20240626 Definitieve onderbouwing COA
Tekst van het document
Wanneer het geschatte geluid, op basis van expert judgement en het toegestane geluid op de inrichtingsgrens, ten gevolge van industrielawaai wordt meegenomen in het cumulatieve geluid bedraagt dit ten hoogste 72 dB. Het gezamenlijke geluid bedraagt op dit punt ten hoogste 68 dB. Het woon- en leefklimaat kan dan als ‘Zeer slecht’ worden beoordeeld. Desondanks kan er toch een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Uit de indicatieve metingen is gebleken dat het binnenniveau op de locatie van de meting in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode de lden waarde van 40 dB bedraagt. In het gemiddelde equivalente niveau van 4 werkdagen bedraagt de lden waarde in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode 41 dB. Dit betekent dat het binnenniveau voldoet aan de wettelijke eis van 43 dB. Daarom kan vanwege de tijdelijkheid van het initiatief en het feit dat het binnenniveau wordt gewaarborgd, geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat acceptabel is voor de toekomstige bewoners. Conclusie Voor het aspect geluid is conform artikel 5.78 lid 2 Bkl geen formele toetsing noodzakelijk bij een BOPA-aanvraag van korter dan 10 jaar. Verder vinden er geen wijzigingen plaats die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat. Witteveen+Bos heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat het woon- en leefklimaat als acceptabel beschouwd kan worden.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor tijdelijke opvanglocatie.
26 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
4.9
Geur
Toetsingskader Regels over geur zijn onderverdeeld in de verschillende Amvb’s van de Omgevingswet. Het verschilt per inrichting en activiteit waar de regels zijn opgenomen. Indien er geen aanpassingen hebben plaatsgevonden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het Rijk stelt voor een aantal activiteiten specifieke regels aan geurbelasting. De regels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 van het Bal. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Het is aan het Bevoegd Gezag om te beoordelen of de geurhinder aanvaardbaar is gelet op het Bkl en het omgevingsplan. Resultaat Een tijdelijke opvanglocatie is niet opgenomen als een milieubelastende activiteit ten aanzien van geur. Desalniettemin, moet zorg worden gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wel zijn in het omgevingsplan Etten-Leur minimale afstanden opgenomen tussen geurgevoelige objecten en dierenverblijven die landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden houden. Deze minimale afstand bedraagt 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom. De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie bevindt zich op voldoende afstand tot dergelijke dierenverblijven.
De gemeente heeft aangegeven dat er één overig bedrijf in de directe omgeving van de tijdelijke opvanglocatie is met enige geuruitstoot. Dit is Buitenman B.V., gelegen aan de Mon Plaisir 93. Voor dit bedrijf gelden middelvoorschriften waardoor er geen significante effecten optreden voor de tijdelijke opvanglocatie. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Conclusie De projectlocatie had voorheen een kantoorfunctie waarvoor het aspect geur geen belemmering vormde. De nieuwe functie, een tijdelijke opvang, is eveneens een functie waarbij sprake is van langdurig verblijf van personen. Daarnaast is de tijdelijke opvang zelf geen milieubelastende activiteit in het kader van geur en zijn er geen geurcontouren vastgesteld voor de omliggende bedrijven. Ten aanzien van geur is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Bodemkwaliteit
Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is, dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden. Toetsingskader In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie.
Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl.
27 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Resultaten De voorgenomen ontwikkeling betreft een tijdelijke ontwikkeling waarbij geen grondroerende activiteiten plaatsvinden. De gemeente heeft aangegeven dat op de projectlocatie in 2017 een bodemonderzoek is uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is en het grondwater ernstig verontreinigd. Dit komt echter vaker voor in het gebied en vormt geen belemmering voor enig gebruik van de projectlocatie en daarmee ook niet als tijdelijke opvanglocatie. Het wordt afgeraden om het grondwater te gebruiken, bijvoorbeeld voor de beregening van voedingsgewassen. Dit zal echter niet aan de orde zijn. Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. De tijdelijke opvanglocatie voorziet niet in grondroerende activiteiten en de verontreinigde bodem vormt geen belemmering voor het gebruik van de projectlocatie als tijdelijke opvanglocatie.
4.11
Omgevingsveiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse omgevingsveiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Dit worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een omgevingsplan of afwijking van een omgevingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het project een onacceptabel omgevingsveiligheidsrisico oplevert. Hiertoe wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het groepsrisico wordt onder de Omgevingswet vaak ingevuld door aandachtsgebieden. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en aandachtsgebieden. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.
Toetsingskader Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: - de bescherming van personen middels borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten & locaties en risicobronnen; - het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een lpg-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Regeling Basisnet blijft geldend, ook onder de Omgevingswet. Hieruit volgt ook dat de Handleiding Risicoberekeningen Bevt (hierna: HART) geldend blijft. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen zeer kwetsbare objecten, of kwetsbare objecten en locaties (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of voorzien worden.
28 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Er wordt anders omgegaan met het groepsrisico onder de Omgevingswet dan voorheen. Aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit dient als een beginpunt om na te denken over veiligheid en maatregelen. Binnen een (explosie-, brand- en gifwolk) aandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen, welke worden opgenomen in het omgevingsplan. In de voorschriftgebieden gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw volgens artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Echter, blijft het groepsrisico (GR) nog wel parallel in gebruik. Het GR is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Resultaten Op de uitsnede van de risicokaart op afbeelding 4.5 zijn 4 risicobronnen in de buurt van de projectlocatie te onderscheiden. Het betreft een tankstation, de A58 en twee bedrijven met een extern veiligheidsrisico. Aandachtsgebieden De projectlocatie bevindt zich buiten eventueel aanwezige aandachtsgebieden. Eventuele aanwezige aandachtsgebieden vormen geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
Plaatsgebonden risico De projectlocatie bevindt zich buiten het plaatsgebonden risicoplafond. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Groepsrisico De projectlocatie bevindt zich buiten eventuele aanwezige invloedsgebieden die in relatie staan tot het groepsrisico. Het groepsrisico vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
Afbeelding 4.4 Risicobronnenkaart Atlasleefomgeving (d.d. 18 april 2024)
Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Daarom leidt de opvang vanuit het aspect omgevingsveiligheid niet tot een eventueel knelpunt voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast bevindt de projectlocatie zich niet binnen de invloedsgebieden van risicobronnen. Het thema omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
29 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
4.12
Activiteiten en milieuzonering
Het doel van milieuzonering is een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende activiteit het milieu sterker belast. Toetsingskader De voormalige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt niet meer door de VNG geactualiseerd. Milieuzonering Nieuwe Stijl 2019 biedt een nieuwe aanpak voor het evenwichtig toedelen van bedrijfsmatige activiteiten aan locaties. In de publicatie is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf/ activiteit ingedeeld kan worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf/ activiteit is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand.
Resultaten Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorziet in enerzijds het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor milieugevoelige functies en anderzijds in het voorkomen van belemmeringen voor milieubelastende activiteiten in het kader van de bedrijfsvoering hiervan en ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Het gaat hierbij niet alleen om de bestaande situatie maar ook om de planologische mogelijkheden van de gronden waarop milieubelastende activiteiten zijn toegestaan en plaatsvinden. Dit betreffen de rechten die in het vigerende bestemmingsplan (onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) en eventuele voor de milieubelastende activiteiten verleende vergunningen zijn vastgelegd. Het gaat hier om het bestemmingsplan ‘Herziening 1 Bedrijventerrein Vosdonk’ (d.d. 2 februari 2015). Planologisch toegestaan In de directe omgeving van de projectlocatie zijn verschillende bestemmingen opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan van Etten-Leur ten aanzien van milieuzonering. De tijdelijke opvanglocatie zelf ligt op gronden met de bestemming ‘Bedrijventerrein - 2’.
Volgens het vigerende tijdelijke omgevingsplan zijn hier bedrijven van categorie 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 toegestaan, voor zover die voorkomen ter plaatse van de functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’, ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’, ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’ en ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’. Op circa 400 m ten noorden van de beoogde tijdelijke opvanglocatie is de bestemming ‘Bedrijventerrein - 1’ van kracht. Volgens het vigerende tijdelijke omgevingsplan zijn hier bedrijven van categorie 2, 3.1, 3.2, 4.1, 4.2 en 5.1 toegestaan, voor zover die voorkomen ter plaatse van de functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’, ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’, ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’, ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’ en ‘bedrijf tot en met categorie 5.1’. Het is echter de vraag of het realistisch is dat de maximale planologische ontwikkelruimte die nu vastgelegd is in het bestemmingsplan benut kan en gaat worden, gezien de huidige bedrijfsvoeringen en situering van bebouwing op de kavels. Onderstaand worden de richtafstanden per milieucategorie weergegeven.
30 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Afbeelding 4.5 Richtafstanden milieuzonering VNG
Feitelijke situatie In de omgeving van de beoogde tijdelijke opvanglocatie zijn meerdere bedrijven gevestigd. Er is daarmee geen sprake van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied. Conform de systematiek van de VNG brochure kan de richtafstand voor geluid en geur met 1 stap worden teruggebracht. In tabel 4.2 zijn de verschillende bedrijven in de directe omgeving van de projectlocatie weergegeven. Daarbij zijn ook de richtafstanden en de categorieën conform de VNG handreiking weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde tijdelijke opvanglocatie binnen de richtafstand van een aantal bedrijven ligt.
31 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Tabel 4.2 Overzicht aanwezige bedrijven Bedrijf Vak garage Etten-Leur Autobedrijf Brabotech Aannemingsbedrijf Mooi op maat Interieurbouw Alumnet B.V. Metaaloppvervlakte-behandelingsbedrijf Witcom Engineerings Plasticbewerker Gamko Drankenkoelingen Embregts Distributiecentrum Buitenman B.V. Bakkerij Autohopper Autoverhuur Sun Chemical Vervaardiging chemische stoffen Thetford Mobiele sanitaire systemen
32 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Afstand tot opvang (m)
Milieucategorie
Richtafstand
Geur
Stof
Geluid
25
2
10
Gevaar
10
0
0
10
0 nee
2
10
0
0
10
0 nee
15
3.2
50
30
30
50
10 ja
40
4.1
100
10
100
100
10 ja
70
3.1
30
10
0
30
10 nee
130
3.1
30
0
0
30
0 nee
40
3.1
30
10
0
30
30 nee
45
3.1
50
10
50
10
30 ja
105
2
10
0
0
10
0 nee
300
4.2
100
100
0
100
100 nee
140
3.1
30
0
0
30
(m)
0
Opvang binnen richtafstand?
nee
Geur Voor het aspect geur valt de beoogde tijdelijke opvanglocatie binnen de richtafstanden van twee bedrijven, namelijk Mooi op maat en Buitenman B.V. Mooi op maat is een interieurfabrikant waarbij alle werkzaamheden binnen plaatsvinden en er daarmee geen relevante geuremissie op de projectlocatie te verwachten valt. Buitenman B.V. is een grote bakkerij. Het aspect geur is tevens behandeld in paragraaf 4.9 (geur). Voor dit bedrijf gelden middelvoorschriften waardoor er geen significante effecten optreden voor de tijdelijke opvanglocatie. Stof Voor het aspect stof valt de beoogde tijdelijke opvanglocatie binnen de richtafstanden van twee bedrijven, namelijk Mooi op maat en Alumnet B.V. Beide bedrijven voeren inpandig werkzaamheden uit, waardoor eventuele stofemissie naar verwachting niet van toepassing is op de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. Geluid Voor het aspect geluid valt de beoogde tijdelijke opvanglocatie binnen de richtafstanden van twee bedrijven, namelijk Mooi op maat en Alumnet B.V. De opvang van asielzoekers is in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) expliciet aangemerkt als een gebouw zonder woonfunctie, en is daarmee geen geluidgevoelige functie. Wel moet worden voldaan aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan te tonen is een geluidsonderzoek uitgevoerd.
Daarmee is aangetoond dat er voldaan kan worden aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (zie paragraaf 4.8). Gevaar Voor het aspect gevaar geldt, dat voor alle omliggende bedrijven aan de richtafstanden wordt voldaan. Hieruit volgt dat er voor de huidige bedrijfsvoering geen belemmering naar voren komt en dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie aanwezig is. Planologisch versus feitelijke situatie Uit de analyse van het planologisch versus het feitelijk gebruik komt naar voren dat een aanvaardbaar woonen leefklimaat gerealiseerd kan worden voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie. Vice versa mogen de rechten van de omliggende bedrijven niet onevenredig worden aangetast door de komst van de beoogde tijdelijke opvanglocatie. Voor drie bedrijven (Mooi op maat, Buitenman B.V. en Alumnet) valt de beoogde tijdelijke opvanglocatie binnen de richtafstanden en zou daarmee de bedrijfsvoering kunnen worden aangetast.
Echter, gezien het sterk tijdelijke karakter van de beoogde opvanglocatie (3 jaar met een mogelijke verlenging tot 5 jaar), dat er geen sprake is van een geluidsgevoelige functie, de huidige situatie van de bedrijven in relatie tot eventuele ontwikkelmogelijkheden op de kavels en de tijdsduur die daarmee gepaard zou gaan, is de verwachting dat de bedrijfsvoering van de bedrijven in de omgeving niet onevenredig in het geding komt. Eventuele uitbreidingen van omliggende bedrijven zouden theoretisch gezien nog altijd mogelijk kunnen zijn gedurende de exploitatiefase van de tijdelijke opvang. Daarnaast maakt de BOPA een specifiek project mogelijk en blijven de regels uit het onderliggende omgevingsplan van kracht. Deze regels zullen weer gelden na afloop van de tijdelijke opvanglocatie waardoor de rechten van de omliggende bedrijven niet in het geding komen. Tot slot is het mogelijk om direct naast de tijdelijke opvanglocatie een bedrijf conform categorie 4.2 op te richten of bestaande bedrijven uit te breiden. Gezien de doorlooptijden van een dergelijke uitbreiding (vergunningsprocedures, uitbreidingsontwerpen) wordt verwacht dat de kans gering is dat tijdens de exploitatie van de tijdelijke opvanglocatie een dergelijk bedrijf wordt opgericht of uitgebreid.
Conclusie De beoogde tijdelijke ontwikkeling leidt niet tot een belemmering van de huidige bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven. Daarnaast is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de projectlocatie. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
33 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
4.13
Archeologie en cultuurhistorie
Voorafgaand aan het vaststellen van een omgevingsvergunning BOPA dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische en cultuurhistorische waarden op de projectlocatie en in de omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het project rekening dient te worden gehouden. In de Omgevingswet staan de regels ter bescherming van de archeologische en cultuurhistorie waarden benoemd in artikel 5.130 van het Bkl. Resultaten Voor de realisatie van de opvanglocatie vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Daarnaast zijn er geen nabijgelegen monumentale of cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. Conclusie Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie omdat er geen werkzaamheden plaatsvinden in de bodem en geen monumentale of cultuurhistorisch waardevolle objecten in de omgeving aanwezig zijn.
4.14
Sociale veiligheid
Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: - informeel toezicht op de openbare ruimte; - persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; - het imago van het (totale) gebied. Resultaten Maatregelen die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang zijn onder andere: 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie, 7 dagen per week aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie, huisregels hanteren en toezien op naleving, eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken, dagbesteding verzorgen, informeren over gedragsregels in Nederland, wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie, deelname aan structureel omwonendenoverleg en structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen, 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden.
De aangeboden dagbesteding omvat onder andere de volgende activiteiten: voorlichting statushouders over kennis van de Nederlandse samenleving, Nederlandse taallessen, voorlichting wonen en leven op een COA-locatie, vrijwilligersactiviteiten (zoals bijvoorbeeld fietsles, kinderactiviteiten), meedoenbalie (vrijwilligerswerk buiten de opvanglocatie), zelfwerkzaamheid (klusjes doen op locatie met kleine vergoeding), recreatie en fitness op locatie, samenwerking met gemeente en derden rond arbeid, zwemlessen (indien mogelijk), kinderen gaan naar school (leerplicht), contacten met lokale sportverenigingen. Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de opvang in de omgeving en zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie. Conclusie Het COA treft een pakket aan maatregelen om de sociale veiligheid in de omgeving van de planlocatie te waarborgen en heeft hierover afstemming met de gemeente.
Door het nemen van deze maatregelen vormt het aspect sociale veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
34 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
5 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces
Een project dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Bij het aanvragen van een BOPA dient de initiatiefnemer aan te geven of er aan participatie is gedaan, in welke vorm, en wat de resultaten hiervan zijn. Om bewoners te informeren over het proces en de ontwikkelingen rondom opvanglocatie Etten-Leur wordt er in samenwerking met de gemeente een omgevingsdialoog georganiseerd. Op woensdag 22 mei zijn de direct omwonende uitgenodigd om deel te nemen aan de omgevingsdialoog. Het doel van de omgevingsdialoog is dat het COA haar plannen en ideeën met de direct betrokkenen deelt. De direct betrokkene mogen opmerkingen en suggesties geven op de plannen. Als deze opmerkingen en suggesties het COA aanleiding geven om wijzigingen in de plannen aan te brengen, worden ze verwerkt. De reacties en eventuele aanpassingen als gevolg van de omgevingsdialoog worden in een verslag verwerkt dat wordt meegestuurd met de aanvraag voor de omgevingsvergunning naar de gemeente. De deelnemers aan de omgevingsdialoog krijgen dit verslag eveneens. In bijlage III is het volledige verslag van de bijeenkomst opgenomen. De algemene terugblik en samenvatting is als volgt: het was een rustige en plezierige bijeenkomst. Omwonenden stelden goede vragen. Het COA heeft de vragen beantwoord aan de hand van een grote plattegrond met de beoogde indeling van het pand.
Het visuele aspect was belangrijk en gaf een goed inzicht. Ook was er interesse om meer te weten te komen over asielopvang in zijn algemeenheid. Deze vragen heeft het COA met de aanwezige de locatiemanager goed kunnen bespreken en beantwoorden.
35 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID & HANDHAVING 6.1
Financiering
Het COA is verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering tijdens de exploitatieduur. De projectlocatie wordt gehuurd door het COA. Het COA voert een maatschappelijke taak uit in opdracht van het Rijk en wordt ook als zodanig gefinancierd voor het realiseren van de opvang.
6.2
Beheer en onderhoud
Het COA verzorgt het beheer en onderhoud van de bebouwing en het terrein gedurende het gebruik ten behoeve van de tijdelijke opvang. Na het vertrek van het COA kan de locatie weer gebruikt worden conform de geldende enkelbestemming uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Etten-Leur. Het tijdelijk gebruik van de locatie door het COA leidt niet tot onomkeerbare gevolgen die het toekomstig gebruik conform de geldende enkelbestemming in het tijdelijke deel van het omgevingsplan verhinderen.
6.3
Handhaving
De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Etten-Leur vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving zal afstemming met gemeente en politie plaatsvinden.
36 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Bijlage(n)
I BIJLAGE: STIKSTOFDEPOSITIE ONDERZOEK, REFERENTIE 141667/24-006.316 D.D. 29 APRIL 2024
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Bijlage I | Definitief 02
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door Paraaf
Stikstofberekening COA Etten-Leur Tijdelijke opvang Etten-Leur Centraal Orgaan opvang asielzoekers 141667 Definitief 02 19 juni 2024 141667/24-008.965 Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Projectleider Deze notitie is geautoriseerd volgens de regels van het Witteveen+Bos managementsysteem
Bijlage(n)
I II
Aan
Centraal Orgaan opvang asielzoekers -
Kopie
1
Uitgangspunten AERIUS berekening aanleg- en gebruiksfase COA Etten-Leur
INLEIDING
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is voornemens om een tijdelijke noodopvang te realiseren voor de huisvestiging van asielzoekers in een pand aan de Mon Plaisir 40 in de gemeente Etten-Leur. Met de verbouwingen aan het pand wil het COA maximaal 250 personen opvangen voor een periode van 3 jaar met de optie voor een verlenging van 2 jaar. Om het pand geschikt te maken voor huisvesting dienen verschillende bouw- en sloopwerkzaamheden te worden uitgevoerd. Hierbij vinden (tijdelijke) stikstofemissies (NOx en NH3) plaats vanwege de inzet van bouwverkeer en mobiele werktuigen in de aanlegfase en in de gebruiksfase door de verkeersaantrekkende werking van de COA locatie en door de aanwezige stookinstallaties. Mogelijk leiden deze emissies tot stikstofdepositie toename op Natura 2000-gebieden. De locatie van de activiteiten ligt op een afstand van minder dan 13 km van Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos en op een afstand van minder dan 19 km van Natura 2000-gebied Brabantse Wal, zie ook afbeelding 1.1. Om de mogelijke effecten van het plan door stikstofdepositie toename tijdens de aanleg- en gebruiksfase inzichtelijk te maken is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In deze notitie zijn de gehanteerde uitgangspunten en de berekende resultaten vastgelegd.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c | Postbus 24087 | 3502 MB Utrecht | +31 (0)30 765 19 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Afbeelding 1.1 Ligging Natura 2000-gebieden rondom de aanleglocatie noodopvang Etten-Leur
2
WETTELIJK KADER
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 1 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUSCalculator. Kader vergunningsverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied2. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten.
Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren plan/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten3; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft4.
1
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
2
Artikel 5.1 Omgevingswet.
3
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.
4
Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.
2|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Bij ‘adequaat’ gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het Bevoegd Gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).
3
UITGANGSPUNTEN
Zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. In de onderstaande paragrafen zijn de rekenmethode, emissieberekeningen en modellering uiteengezet.
3.1
Aanlegfase
De stikstofemissies tijdens de aanlegfase vinden plaats door de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer. De inzet van het bouwmaterieel is aangeleverd door en afgestemd met het COA (opgenomen in bijlage I). De aanlegfase vindt volledig plaats in 2024.
3.1.1
Emissies van mobiele werktuigen
Emissies van mobiele werktuigen zijn door het COA aangeleverd en worden conform de instructie1 gegevensinvoer AERIUS-Calculator 2023 berekend via de AUB-methode2. Deze methode is door TNO uitgewerkt en beschikbaar gesteld voor AERIUS. Voor de emissieberekeningen zijn drie gegevens nodig: het aantal draaiuren per jaar, het brandstofverbruik in liters per jaar en het AdBlue-verbruik in liters per jaar. Het brandstofverbruik is bepaald door middel van de formule benoemd in instructie, namelijk: LPBJ=(0,095*Pmax+0,54)*D Waarbij: LPBJ=brandstofverbruik in L/jaar; Pmax= maximale vermogen van het werktuig; D= aantal draaiuur per jaar. Tabel 3.1 toont de uitgangspunten voor de modelinvoer per materieeltype. Voor de graafmachine Caterpillar 305CR is het vermogen van 34 kW te laag om SCR toe te passen, daarom is daarbij geen AdBlue toevoeging mogelijk. Conform de AUB-methodiek is voor het normale AdBlue-verbruik van Stage IV- en V-klasse motoren 6 % (categorie D) van het dieselverbruik aangehouden. Tabel 3.1 toont de uitgangspunten voor de modelinvoer per materieeltype. 1
Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van BIJ12. (april 2024). Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2023. Versie 2.
2
AUB = AdBlue-verbruik, Uren, Brandstofverbruik.
3|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
Tabel 3.1 Uitgangspunten mobiele werktuigen zoals aangeleverd door het COA Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Aantal Draaiuren (uur/totaal)
Dieselverbruik per uur (l/uur)
Dieselverbruik per jaar (l/totaal)
Percentage AdBlue (%)
AdBlueverbruik per jaar (l/totaal)
graafmachine
IV
130
80
12,9
1.031
6
62
verreiker
IV
115
80
11,5
917
6
55
graafmachine
V
34
40
3,77
151
-
0
bouwkraan
IV
270
24
26,2
629
6
38
totaal
224
2.728
155
De mobiele werktuigen die gebruikt zijn voor de werkzaamheden zijn gemodelleerd als een vlakbron, sector ‘mobiele werktuigen: Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning’. Hierbij is aangesloten bij de standaardwaarden voor de emissiehoogte (2,5 m), spreiding (1,25), warmte-inhoud en de temporele variatie.
3.1.2
Bouwverkeer
Het bouwverkeer is gemodelleerd als lijnbron. Voor de locatie is als wegtype ‘binnen bebouwde kom (doorstromend)’ gekozen omdat het verkeer vanaf projectlocatie zich gedeeltelijk over een industrieterrein beweegt. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde snelheid tussen de 30 en 45 km per uur zonder congestie. Voor de locatie is het verkeer gemodelleerd tot aan het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het verkeer van en naar de projectlocatie door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend is van het al aanwezige wegverkeer. Het bouwverkeer betreft licht verkeer. De input voor het verkeer is opgegeven door de opdrachtgever. De verkeersbewegingen in tabel 3.2 zijn in AERIUS-Calculator gemodelleerd. Het verkeer rijdt vanaf de locatie van de activiteiten via Mon Plaisir de Vosdonk op waar het opgaat in het heersende verkeersbeeld. De intensiteiten in tabel 3.2 geven de aankomende en weer vertrekkende vrachten weer.
Tabel 3.2 Wegverkeersbewegingen bij de aanlegfase van noodopvang Etten-Leur Omschrijving
Aantal voertuigen per jaar (2024)
Aantal bewegingen per jaar (2024)
1.808
3.616
middelzwaar verkeer (vrachtwagens <20 ton GWV)
88
176
zwaar verkeer (vrachtwagens >20 ton GWV en trekkers)
176
352
2.092
4.144
licht verkeer (personenauto’s en bestelbusjes)
totaal
Stationair draaien bouwverkeer Bij het aan- en afvoeren van materialen en materieel is voor het stationair draaien van vrachtwagens op de locatie een extra bron toegevoegd aan de berekening. Om hiervan de emissies te berekenen, is aangenomen dat iedere vrachtwagen gedurende de gemiddelde laad- en/of lostijd van 15 minuten stationair draait met NOx-/NH3- emissiefactoren per type vrachtverkeer (zwaar en middelzwaar), voor het type stad stagnerend, voor het jaar 2024.
4|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
Deze emissie wordt op de volgende manier berekend1: EF = EF stationair*Tijd stationair Waarbij geldt: - EF = de emissie bij stationair draaien van alle werktuigen (kg NOx of kg NH3/jaar); - EF stationair = emissiefactor tijdens stationair draaien (stad stagnerende) in g/uur; - tijd stationair = tijd waarin het voertuig stil staat (aantal uur). Door aan te sluiten bij de emissiefactoren NOx en NH3 uit bijlage 1 van de instructie gegevensinvoer AERIUS resulteert dit in 0,05 kg NH3/j en 5,04 kg NOx /j.
Tabel 3.3 Emissieberekening voor stationair draaien voertuigen aanlegfase COA Etten-Leur Omschrijving
Aantal voertuigen
Tijd Stationair (uur)
Emissiefactor NOx (gram/uur)
Uitstoot NOx (kg/jaar)
Emissiefactor NH3 (gram/uur)
Uitstoot NH3 (kg/jaar)
middelzwaar verkeer (vrachtwagens <20 ton GWV)
88
22
67,938
1,50
0,69
0,015
zwaar verkeer (vrachtwagens >20 ton GWV en trekkers)
176
44
80,6676
3,55
0,9024
0,04
totaal
264
66
3.2
5,04
0,054
Gebruiksfase
De geplande realisatie van de opvanglocatie in Etten-Leur kan in de gebruiksfase zorgen voor stikstofdepositie toename. Omdat de toekomstige bewoners niet over een auto beschikken en zich hoofdzakelijk verplaatsen te voet, met de fiets of openbaar vervoer is niet te spreken over een verkeersaantrekkende werking door de nieuwe bewoners. In de gebruiksfase is sprake van twee op aardgas gestookte Cv-ketels. Ook vinden stikstofemissies plaats door de verkeersbewegingen van personeel, de aanvoer van goederen en ondersteunende diensten. Het COA heeft de uitgangspunten voor het verkeer in de gebruiksfase geleverd. Voor de gebruiksfase is uitgegaan van rekenjaar 2024.
3.2.1
Stookinstallaties
In de gebruiksfase zijn twee ketels in bedrijf op de noodopvang. Dit betreft op aardgas gestookte Cv-ketels. Het toekomstig gebruik en dus verbruik van de ketels is onbekend. Het verbruik van de ketels is echter afhankelijk van een aantal factoren, zoals het stookseizoen, de grootte van de ruimte die de ketel verwarmt, het vermogen van de ketel, de benuttingsgraad van de ketel en de aanwezige isolatie. Op basis van de publicatie ‘Cijfers en tabellen 20072’ waarin kengetallen en energieverbruik getallen zijn opgenomen, is een inschatting gemaakt van het te verwachten gebruik van de ketels. In de publicatie wordt verwezen naar een artikel van Meijer (2005), waarin het aantal vollasturen van diverse gebouwfuncties wordt gegeven. Vollasturen zijn de uren waarin de ketel op het volle vermogen (100 %) draait. Voor woningen is dit in dit artikel bepaald op 1.200 tot 1.500 vollasturen per jaar. 1
Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van BIJ12. (april 2024). Instructie gegevensinvoer voor AERIUS-Calculator 2023. Zie hiervoor bijlage 1.
2
SenterNovem, Cijfers en tabellen 2007, d.d. 2007.
5|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
Dit resulteert in een capaciteitsfactor (gedeelte van het jaar dat de ketel op vol vermogen draait) van ongeveer 17,1 %. Voor dit onderzoek is een conservatief percentage van 25 % gehanteerd, hetgeen neerkomt op ongeveer 2.200 uur per jaar met een belasting van 100 %. Waarschijnlijk zal het daadwerkelijke gebruik en verbruik van de ketels lager liggen. Met behulp van ‘CalComEmis1’ is de stikstofemissie berekend. In onderstaande tabel 3.4 is het overzicht van de stookinstallaties en de bijbehorende emissies weergegeven.
Tabel 3.4 Emissieberekening stookinstallaties - gebruiksfase Naam ketel
Normaal thermisch ingangsvermogen (MWth)
Bedrijfstijd (uur/jaar)
Gemiddelde rookgastemperatuur (°C)
Actuele zuurstofconcentratie in droog rookgas (vol%)
NOx-concentratie (als NO2) in droog rookgas (mg/Nm3)
Uitreedhoogte (m)
NOx-emissie per uur (kg/uur)
Nox-emissie per jaar (kg/jaar
Burnham BR5010NT-BR 1
0,1938
2.200
100
3
70
6
0,0139
30,58
Burnham BR5010NT-BR 2
0,1938
2.200
100
3
70
6
0,0139
30,58
totale emissie
-
1
Rijkswaterstaat, CalCoEmis, d.d. 2020. Opgevraagd via https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/berekening-verbrandingsemissies/
6|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
61,16
3.2.2
Verkeer gebruiksfase
De gegevens voor de invoer van het verkeer zijn aangeleverd door en afgestemd met het COA. Het verkeer is op dezelfde manier gemodelleerd in AERIUS-Calculator als in de aanlegfase, dus hierin zijn dezelfde rijroute en wegtype aangehouden. De invoer van de maximaal te verwachten verkeersgeneratie is opgenomen in tabel 3.5.
Tabel 3.5 Verkeersbewegingen in de gebruiksfase ten gevolge van de werkzaamheden aan het COA Etten-Leur Categorie voertuig
Aantal voertuigen per jaar
Aantal bewegingen per jaar
licht verkeer (personenauto’s en bestelbusjes)
6.918
13.836
middelzwaar verkeer (vrachtwagens <20 ton GWV)
3.287
6.574
zwaar verkeer (vrachtwagens >20 ton GWV en trekkers)
318
636
10.532
21.046
totaal
Stationair draaien verkeer Ook in de gebruiksfase is sprake van laden en lossen van vrachtwagens, met stationair draaiende motoren. Het stationair draaien van de vrachtwagens in de gebruiksfase is op dezelfde manier gemodelleerd als in de aanlegfase, met ook de emissiefactoren voor type stad stagnerend voor het jaar 2024. Door aan te sluiten bij de emissiefactoren NOx en NH3 uit bijlage 1 van de instructie gegevensinvoer AERIUS resulteert dit in 0,64 kg NH3/j en 62,2 kg NOx /j.
Tabel 3.6 Emissieberekening voor stationair draaien voertuigen gebruiksfase COA Etten-Leur Omschrijving
Aantal voertuigen
Tijd Stationair (uur)
Emissiefactor NOx (gram/uur)
Uitstoot NOx (kg/jaar)
Emissiefactor NH3 (gram/uur)
Uitstoot NH3 (kg/jaar)
middelzwaar verkeer (vrachtwagens <20 ton GWV)
3.287
821,75
67,938
55,8
0,69
0,57
zwaar verkeer (vrachtwagens >20 ton GWV en trekkers)
318
79,5
80,6676
6,4
0,9024
0,07
3.605
901,25
totaal
4
62,2
0,64
RESULTATEN
De in hoofdstuk 3 geschetste situatie voor de aanlegfase en de gebruiksfase met bijbehorende emissies zijn gemodelleerd in AERIUS-Calculator. Per fase worden hieronder de resultaten uiteengezet.
7|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
4.1
Resultaten aanlegfase
Uit de berekening blijkt gedurende de aanlegfase de totale emissie 23,6 kg NOx en 0,7 kg NH3. Verder toont de berekening op geen enkel Natura 2000-gebied een stikstofdepositie toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr. Voor de volledige AERIUS-berekening voor de aanlegfase wordt verwezen naar bijlage II.
4.2
Resultaten gebruiksfase
Gedurende de gebruiksfase is de totale emissie 128,8 kg NOx en 0,8 kg NH3. Verder toont de AERIUS-berekening op geen enkel Natura 2000-gebied een stikstofdepositie toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr. Voor de volledige AERIUS-berekening wordt verwezen naar bijlage II.
5
CONCLUSIE
Witteveen+Bos heeft een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd voor de werkzaamheden van de COA locatie in Etten-Leur. Uit de projectberekening blijkt geen stikstofdepositie toename (meer dan 0,00 mol N/ha/jaar) tijdens de aanlegfase en/of de gebruiksfase van de beoogde werkzaamheden. Daarmee zijn significante negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Er geldt voor deze locatie en werkzaamheden voor het aspect stikstof geen vergunningsplicht voor de bescherming van Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet.
8|8
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Definitief 02
I BIJLAGE: UITGANGSPUNTEN
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Bijlage I | Definitief 02
Afbeelding I.1 Uitgangspunten Aanlegfase COA Etten-Leur
Afbeelding I.2 Uitgangspunten gebruiksfase COA Etten-Leur
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Bijlage I | Definitief 02
II BIJLAGE: AERIUS BEREKENING AANLEG- EN GEBRUIKSFASE COA ETTEN-LEUR
Witteveen+Bos | 141667/24-008.965 | Bijlage II | Definitief 02
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
COA Mon Plaisir 40, 4879 AN Etten-Leur Tijdelijke opvang Etten-Leur AERIUS berekening aanleg- en gebruikfsfase COA Etten-Leur
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RyRiH5aFxpqL 25 april 2024, 09:32 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanleg- en gebruikfsfase COA Etten-Leur - Beoogd Aanleg- en gebruikfsfase COA Etten-Leur - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
2024 -
1,5 kg/j
152,4 kg/j
2/8
Projectberekening
Aanleg- en gebruikfsfase COA Etten-Leur (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 2 4 6 7
Wonen en Werken | Woningen | CV ketel Burnham BR5010NT-BR 1 Wonen en Werken | Woningen | CV ketel Burnham BR5010NT-BR 2 Anders... | Anders... | Stationair draaien vrachtverkeer gebruiksfase Anders... | Anders... | Stationair draaien vrachtverkeer aanlegfase Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Mobiele werktuigen aanlegfase Verkeersnetwerk
RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,6 kg/j 54,9 g/j 0,6 kg/j 0,2 kg/j
30,6 kg/j 30,6 kg/j 62,2 kg/j 5,0 kg/j 17,9 kg/j 6,1 kg/j
3/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
4/8
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanleg- en gebruikfsfase COA Etten-Leur" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/8
Projectberekening
Aanleg- en gebruikfsfase COA Etten-Leur, Rekenjaar 2024 1
Wonen en Werken | Woningen
Naam CV ketel Burnham Uittreedhoogte BR5010NT-BR 1 Warmteinhoud Locatie X:101503,96 Y:397305,38 Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 2
Wonen en Werken | Woningen
Naam CV ketel Burnham Uittreedhoogte BR5010NT-BR 2 Warmteinhoud Locatie X:101485,67 Y:397319,5 Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 3
30,6 kg/j
6,0 m 0,002 MW
NOₓ
30,6 kg/j
Wegverkeer gebruiksfase COA Etten-Leur X:101383,26 Y:397261,85 268,79 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Naam
NOₓ
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
4
6,0 m 0,002 MW
Anders... | Anders...
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Stationair draaien Uittreedhoogte vrachtverkeer Warmteinhoud gebruiksfase Spreiding Locatie X:101552,79 Y:397308,65 Oppervlakte 0,18 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie
RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
0,0 m 0,000 MW 0m
Links Rechts NOₓ 5,4 kg/j Type scherm - - NO₂ 1,2 kg/j Hoogte - - NH₃ 0,2 kg/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
In file
13.836,0 /jaar 6.574,0 /jaar 636,0 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
NOₓ NH₃
62,2 kg/j 0,6 kg/j
6/8
Projectberekening
5
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Wegverkeer aanlegfase COA Etten-Leur X:101383,26 Y:397261,85 268,79 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 6
Naam
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Anders... | Anders...
Stationair draaien Uittreedhoogte vrachtverkeer Warmteinhoud aanlegfase Spreiding Locatie X:101552,79 Y:397308,65 Oppervlakte 0,18 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 7
0,0 m 0,000 MW 0m
Links Rechts NOₓ 0,7 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,2 kg/j Hoogte - - NH₃ 19,5 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
In file
3.656,0 /jaar 176,0 /jaar 352,0 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
NOₓ NH₃
5,0 kg/j 54,9 g/j
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Mobiele werktuigen aanlegfase X:101520,39 Y:397315,36 0,34 ha Stageklasse
Graafmachine (130 Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, kW) diesel, SCR: ja
NOₓ NH₃
Brandstofverbruik
Draaiuren AdBlue verbruik
80 u/j
62 l/j 55 l/j
1031 l/j
Verreiker (115kW)
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
917 l/j
80 u/j
Graafmachine (34 kW)
Stage-V, >= 2019 , <= 56 kW, diesel, 151 l/j SCR: nee
40 u/j
Bouwkraan (270 kW) Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
17,9 kg/j 0,6 kg/j
629 l/j
24 u/j
38 l/j
Stof Emissie
NOₓ
5,9 kg/j NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 5,4 kg/j NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 3,2 kg/j NH₃ 1,1 g/j NOₓ 3,4 kg/j NH₃ 0,2 kg/j
7/8
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.2_20240329_bf14d3585e Database versie 2023.2_bf14d3585e_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
RyRiH5aFxpqL (25 april 2024)
8/8
II BIJLAGE: AKOESTISCH ONDERZOEK, REFERENTIE 141667/24-006.586 D.D. 3 MEI 2024
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Bijlage II | Definitief 02
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door Paraaf
Akoestisch onderzoek Etten-Leur Tijdelijke Opvang Etten-Leur Centraal Orgaan opvang asielzoekers 141667 Definitief 02 19 juni 2024 141667/24-008.932 Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Projectleider Deze notitie is geautoriseerd volgens de regels van het Witteveen+Bos managementsysteem
Bijlage(n)
I II III IV
Aan
Centraal Orgaan opvang asielzoekers -
Kopie
1
Plattegrond Verkeersgegevens Berekeningsresultaten Indicatieve meetresultaten
INLEIDING
Momenteel is sprake van een grote instroom van personen in Nederland, terwijl er een tekort is aan opvangplaatsen. Daarom moeten met urgentie extra opvangplaatsen worden gerealiseerd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvangplaatsen te realiseren. In Etten-Leur beoogt COA om aan de Mon Plaisir tijdelijk voor een periode van 3 jaar met de optie voor een verlenging met 2 jaar in een voormalig kantoorgebouw opvangplaatsen te realiseren en in gebruik te nemen. De opvanglocatie is strijdig met het ter plaatse geldende omgevingsplan. Om de opvanglocatie mogelijk te maken, is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan benodigd. Dit akoestisch onderzoek is uitgevoerd in dit kader. Hierin wordt onderzocht wat het geluid op het niet geluidgevoelig gebouw op de locatie voor de opvang is en of er sprake is van evenwichtige toedeling van functie aan locatie voor de toekomstige bewoners (artikel 4.2 Omgevingswet). Afbeelding 1.1 en 1.2 tonen de beoogde locatie. In bijlage I is ook een plattegrond van de beoogde situatie opgenomen.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c | Postbus 24087 | 3502 MB Utrecht | +31 (0)30 765 19 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Afbeelding 1.1 Situering beoogde opvanglocatie
Afbeelding 1.2 Situering beoogde opvanglocatie
2 | 11
Witteveen+Bos | 141667/24-008.932 | Definitief 02
2
UITGANGSPUNTEN
2.1
Toetsingskader
Voor een het afwijken van het omgevingsplan dient het aspect geluid te worden beoordeeld. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet (Ow). In artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen dat gebouwen met een woonfunctie worden gedefinieerd als geluidgevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Ook vallen hieronder woonwagens en woonschepen. Een schip waar mensen verblijven maar dat ook in gebruik is voor de vaart, is geen woonschip. De aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfuncties van een ander Omgevingswetinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn gebouwen die worden ingezet voor het opvangen van personen geen gebouwen met een woonfunctie, maar met een logies-functie. De wet wijst gebouwen met deze functies niet aan als geluidgevoelig gebouw. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Andere gebouwen en locaties reguleert het Bkl niet.
Het Rijk laat de bescherming van overige gebouwen en locaties over aan decentrale overheden. Dit is in lijn met het subsidiariteitsbeginsel (decentraal) en het proportionaliteitsbeginsel (artikel 2.3 Omgevingswet). Een wettelijke taak van de gemeente hierin is het 'evenwichtig toedelen van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet). De gemeente neemt bij deze taak het geluid door activiteiten op de niet van rijkswege beschermde gebouwen en locaties mee. Voor elk gebouw of locatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen kunnen verblijven, is geluid in principe een onderdeel van de afweging. Vaak zal de geluidkwaliteit door de beleidsmatige ordening van functies/activiteiten in de fysieke leefomgeving acceptabel zijn. Of is de noodzakelijke mate van bescherming tegen geluid van functies gering. Het betreft hier geen geluidgevoelige functie en de locatie is daarmee niet beschermt tegen geluid. Dit betekent dat er geen toetsing hoeft plaats te vinden aan de standaardwaarde en grenswaarde uit de Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Wel wordt er aan de hand van deze waarden het woon- en leefklimaat inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Hierbij dient gezegd te worden dat aanwezige bedrijven in de omgeving niet worden beperkt in hun geluidruimte.
2.2
Gecumuleerd geluid
Bij de kwalitatieve beoordeling wordt het geluid op het geluidgevoelig gebouw gecumuleerd. Omdat de geluidhinder per type geluid verschillend is, mogen deze niet zomaar gecumuleerd worden. Op basis van dosis-effectonderzoeken is vastgesteld dat niet alleen de hoogte van het geluid, maar ook het type geluid belangrijk is voor de mate van optredende hinder. Deze rekenregel is per brontype als volgt: Wegverkeer: Industrie:
geen correctie; L∗IL = 0,0146 ∙ 𝐿2𝐼𝐿 − 0,5802 ∙ 𝐿𝐼𝐿 + 45,024.
Als alle betrokken bronsoorten op deze wijze zijn omgerekend naar L*-waarden, dan kan het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelig gebouw worden bepaald door de energetische optelling van de deelbronnen.
3 | 11
Witteveen+Bos | 141667/24-008.932 | Definitief 02
De hoogte van het cumulatieve geluidniveau kan vervolgens worden beoordeeld/gekwalificeerd volgens de milieukwaliteitsmaat van methode Miedema. Hierin wordt de geluidbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Tabel 2.1 geeft een indicatie van de beleving van geluidwaarden.
Tabel 2.1 Classificering milieukwaliteit conform methode Miedema Geluidklasse
Beoordeling
< 50 dB
goed
51 - 55 dB
redelijk
56 - 60 dB
matig
61 - 65 dB
tamelijk slecht
66 - 70 dB
slecht
> 70 dB
zeer slecht
2.3
Gezamenlijk geluid
Bij het dimensioneren van gevelisolatie moet rekening worden gehouden met het gezamenlijk geluid. Onder gezamenlijk geluid wordt volgens het tweede lid uit artikel 3.39 ‘het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.’ verstaan. Het gaat hierbij in dit geval om het geluid van wegen en industrieterreinen op het niet geluidgevoelig gebouw die in een geluidaandachtsgebied van die geluidbronsoort ligt.
2.4
De locatie en de omgeving
De opvanglocatie is beoogd aan de Mon Plaisir te Etten-Leur. De opvanglocatie biedt plaats aan maximaal 250 personen voor de duur van minimaal 3 jaar en maximaal 5 jaar. De locatie ligt aan de Mon Plaisir en nabij N640. Op een afstand van circa 900 m is een spoorlijn gelegen. De beoogde locatie ligt op bedrijventerrein Vosdonk. Er zijn verschillende bedrijfssectoren zoals verschillende sectoren zoals productie, assemblage, transport/logistiek, bouwnijverheid en zakelijke (industriële) dienstverlening in de buurt en naast het beoogde pand voor opvang.
2.5
Geluidberekeningen
Algemeen Om de berekeningen uit te voeren is in het programma ‘Geomilieu’ een akoestisch model gemaakt. Hierin worden de daadwerkelijke bronnen en de omgeving in gemodelleerd. Akoestisch zachte bodemgebieden zoals weiland en graslandschap zijn ingevoerd als 100 % absorberend (bodemfactor = 1) en de harde bodemgebieden zoals wegen, parkeerplaatsen en water zijn 100 % reflecterend ingevoerd (bodemfactor = 0). Verder worden tuinen, erven, gazons, etc. gemodelleerd met bodemfactor 0,3 conform KAOW. Ook zijn de gebouwen en hoogtelijnen op basis van AHN4 toegevoegd.