CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Haansberg 146

Raad besluit 6 februari 2023, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Ontwerpbesluit verklaring van geen bedenkingen Haansberg 146 (Omschakeling geitenhouderij naar een vleesveehouderij)17.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing

Project afwijkingsbesluit Locatie: Haansberg 146 te Etten-Leur

Colofon

Gemeente:

Etten-Leur

Projectlocatie:

Haansberg 146, 4874 NL Etten-Leur

Datum:

08-09-2022

Status:

Concept

IMRO-Code:

NL.IMRO.0777.haansberg146.CO01

Opgesteld door:

Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl

Projectnummer:

18384.B011 / NV

Pagina 2 van 54

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 7

2. Projectbeschrijving .......................................................................................... 8 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 8

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 9

3. Beleidskader................................................................................................... 12 3.1.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 12

3.1.1. 3.1.2. 3.2.

Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 12 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 18

3.2.1. 3.2.2.

Structuurvisie ........................................................................................... 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 18

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 23 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 23

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 23

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Natuur ........................................................................................................... 27

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Waterrelevant beleid................................................................................. 23 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 25 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 26 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 27 Wet natuurbescherming ............................................................................ 29

Ammoniak ...................................................................................................... 33

4.4.1. 4.4.2.

Kwetsbare gebieden ................................................................................. 33 Besluit emissiearme huisvesting ................................................................. 34

4.5.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 34

4.6.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 35

4.6.1. 4.6.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 35 Archeologie .............................................................................................. 36

4.7.

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 36

4.8.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 36

4.9.

Geur .............................................................................................................. 37

4.9.1. 4.9.2. 4.9.3.

Individuele hinder .................................................................................... 37 Cumulatieve geurhinder (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) ...... 39 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 42

Pagina 3 van 54

4.10.

Luchtkwaliteit .............................................................................................. 46

4.11.

Geluid ......................................................................................................... 47

4.12.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 48

4.12.1. 4.12.2. 4.13. 4.13.1.

Verkeer ................................................................................................... 48 parkeren .................................................................................................. 48 Externe veiligheid ........................................................................................ 48 Regelgeving ............................................................................................. 48

4.14.

Technische infrastructuur ............................................................................. 50

4.15.

Volksgezondheid .......................................................................................... 50

5. Planologische afweging ................................................................................. 52 6. Bijlagen .......................................................................................................... 53

Pagina 4 van 54

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemers exploiteren aan de Haansberg 146 te Etten-Leur een melkgeitenhouderij. Tevens worden een vijftigtal stuks vrouwelijk jongvee gehouden. Initiatiefnemers hebben de wens om over te schakelen naar een andere bedrijfsvoering. Aan de Haansberg 146 te Etten-Leur is in de huidige situatie een geitenhouderij gevestigd waar momenteel 800 melkgeiten, 415 opfokgeiten van 61 dagen t/m 1 jaar, 85 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen en 51 stuks vrouwelijk jongvee gehuisvest worden. Initiatiefnemer is voornemens de geitenhouderij om te zetten naar een vleesveehouderij waar in totaal 520 vleesstieren worden gehuisvest. Deze vleesstieren worden gehuisvest in de (omgebouwde) melkgeitenstal en 3 nieuw te bouwen stallen. Tevens worden t.b.v. de beoogde situatie enkele sleufsilo’s, vaste mestopslag met dak en opslag voor voeders en machines gerealiseerd. De totale oppervlakte aan bebouwing bedraagt in totaal 7.902,5 m2. Binnen de gemeente Etten-Leur is het conform artikel 3.2.2 van het bestemmingsplan niet toegestaan om meer dan 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing te hebben.

Tevens is er geen mogelijkheid om een bouwvlak te vergroten boven de 1,5 hectare met een vormverandering. Derhalve wordt een project afwijking aangevraagd. Middels onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt de planologische en milieutechnische haalbaarheid voor het wijzigen van een melkgeitenhouderij naar een vleesveehouderij aan de Haansberg 146 aangetoond. 1.2. Geldend planologisch regime Op de locatie aan de Haansberg 146 te Etten-leur worden momenteel 800 melkgeiten, 415 opfokgeiten van 61 dagen t/m 1 jaar, 85 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen en 51 stuks vrouwelijk jongvee gehouden. Uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Etten-Leur, aldus vastgesteld d.d. 30-09-2013, blijkt dat de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing zijn op de locatie, zie afbeelding 1: - Enkelbestemming ‘Agrarisch’ - Dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ - Bouwvlak (14.960 m2) - Functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geiten- en of schapenhouderij’

Pagina 5 van 54

Afbeelding 1 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied' Haansberg 146 te Etten-Leur

Op grond van artikel 3.1 zijn de gronden hier bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een grondgebonden veehouderij, met dien verstande dat: - Ter plaatse van de aanduiding ‘Intensieve veehouderij’ tevens een intensieve veehouderij is toegestaan; - Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geiten- en/of schapenhouderij’ tevens een geiten- en/of schapenhouderij is toegestaan. Een intensieve veehouderij is gedefinieerd als:

‘agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten-, of schapenhouderij, of een combinatie van deze vormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.’ Dit betekent dat het ter plaatste direct is toegestaan om vleesvee te houden. De belangrijkste bouwregel op grond van artikel 3.2.2 van het bestemmingsplan is daarbij dat de oppervlakte van bedrijfsgebouwen niet meer mag bedragen dan 5.000 m2. Deze oppervlakte bedraagt in de beoogde bedrijfsopzet 7.902,5 m3. Hiermee overschrijdt de beoogde oppervlakte bedrijfsbebouwing dus de gestelde bouwregel. Tevens wordt een vormverandering en differentiatievlak aangevraagd. 1.3. Procedure Voor het gewenste initiatief is gekozen om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. De basis is hiervoor gelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Blijkens artikel 3.10 Wabo is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning met de uitgebreide procedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.

Dit houdt in dat een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder hun zienswijzen kenbaar maken. Gedurende de inzagetermijn ligt de ontwerpbeschikking inclusief eventuele bijlagen ter inzage. Nadat er een definitieve beschikking is verleend, waarbij eventuele zienswijzen in acht worden genomen, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden en een ieder die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp beroep indienen bij de Rechtbank Oost-Brabant. Daarna volgt eventueel nog de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Pagina 6 van 54

Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is de beschikking na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. 1.4. Leeswijzer In deze onderbouwing zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven.

Pagina 7 van 54

2. Projectbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Bestaande situatie Zoals reeds in de inleiding is benoemd is men voornemens om aan de Haansberg 146 te Etten-Leur een vleesveehouderij te exploiteren. In de huidige situatie wordt ter plaatse een melkgeitenhouderij met tevens een vijftigtal vrouwelijk jongvee geëxploiteerd waar op dit moment 800 melkgeiten, 415 opfokgeiten van 61 dagen t/m 1 jaar, 85 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen en 51 stuks vrouwelijk jongvee zijn vergund. Om deze bedrijfsactiviteiten te kunnen uitvoeren zijn op de locatie 3 dierverblijven in gebruik, meerdere sleufsilo’s, werktuigen- en machineberging, vaste mestopslag en mestbassin. Het vigerende bestemmingsplan staat de beschreven bedrijfsactiviteiten rechtstreeks toe. Tabel 1 Diertabel vergunde situatie (05-03-2002) Huisvestingssysteem

Stal nr.

Code

1 C 1.100 3 C 2.100 C 3.100

A 3.100 _

Code systeembeschrijving

Houderij/hoktype overige huisvestingsystemen overige huisvestingsystemen overige huisvestingsystemen overige huisvestingssystemen _

Diercategorie 0 Geiten ouder dan 1 jaar

_

0 Opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar 0 Opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar 0

Ammoniak Aantal dieren/ Kg NH3 Totaal kg dierplaatsen per dier NH3 800 1,9 1520,000

Geur (OUE/s) Totaal OUE/s OUE/s /dier 18,8 15040

Fijnstof PM10 (g/jaar) g/dier Totaal /jaar gram 19 15200

415

0,8

332,000

11,3

4689,5

10

4150

85

0,2

17,000

5,7

484,5

10

850

51

4,4

224,400

0

38

1938

0 NH3 2093,400 totaal 0 totaal OUE/s

0 20214,0 totaal gram

22138

Pagina 8 van 54

Afbeelding 2 Huidige bouwvlak Haansberg 146 te Etten-Leur

De locatie is gelegen in het buitengebied van Etten-Leur. De omgeving is overwegend agrarisch gebied waar meerdere agrarische bedrijven zijn gevestigd. Rondom de locatie zijn meerdere percelen in gebruik t.b.v. de landbouw en akkerbouw. Ten oosten van de locatie is de bebouwde kom van EttenLeur gelegen op een afstand van circa 1,1 kilometer.

Afbeelding 3 Huidige situatie Haansberg 146 te Etten-Leur

2.2. Beoogde situatie Initiatiefnemer wenst zijn huidige bedrijf te wijzigen. Doordat de melkgeitenhouderij te weinig doorgroeimogelijkheden biedt is initiatiefnemer opzoek gegaan naar een andere invulling van zijn melkgeitenhouderij. Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de Haansberg 146 te Etten-Leur de

Pagina 9 van 54

melkgeitenhouderij om te zetten in een vleesveehouderij. Alle bedrijfsgebouwen, m.u.v. de bedrijfswoning en melkgeitenstal, zullen worden gesloopt. Vervolgens zullen 3 nieuwe dierverblijven en een voeropslag/machine- en werktuigenberging, vaste mestopslag met dak en nieuwe sleufsilo’s worden gerealiseerd. Aangezien dat de bebouwing en de nieuw te realiseren sleufsilo’s niet binnen het huidige bouwvlak passen, wordt ook een vormverandering van het bouwvlak en differentiatievlak aangevraagd. In afbeelding 4 is de beoogde situatie weergegeven.

Afbeelding 4 Beoogde situatie Haansberg 146 te Etten-Leur In de beoogde situatie wordt de bestaande melkgeitenstal omgebouwd en 3 nieuwe stallen gebouwd waarin in totaal 520 vleesstieren worden gehuisvest. Bij het ontbreken aan emissiearme huisvestingssystemen voor vleesstieren worden de vleesstieren op traditionele wijze gehuisvest. Naast de oude melkgeitenstal (nr. 4 op tekening) worden in een differentiatievlak 4 sleufsilo’s aangelegd. Dit differentiatievlak is noodzakelijk, aangezien het huidige bouwvlak vol is bebouwd en er voldoende voeropslag noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Tevens wordt een werktuigen-/machineberging met opslag voor veevoeders gerealiseerd (nr. 6 op tekening) met een oppervlakte van 900 m2 en wordt een vaste mestopslag voorzien van dak gerealiseerd ten oosten van de oude melkgeitenstal. In de beoogde situatie zal sprake zijn van 7.902,5 m2 aan bedrijfsgebouwen. Het huidige bouwvlak bedraagt 1,5 hectare.

Pagina 10 van 54

Tabel 2 Diertabel beoogde situatie Huisvestingssysteem

Stal nr.

Code

Code systeembeschrijving

Houderij/hoktype

1 A 6.100

overige huisvestingsystemen

-

2 A 6.100

overige huisvestingsystemen

-

3 A 6.100

overige huisvestingsystemen

-

4 A 6.100

overige huisvestingsystemen

-

_

_

_

Diercategorie Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie) Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie) Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie) Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie) 0

Ammoniak Aantal dieren/ Kg NH3 Totaal kg dierplaatsen per dier NH3 150 5,3 795,000

Geur (OUE/s) Totaal OUE/s OUE/s /dier 35,6 5340

Fijnstof PM10 (g/jaar) g/dier Totaal /jaar gram 170 25500

170

5,3

901,000

35,6

6052

170

28900

140

5,3

742,000

35,6

4984

170

23800

60

5,3

318,000

35,6

2136

170

10200

0 NH3 2756,000 totaal 0 totaal OUE/s

0 18512,0 totaal gram

88400

Doordat binnen de gemeente Etten-Leur geen nieuwe intensieve veehouderij mag worden opgericht zal de geitenhouderij worden gesaneerd. Het exploiteren van een vleesveehouderij aan de Haansberg 146 te Etten-Leur is milieutechnisch gezien goed pasbaar in de omgeving zoals ook blijkt uit hoofdstuk 4 van onderhavige onderbouwing. Bij realisatie van een vleesveehouderij worden alle andere vormen van het houden van intensieve veehouderij uitgesloten d.m.v. het sluiten van een anterieure overeenkomst.

Pagina 11 van 54

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de projectlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Tevens zal een geitenhouderij worden beëindigd, wat ten goede komt aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de

Pagina 12 van 54

Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de werkingsgebieden ‘Verstedelijking afweegbaar’, ‘gemengd landelijk gebied’, ‘landelijk gebied’ en ‘Glastuinbouw-doorgroeigebied’, zie afbeelding 6.

Afbeelding 5- Uitsnede kaart 'instructieregels aan gemeenten' Iov, projectlocatie blauw omcirkeld

Afdeling 3.5 bevat de voorwaarden voor stedelijke ontwikkeling en mobiliteit, die onder andere van toepassing zijn op gebieden welke zijn gemarkeerd als stedelijk afweegbaar. Met het initiatief is er geen sprake van nieuwvestiging van een stedelijke ontwikkeling. Derhalve zijn de regels met betrekking tot stedelijk afweegbaar niet van toepassing. Binnen afdeling 3.6 zal worden getoetst aan artikel 3.49 en 3.50, aangezien het beoogde initiatief betrekking heeft op een veehouderij in landelijk gebied. Aangezien de overige artikelen betrekking hebben op aanduidingen en of activiteiten die niet aanwezig zijn bij beoogd initiatief, zal niet worden getoetst aan de overige artikelen binnen afdeling 3.6. Aangezien het beoogde initiatief niet gaat over wonen, is afdeling 3.7 ook niet van toepassing en zal hieraan niet worden getoetst.

Pagina 13 van 54

Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Voor de gewenste ontwikkeling aan de Haansberg 146 worden alle voorzieningen, m.u.v. de sleufsilo’s, gerealiseerd binnen een bouwperceel van 1,5 hectare. Binnen dit perceel worden 3 nieuwe dierenverblijven gebouwd. Eén bestaand dierenverblijf blijft gehandhaafd en wordt omgebouwd voor de huisvesting van de andere diercategorie en de overige gebouwen worden gesloopt t.b.v. de 3 nieuwe dierverblijven. De totale oppervlakte aan dierverblijven bedraagt 6.377,5 m2. Tevens zal een loods t.b.v. de opslag van machines en werktuigen worden gerealiseerd met een omvang van 900 m2. Tot slot worden de sleufsilo’s gerealiseerd in een differentiatie vak. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid

Pagina 14 van 54

om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In deze aanvraag wordt meerwaarde gecreëerd door de wijziging van de bedrijfsvoering te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast zal de melkgeitenhouderij aan de Haansberg 146 te Etten-Leur worden beëindigd. Momenteel is het niet wenselijk is om deze veehouderij verder te ontwikkelen en te exploiteren. Derhalve wordt omgeschakeld van melkgeiten naar vleesvee. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in de omgevingsvergunning. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Etten-Leur is regionaal afsprakenkader regio West Brabant van toepassing.

Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling aangezien er wordt omgeschakeld van agrarische bedrijfsvorm, waarbij het bouwvlak niet wijzigt (enkel toevoegen differentiatievlak). In de omgevingsvergunning wordt geborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) Ontwikkelingen mogen geen negatieve gevolgen hebben op de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van een Natuur Netwerk Brabant. In de nabijheid van de beoogde ontwikkeling is een Natuur Netwerk Brabant aanwezig. Hierbij dient een bestemmingsplan tenminste regels te bevatten zoals opgenomen in artikel 3.26, lid 2 van de Iov. Aangezien onderhavige procedure geen bestemmingsprocedure betreft zal direct worden getoetst aan artikel 3.26, lid 2 van de Iov. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van een Natuur Net werk Brabant.

a. Het verzetten van grond van meer dan 100 m 3 of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingswet.

Met de beoogde activiteit zal meer dan 100 m3 grond worden verzet. Derhalve zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de beoogde ontwikkeling.

b. De aanleg van drainage ongeacht de diepte. Tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;

In de beoogde situatie zal er geen drainage worden aangebracht.

c. Het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen.

De grondwaterstand zal niet worden verlaagd.

d. Het beperken van het buiten een agrarisch oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.

bouwperceel

aanbrengen

van

In de beoogde situatie zal buiten het bestaande bouwvlak voorzieningen worden gecompenseerd. Ter compensatie wordt een retentievoorziening aangebracht om het water op te kunnen vangen. In paragraaf 4.2.3 wordt hier verder op ingegaan. Veehouderij in Landelijk gebied (artikel 3.49) Een bestemmingsplan binnen het werkingsgebied landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als wordt voldaan aan de voorwaarden die zij opgenomen in artikel 3.49. Aangezien er sprake is van een omschakeling van een diersoort, is alsnog getoetst aan artikel 3.49:

a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

De regels voor een zorgvuldige veehouderij zijn van toepassing bij uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijf. Dit wordt opgenomen in de regels bij dit bestemmingsplan door in

Pagina 15 van 54

de bouwregels voor het bouwen van de dierenverblijven de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij op te nemen. Vooruitlopend hierop is een concept berekening uitgevoerd, de concept BZV-berekening is in de bijlage toegevoegd.

b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

In de beoogde situatie heeft het bouwvlak een oppervlakte van 1,5 hectare. Verder wordt een differentiatie vak aangevraagd t.b.v. de aanleg van 4 sleufsilo’s. In hoofdstuk 2 van deze toelichting is de vorm en indeling van dit bouwvlak beschreven/weergegeven.

c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

Het project draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de aspecten die effect hebben op de omgeving.

d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is;

In de huidige en toekomstige situatie vindt er geen mestbewerking plaats. Dit wordt zo verankerd in de voorwaarden van de omgevingsvergunning.

e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

De toetsing aan deze voorwaarde is opgenomen in paragraaf 4.9 (geur). Uit deze toetsing blijkt dat er in de beoogde bedrijfsopzet wel sprake is van een overschrijding van de normen. Echter draagt het bedrijf niet substantieel bij aan de overschrijding. Om ook in de toekomst te verzekeren dat de cumulatieve geurhinder niet de normen overschrijdt wordt deze voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.

f.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

Bij uitspraak van 12 februari 2020 in de zaak "Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018" (ECLI:NL:RVS:2020:452) heeft de Afdeling bepaald dat deze voorwaarde onverbindend is verklaard. Derhalve is toetsing aan deze voorwaarden niet meer van toepassing.

g. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

De omvang van het bouwperceel bedraagt 15.000 m 2, 10% hiervan bedraagt 1.500 m2. In paragraaf 4.7 wordt een nadere toelichting gegeven op de landschappelijke inpassing. Bij de totstandkoming van deze inpassing is rekening gehouden met deze voorwaarde.

h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de projectontwikkeling.

Voor deze ontwikkeling wordt een omgevingsdialoog gevoerd. Een zakelijke beschrijving van deze dialoog zal later worden bijgevoegd in de lopende aanvraag. Vanwege privacyregels zal geen uitgebreid verslag aan deze omgevingsvergunning worden toegevoegd.

Aanvullende regels nieuw dierverblijf (artikel 3.50) Omdat dit bestemmingsplan uitbreiding van bebouwing voor een dierenverblijf toelaat dient in het bestemmingsplan bepaald te worden dat wordt voldaan aan dit artikel. Hieronder is per voorwaarde een toelichting gegeven op deze voorwaarde voor een toename van de oppervlakte dierenverblijf.

Pagina 16 van 54

a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als:

1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

De regels voor een zorgvuldige veehouderij zijn van toepassing bij uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijf. Aangezien wordt voldaan aan de BZV valt te concluderen dat er sprake is van een zorgvuldige veehouderij.

2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

Zoals opgenomen in de voorwaarde van de omgevingsvergunning draagt het project bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waarbij het project in ieder geval op een goede manier landschappelijk wordt ingepast en de kwaliteitsinvestering wordt gewaarborgd. Omdat deze omgevingsvergunning specifiek voor deze locatie en ontwikkeling is geschreven is een aanvullende bouwregel voor deze voorwaarde niet benodigd.

3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; De toetsing aan deze voorwaarde is opgenomen in paragraaf 4.9 (geur). Uit deze toetsing blijkt dat er in de beoogde bedrijfsopzet wel sprake is van een overschrijding van de normen. Echter draagt het bedrijf niet substantieel bij aan de overschrijding. Om ook in de toekomst te verzekeren dat de cumulatieve geurhinder niet de normen overschrijdt wordt deze voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.

4. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

Bij uitspraak van 12 februari 2020 in de zaak "Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018" (ECLI:NL:RVS:2020:452) heeft de Afdeling bepaald dat deze voorwaarde onverbindend is verklaard. Derhalve is toetsing aan deze voorwaarden niet meer van toepassing.

5. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de projectontwikkeling.

In het kader van de omgevingsvergunning zal een dialoog gevoerd worden over de beoogde ontwikkeling. Dit wordt vastgelegd in de voorwaarden van de omgevingsvergunning.

b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; In de beoogde situatie worden er dierverblijven gerealiseerd ten behoeve van de stierenhouderij, de stieren worden alleen op de eerste bouwlaag gehouden. Om uit te sluiten dat er twee bouwlagen voor het houden van dieren plaatsvindt wordt dit in de voorwaarden opgenomen.

c. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. Gebouw 1 wordt omgebouwd tot vleesstierenstal. Echter zal het gebruik niet wijzigen. Stal 1 is op dit moment een dierenverblijf en zal in de beoogde situatie ook een dierenverblijf blijven.

Pagina 17 van 54

Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een omgevingsvergunning en wordt een zorgvuldige veehouderij verzekerd door opname van voorwaarden in vergunning. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.

3.2.1. Structuurvisie

Op 11 juli 2022 is door de gemeenteraad van Etten-Leur de structuurvisie ‘Etten-Leur doet het gewoon!’ vastgesteld. De structuurvisie formuleert het ontwikkelingskader voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een afwegingskader, maar tegelijkertijd ook inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie van de gemeente Etten-Leur komt naar voren dat Etten-Leur een zeer aantrekkelijk en gevarieerd buitengebied heeft. Er is sprake van een sterke verwevenheid van landbouw, wonen, natuur, landschap, water en recreatie. Het landelijk gebied is onderverdeeld in vier bodemhoofdgebieden: noordelijk kleigebied, overgangsgebied zand-klei, centraal zandgebied en het zuidelijk zandgebied, zie afbeelding 8. De locatie aan de Haansberg 146 is gelegen in centraal zandgebied. In dit gebied ligt het accent op de ontwikkelingsmogelijkheden voor land- en tuinbouw en veehouderij. Uit de structuurvisie volgt dat het binnen de gemeente niet wenselijk is dat er een toename plaatsvindt van intensieve veehouderijen. Om te zorgen dat er geen toename van intensieve veehouderijen plaats vindt binnen de gemeente, zal de bestaande geitenhouderij worden gesaneerd en worden omgezet naar een vleesveehouderij.

Tevens zal via een anterieure overeenkomst worden vastgelegd dat op de Haansberg 146 enkel een vleesveehouderij mag worden gevestigd en in de toekomst geen andere vormen van intensieve veehouderij mogelijk zijn. Doordat er binnen de gemeente geen toename van intensieve veehouderijen zal plaatsvinden en de locatie is gelegen binnen het centraal zandgebied, daar waar ontwikkelingsmogelijkheden liggen voor de agrarische sector, past de gewenste ontwikkeling binnen de structuurvisie.

3.2.2. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de projectlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Etten-Leur, 30-09-2013 vastgesteld, geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming ‘Agrarisch’ ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ▪ Bouwvlak (14.960 m2) ▪ Functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geiten- en schapenhouderij’

Pagina 18 van 54

Afbeelding 6 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied'

Men is voornemens om 7.902,5 m2 aan gebouwen in gebruik te nemen. Echter is conform artikel 3.2.2 van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan om meer dan 5.000 m2 aan bebouwing aanwezig te hebben. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen die de gewenste ontwikkeling mogelijk maken. Dit is echter wel mogelijk middels een projectafwijkingsbesluit (art. 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Om deze reden wordt, conform artikel 3.3.4, een aanvraag omgevingsvergunning ingediend om af te wijken van het bestemmingsplan.

a. Uitbreiding en/of wijziging van de bebouwing is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van een vereveningseffect (toename van stikstof binnen een inrichting terwijl binnen een of meerdere inrichting(en), al dan niet in hetzelfde projectgebied, een afname van de stikstofemissie plaatsvindt zodat de totale stikstofdepositie op een voor stikstof overbelast Natura 2000-gebied ten opzichte van de voor het betreffende gebied relevante referentiedatum aantoonbaar niet toeneemt, of door de initiatiefnemer wordt aangetoond dat er concreet zicht is op het verkrijgen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, dan wel indien aangetoond wordt dat de toename past binnen bij of krachtens de Wet natuurbescherming opgestelde regels. Met de beoogde situatie vindt een toename in NH3 plaats ten opzichte van de vigerende milieutoestemming. Wat betreft de WNB-toestemming zal een toename plaatsvinden in NH3. Aangezien een toename in stikstofdepositie plaats vindt ten opzichte van de referentiesituatie zal gebruik worden gemaakt van extern salderen, om de depositietoename te compenseren. De aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming later worden aangevraagd.

b. Na uitbreiding mag de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 8.000 m2. Na realisatie zijn is er in totaal 7.902,5 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Hiervan is 6.377,5 m2 ten behoeve van het huisvesten van de vleesstieren, 625 m2 aanwezig t.b.v. mestopslag met overkapping en 900 m2 aanwezig voor schuur waarin de opslag van voeders en machines plaatsvindt. Derhalve wordt de maximale oppervlakte van 8.000 m2 aan bedrijfsbebouwing en overkappingen niet overschreden.

c. De vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/ of -ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. Pagina 19 van 54

Vergroting van het aantal bedrijfsgebouwen is noodzakelijk in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. Dit advies zal later worden bijgevoegd aan de lopende aanvraag.

d. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing is bijgevoegd in de bijlage.

e. Aanwezig zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse. De omschakeling leidt er toe dat het bouwvlak volledig bebouwd zal zijn. Hierdoor zal er een modern vleesveehouderij ontstaan gericht op de toekomst. Men heeft gekozen om van melkgeiten over te schakelen naar vleesvee, aangezien hier meer kansen liggen dan in de melkgeitenhouderij sector. Tevens neemt met het realiseren van een vleesveehouderij de gezondheidsrisico’s voor de omgeving af. Melkgeiten zijn potentieel ‘gevaarlijker’ voor de omgeving dan vleesstieren en het houden van vleesstieren geeft veel meer zekerheid voor de ondernemer. Dit is tevens aangetoond in het GGD advies, welke is bijgevoegd in de bijlage.

f.

Zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwen of, al dan niet herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte.

Er wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte. Het gehele bouwvlak zal worden bebouwd. De bestaande melkgeitenstal zal intern worden verbouwd tot vleesstierenstal. Aangezien de overige bestaande bedrijfsgebouwen niet geschikt zijn voor het houden van vleesstieren, worden deze gesloopt. Derhalve worden 3 nieuwe stallen gerealiseerd binnen het bouwvlak. De gebouwen worden zo gesitueerd dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de beschikbare ruimte.

g. De beoogde ontwikkeling is zowel vanuit milieu oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar. In hoofdstuk 4 van onderhavige onderbouwing wordt uitgebreid getoetst aan alle milieuaspecten. Uit toetsing blijkt dat het exploiteren van een vleesveehouderij op deze locatie vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar is. Alle milieuaspecten blijven ruimschoots onder de wettelijke norm. In het kader van het landschap en cultuurhistorie leidt de ontwikkeling op de beoogde locatie niet tot een verslechtering. Ter plaatse van deze locatie zijn geen specifieke landschappelijk en cultuurhistorische waarde aanwezig. Verdere toetsing vindt plaats in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. De beoogde ontwikkeling is derhalve vanuit milieuoogpunt als ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar.

h. Voor wat betreft ammoniak, geur en fijnstof mag er geen sprake zijn van een toename van de emissie vanuit de betreffende inrichting. Hieronder worden de aspecten ammoniak, geur en fijnstof afzonderlijk van elkaar behandeld en een korte toelichting gegeven. Ammoniak De emissie van ammoniak uit de inrichting bedraagt conform de vigerende vergunning 2.093,4 kg NH3. In de beoogde situatie bedraagt de totale ammoniakemissie uit de inrichting 2.756 kg NH3. Er is dus sprake van een toename van 662,6 kg NH3. Tevens voldoet het bedrijf met de beoogde situatie aan het Besluit emissiearme huisvesting en is niet gelegen binnen een WAV gebied (zie toetsing hoofdstuk 4). Verder zal de toename van stikstofemissie en stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden verevend worden door een gelijktijdige afname op

Pagina 20 van 54

dezelfde gebieden door het geheel of gedeeltelijk beëindigen van een andere activiteit waar stikstof wordt geproduceerd. Na goedkeuring van het beoogde project zal een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming. Er kan dan bekeken worden waar er stikstofruimte beschikbaar is, zodat het aspect stikstofdepositie geen belemmering zal vormen voor de uitvoering van het project. Derhalve zal het aspect ammoniak geen belemmering vormen voor de uitvoering van het project. Geur De emissie van geur uit de inrichting bedraagt conform de vigerende vergunning 20.214 OU E/s. In de beoogde situatie bedraagt de totale geuremissie uit de inrichting 18.512 OU E/s. Er is dus sprake van een afname van 1.702 OUE/s. hiermee wordt voor wat betreft het aspect geur voldaan aan de voorwaarde dat de emissie uit de inrichting niet mag toenamen. Desalniettemin wordt voor wat betreft het aspect geur tevens getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Uit paragraaf 4.9 blijkt dat de geurbelasting op de omliggende geurgevoelige locaties, ruim onder de wettelijke norm blijft. In het kader van de geuremissie zal de ontwikkeling leiden tot een afname van geuremissie en belasting. Hierdoor is aangetoond dat de ontwikkeling een verbetering oplevert in het kader van het woon- en leefklimaat en derhalve de ontwikkeling planologisch gezien aanvaardbaar is.

Fijnstof Ten aanzien van fijnstof geldt dat in de beoogde situatie sprake zal zijn van een fijnstofemissie van 88.400 gr/j. dit betekent een toename van 66.262 gr/j ten opzichte van de bestaande situatie (22.138 gr/j). Echter moet hierbij opgemerkt worden dat niet de emissie van belang is, maar de belasting afkomstig van het bedrijf op de gevoelige objecten. Dit omdat de totale fijnstofconcentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie en de bronbijdrage van het bedrijf. In paragraaf 4.10 is getoetst aan de luchtkwaliteit middels een fijnstofberekening. Uit deze berekening blijkt dat de belasting afkomstig van de toekomstige vleesveehouderij op de omliggende woningen niet/nauwelijks toeneemt. Tevens blijft de belasting binnen de wettelijk vastgestelde normen voor fijnstof.

In het bovenstaande is, getoetst aan artikel 3.3.4 van het vigerende bestemmingsplan, waarbij via een omgevingsvergunning meer dan 5.000 m2 aan bedrijfsgebouwen in gebruik kan worden genomen. Uit toetsing is gebleken dat, met uitzondering van lid h, wordt voldaan aan deze bevoegdheid. Voor aanhef h geldt dat de ontwikkeling gepaard gaat met een uitbreiding van ammoniak en fijnstof, maar dat door sanering van een extern bedrijf het woon- en leefklimaat binnen de gemeente Etten-Leur verbeterd. Aangezien tevens het bouwvlak wordt gewijzigd en een differentiatievlak wordt aangevraagd, wordt doormiddel van dit projectafwijkingsbesluit gevraagd om voor deze een omgevingsvergunning te verlenen. Tot slot is de locatie gelegen in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’. Deze dubbelbestemming komt overeen met het werkingsgebied uit de Iov (attentiezone waterhuishouding). Binnen deze bestemming is het, conform artikel 30.2.1, verboden of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren: a. Het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingswet. b. De aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage. c.

Het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen.

Pagina 21 van 54

d. Het aanbrengen van verhardingen. Zoals aangegeven komen de bovenstaande regels overeen met het werkingsgebied uit de Iov. In paragraaf 3.1.3 is getoetst aan de regels zoals opgenomen in de Iov. Hierin is aangegeven dat ter compensatie voor het aanleggen van extra verharding, een retentievoorziening zal worden aangelegd. In paragraaf 4.2.3 wordt hier verder op ingegaan. Derhalve leidt de ontwikkeling niet tot nadelige gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding. Om verhardingen binnen deze dubbelbestemming te mogen aanbrengen zal een aanlegvergunning worden aangevraagd.

Pagina 22 van 54

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde bedrijfsopzet dient een omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit projectafwijkingsbesluit, te worden verleend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. Voor verschillende diercategorieën worden hier aantallen weergegeven wanneer dergelijke plichten van toepassing zijn bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (categorie C 14 en D 14 Besluit m.e.r.).

Bij de volgende dieraantallen (oprichting, wijziging of uitbreiding) geldt een m.e.r.-plicht of m.e.r.beoordelingsplicht: M.e.r.-beoordelingsplicht (D14): - 1.200 vleesrunderen In de beoogde bedrijfsopzet is sprake van een uitbreiding met 520 vleesrunderen. Er is daarom niet rechtstreeks sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren voorafgaand aan het indienen van een aanvraag. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), die o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Gelijktijdig met het indienden van deze aanvraag om vergunning zal een m.e.r. beoordelingsnotitie worden ingediend. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding.

In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan

Pagina 23 van 54

de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de projectlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027).

Provinciale Staten hebben op 22 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). De focus ligt dus niet meer op wateroverlast voorkomen en water zo snel mogelijk af voeren (probleemgericht). Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap Brabantse Delta heeft haar doelstellingen en ambities voor de periode 2022-2027 uiteengezet in het waterbeheerprogramma. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet.

Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap Brabantse Delta samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer, die bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Water is namelijk een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het waterbeheer is belangrijk voor de bescherming tegen overstromingen, het vasthouden van water, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur. Om de doelstellingen en ambities in het Waterbeheerprogramma van het Brabantse Delta te bereiken, werkt het waterschap samen met onder andere medeoverheden, belangenorganisaties, bedrijven en burgers. Een duurzame en flexibele werkwijze vormt daarbij het uitgangspunt. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap Brabantse Delta de kerntaken als uitgangspunt. Deze taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven: • Klimaat adaptatie

Pagina 24 van 54

• • • • •

Waterveiligheid Gezond water Voldoende water Vaarwegen Waterketen

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de projectlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de projectlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=2cd86d23-737f-412c-aa86-2394750fa694