrij goed tot goed is. Voor infiltratievoorzieningen in het matige fijne zand dat zwak tot matig siltig is dient een minimale doorlatendheid van 0,4 m/d en een maximale doorlatendheid van 0,75 m/d aangehouden te worden. De leegloop van infiltratievoorzieningen zal hierdoor door infiltratie kunnen plaatsvinden.
29
Figuur 4.2 Uitsnede Legger Waterschap Brabantse Delta (projectgebied geel omlijnd)
Binnen en grenzend aan het projectgebied zijn enkele B-watergangen aanwezig. De waterloop op de grens aan de noordzijde van het projectgebied blijft behouden en wordt ingepast in het ontwerp. De waterloop in het noordoosten van projectgebied blijft gehandhaafd. De ontsluitingsweg voor de flexwoningen buigt al eerder af naar links (zie verkaveling in figuur 2.3). De waterlopen ter hoogte van de rotonde blijven in functie, maar worden wel wat verlegd en worden voorzien van nieuwe duikers. Hiervoor zal een vergunning van het waterschap nodig zijn.
Compensatieopgave planontwikkeling De verhardingsopgave van het te ontwikkelen plan, welke wordt afgezet tegen het relevante beleid omtrent de waterbergingsopgave als gevolg van het verhard oppervlak, bepaalt de te compenseren waterberging en de mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor. Deze worden in onderhavige paragraaf belicht. Vanwege het van toepassing zijnde beleid wordt zowel de bestaande als de nieuwe verhardingssituatie inzichtelijk gemaakt. Door middel van beschikbare luchtfoto's, ondergronden en aangeleverde situatietekeningen voor de beoogde situatie is een indicatieve berekening van de verhardingsopgave gemaakt.
Functie Oppervlakte gebouwen Oppervlakte verharding Totaal verharding
Oppervlakte +/- 5.000 m2 +/- 6.000 m2 +/- 11.000 m2
30
Totaal onverhard +/- 50.000 m2 Totaal projectgebied +/- 61.000 m2 Tabel 4.1 Verhardingsopgave projectgebied (bron: pagina 3 Bijlage 3)
In de bestaande situatie is bebouwing aanwezig, alsmede een tweetal paardenbakken, wegen en een parkeerplaats. De paardenbakken zijn als halfverharding (50%) meegerekend. In de bestaande situatie is ongeveer 9.400 m2 aan verhard of bebouwd oppervlak aanwezig. In totaal zal er sprake zijn van circa 2.000 m2 toename van het verhard oppervlak. Omdat de toename meer dan 500 m2 bedraagt is het waterschap in principe bevoegd gezag. Het waterschap hanteert een bergingsopgave van 60mm per toename verhard oppervlak. Echter, de gemeente zou graag voor deze ontwikkeling uit gaan van een bergingsopgave van 70 mm voor alle verharding. Aangezien de gemeentelijke wens strenger is dan het waterschapsbeleid wordt uitgegaan van het meest strenge richtlijn. In de tijdelijke woonbuurt worden derhalve voorzieningen getroffen om een stortbui van 70 mm op te vangen. Er is geen rekening gehouden met het infiltrerende vermogen van greppels die het water vervoeren richting de wadi. In praktijk zal er hier al een flink deel van de neerslag wegzakken. Uitgaan van het totale verharde oppervlak in de nieuwe situatie is derhalve sprake van circa 800 m3 te bufferen water (70mm * 11.000 m2). In het plangebied zijn reeds drie wadi's voorzien. Bij de verschillende hofjes worden daarnaast greppels aangebracht die de eerste wateropvang kunnen bergen. Overtollig water stroomt via de greppels naar de wadi's.
In totaal is er sprake van een buffercapaciteit van circa 2.400 m3. De inrichting en dwarsdoorsnede van het plangebied is opgenomen in Bijlage 3. De verdere uitwerking van de verwerking van het hemelwater zal worden afgestemd met de gemeente Etten-Leur en het Waterschap. De toepassing van uitlogende materialen, zoals koper en zink, dienen zoveel als mogelijk te worden vermeden. Dit ter voorkoming van verontreiniging door de verspreiding van schadelijke stoffen via bodem en riool. Conclusie Middels de waterparagraaf is onderzocht wat de waterhuishoudkundige consequenties zijn van de beoogde ontwikkeling. Het relevante waterbeleid is tegen het licht gehouden om te beoordelen wat de belangrijkste uitgangspunten zijn met betrekking tot water en in hoeverre er mogelijk sprake is van belemmeringen ten aanzien van eventuele beschermingszones. Hieruit is gebleken dat er geen directe belemmeringen zijn voor het planvoornemen. Vanwege de toename van verharding is compensatie nodig. Deze waterbergingsvoorziening kan worden uitgevoerd in de vorm van verschillende aaneengeschakelde wadi's met overloopconstructies. Er is voldoende ruimte in het projectgebied aanwezig om hier invulling aan te geven. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen.
31
4.5
Ecologie
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming ziet zowel op de bescherming van waardevolle gebieden (waaronder de Natura 2000-gebieden) als op de bescherming van planten- en diersoorten. Voor gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen ecologische hoofdstructuur) is daarnaast sprake van planologische bescherming. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of beschermde planten- en diersoorten. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de actuele natuurwetgeving.
4.5.1
Flora en fauna
Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.
Quickscan flora en fauna Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden is door Ecodat een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 7 toegevoegd aan voorliggende onderbouwing. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.
Gebiedsbescherming Het projectgebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van gebieden die zijn aangewezen als Europees Natura 2000-gebied. Eventueel verstorende factoren t.a.v. een dergelijk gebied, zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling en werkwijze niet aanwezig. Wel dient een stikstofdepositieberekening (Aerius-berekening) uitgevoerd te worden. Deze komt in navolgende paragraaf aan bod. Het projectgebied maakt daarnaast ook geen onderdeel uit van het Nationaal NatuurNetwerk, het NatuurNetwerk Brabant of een ander gelijkwaardig netwerk.
Houtopstanden Op de locatie zijn geen houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wnb. Zoals uit de Bomen Effect Analyse (Bijlage 2) blijkt is een aantal bomen niet duurzaam te behouden vanwege de slechte conditie en toekomstverwachting. Bij enkele andere bomen worden speciale maatregelen getroffen om ze te kunnen behouden. De bomen die verwdijnen worden lokaal en ruimschoots gecompenseerd.
Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikte habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen zorgt er voor dat aanvullend onderzoek nodig is naar diverse beschermde soorten. Zo is er nader onderzoek noodzakelijk naar het voorkomen van en het gebruik van het projectgebied door de volgende soorten: Bunzing en steenmarter Boerenzwaluw, buizerd, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, ransuil, roek en sperwer
32
Gebouwgebonden vleermuizen: 1. gewone-, kleine en ruige dwergvleermuis 2. laatvlieger 3. Rosse vleermuis andere soorten zijn niet te verwachten, gegeven de opbouw en bouwjaar van de panden, doch zullen wel meegenomen worden in het onderzoek. 4. Onderzoek naar de aan-/afwezigheid van: a. Kraamverblijven b. Zomerverblijven c. Paarverblijven d. Vliegroutes e. Foerageergebied Teunisbloempijlstaart Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels (zoals mezen) en (algemene) amfibieën kunnen worden voorkomen middels het opstellen van een ecologisch werkprotocol. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren.
Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten uit de quickscan wordt nader onderzoek naar diverse soorten noodzakelijk geacht. Uit de aanvullende onderzoeken moet blijken of eventuele ontheffing en mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. De werkwijze met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen. Het projectgebied dient voorafgaand aan het broedseizoen (globaal vanaf 15 maart) ongeschikt te worden gemaakt als broedlocatie voor algemene broedvogels. Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Aanvullende onderzoeken Aanvullende onderzoeken kunnen pas in september 2023 worden uitgevoerd. Vanwege de aanwezigheid van boerenzwaluwnesten is in overleg met de ecoloog besloten een deel van de bestaande schuur te handhaven. Dit is het deel waarin de zwaluwnesten voorkomen. Ontheffing Wnb is dan niet nodig omdat boerenzwaluwnesten niet jaarrond beschermd zijn.