Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Haansberg 146
Tekst van het document
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
Pagina 25 van 54
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de projectlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2, na de inwerkingtreding van de Keur 2009 (22-12-2009). De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er een toename van circa 4.670 m2 verhard oppervlak. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen.
De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Brabantse Delta, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit afbeelding 9 blijkt is er voor de locatie aan de Haansberg 146 een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Afbeelding 7 Uitsnede gevoeligheidskaart
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou
Pagina 26 van 54
komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 4.670 m2 x 1,0 x 0,06 = 281 m3 Uit bovenstaande rekensom blijkt dat er retentievoorziening aanwezig moet zijn dat minimaal 281 m3 water vast kan houden. De oppervlakte en diepte van dergelijke retentievoorziening is afhankelijk van de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Uit onderstaande afbeelding is te zien dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen de 0-20, 20 – 40 cm en 40 – 60 cm.
Afbeelding 8 Uitsnede GHG-kaart
De beoogde retentievoorziening zal bestaan uit een sloot waarin het water opgevangen kan worden en langzaam in de bodem kan infiltreren. Deze sloot zal ten zuidoosten en oosten van het projectgebied, nabij de beoogde loods, worden aangelegd. In het beplantingsplan, zie bijlage 3, is de exacte locatie weergegeven. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.
Pagina 27 van 54
Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.
Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 11. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden. Tevens is in artikel 3.1.3 getoetst aan de regels omtrent waterhuishouding nabij een NNB-gebied. Uit deze toetsing blijkt dat kan worden voldaan aan de regels welke zijn vastgesteld in de Iov.
Pagina 28 van 54
Afbeelding 9 Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov
4.3.2. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Hollands diep en de Krammer-Volkerak. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Hollands Diep, dat op een afstand van circa 11,7 kilometer ligt. De omschakeling van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden
Pagina 29 van 54
tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Aangezien in de beoogde situatie sprake is van een toename van stikstofemissie, wat tevens leidt tot een toename van stikstofdepositie, zal doormiddel van extern salderen een of meerdere veehouderijen worden beëindigd. Hierdoor is er sprake van een vereveningseffect. Omdat sprake is van extern salderen, dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden verleend. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming zal na deze procedure worden aangevraagd.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Hollands Diep leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden niet zijn te verwachten. Echter is, vanwege extern salderen, op grond van de Wet natuurbescherming een vergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Pagina 30 van 54
Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Haansberg 146, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen en nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op dit moment wordt ter plaatse een geitenhouderij geëxploiteerd Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten.
Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’ en ‘inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.
Pagina 31 van 54
Pagina 32 van 54
Afbeelding 10 Effectenindicator soorten
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de projectlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.4.1. Kwetsbare gebieden
Het Activiteitenbesluit is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In het Activiteitenbesluit zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.
Pagina 33 van 54
Afbeelding 11 Uitsnede -WAV gebieden, projectlocatie rood omcirkeld
Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.
4.4.2. Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). Aangezien voor vleesstieren geen normen zijn opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting, is toetsing aan dit Besluit niet benodigd. 4.5. Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt.
Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging.
Pagina 34 van 54
Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.6.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 13. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het project geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 12 Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov
Daarnaast beschikt de provincie over de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart). Hierin zijn cultuurhistorische waarden van ‘bovenlokaal belang’ weergegeven. Op deze kaart zijn indicatieve cultuurhistorische vlakken, cultuurhistorische landschappen en archeologische landschappen opgenomen. Zoals te zien is in de onderstaande afbeelding de locatie niet gelegen in een gebied welke is aangemerkt als cultuurhistorisch of archeologisch belang. Derhalve zijn er geen belemmeringen te verwachten voor onderhavig initiatief.
Pagina 35 van 54
Afbeelding 13 Uitsnede CHW-kaart
4.6.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is ter plaatse van de locatie aan de Haansberg 146 de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’ gelegen. Hierin is opgenomen dat, indien bodemingrepen worden verricht binnen deze bestemming die groter is dan 1.000 m2 en dieper dan 0,4 meter, een archeologisch onderzoek aangeleverd dient te worden. Aangezien de nieuwe stallen een gezamenlijke oppervlakte van 4.897,5 m2 en dieper zijn dan 0,4 meter dient een archeologisch onderzoek aangeleverd te worden 4.7. Landschappelijke inpassing In het kader van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dient getoetst te worden aan artikel 3.9. Hierin is opgenomen dat ontwikkelingen binnen het landelijk gebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van het landschap. In paragraaf 3.1.3 is getoetst aan artikel 3.9 van de Iov. Uit toetsing blijkt dat sprake is van een categorie 2. Ontwikkeling waarbij een minimale investering van 20% van de grondwaardevermeerdering noodzakelijk is.
In de bijlage is de berekening van de kwaliteitsverbetering weergegeven in combinatie met de aan te leggen landschappelijke inpassing. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie
Pagina 36 van 54
over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk.
Een rundveehouderij valt onder de omschrijving ‘Fokken en houden van rundvee’. Deze bedrijven behoren tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig gebied, is de richtafstand minimaal 100 m. Na geur blijken de aspecten stof en geluid de grootste richtafstand te bevatten, namelijk 30 meter. De dichtstbijzijnde woning van derden (Haansberg 67) bevindt zich op een afstand van meer dan 100 meter van het dichtstbij liggende dieren verblijf. Deze afstand wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9. Geur
4.9.1. Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Etten-Leur heeft geen verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Hierdoor blijven de wettelijk vastgestelde normen in het Activiteitenbesluit gehandhaafd. In de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor in de wet geuremissiefactoren zijn opgenomen. Deze geuremissie wordt samen met de brongegevens van de stallen ingevoerd in het rekenprogramma V-stacks., dit programma rekent de geurbelasting uit op objecten in de omgeving. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de geurnormen die gelden op de woningen in de directe omgeving van het projectgebied. Doordat de locatie is gelegen buiten een concentratiegebied geldt voor de bebouwde kom een geurnorm van 2 OUe /m3.
Buiten de bebouwde kom geldt een geurnorm van 8 OUe /m3. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing. In de bijlage van deze onderbouwing zijn de invoergegevens opgenomen. In deze bijlage is een uitdraai van de rekenresultaten afkomstig uit het rekenprogramma terug te vinden. In tabel 3 is een samenvatting van de resultaten en de toetsing opgenomen. De tabel geeft de geurbelasting ten opzichte van het geurgevoelig object weer en de bijbehorende geurnorm.
Pagina 37 van 54
Tabel 3 Resultaat voorgrondgeurberekening Adres Geurnorm Geurbelasting vergund
Geurbelasting beoogd
Verschil
Haansberg 63
8,0
3,2
3,1
-0,1
Haansberg 67
8,0
5,6
5,4
-0,2
Haansberg 128
8,0
1,9
1,9
0
Sander 21
8,0
0,3
0,3
0
Kromhout 8
2,0
0,2
0,2
0
Geertsestraat 48
8,0
0,7
0,7
0
Hanekinderstraat 8
8,0
0,3
0,3
0
Rijsdijk 8
2,0
0,3
0,2
-0,1
Rijsdijk 38
2,0
0,3
0,3
0
Rijsdijk 174
2,0
0,2
0,2
0
Rijsdijk 90
2,0
0,3
0,3
0
Windgat 3
8,0
0,8
0,7
-0,1
Haansberg 57
8,0
1,1
1,0
-0,1
Rioolseweg 2
8,0
0,4
0,4
0
Geerstraat 7
8,0
0,5
0,5
0
Haansberg 43
8,0
0,5
0,4
-0,1
Bankenstraat 19
8,0
0,3
0,3
0
Zoals op te maken is uit de tabel vindt er geen overbelasting plaats op de geurgevoelige objecten. Conform artikel 3.116 dient de afstand vanaf het emissiepunt tot geurgevoelige objecten die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) dient minimaal 50 m te bedragen indien het geurgevoelige object is gelegen in het buitengebied. Binnen 50 meter van het projectgebied zijn geen geurgevoelige objecten gelegen die behoren tot andere veehouderijen. Naast toetsing aan de geurnormen en vaste afstanden is in het Activiteitenbesluit ook een minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierverblijf en een geurgevoelig object opgenomen (artikel 3.119). Deze afstand dient minimaal 50 meter te bedragen indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt en minimaal 25 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. In de beoogde situatie bedraagt de afstand vanaf de buitenzijde van het dierenverblijf tot het dichtstbijzijnde object, Haansberg 67, circa 100 m. Het agrarisch bedrijf voldoet aan de geurnormen op alle geurgevoelige objecten. Daarnaast voldoet de veehouderij aan de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf geen beperkingen.
Pagina 38 van 54
4.9.2. Cumulatieve geurhinder (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is opgenomen dat een uitbreiding van een dierenverblijf enkel is toegestaan indien kan worden aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er, indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenoemde percentages, maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdragen aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Omdat de gemeente Etten-Leur niet is gelegen in een concentratiegebied bedraagt de geurnorm voor de achtergrondconcentratie in de bebouwde kom 5,0 OUE/m3 (12% en 10,3 OUE/m3 buiten de bebouwde kom (20%). Op meerdere objecten is sprake van een overschrijding van de geurnorm voor de achtergrondconcentratie, zie onderstaande tabel.
Tabel 4 Achtergrondbelasting vergunde en beoogde situatie Haansberg 146 Adres Geurbelasting % Geurbelasting OUE/m³ Geurhinder vergund beoogd beoogd OUE/m³ Haansberg 63 13,17 24% 13,54 Haansberg 67 16,93 28% 17,88 Haansberg 128 9,06 19% 9,22 Sander 21 2,73 8% 2,72 Kromhout 8 1,42 5% 1,63 Geertsestraat 48 9,11 19% 8,41 Hanekinderstraat 1,71 6% 1,86 8 Rijsdijk 8 1,55 5% 1,72 Rijsdijk 38 1,50 5% 1,65 Rijsdijk 174 0,41 2% 0,45 Rijsdijk 90 1,71 6% 1,82 Windgat 3 4,25 11% 4,20 Haansberg 57 7,0 16% 7,15 Rioolseweg 2 26,42 36% 26,7 Geerstraat 7 4,76 12% 4,61 Haansberg 43 4,13 11% 4,03 Bankenstraat 19 17,98 29% 18,48
% Geurhinder vergund 24% 29% 19% 8% 5% 18% 6% 6% 5% 2% 6% 11% 16% 36% 12% 11% 29%
Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Uit de bovenstaande berekening blijkt dat de cumulatieve geurhinder op meerdere woningen hoger is dan 20%. De geurnormen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau geen nieuwe overbelastingen van geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Bij de beoordeling van geur dient gekeken te worden naar veedichte gebieden en vee-arme gebieden. Bij deze beoordeling dient niet gerefereerd te worden aan bijlage 1 van de meststoffenwet, maar dient gekeken te worden of sprake is van een veedicht gebied. Het is aan de beoordeling van de gemeente om te bepalen of een gebied als veedicht wordt bestempeld. Merendeel van de burgerwoningen zijn gelegen rondom de Geerstraat en Haansberg. Rondom deze twee straten zijn binnen een straal van 1 kilometer 11 veehouderijen gelegen, waaronder onderhavige veehouderij. Van deze 11 veehouderijen zijn vier veehouderijen aan te merken als grote veehouderijen. Deze veehouderijen huisvesten meer dieren dan een gemiddeld bedrijf in Nederland.
In de onderstaande tabel is de bedrijfsomvang weergegeven in combinatie met de gemiddelde omvang in Nederland (Cijfers afkomstig van CBS).
Pagina 39 van 54
Tabel 5 Omvang 'grote' bedrijven in de omgeving Locatie Aantal dieren conform KRD
Gemiddeld aantal dieren in Nederland Rioolseweg 4 2.620 biggen * 800 zeugen 535 zeugen incl. biggen* 2.268 vleesvarkens 1.671 vleesvarkens 158 overig rundvee/vleesvee 55 overig rundvee/vleesvee Rioolseweg 15 200 melkkoeien 105 melkkoeien 78 vrouwelijk jongvee 68 vrouwelijk jongvee** Bankenstraat 61 7.944 vleesvarkens 1.671 vleesvarkens Achter Boerkens 18 139 melkkoeien 105 melkkoeien 77 vrouwelijk jongvee 68 vrouwelijk jongvee** Haansberg 146 800 melkgeiten 837 melkgeiten *Gemiddeldes in Nederland worden weergegeven als inclusief biggen. **Gemiddelde jongveebezetting per bedrijf bedraagt 6,4 stuks per 10 melkkoeien. Voor onderhavige locatie geldt dat deze in de beoogde situatie geldt dat deze in de beoogde situatie 520 stuks vleesvee wil gaan huisvesten. In Nederland ligt het gemiddeld aantal vleesvee per bedrijf op 55 stuks. Daarmee is het bedrijf aan de Haansberg 46 in de toekomst ook te bestempelen als groot bedrijf. Doordat in een straal van 1 km rondom de Geerstraat/Haansberg 11 veehouderijen zijn gelegen, waarvan 5 ‘grote’ veehouderijen, kan de omgeving worden gezien als een veedicht gebied. Op basis hiervan kunnen aan de achtergrond geurresultaten de volgende percentages geurgehinderden worden toegekend.
Tabel 6 Rekenresultaten achtergrondbelasting Adres Geurbelasting % OUE/m³ Geurhinder beoogd beoogd Haansberg 63 13,17 15% Haansberg 67 16,93 18% Haansberg 128 9,06 11% Sander 21 2,73 5% Kromhout 8 1,42 3% Geertsestraat 48 9,11 11% Hanekinderstraat 1,71 3% 8 Rijsdijk 8 1,55 3% Rijsdijk 38 1,50 3% Rijsdijk 174 0,41 1% Rijsdijk 90 1,71 3% Windgat 3 4,25 7% Haansberg 57 7,0 10% Rioolseweg 2 26,42 24% Geerstraat 7 4,76 7% Haansberg 43 4,13 6% Bankenstraat 19 17,98 19%
Geurbelasting vergund OUE/m³ 13,54 17,88 9,22 2,72 1,63 8,41 1,86
% Geurhinder vergund 15% 19% 12% 5% 3% 11% 3%
1,72 1,65 0,45 1,82 4,20 7,15 26,7 4,61 4,03 18,48
3% 3% 1% 3% 6% 10% 24% 7% 6% 19%
Uit de berekeningen blijkt dat op het geurgevoelig object gelegen aan de Rioolseweg 2 niet kan worden voldaan aan de eis dat de cumulatieve geurhinder niet meer mag bedragen dan 20%. Echter kan alsnog worden voldaan, indien met de beoogde situatie proportioneel wordt bijgedragen aan de afname van de achtergrondbelasting. Om dit te beoordelen is de notitie ‘Afname overbelasting’ van de provincie Noord-Brabant gehanteerd. De stappen in deze notitie worden hieronder uiteengezet.
Pagina 40 van 54
Stap 1:
In stap 1 dient nagegaan te worden wat de geurbelasting is op omliggende geurgevoelige objecten op de uitgangssituatie (20 september 2013). Voor de uitgangssituatie wordt uitgegaan van de vergunning 05-03-2002. Na deze vergunning zijn nog een aantal milieutoestemmingen verleend waarbij de dieraantallen zijn gewijzigd. Derhalve betreft de vergunning van 05-03-2002 de rechtsgeldige vergunning op 20 september 2013. Voor de uitgangssituatie zijn de individuele brongegevens van het bedrijf van het bedrijf gehanteerd. Voor de overige bronnen zijn de gegevens opgevraagd uit web-bvb voor de datum 1 januari 2014. In de onderstaande tabel zijn de rekenresultaten weergegeven. De overbelaste objecten zijn met rood aangegeven. Tevens is er een berekening gemaakt van de voorgrondbelasting van de uitgangssituatie op de meegenomen gevoelige objecten. Volgens het stappenplan dient enkel de woning waar de hoogste voorgrondbelasting plaatsvind verder onderzocht te worden. Uit de berekening blijkt dat er op de Haansberg 67 sprake is van de hoogste voorgrondbelasting. Op deze locatie is tevens sprake van een overbelaste situatie. Derhalve zal deze woning in het vervolg van het stappenplan worden getoetst. Tabel 7 Berekende geurbelasting achtergrond en voorgrond uitgangssituatie Adres
Bestemming geurgevoelig object
Geurbelasting OUE/m³
% Geurhinder
Geurbelasting voorgrond (OUE/m3)
Haansberg 63 Haansberg 67 Haansberg 128 Sander 21 Kromhout 8 Geertsestraat 48 Hanekinderstraat 8 Rijsdijk 8 Rijsdijk 38 Rijsdijk 174 Rijsdijk 90 Windgat 3 Haansberg 57 Rioolseweg 2 Geerstraat 7 Haansberg 43 Bankenstraat 19
Buitengebied Buitengebied Buitengebied Buitengebied Woonkern Buitengebied Buitengebied Woonkern Woonkern Woonkern Woonkern Buitengebied Buitengebied Buitengebied Buitengebied Buitengebied Buitengebied
12,33 15,84 8,76 2,65 1,36 8,20 1,57 1,48 1,38 0,38 1,42 3,42 6,44 24,40 12,50 9,73 17,34
14% 17% 11% 4% 3% 11% 3% 3% 3% 1% 3% 5% 9% 23% 14% 12% 18 %
3,2 5,6 1,9 0,3 0,2 0,7 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,8 1,1 0,4 0,5 0,5 0,3
Uit deze berekening blijkt dat de cumulatieve geurhinder in de vergunde situatie wederom op de locatie Rioolseweg 2 wordt overschreden. Dit is het object waarop een proportionele bijdrage aan de afname moet plaatsvinden.
Stap 2:
In stap 2 dient bepaald te worden welke veehouderij rondom het geurgevoelig object (Haansberg 67) een substantiële bijdrage leveren aan de overbelasting. Hiervoor is een berekening gemaakt waar enkel Haansberg 67 als gevoelig object is meegenomen. Tevens is er ook voor alle bedrijven, dus ook het bedrijf aan de Haansberg 146, één emissiepunt gebruikt per veehouderij. Vanuit het resultatenbestand (Bronnennieuw) is bepaald welke bedrijven meer dan 0,5 OU E/m3 bijdragen aan de gesommeerde voorgrondbelasting. Vervolgens is er vastgesteld welke bedrijven individueel meer dan 5% bijdragen aan de gesommeerde geurbelasting. Hieruit zijn de bedrijven geselecteerd welke samen 80% of meer van de gesommeerde geurbelasting veroorzaken. Dit zijn de bedrijven die een substantiële bijdragen leveren aan de overbelasting. Het resultatenbestand is bijgevoegd in de bijlage. Hieruit blijkt dat het bedrijf aan de Haansberg 146 wel meer dan 0,5 OUE/m3 aan bijdrage levert. Tevens wordt een bijdrage geleverd welke meer dan 5% bedraagt en behoort het bedrijf projectbedrijf (aangegeven als nummer 1) ook bij de bedrijven die samen de eerste 80% van de substantiële bijdrage leveren, zie onderstaande
Pagina 41 van 54
tabel. De projectlocatie heeft samen met het agrarische bedrijf aan de Bankenstraat 61 te Etten-Leur samen de eerste 80% van de substantiële bijdrage. Tabel 8 Samenvatting rekenresultaten stap 2 (Haansberg 67)
Stap 3 t/m 9:
Aangezien de projectlocatie aan de Haansberg 146 substantieel bijdraagt aan de overbelasting, zijn stappen 3 t/m 9 doorlopen. In deze stappen wordt bepaald hoeveel maatregelen moeten worden genomen om in proportionele mate bij te dragen in de afname van de overbelasting. Deze zijn samengevat in onderstaande tabel. In de tabel is te zien dat in de beoogde situatie voldoende is ondernomen om in proportionele mate de overbelasting te verlagen. Derhalve wordt voldaan aan het toetsingskader ‘Afname overbelasting’ van de provincie Noord-Brabant. Tabel 9 Samenvatting stap 3 t/m 9
4.9.3. Woon- en leefklimaat
In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de projectlocatie. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Pagina 42 van 54
Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door een vergelijking te maken met de geurbelasting als gevolg van het veelvoud van de veehouderijen in de omgeving van het betreffende geurgevoelige object (cumulatieve geurhinder) en de geurbelasting afkomstig van de veehouderij binnen de projectlocatie (voorgrondbelasting). Bij het bepalen van de geurhinder geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze ten minste de helft bedraagt van de cumulatieve geurhinder. In tabel 11 zijn de resultaten van beide berekeningen van de beoogde bedrijfsopzet weergeven en is bepaald welke belasting het meest bepalend in de toetsing van het woon- en leefklimaat. Eenzelfde berekening en toetsing heeft plaatsgevonden voor de vergunde situatie, zie tabel 12. Met deze resultaten is een vergelijking te maken, zie tabel 13, of de milieukwaliteit tussen de vergunde en beoogde situatie verslechterd. PRA Odournet BV heeft in opdracht van het ministerie van VROM de relatie tussen geurbelasting en geurhinder onderzocht. Aan de hand van de meest bepalende belasting is het percentage geurgehinderden berekend. Naar aanleiding van het percentage geurgehinderden kan vervolgens de kwaliteit van het woon- en leefklimaat worden berekend.
Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder onderstaande milieukwaliteitscriteria: Tabel 10 Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)
Adres
Achtergrondbelasting
Voorgrondbelasting
Meest bepalende belasting
Percentage geurgehinderden
Milieukwaliteit
Tabel 11 Samenvattingstabel berekening t.b.v. woon- en leefklimaat beoogd
Haansberg 63
13,17
3,1
Achtergrond
24%
Tamelijk slecht
Haansberg 67
16,93
5,4
Achtergrond
28%
Slecht
Haansberg 128
9,06
1,9
Achtergrond
19%
Matig
Sander 21
2,73
0,3
Achtergrond
8%
Goed
Kromhout 8
1,42
0,2
Achtergrond
5%
Goed
Geertsestraat 48
9,11
0,7
Achtergrond
19%
Matig
Hanekinderstraa t8
1,71
0,3
Achtergrond
6%
Goed
Rijsdijk 8
1,55
0,2
Achtergrond
5%
Goed
Rijsdijk 38
1,50
0,3
Achtergrond
5%
Goed
Pagina 43 van 54
Rijsdijk 174
0,41
0,2
Achtergrond
2%
Zeer goed
Rijsdijk 90
1,71
0,3
Achtergrond
6%
Goed
Windgat 3
4,25
0,7
Achtergrond
11%
Redelijk goed
Haansberg 57
7,0
1,0
Achtergrond
16%
Matig
Rioolseweg 2
26,42
0,4
Achtergrond
36%
Extreem slecht
Geerstraat 7
4,76
0,5
Achtergrond
12%
Redelijk goed
Haansberg 43
4,13
0,4
Achtergrond
11%
Redelijk goed
Bankenstraat 19
17,98
0,3
Achtergrond
29%
Slecht
Adres
Achtergrondbelasting
Voorgrondbelasting
Meest bepalende belasting
Percentage geurgehinderden
Milieukwaliteit
Tabel 12 Samenvattingstabel berekening t.b.v. woon- en leefklimaat vergund
Haansberg 63
13,54
3,2
Achtergrond
24%
Tamelijk slecht
Haansberg 67
17,88
5,6
Achtergrond
29%
Slecht
Haansberg 128
9,22
1,9
Achtergrond
19%
Matig
Sander 21
2,72
0,3
Achtergrond
8%
Goed
Kromhout 8
1,63
0,2
Achtergrond
5%
Goed
Geertsestraat 48
8,41
0,7
Achtergrond
18%
Matig
Hanekinderstraa t8
1,86
0,3
Achtergrond
6%
Goed
Rijsdijk 8
1,72
0,3
Achtergrond
6%
Goed
Rijsdijk 38
1,65
0,3
Achtergrond
5%
Goed
Rijsdijk 174
0,45
0,2
Achtergrond
2%
Zeer goed
Rijsdijk 90
1,82
0,3
Achtergrond
6%
Goed
Windgat 3
4,20
0,8
Achtergrond
11%
Redelijk goed
Haansberg 57
7,15
1,1
Achtergrond
16%
Matig
Rioolseweg 2
26,7
0,4
Achtergrond
36%
Extreem slecht
Geerstraat 7
4,61
0,5
Achtergrond
12%
Redelijk goed
Haansberg 43
4,03
0,5
Achtergrond
11%
Redelijk goed
Bankenstraat 19
18,48
0,3
Achtergrond
29%
Slecht
Pagina 44 van 54
Adres
Milieukwaliteit vergund
Milieukwaliteit beoogd
Tabel 13 Overzicht milieukwaliteit vergund - beoogd
Haansberg 63
Tamelijk slecht
Tamelijk slecht
Haansberg 67
Slecht
Slecht
Haansberg 128
Matig
Matig
Sander 21
Goed
Goed
Kromhout 8
Goed
Goed
Geertsestraat 48
Matig
Matig
Hanekinderstra at 8
Goed
Goed
Rijsdijk 8
Goed
Goed
Rijsdijk 38
Goed
Goed
Rijsdijk 174
Zeer goed
Zeer goed
Rijsdijk 90
Goed
Goed
Windgat 3
Redelijk goed
Redelijk goed
Haansberg 57
Matig
Matig
Rioolseweg 2
Extreem slecht
Extreem slecht
Geerstraat 7
Redelijk goed
Redelijk goed
Haansberg 43
Redelijk goed
Redelijk goed
Bankenstraat 19
Slecht
Slecht
Ter plaatse van de bebouwde kom eist de provincie een redelijk goed (10%-15% geurgehinderden) leefklimaat. Conform de meest bepalende woning in de bebouwde kom, Rijsdijk 90, is het percentage geurgehinderden hier 6%, wat als goed wordt aangemerkt. In het buitengebied acht de provincie een percentage van 20% geurgehinderden als aanvaardbaar. Dit komt overeen met de milieukwaliteit ‘Tamelijk slecht’. De meest bepalende woning ligt hier aan het Rioolseweg 2, waar het percentage geurgehinderden 36% is. Dit percentage ligt buiten de grenzen van wat zowel de provincie als de gemeente als aanvaardbaar achten voor dit gebied. Echter blijft het woon- en leefklimaat tussen de vergunde en beoogde situatie op alle geurgevoelige objecten gelijk. Derhalve kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie.
Pagina 45 van 54
4.10. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert.
De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd. PM10 Met behulp van het rekenprogramma ISL3a, zie bijlage, is een berekening gemaakt van de belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving. Door middel van het invullen van de invoergegevens (brongegevens en gegevens beschermde objecten) wordt berekend wat het jaargemiddelde fijnstofconcentratie (microgram/m³) en het aantal overschrijdingsdagen ter plaatse van de rekenpunten is. Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 15,52 µg/m3 bedraagt (zie onderstaande overzicht met resultaten). De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 6,0 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit).
Pagina 46 van 54
afbeelding 14 Rekenresultaten fijnstofberekening
PM2,5 Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan moet worden voldaan. Deze grenswaarde is opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer en bedraagt 25 µg/m3 voor het jaargemiddelde concentratie. In tegenstelling tot PM10 zijn voor PM2,5 geen normen opgenomen met betrekking tot overschrijdingsdagen. Doordat PM2,5 een fractie betreft van PM10, wordt in de praktijk het toegestane aantal overschrijdingsdagen van de etmaalgemiddelde grenswaarden voor PM10 vaak als eerste bereikt. In de praktijk blijkt dan ook dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarden van PM2,5 wordt nageleefd. De PM10 concentratie is niet hoger dan 15,52 µg/m3. Doordat dit niet hoger is dan de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5, kan gesteld worden dat ruimschoots kan worden voldaan aan de grenswaarde van PM2,5. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen.
De geluidsproductie van een rundveehouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de bouw van meerdere nieuwe stallen en het houden van een andere diersoort waarbij sprake is van natuurlijke ventilatie. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten
Pagina 47 van 54
vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten zo groot, namelijk 100 meter, dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.
4.12.1. Verkeer
Het initiatief heeft, ten opzichte van de huidige melkgeitenhouderij, een afname van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Voer wordt in bulk aangeleverd, loonwerk wordt op een vast aantal momenten in het jaar uitgevoerd en vleesstieren worden op afspraak aan-/afgevoerd, wat de voornaamste aan- en afvoerbewegingen zijn. Aangezien er minder voer wordt verbruikt, mest geproduceerd en geen melk meer wordt opgehaald zal, zoals bovenstaand benoemd, derhalve de transportbewegingen dalen. De projectlocatie ligt aan de Haansberg 146 te Etten-leur. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door het Sander en de Hoevenseweg. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen.
4.12.2. parkeren
CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machineen werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor voerlevering, loonwerk en aan-/afvoer van vleesstieren. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.13.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Pagina 48 van 54
De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.
Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. 4.13.2 Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Pagina 49 van 54
Afbeelding 15 Uitsnede risicokaart, projectlocatie rood omcirkeld
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een vleesveehouderij) op de projectlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het projectgebied voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Bepalen of de locatie binnen de invloedsfeer ligt van de dichtstbijzijnde spoorwegen en de grotere wegen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.
Conclusie
Gezien het bovenstaande, waarin getoetst is aan het beleid omtrent externe veiligheid, zijn geen belemmeringen te verwachten. 4.14. Technische infrastructuur In of nabij de projectlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 15). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de projectlocatie in beeld te brengen. 4.15. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.
Pagina 50 van 54
Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. Voor rundveehouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt gebleken vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Vooralsnog wordt er bij rundveehouderijen daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof.
Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de ontwikkeling een omschakeling van een melkgeitenhouderij naar een rundveehouderij, en worden er geen andere soorten dieren op het bedrijf gehouden. De afstand tot woningen in de omgeving is tevens voldoende groot om het risico naar de omgeving te beperken.
Pagina 51 van 54
5. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen omschakeling van een veehouderij aan de Haansberg 146 te Etten-Leur. De uitbreiding bestaat uit ontwikkeling heeft betrekking op het exploiteren van een rundveehouderij waarbij meerdere bedrijfsgebouwen worden opgericht. In de beoogde situatie worden 520 vleesstieren gehouden. Voor het huisvesten van deze vleesstieren zal in totaal 7.902,5 m2 aan bedrijfsgebouwen in gebruik zijn. aangezien de beoogde bedrijfsgebouwen niet passen binnen de huidige vorm van het bouwvlak, zal de vorm van het bouwvlak gewijzigd worden. Daarnaast zal er nog 2.214 m2 aan bebouwing aanwezig zijn t.b.v. voeropslag van ruwvoer, welke is gelegen in het differentiatievlak. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Door het afwijken van het bestemmingsplan is de toename in bedrijfsbebouwing (> 5.000 m2), vormverandering van het bouwvlak en het aanleggen van een differentiatievlak toch mogelijk (art. 2.12, lid1, sub a, onder 3 Wabo). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.