CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Bankenstraat 19-21AB

Raad debatteert 23 januari 2023, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Bankenstraat 19-21AB25.727 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

33

Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde Archeologie 4'. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een bodemverstoring groter dan 1.000 m2 en dieper dan 40 cm. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een bodemverstoring groter dan 50.000 m2 en dieper dan 40 cm. Onderhavige ontwikkeling maakt geen bodemroerende werkzaamheden mogelijk die deze grenswaarden overschrijden. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De dubbelbestemmingen zullen verder gehandhaafd blijven waardoor toekomstige bescherming gegarandeerd is.

4.3

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling en conclusie Alle gronden zijn al in gebruik voor het bedrijf en voorzien van verharding of waterbassins waardoor nieuwe bodemroerende werkzaamheden niet aan de orde zijn. Een bodemonderzoek wordt derhalve niet nodig geacht.

4.4

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

Gemeente Etten-Leur

34

Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta Het plangebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 - 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is.

Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

35

c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening vindt via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaats. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.

Uitsnede keurkaart Keur Waterschap Brabantse Delta 2015, waarop het plangebied is weergegeven met een gele ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2015.

Beoordeling Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied. Het totale plangebied is reeds in gebruik ten behoeve van het agrarisch bedrijf en is reeds grotendeels verhard. De in het kader van de waterhuishouding relevante ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw en bijbehorende verharding ter plaatse van Bankenstraat 21 a/b. De nieuwe bedrijfsloods bij Bankenstraat 19 van 500 m2 wordt gerealiseerd op reeds bestaande verharding. Vanuit het oogpunt van waterhuishouding speelt deze loods geen verdere rol daar er bij de realisatie van deze loods geen sprake is van nieuwe verharding.

Gemeente Etten-Leur

36

De loods bij Bankenstraat 19 blijft daarom in de navolgende tekst buiten beschouwing. Door het realiseren van het nieuwe bedrijfsgebouw (totaal 1.750 m² beoogd) en de nieuwe bestrating (1.400 m²) wordt verharding toegevoegd aan het plangebied (zie ook navolgend figuur 'Overzicht nieuwe situatie waterberging'). De toename van het verhard oppervlak overstijgt daarmee de norm van 500 m² extra verharding ten opzichte van de bestaande situatie. Een retentievereiste als verplicht door het waterschap is daardoor noodzakelijk. Glastuinbouwbedrijven zijn in het kader van waterhuishouding bijzondere bedrijven in die zin dat het opvangen van schoon hemelwater zeer belangrijk is voor de bedrijfsvoering. Het is eerder zo dat er te weinig hemelwater beschikbaar is dan men zou willen. De bedrijfsvoering van De Kruidenaer B.V. is niet anders. Bij het bedrijf van initiatiefnemer zijn reeds 3 waterbassins aanwezig. Het waterbassin achter Bankenstraat 21a/21b wordt iets verkleind om de bouw van een bedrijfsruimte van 1.750 m2 mogelijk te maken. Het is de bedoeling om de waterbassins niet binnen het bouwvlak te situeren, maar direct aansluitend aan het bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – watervoorzieningen'. De gezamenlijke oppervlakte van de waterbassins bedraagt in de toekomstige situatie 7.881 m2 (4.500 m2 + 1.486 m2 + 1.895 m2).

Volgens de huidige regeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied' mag de oppervlakte van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – voeder- en watervoorziening' (wordt nu 'specifieke vorm van agrarisch watervoorzieningen) aansluitend aan een bouwvlak maximaal 5.000 m2 bedragen. In theorie zou initiatiefnemer met 3 afzonderlijke bouwvlakken (waarvan nu nog sprake is) 15.000 m2 aan watervoorzieningen aansluitend aan deze bouwvlakken hebben kunnen realiseren. De maximale oppervlakte van 5.000 m2 wordt in voorliggend geval overschreden. De bestaande bouwvlakken worden echter samengevoegd tot 1 bouwvlak. Een oppervlakte van iets minder dan 8.000 m2 aan watervoorzieningen is niet buitensporig groot voor een bedrijf als dat van initiatiefnemer. Bovendien zijn alle 3 de waterbassins reeds aanwezig en één van de bassins wordt zelfs iets verkleind. Hiermee is de verhouding tussen het oppervlakte aan verharding en inhoud bassin ca 1.100 m3/ha. Het hemelwater van de schone verhardingsoppervlakten wordt opgevangen in de bassins. Dit hemelwater wordt vervolgens gebruikt voor de bewatering van de teelt. Het condenswater in de kassen wordt apart opgevangen en gaat naar een aparte silo. Dit condenswater wordt gemengd met het hemelwater uit de bassins en het gemengde water wordt gebruikt in de kassen. Er is dus een strikte scheiding tussen het hemelwater in de bassins en het condenswater.

Deze scheiding is nodig daar het condenswater niet zondermeer in de bassins opgevangen mag worden. De reden hiervoor is dat mocht er sprake zijn van overloop het condenswater vermengd met hemelwater in de sloot terecht kan komen en dit is een ongewenste situatie. Vanuit het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld voor de aanleg van een vuilwaterbassin en hier is wellicht melding (of een vergunning) voor vereist. Hier zal rekening mee gehouden moeten worden. De volgende figuur is de indeling in de nieuwe situatie weergegeven, waarbij een deel nieuw dakoppervlak en nieuwe bestrating wordt aangelegd.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

37

Overzicht nieuwe situatie waterberging De waterbassins zijn 3,5 m hoog en het water stort over op de watergangen bij een waterdiepte van 3,2 m. De overstort bevindt zich daarmee 30 cm onder de rand. Het noordelijke waterbassin loopt langzaam leeg op de watergang langs de Kuijerstraat tot een waterdiepte van 2,2 m middels een geknepen afvoer. Het betreft een permanent open verbinding waardoor het water via de geknepen afvoer het bassin verlaat indien er teveel water in komt. In de zomerperiode zijn de waterbassins over het algemeen minimaal gevuld doordat veel water wordt gebruikt voor de gewassen. De waterbassins zijn dan nagenoeg volledig beschikbaar om de zware zomerse piekbuien te kunnen bergen. Bij extreme buien kan het waterbassin ook in de zomer via de geknepen afvoer afwateren op de watergang langs de Kuijerstraat. Het nieuwe dakoppervlak wordt aangesloten op het aanliggende waterbassin. De toename aan dakoppervlak bedraagt 1.750 m2 en de gevoeligheidsfactor van het gebied is 1. De benodigde extra waterberging in de waterbassins bedraagt daarmee 1.750 * 1 * 0,06 = 105 m3. Gezien de capaciteit aan waterretentie in aanliggende waterbassin van ca. 3.700 m3 (1.170 m2 * 3,2 m) is de toename met 105 m3 een fractie van de totale waterbergingscapaciteit en zijn de effecten op de omliggende watergangen zeer beperkt.

De nieuwe bestrating (1.400 m2) zal afwateren op een nieuw aan te leggen retentievoorziening in de vorm van een greppel met overstort en geknepen afvoer naar de sloot aan de Bankenstraat. De nieuwe bestrating heeft een oppervlak van 1.400 m2, waardoor 84 m3 water geborgen moet worden (1.400 m2 * 1 * 0,06 m). De benodigde ruimte (circa 250 m2) kan gevonden worden tussen de nieuwe bestrating en de Bankenstraat (zie bovenstaande figuur). Verder zal vanaf 3 april 2023 moeten worden voldaan aan de eisen van de Hemelwaterverordening Etten-Leur (zie paragraaf 3.4.2).

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat alle wateraspecten zorgvuldig zijn afgewogen en het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

Gemeente Etten-Leur

38

4.5

Ecologie

4.5.1

Natuurgebieden

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet voegt artikel 2.9a toe aan de Wet natuurbescherming waarin staat dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de beoordeling. In de realisatiefase wordt materieel ingezet dat slechts zeer tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt.

De fossiele brandstoffen die vrijkomen tijdens de realisatiefase zullen in een korte tijd tot stikstofdepositie leiden. Het materieel dat ingezet wordt in de realisatiefase is sinds de inwerkingtreding van de gebiedsbescherming (de Europese referentiedatum) al in gebruik en steeds op een wisselende plek. Daardoor is in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met de verspreidingseffecten van NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergronddeposities. Beoordeling Het dichtstbij gelegen voor stikstof gevoelig Natura 2000-gebied betreft het 'Ulventhoutse Bos' op circa 13 km afstand. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Door De Roever Omgevingsadvies is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. De beoogde ontwikkeling is uitgezet ten opzichte van de planologische referentiesituatie. Dit wil zeggen de planologische situatie zoals deze geldt in het bestemmingsplan "Buitengebied".

In het onderzoek zijn de drie bedrijven samengevoegd tot één referentiesituatie. Het onderzoek onderscheidt drie bronnen, te weten verkeer, mobiele machines en stookinstallaties. Uit het onderzoek blijkt dat er geen toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

39

4.5.2

Flora en fauna

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling en conclusie Ten behoeve van het initiatief is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Het onderzoek is op 30 augustus 2021 uitgevoerd door Veldbiologische werken en betreft een actualisatie van en vervangt het onderzoek van 28 februari 2019. Het onderzoek is gerapporteerd op 19 september 2021. Uit het onderzoek blijkt dat er geen effecten van het voornemen te verwachten zijn op beschermde soorten flora of fauna. Voor broedvogels geldt de algemene maatregel om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden,

Gemeente Etten-Leur

40

ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied zoals door de OMWB is aangegeven in het akoestisch onderzoek (zie bijlage 4). In de directe omgeving zijn meerdere functies naast elkaar aanwezig. De agrarische bedrijven aan de Bankenstraat 19, 21, 21a en 21b met bijbehorende bedrijfswoningen zijn in de huidige situatie al aanwezig. Hier wordt ter plaatse van de Bankenstraat 19 en 21a/21b enkel een bedrijfsgebouw toegevoegd. De afstand van de bedrijfsactiviteiten tot de geluidgevoelige objecten (woningen van derden) wordt niet kleiner. De afstand tot de naburige woningen buiten het plangebied is daarmee voldoende.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.7

Geluidshinder

4.7.1

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

41

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Onderhavig planvoornemen voegt geen geluidsgevoelige objecten of functies toe aan het plangebied. Conform de Wet geluidhinder is een onderzoek wegverkeerslawaai om die reden niet benodigd. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.7.2

Industrielawaai

Toetsingskader Door het voornemen verandert de bedrijfsvoering op de locaties Bankenstraat 19 tot en met 21 a/b. Door het onderhavig bestemmingsplan worden de mogelijkheden voor het bewerken, afvoergereed maken en het verpakken van elders geteelde kruiden verruimd ten opzichte van het vigerend planologisch-juridisch kader. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient onderzocht te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Beoordeling Door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de akoestische effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving. Dit rapport is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Kortheidshalve wordt naar dit rapport verwezen voor de volledige motivering en onderbouwing van de conclusies. In het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Beide uitgevoerde akoestische onderzoeken hebben nog als uitgangspunt dat ten noorden van Kuijerstraat 3 hectare aan permanente teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling wordt met onderhavig bestemmingsplan niet meer mogelijk gemaakt. Door het wegvallen van de teeltondersteunende voorzieningen zal ook een deel van het verkeer komen te vervallen. De akoestische effecten op de omgeving zullen daarom minder zijn dan in de rapporten berekend. Gezien dit gegeven is er geen noodzaak gezien om de rapporten aan te passen. Uit het onderzoek van De Roever Omgevingsadvies (bijlage 5) blijkt dat de geluidemissie vanwege het glastuinbouwbedrijf kan voldoen aan de geluidgrenswaarden zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit.

Voldaan wordt aan de op grond van lid 6, artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit toelaatbare grenswaarden aangaande het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveaus. Uit onderzoek van De Roever Omgevingsadvies (bijlage 5) blijkt dat de indirecte hinder conform de circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting ter plaatse van woningen van derden niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Ook in de situatie wanneer de verkeersgeneratie toeneemt volgens kencijfers en het MER en het verkeer hoofdzakelijk over het noordelijk deel van de Bankenstraat naar het glastuinbouwbedrijf rijdt dan nog wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Hieronder wordt ingegaan op de conclusie uit het rapport van de OMWB in relatie tot de te

Gemeente Etten-Leur

42

verwachten directe en indirecte hinder. In het rapport wordt ook aandacht besteed aan de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling. Op dit aspect is ingegaan in paragraaf 2.4. Uit het onderzoek van de OMWB is gebleken dat bij omliggende woningen sprake is van directe en indirecte hinder vanwege het glastuinbouwbedrijf. Uit het onderzoek is gebleken dat de gecumuleerde geluidbelastingen niet leiden tot buitenproportionele geluidbelastingen ten opzichte van de afzonderlijk bepaalde waarden.

Conclusie Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. De ontwikkeling past binnen de omgeving.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

43

stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft bestaande glastuinbouwbedrijven. Ter plaatse van de Bankenstraat 19 wordt een bedrijfsgebouw toegevoegd en ter plaatse van de Bankenstraat 21a en 21b wordt een bedrijfsgebouw en verharding toegevoegd. Daarnaast wordt het bouwvlak gelijk gelegd met de bestaande bebouwing en verharding. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.

Gemeente Etten-Leur

44

Uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied globaal is aangeduid met een gele ster. Bron: risicokaart.nl, 2019. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting welke is gelegen aan de Rioolseweg. Deze inrichting grenst aan het noordelijk deel van het plangebied. Ter plaatse is een varkenshouderij met een propaantank gelegen. Er is bij deze inrichting geen sprake van een PR 10-6 contour. Voor deze inrichting zijn geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.9.2

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

45

gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen op een afstand van circa 1,75 kilometer van de spoorlijn Roosendaal - Breda waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze spoorlijn geldt dat er op basis van de risicokaart geen sprake is van een plaatsgebonden risico. Voor het groepsrisico gelden veiligheidsafstanden van 11 meter (GR 10-7) en 159 meter (GR 10-8). Het plangebied ligt ruim buiten deze afstanden. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van andere relevante (water)wegen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.9.3

Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op een afstand van circa 2,3 kilometer tot het plangebied. Er is geen sprake van een risicocontour. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Conclusie De aspecten buisleidingen en externe veiligheid vormen geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Beleid provincie Noord-Brabant

Gemeente Etten-Leur

46

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode contour. Bron CHW-kaart, 2010. Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang de 'West-Brabantse Venen'. Dit is de regio die zich uitstrekt van Oud Gastel tot Nispen en van Etten-Leur tot Heerle. De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Er is een provinciale strategie opgesteld voor de volledige regio. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en vindt plaats op de huidige bedrijfslocatie. Hierdoor heeft het initiatief niet een schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambitie. Deze ligging heeft derhalve geen invloed op het initiatief. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het provinciaal cultuurhistorisch landschap 'Landgoederen en veenrelicten bij Zundert en Etten-Leur.

De ter plaatse liggende 'Oostpolder' en 'Westpolder' zijn kleinschalige polders, bestaande uit graslanden, akkers en bospercelen. Beide gebieden bevatten elementen van vroegere veenwinning. Op de hoger gelegen terreinen bevinden zich grotere en onregelmatige blokpercelen met perceelrandbegroeiing. Het plangebied is gelegen op een hoger gelegen terrein. Ter plaatse blijft de bestaande perceelrandbegroeiing behouden. Deze ligging heeft derhalve geen invloed op het initiatief. Tot slot ligt de Kuijerstraat net ten noorden van het plangebied. Deze straat is aangeduid met een redelijk hoge historisch geografische waarde. De beoogde ontwikkeling heeft geen effect op de loop en richting van de Kuijerstraat. Conclusie

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

47

Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.

4.11

Kabels en leidingen

Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen). Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.12

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de

Gemeente Etten-Leur

48

modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 - Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is er sprake van de toevoeging van twee bedrijfsgebouwen en verhardingen.

Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt verder niet voor op de D-lijst (tweede criterium), hierbij is ook gekeken naar categorie D9. Deze categorie heeft betrekking op landinrichtingsprojecten waaronder de vestiging van een glastuinbouwgebied. Dit is hier niet aan de orde. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten behoeve van het voornemen is het niet noodzakelijk om een Passende beoordeling op te stellen (Zie ook paragraaf 4.5 van deze toelichting). Indien een Passende beoordeling noodzakelijk is ontstaat ook een MER-plicht. Dit is in het onderhavige geval niet aan de orde. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en dat een Passende beoordeling niet nodig is. Er is nagegaan of het plan MER-plichtig of MER-beoordelingsplichtig is, dit is niet het geval. Daarnaast is vastgesteld dat het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen zoals bedoeld in de EU-richtlijn tot gevolg heeft.

4.13

Conclusie

Het bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b" past binnen de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot milieu. Met de nieuwe ontwikkeling is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

49

Gemeente Etten-Leur

50

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische plantoelichting

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2

Opbouw van de regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het gemeentelijk handboek dan wel actuele bestemmingsplannen binnen de gemeente Etten-Leur. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: a. b. c. d.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.3

Regels

5.3.1

Hoofdstuk1 'Inleidende regels'

Artikel 1 'Begrippen' In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 'Wijze van meten'

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

51

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3.2

Hoofdstuk2 'Bestemmingsregels'

Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

Bestemmingen Artikel 3 'Agrarisch' De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebied waar geen benoemenswaardige landschaps- en/of natuurwaarden aanwezig zijn. Agrarische bedrijven zijn binnen de bestemming aangeduid en hebben een bouwvlak.

Artikel 4 'Groen - Houtsingel' De voor 'Groen - Houtsingel' aangewezen gronden zijn bestemd voor houtwallen, houtopstanden en bosschages. Alsmede voor het behoud, versterking en / of ontwikkeling van deze natuur- en landschapswaarden. Daarnaast zijn ter plaatse bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals duikers, dammen, overkluizingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming is tevens de landschappelijke inpassing van het bedrijf vastgelegd.

Artikel 5 'Water' Deze bestemming is toegekend aan de binnen het plangebied aanwezige waterloop.

Artikel 6 en 7 'Waarde - Archeologie 2 en 4' De gronden binnen deze dubbelbestemmingen zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Daartoe zijn regels opgenomen die archeologische waarden beschermen in relatie tot bodemingrepen.

Gemeente Etten-Leur

52

5.3.3

Hoofdstuk3 'Algemene regels'

Artikel 8 'Anti-dubbeltelregel' Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze zogenaamde antidubbeltelregel is onder andere te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 9 'Algemene bouwregels' Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. Het betreffen bouwregels ten aanzien van de bestaande bebouwing, voorzieningen van algemeen nut en ondergeschikte bouwdelen in relatie tot bouwen.

Artikel 10 'Algemene gebruiksregels' In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken in strijd met de bestemming.

Artikel 11 'Algemene aanduidingsregels' In dit artikel is een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden, geen gebouwen zijnde, opgenomen ter bescherming van het beekdal.

Artikel 12 'Algemene afwijkingsregels' In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in geringe mate af te wijken van de maatvoeringen en bestemmings- en/of bouwgrenzen.

Artikel 13 'Algemene wijzigingsregels' In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het onder voorwaarden wijzigen naar de bestemming 'Bos', 'Groen', 'Groen-Houtsingel', 'Natuur' en 'Water' of het verwijderen van aanduidingen.

Artikel 14 'Overige regels' Binnen de overige regels is de mogelijkheid opgenomen voor het bevoegd gezag om nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ter voorkoming van onevenredige ruime situering van de bebouwing binnen het bouwvlak of bestemmingsvlak.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

53

5.3.4

Hoofdstuk4 'Overgangs- en slotregels'

Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 15 'Overgangsrecht' Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Artikel 16 'Slotregel' De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b".

Gemeente Etten-Leur

54

Hoofdstuk 6

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2

Toepassing Grondexploitatiewet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. 6.3

Economische uitvoerbaarheid

Ten aanzien van het onderhavige plan is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. Er wordt een overeenkomst gesloten ten behoeve van het verhalen van legeskosten volgens de legesverordening, de bijdrage kwaliteitsverbetering van het landschap, de landschappelijke inpassing en een overeenkomst met betrekking tot planschade.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

55

Gemeente Etten-Leur

56

Hoofdstuk 7

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in de periode december 2020 tot en met april 2021 door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Op verschillende momenten zijn digitale bijeenkomsten gehouden met omwonenden. Het verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze toelichting. Gezien de kanttekeningen die door omwonenden zijn geplaatst en het besef dat voor de verantwoording van de permanente teeltondersteunende voorzieningen ten noorden van de Kuijerstraat nog nader onderzoek nodig is wordt voor nu afgezien van het realiseren van deze teeltondersteunende voorzieningen. Dit is kenbaar gemaakt in een apart schrijven van 3 augustus 2021 aan de omwonenden. De brief is bijgevoegd bij het verslag van de omgevingsdialoog. 7.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het concept plan is toegezonden aan het waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant. Waterschap Brabantse Delta heeft op 17 juni2022 onder voorbehoud een positief wateradvies uitgebracht. Op 31 januari 2022 is het plan via het invullen van het e-formulier aangemeld bij de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft aangegeven dat het ingevulde formulier geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. De vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant is als bijlage 7 bijgevoegd. Op 17 juni 2022 heeft het waterschap onder voorbehoud een positief wateradvies afgegeven welke is opgenomen in bijlage 8. Naar aanleiding van het advies is paragraaf 4.4 aangepast. 7.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 20 oktober 2022 tot en met 30 november 2022, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

57

Eindnoten

Gemeente Etten-Leur

58

1. Bronnen: Ervaringscijfers provincie Zeeland, Bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Terneuzen, RBOI, oktober 2005; MER Glastuinbouwlocatie Nieuw-Rijsenhout, Oranjewoud,maart 2004; Programma van Eisen Glastuinbouw in de Zuidplaspolder, Praktijkonderzoek Plant en Omgeving en Expertisecentrum LNV, december 2004; zie ook advies van DLVge d.d. 1 december 2017.

bestemmingsplan "Bankenstraat 19-21 a/b"

59

Inhoudsopgave Bijlagen bij t o e l i c h t i n g

Bijlage 1

Berekening kwaliteitsverbetering van het landschap

Bijlage 2

Onderzoek stikstofdepositie.d.d. 14-12-2022

Bijlage 3

Quickscan soortenbescherming, d.d. 19-09-2021

Bijlage 4

Akoestischonderzoek OMWB, d.d. 18-02-2021

Bijlage 5

Akoestischonderzoek Industrielawaai De Roever, d.d. 25-07-2019

Bijlage 6

Verslag omgevingsdialoog

Bijlage 7

Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant

Bijlage 8

Vooroverlegreactie waterschap Brabantse Delta

Gemeente Etten-Leur

1

Berekening kwaliteitsverbetering van het landschap Bankenstraat 19-21a/21b Gehanteerde bedragen en oppervlakten: 1. Bouwvlak glastuinbouw € 15,00/m2 2. Bouwvlak glastuinbouw niet te bebouwen € 9,00/m2 (uitsluitend verharding; geen gebouwen) 3. Agrarische grond zonder bouwvlak € 7,50/m2 4. Groen-Houtsingel € 1,00/m2 5. Vlak/aanduiding voor watervoorziening € 9,00/m2 6. Bouwvlakken huidig 96.954 m2 7. Bouwvlak nieuw (totaal) 111.630 m2 8. Bouwvlak nieuw te bebouwen 108.267 m2 9. Bouwvlak nieuw niet te bebouwen 3.363 m2 (2976 m2 + 387 m2) 10. Compostplaat 387 m2 11. Landschappelijke inpassing 400 m2 (compensatie voor compostplaat) Bestemmingswinst Agrarische grond zonder bouwvlak > Bouwvlak glastuinbouw: 9682 m2 (108.267 m2 - 96.954 m2 – 1631 m2) x € 7,50 (van € 7,50 naar € 15,00) = € 72.615,Agrarische grond zonder bouwvlak > Bouwvlak glastuinbouw niet te bebouwen: 2976 m2 x € 1,50 (van € 7,50 naar € 9,00) = € 4.464,Toelichting: dit betreft het gedeelte van het bouwvlak waar alleen verharding en dus geen gebouwen zijn toegestaan. Dit is qua uitvoering te vergelijken met een vlak/aanduiding voor permanente teeltondersteunende voorzieningen (met een ondergrond bestaande uit verharding).

Groen-Houtsingel > Bouwvlak glastuinbouw niet te bebouwen: 387 m2 (oppervlakte compostplaat) x € 8,00 (van € 1,00 naar € 9,00) = € 3.096,Vlak/aanduiding voor watervoorziening > Bouwvlak glastuinbouw: 1631 m2 x € 6,- (van € 9,00 naar € 15,00) = €, 9.786-. Toelichting: voor de aanleg van de aanwezige waterbassins van 1.895 m2 en 1.486 m2 (vergund 3.117 m2) is in het verleden een aanlegvergunning verleend (respectievelijk op 13-2-2009 en 9-92005). Aan deze aanlegvergunningen was een verplichting tot landschappelijke inpassing gekoppeld. Initiatiefnemer heeft hier invulling aan gegeven. Deze waterbassins hadden bij het opstellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’(2013) een passende aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voeder- en watervoorzieningen’ moeten krijgen. Dit is abusievelijk niet gebeurd. Initiatiefnemer valt hier niets te verwijten. Gelet op de reeds door initiatiefnemer geleverde inspanning (landschappelijke inpassing) is het gerechtvaardigd om voornoemde watervoorzieningen als bestaand te beschouwen en derhalve niet mee te nemen bij de berekening voor de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het bassin van 1.486 m2 is nu nog 3.117 m2 groot. Dit wordt verkleind naar eerdergenoemde 1.486 m2. Het verschil (verkleining) is 1.631 m2. Dit wijzigt van waterbassin naar bouwvlak glastuinbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=5824ac5e-7d01-4d77-9ad2-b21c83f1b012