20240626 Definitieve onderbouwing COA
Tekst van het document
Tijdelijke opvanglocatie Etten-Leur Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving
Centraal Orgaan opvang asielzoekers 21 juni 2024
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Paraaf
Adres
Tijdelijke opvanglocatie Etten-Leur Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Definitief 02 21 juni 2024 141667/24-009.111
141667 Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend)
Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Anoniem (binnen Witteveen+Bos bekend) Projectleider Dit rapport is geautoriseerd volgens de regels van het Witteveen+Bos managementsysteem
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Projectlocatie
5
1.2.1 1.2.2
Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie
5 6
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
7
1.3.1
7
1.3
Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Etten-Leur
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
8
1.5
Leeswijzer
8
2
BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Toekomstige situatie
10
3
BELEIDSKADER
11
3.1
Rijksbeleid
11
3.1.1 3.1.2
11 12
3.2
3.3
3.4
Omgevingswet Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Provinciaal beleid
12
3.2.1 3.2.2
12 13
Omgevingsvisie Noord-Brabant Omgevingsverordening Noord-Brabant
Waterbeleid
14
3.3.1
14
Waterschapsverordening Waterschap Brabantse Delta
Gemeentelijk beleid
15
3.4.1
Omgevingsvisie Etten-Leur
15
4
MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN
16
4.1
Milieueffectrapportage
16
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
17
4.3
Duurzaamheid en gezondheid
17
4.4
Verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren
18
4.5
Weging van het waterbelang
19
4.6
Natuur
20
4.7
Luchtkwaliteit
23
4.8
Geluid
25
4.9
Geur
27
4.10
Bodemkwaliteit
27
4.11
Omgevingsveiligheid
28
4.12
Activiteiten en milieuzonering
30
4.13
Archeologie en cultuurhistorie
34
4.14
Sociale veiligheid
34
5
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE
35
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces
35
6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID & HANDHAVING
36
6.1
Financiering
36
6.2
Beheer en onderhoud
36
6.3
Handhaving
36
Laatste pagina
36
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Stikstofdepositie onderzoek, referentie 141667/24-006.316 d.d. 29 april 2024
19
II
Akoestisch onderzoek, referentie 141667/24-006.586 d.d. 3 mei 2024
30
III
Verslag Participatie
3
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Momenteel is er sprake van een grote instroom van asielzoekers, terwijl er een tekort is aan opvangplaatsen. Daarom moeten met urgentie extra opvangplaatsen worden gerealiseerd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk opvangplaatsen te realiseren. Het COA wenst een tijdelijke opvang te realiseren in een bestaand pand aan de Mon Plaisir 40 te Etten-Leur, dat voorheen in gebruik was als kantoorpand. Het COA wil op deze locatie maximaal 250 personen opvangen voor een periode van 3 jaar met de optie voor een verlenging van 2 jaar. Het voorgenomen gebruik past niet binnen het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente Etten-Leur. De tijdelijke opvanglocatie past niet binnen de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein - 2’ van het vigerende bestemmingsplan ‘Herziening 1 Bedrijventerrein Vosdonk’ (d.d. 2 februari 2015), wat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In overleg met de gemeente is bepaald dat, om de tijdelijke ontwikkeling mogelijk te maken, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) conform artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet aangevraagd moet worden. Hiervoor dient een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving overlegd te worden, waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De toetsingsvereisten hiervan zijn, dat het tijdelijke planvoornemen voldoet aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale en waterschapsverordening en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit rapport voorziet in deze onderbouwing.
1.2
Projectlocatie
1.2.1
Ligging projectlocatie
De projectlocatie ligt aan de Mon Plaisir 40 te Etten-Leur. De globale ligging is aangegeven op afbeelding 1.1 en is kadastraal bekend bij de gemeente onder de nummers ETN01-H-3935, ETN01-H-3936, ETN01-H-3957 en ETN01-H-4003. De locatie is gesitueerd op bedrijventerrein Vosdonk aan de westzijde van Etten-Leur. Ten zuiden loopt de A58, ten westen de Vosdonk (N640) en ten noorden de Roosendaalseweg. In de directe omgeving zijn met name bedrijven aanwezig.
5 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Afbeelding 1.1 Globale ligging projectlocatie
1.2.2
Begrenzing projectlocatie
Deze onderbouwing ten aanzien van de effecten op de fysieke leefomgeving heeft betrekking op het rood gemarkeerd vlak op afbeelding 1.2. De rode markering geeft aan waar afgeweken wordt van het omgevingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvang van het COA. De opvang zal enkel plaatsvinden in bestaande bebouwing en er worden geen nieuwe bouwwerken op het terrein geplaatst of andere aanpassingen op het terrein voorzien.
Afbeelding 1.2 Begrenzing projectlocatie
6 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
1.3
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van gemeenten van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) naar de Omgevingswet (Ow). Onder de Omgevingswet spreken we niet meer van bestemmingen, maar van functies en activiteiten.
1.3.1
Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Etten-Leur
De beoogde tijdelijke opvanglocatie ligt binnen het Omgevingsplan van de gemeente Etten-Leur. In het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is het bestemmingsplan ‘Herziening 1 Bedrijventerrein Vosdonk’ (d.d. 2 februari 2015) opgenomen waar aan getoetst dient te worden. Het gehele ruimtebeslag van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie valt binnen dit bestemmingsplan. Op de projectlocatie gelden de volgende (voormalige) bestemmingen en functieaanduidingen: - enkelbestemming ‘Bedrijventerrein - 2’ (artikel 6 planregels); - dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 4’ (artikel 22 planregels); - functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’ - maatvoering ‘Maximum bouwhoogte: 15 m’; - gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone - 3’ (artikel 26.4 planregels). Afbeelding 1.3 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende tijdelijke Omgevingsplan weer. De projectlocatie is rood gearceerd.
Afbeelding 1.3 Uitsnede bestemmingsplan ‘Herziening 1 Bedrijventerrein Vosdonk’ d.d. 2 februari 2015 (rode arcering geeft de projectlocatie weer)
7 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Het gebruik van de locatie als tijdelijke opvang is strijdig met de geldende enkelbestemming ‘Bedrijventerrein - 2’. Het bestemmingsplan biedt geen binnenplanse wijzigings- of afwijkingsmogelijkheden om de opvang planologisch mogelijk te maken. Om het gebruik van de locatie als tijdelijke opvanglocatie planologisch mogelijk te maken is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit benodigd.
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA). Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het bevoegd gezag mag de vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 1, Bkl). De initiatiefnemer moet aantoonbaar maken c.q. onderbouwen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale en waterschapsverordening en dat er sprake is van een aanvaarbaard woon- en leefklimaat. Voor een BOPAaanvraag geldt in principe de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is bezwaar en beroep mogelijk. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 24 januari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Etten-Leur categorieën van gevallen aangewezen waarvoor bindend advies nodig is van de raad alvorens een vergunning kan worden verleend. Bindend advies is onder andere benodigd voor meer dan drie woningen binnen de bebouwde kom en een maatschappelijke voorziening binnen de bebouwde kom wanneer de oppervlakte groter is dan 1.500 m2.
Alvorens de omgevingsvergunning kan worden verleend, geeft de gemeenteraad bindend advies.
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt een nadere beschrijving van de projectlocatie gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie, waterschap en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de tijdelijke opvanglocatie. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces toegelicht en in hoofdstuk 6 volgen de financiële uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud en handhaving.
8 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
2 BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie.
2.1
Huidige situatie
De locatie waar de tijdelijke opvanglocatie is voorzien, ligt aan de Mon Plaisir 40 te Etten-Leur. Het betreft een bestaand pand op bedrijventerrein Vosdonk wat voorheen gebruikt werd als kantoorpand. Op het terrein zijn geen andere functies aanwezig. Aan de voorkant, ten westen en ten oosten van het kantoorpand zijn in totaal circa 70 parkeerplekken aanwezig. De westelijk gelegen parkeerplaatsen zijn afgesloten middels een toegangspoort met aan weerszijden hekwerk. Op afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de projectlocatie weergegeven.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto projectlocatie
In tabel 2.1 en afbeelding 2.2. is de kadastrale situatie van de projectlocatie weergegeven. Het rode kader geeft de begrenzing van het perceel weer.
9 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Tabel 2.1 Overzicht kadastrale percelen Kadastrale gemeente
Gemeentecode
Sectie
Nummer
Perceeloppervlakte (m2)
Perceelomtrek (m)
Etten-Leur
ETN01
H
3935
2700
208
Etten-Leur
ETN01
H
3936
1238
165
Etten-Leur
ETN01
H
3957
1943
190
Etten-Leur
ETN01
H
4003
2830
217
Afbeelding 2.2 Overzicht kadastrale situatie
2.2
Toekomstige situatie
De bestaande kantoorruimte op het terrein zal gebruikt worden voor de tijdelijke opvang van 250 personen voor een periode van 3 jaar met de optie voor een verlening met 2 jaar. In totaal worden er 78 kamers gerealiseerd en is er op elke verdieping een maatschappelijke ruimte zoals een recreatieruimte, wasruimte, keuken en sanitaire voorzieningen. Naast de bewoners zijn ook medewerkers van het COA en beveiliging aanwezig op de locatie. Er worden geen aanpassingen aan het terrein gedaan, deze blijft zoals het in de huidige situatie is. De bestaande fietsenstalling zal gebruikt worden als fietsenstalling. Bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor het aanschaffen van fietsen. Het bijgebouw op het terrein heeft nog geen directe bestemming. Wellicht wordt deze in de toekomst ingezet als recreatieruimte of creatieve ruimte. Wijzigingen zullen alleen inpandig plaatsvinden om de kantoorruimte geschikt te maken als opvanglocatie.
10 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor de voorgenomen te ontwikkelen tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, waterschap Brabantse Delta en de gemeente Etten-Leur beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het project en het beleid. Daarnaast wordt getoetst of het project in overeenstemming is met het geldende beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Omgevingswet
De Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving en het beheer van de leefomgeving (Omgevingsrecht) beoogt: van 26 wetten naar één wet, van 60 AMVB’s naar 4 AMVB’s en van 4 ministeriële regelingen naar één ministeriële regeling. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelen de verhouding tussen nieuwe en oude regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene Rijksregels, de omgevingsvergunning en het projectbesluit. Het is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten. Artikel 22.6 lid 1 van Omgevingswet heeft betrekking op de ruimtelijke plannen die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit artikel bepaalt dat de ruimtelijke regels die onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, alleen ‘alle tegelijk’ kunnen vervallen.
Uit dit artikel volgt dus dat het niet mogelijk is om regels uit de voormalige ruimtelijke plannen aan te passen. Ook is het niet mogelijk om per locatie alleen een deel van de daar op grond van het ruimtelijk plan geldende regels van het tijdelijke deel te laten vervallen. Bij een vaststellingsbesluit kunnen alleen alle voor een locatie geldende regels van het tijdelijke deel vervallen. Bij een wijziging van regels in het tijdelijke deel, zullen dus alle regels voor de betrokken locatie (ook de regels die op zichzelf niet gewijzigd hoeven te worden) opnieuw vastgesteld moeten worden en met inachtneming van de regels van de Omgevingswet in het nieuwe deel van het omgevingsplan vastgelegd moeten worden. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is een eenvoudiger alternatief om projecten planologisch mogelijk te maken zonder het omgevingsplan te wijzigen. Relatie met voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Gezien de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit na 1 januari 2024 wordt ingediend is de wet- en regelgeving conform de Omgevingswet van kracht. De vergunning kan enkel verleend worden als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend rapport dient als onderbouwing hiervan.
11 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
3.1.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften is een belang uit de NOVI. Voorzien in de huisvesting van asielzoekers is onderdeel van dit belang. Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor de huisvesting van asielzoekers. Relatie met voorgenomen tijdelijke opvanglocatie In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt om een groei van de woningvoorraad. Voorzien in opvanglocaties van het COA is onderdeel van de opgave. In de NOVI wordt het Rijk aangewezen als resultaatverantwoordelijke voor de huisvestingslocaties van het COA. Gezien het voorafgaande draagt het voornemen bij aan het in de NOVI vervatte rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
In december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsvisie Noord-Brabant is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. In de omgevingsvisie wordt 1 basisopgave benoemd: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Naast de basisopgave worden er 4 hoofdopgaven beschreven in de omgevingsvisie: 1 werken aan de Brabantse energietransitie; 2 werken aan een klimaatproof Brabant; 3 werken aan een slimme netwerkstad; 4 werken aan een concurrerende, duurzame economie. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie betreft een zodanig specifieke ontwikkeling dat hier in de Omgevingsvisie Noord-Brabant geen beleidslijnen voor zijn vastgelegd. Gezien het abstractieniveau waarop deze ambities geformuleerd zijn, worden er geen belemmeringen gezien in relatie tot de voorgenomen tijdelijke functiewijziging.
12 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant
De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant zijn verankerd in de omgevingsverordening Noord-Brabant. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 geldt er een nieuwe omgevingsverordening die past binnen de regels van de Omgevingswet. De verordening staat in voor onderwerpen waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid. Op basis van de omgevingsverordening is de gebiedsaanwijzing ‘stedelijk gebied’ van toepassing op de projectlocatie en heeft verder geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling. Artikel 5.5.omgevingsverordening Noord-Brabant Naast het bovenstaande dient op verzoek van de provincie getoetst te worden aan artikel 5.55 lid 1, 2 en 3 van de omgevingsverordening: Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen , wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en, b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Toetsing aan artikel 5.55 lid 1 Afdeling 7.2 is niet van toepassing aangezien het pand slechts tijdelijk gebruikt gaat worden als opvanglocatie. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het in gebruik nemen van bestaand pand waardoor zoveel als mogelijk van de reeds aanwezige materialen gebruik gemaakt wordt. De voorgenomen tijdelijke functie heeft daarnaast geen impact op de toekomstige gebruiksmogelijkheden op de locatie zelf en staat tevens geen toekomstige ontwikkelingen in de weg. De gemeente heeft daarnaast alternatieve locaties onderzocht en daaruit kwam naar voren dat onderhavige locatie het meest duurzaam ontwikkeld kon worden tot tijdelijke opvanglocatie. Verder wordt expliciet gewezen op de tijdelijkheid van het voornemen. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als: a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met een veilige en gezonde leefomgeving ; b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en f.
wordt bijgedragen aan een duurzame, concurrerende economie. Toetsing aan artikel 5.55 lid 2 Onderhavig rapport voorziet in de onderbouwing van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierin wordt voor de verschillende milieu- en omgevingsaspecten bekeken in hoeverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden (hoofdstuk 4). Zorgvuldig ruimtegebruik wordt gewaarborgd door gebruik te maken van bestaande bebouwing en enkel inpandig werkzaamheden te verrichten. Gezien de tijdelijkheid van het voornemen is het niet rendabel om ter plaatse energie op te wekken, wordt er gebruik gemaakt van de bestaande energie-infrastructuur en zijn er geen relevante effecten op de huidige waterhuishouding (geen aanpassingen aan het terrein of de buitenkant van het bestaande pand). De verkeersaantrekkende werking zal beperkter zijn ten opzichte van de huidige functie en de bewoners hebben geen beschikking over een auto. De verkeersbewegingen zullen daarmee afnemen.
13 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
De voorgenomen functie staat de ontwikkeling van de aanwezige duurzame, concurrerende economie niet in de weg gezien de tijdelijkheid. Na het aflopen van de termijn kan de locatie weer gebruikt worden conform het vigerende omgevingsplan van de gemeente Etten-Leur. Lid 2 artikel 5.55 vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, stelt het omgevingsplan regels over: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; en b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, zoals: 1 bedrijfswoningen; 2 bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden, tenzij die bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; 3 voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden. Toetsing aan artikel 5.55 lid 3 Lid 3 is niet van toepassing op onderhavige tijdelijke ontwikkeling. Om de tijdelijke functie mogelijk te maken wordt een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd. Het maken van een omgevingsplan is niet van toepassing en de gemeente Etten-Leur heeft voor haar grondgebied nog geen (definitief) omgevingsplan vastgesteld.
De voorgenomen tijdelijke functie beperkt omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering (zie paragraaf 4.12). Lid 3 artikel 5.55 vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Relatie met voorgenomen tijdelijke opvanglocatie De projectlocatie behoort volgens de omgevingsverordening niet tot een gebied met een bijzondere bescherming zoals grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied of andere aanduiding. Daarnaast is getoetst aan artikel 5.55 van de omgevingsverordening. Hieruit komen geen belemmeringen naar voren. De omgevingsverordening Noord-Brabant heeft geen consequenties voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.
3.3
Waterbeleid
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet zorg worden gedragen voor de waterbelangen. Door middel van een watertoets wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst wat de gevolgen zijn op het waterhuishouden. Onder de Omgevingswet blijft dit proces bestaan, maar dan onder de noemer ‘weging van het waterbelang’. Per waterbeheerder kan het verschillen welke elementen van belang zijn om te toetsen. De beoogde tijdelijke opvanglocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Brabantse Delta.
3.3.1
Waterschapsverordening Waterschap Brabantse Delta
De waterschapsverordening is de opvolger van de Keur. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle regels van het waterschap die het binnen haar beheersgebied stelt over de fysieke leefomgeving opgenomen in de waterschapsverordening. In de verordening wordt verder uitgeweid over de regels, voorschriften en verantwoordelijkheden per activiteit. Het waterschap Brabantse Delta onderscheidt de verordening in de onderstaande onderwerpen: - activiteiten bij oppervlaktewateren (hoofdstuk 2 waterschapsverordening); - activiteiten bij waterkeringen (hoofdstuk 3 waterschapsverordening); - activiteiten in bergingsgebieden (hoofdstuk 4 waterschapsverordening); - activiteiten met grondwater en activiteiten project sloten, oevers en dijken op orde (hoofdstuk 5 waterschapsverordening).
14 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Er zijn geen directe belemmeringen vanuit de waterschapsverordening voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. Het project voorziet niet in een verandering van het watersysteem, lozings- en/of wateronttrekkingsactiviteiten waar conform de verordening een vergunning-, zorg-, of meldplicht voor geldt. Het project voegt geen verharding toe en er vinden geen activiteiten plaats in assets van het waterschap. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is niet in strijd met de waterschapverordening van het waterschap.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Etten-Leur
De gemeenteraad van Etten-Leur heeft op 11 juli 2022 de omgevingsvisie Etten-Leur vastgesteld. Deze visie schetst de kaders voor de fysieke leefomgeving van Etten-Leur. De visie vormt hiermee de basis voor de invulling van andere instrumenten van de Omgevingswet zoals programma's, het omgevingsplan en omgevingsvergunningen. Etten-Leur wil zich duurzaam ontwikkelen. Zij streeft naar een balans tussen: - het lichamelijke en geestelijke welzijn van inwoners (de mensen); - de veerkracht en kwaliteit van de natuur en het landschap (leefomgeving); - een gezonde en vitale economische ontwikkeling (economie). In de omgevingsvisie worden deze pijlers vertaald naar een gebiedsgerichte benadering waarin per gebied de koers wordt aangegeven op basis van de trends en opgaven die hier spelen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende gebieden: - de woongebieden; - het buitengebied; - het centrumgebied; - de werkgebieden. De projectlocatie is gelegen op bedrijventerrein Vosdonk wat valt in de omgevingsvisie onder de aanduiding werkgebied. In de omgevingsvisie zet Etten-Leur in op het toekomstbestendig maken van de bestaande werkgebieden door middel van een flexibel omgevingsbeleid. De bestaande werkgebieden wil de gemeente in haar eindbeeld als voorziening benutten en beschikbaar houden voor economische doeleinden.
Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Het initiatief betreft een tijdelijke verandering van de kantoorfunctie voor de opvang van personen. Na afloop van het gebruik als opvanglocatie komt de voorziening weer beschikbaar als kantoorfunctie/bedrijfsbestemming. De locatie wordt dan functioneel weer onderdeel van het werkgebied zoals bedrijventerrein Vosdonk in de omgevingsvisie is aangeduid. De tijdelijke opvanglocatie staat het eindbeeld als werkgebied, zoals de gemeente dat met de omgevingsvisie voor ogen heeft, daarmee niet in de weg.
15 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
4 MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een omgevingsvergunning voor een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het Bevoegd Gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van het project aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - m.e.r.-beoordeling; - ladder voor duurzame verstedelijking; - duurzaamheid en gezondheid; - verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren; - weging van het waterbelang; - natuur; - luchtkwaliteit; - geluid; - geur; - bodem; - omgevingsveiligheid; - activiteiten en milieuzonering; - archeologie en cultuurhistorie; - sociale veiligheid.
4.1
Milieueffectrapportage
Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is toetsen aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan. Een opvanglocatie staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Echter is uit jurisprudentie gebleken dat in specifieke gevallen een opvanglocatie mogelijkerwijs gezien kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject1. Dit is voornamelijk afhankelijk van de duur van de opvang, de omvang van het aantal opvangplaatsen en de aard van de locatie.
1
Zie bijvoorbeeld: Rb. Overijsel 14 januari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:90, r.o. 2.10.
16 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Voor de tijdelijke opvanglocatie aan de Mon Plaisir 40 te Etten-Leur is het COA voornemens om in totaal 250 bewoners voor een periode van 3 jaar met de optie voor een verlening met 2 jaar op te vangen. Voor de realisatie van de opvang wordt enkel een leegstaand kantoorpand in gebruik genomen en er vinden enkel inpandige werkzaamheden plaats. Daarnaast vinden er geen grondroerende werkzaamheden plaats op de projectlocatie. Gezien de beperkte ingreep en tijdelijke aard van het voornemen is het verdedigbaar om het project niet aan te duiden als stedelijk ontwikkelingsproject. Daarmee geldt er geen m.e.r.(beoordelings)plicht. Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is niet m.e.r-beoordelingsplichtig.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Resultaten De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie betreft geen ontwikkeling of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling zoals genoemd in artikel 5.129g van het bkl. Er wordt enkel gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing van het leegstaande kantoorpand. Bovendien is de ontwikkeling van een beperkte duur (3 jaar). Hierdoor kan worden gesteld dat de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft.
Een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde. Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.
4.3
Duurzaamheid en gezondheid
Toetsingskader Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid, bij een BOPA-aanvraag, is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Er is geen algemeen toetsingskader. Per gemeente moet vastgesteld worden, ten eerste, of getoetst dient te worden en ten tweede, hoe getoetst dient te worden. Resultaten In het huidige omgevingsplan van gemeente Etten-Leur (d.d. 29 januari 2024) zijn nog geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema duurzaamheid en gezondheid. Desondanks zijn in dit rapport alle relevante milieuaspecten bekeken die een impact kunnen hebben op het aspect duurzaamheid en gezondheid. De resultaten hiervan zijn in onderhavig hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieuaspecten geen belemmering naar voren komt. Voor het thema gezondheid zijn geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling en komt het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving niet in het geding.
17 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Conclusie Voor zowel de thema’s duurzaamheid als gezondheid zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde tijdelijke ontwikkeling. De voorgenomen draagt bij aan het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving.
4.4
Verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren
In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling op de verkeersgeneratie, afwikkeling en het parkeren besproken. Eerst komt aan bod wat het effect van de tijdelijke ontwikkeling is op de verkeersgeneratie en afwikkeling van de beoogde opvanglocatie. Daarna worden de parkeerbehoefte en -capaciteit behandeld. Resultaten Verkeersgeneratie Gemotoriseerd verkeer als gevolg van de tijdelijke opvanglocatie is in hoofdzaak afkomstig van medewerkers van COA en ondersteunende diensten en leveranciers. Verder verplaatsen de bewoners zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of door middel van het openbaar vervoer. In tabel 4.1 is het aantal geraamde vervoersbewegingen als gevolg van het gebruik van de tijdelijke opvanglocatie weergegeven. Deze vervoersbewegingen zijn gebaseerd op gegevens van soortgelijke opvanglocaties en afgestemd met het COA. Deze inschatting is gedaan met behulp van een rekentool van Witteveen+Bos die is gebaseerd op feitelijke tellingen van de verkeersgeneratie van opvanglocaties van COA. Met deze rekentool wordt de verwachte verkeersgeneratie voor nieuwe opvanglocaties of voor uitbreiding van bestaande opvanglocaties ingeschat middels een vergelijking van de opvangcapaciteit van locaties.
Deze rekentool wordt geregeld herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan door het COA, zodat de inschatting van de verwachte verkeersgeneratie altijd actueel is. Uit deze herijking blijkt dat de inschattingen met de rekentool realistisch en vaak conservatief zijn, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een onderschatting van de verwachte verkeersgeneratie.
Tabel 4.1 Verwachte vervoersbewegingen beoogde situatie (gebaseerd op de opvang van circa 250 personen) Categorie
Aantal motorvoertuigen
Aantal verkeersbewegingen (afgerond)
licht
6.918
13.836
middelzwaar
3.287
6.574
318
636
totaal per jaar
10.523
21.046
totaal per dag
29
58
zwaar
Ter verdere onderbouwing van bovenstaande cijfers is op verzoek van de gemeente bekeken in hoeverre de verkeerstool van Witteveen+Bos zich verhoudt tot de kencijfers van het CROW waarbij op verzoek van de gemeente een vergelijking wordt gemaakt met de kengetallen behorende bij ‘niet-zelfstandige kamerverhuur’. Bij deze normen geldt een generatie van 0,8-1,2 verkeersbewegingen per kamer. Gemiddeld genomen komt hier een verkeersgeneratie van 78 bewegingen per etmaal uit. Deze berekening komt iets hoger uit dan de verkeerstool van Witteveen+Bos, maar is nog altijd passend ten opzichte van de verkeersgeneratie van de oorspronkelijke functie. Daarbij is verklaarbaar dat de berekening met kentallen vanuit CROW hoger uitkomt, daar in geval van onzelfstandige kamerverhuur er ook onder bewoners over het algemeen sprake is van autobezit en van bezoekers met auto’s. Dat is in het geval van een tijdelijke opvanglocatie niet of nihil.
18 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
De tijdelijke ontwikkeling op de projectlocatie zorgt voor een beperkte verkeersgeneratie. Bovendien is deze naar verwachting geringer dan de oorspronkelijke functie van de projectlocatie als kantoorpand. De capaciteit van de omliggende wegen is zodanig dat deze verkeersgeneratie naar verwachting zonder problemen kan worden afgewikkeld. Afwikkeling van het terrein De afwikkeling oftewel de ontsluiting van het terrein vindt plaats via de Mon Plaisir en de Dukaatstraat via de N640 en vervolgens via de A58. Daarmee gaat het verkeer vanuit de tijdelijke opvang bijna direct op in het heersende verkeersbeeld. Op 10 minuten lopen vanaf de tijdelijke opvang zijn bushaltes gesitueerd waar de toekomstige bewoners gebruik van kunnen maken. De bewoners van de opvang zijn zelf verantwoordelijk voor het doen van boodschappen en krijgen hier wekelijks geld voor om dit te kunnen doen. Het COA is in samenwerking met de BOA’s in kaart aan het brengen wat de looproutes en mogelijke hotspots kunnen zijn. Om dit in goede banen te leiden, zorgt het COA ervoor dat bij binnenkomst van de bewoners een goede (verkeers-) voorlichting geeft over de routes en risico’s. Parkeren De parkeerbehoefte van de tijdelijke opvang bestaat vooral uit het parkeren door personeel. Daarnaast kunnen er leveranciers en ondersteunende diensten van de opvanglocatie zijn.
Bewoners zullen hoofdzakelijk te voet gaan, het openbaar vervoer en de fiets gebruiken. Dit zullen naar verwachting per dag maximaal 29 auto’s zijn zoals uit de verwachte verkeersgeneratie in tabel 4.1 blijkt. Deze auto’s zullen daarnaast niet allemaal tegelijk aanwezig zijn. Op het terrein zelf zijn circa 70 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is ruim voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte van de tijdelijk opvang. Om de bovenstaande onderbouwing nader te onderbouwen is op verzoek van de gemeente bekeken in hoeverre de bovenstaande onderbouwing zich verhoudt tot de CROW-normen. Wanneer hiervoor eveneens aangesloten wordt op de normen van ‘niet-zelfstandige kamerverhuur’ (generatie 0,1-0,2 parkeerplaatsen per kamer), ligt er een parkeerbehoefte van 15,6 parkeerplaatsen (0,2*78 kamers). De 70 parkeerplaatsen zijn daarmee ruim voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte van de tijdelijke opvang. Conclusie Gezien de beperkte verkeersaantrekkende werking van de tijdelijke opvanglocatie, de geschiktheid van de bestaande infrastructuur voor ontsluiting van het terrein en de beschikbaarheid van circa 70 parkeerplaatsen kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke opvang.
4.5
Weging van het waterbelang
Toetsingskader Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen water en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Resultaten Er vinden geen uitpandige wijzigingen plaats aan de huidige bebouwing en er wordt geen verhard oppervlak aan de locatie toegevoegd. Daarnaast worden er geen wijzigingen aangebracht aan aanwezige watergangen en worden geen nieuwe watergangen gegraven. De opvang is bovendien tijdelijk van aard. Er is daarom met de voorgenomen tijdelijke opvang geen sprake van wijzigingen die impact hebben op de waterhuishouding.
19 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen effect op de waterhuishouding aangezien het enkel een tijdelijke ontwikkeling betreft met gebruikmaking van de huidige bebouwing voor de huisvesting van bewoners. Daarnaast wordt er geen verhard oppervlak aan de locatie toegevoegd. Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvang.
4.6
Natuur
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De Omgevingswet regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de omgevingswet onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond.
Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Omgevingswet de bescherming van Natura 2000gebieden regelt. Natura 2000-activiteit Activiteiten die invloed hebben op Natura 2000-gebieden worden onder de Omgevingswet Natura 2000-activiteiten genoemd.
Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’
20 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplichtig op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow). Activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) nog andere gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit. Passende Beoordeling In paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het toetsingskader voor een Natura 2000-activiteit opgenomen. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen. Echter, wordt een passende beoordeling enkel opgesteld wanneer significante effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Stikstofdepositie Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20191 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied2. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn.
In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten3; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft4.
1
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
2
Artikel 5.1 Omgevingswet.
3
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.
4
Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.
21 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het Bevoegd Gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De bescherming van het NNN is geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen. Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Resultaten Soortenbescherming De voorgenomen tijdelijke opvang behelst het in gebruik nemen van een bestaand kantoorpand. Er worden geen uitpandige aanpassingen aan het gebouw of aanpassingen aan het buitenterrein verricht. Mogelijk aanwezige soorten worden met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet verstoord, gedood of verwond. Bij de werkzaamheden en het gebruik van het plan geldt de wettelijke zorgplicht en moeten verstoringen worden voorkomen. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Ulvenhoutse Bos, ligt op ongeveer 12,5 km van de projectlocatie. Gezien de afstand tot de projectlocatie en de aard van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is er geen sprake van areaalverlies of beschadiging of aantasting van dit Natura 2000-gebied.
Stikstofdepositie Voor onderhavige ontwikkeling heeft Witteveen+Bos een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, zie bijlage I. Op basis van het onderzoek blijft dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de opvang niet leidt tot depositietoename op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarmee zijn significant negatieve effecten door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase uit te sluiten. Voor de beoogde aanleg en gebruik van de opvang geldt derhalve geen vergunningsplicht voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 1.4 km ten zuiden van de projectlocatie. Gezien de afstand tot de projectlocatie en de aard van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is er geen sprake van aantasting van dit NNN gebied.
22 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Houtopstanden De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling maakt gebruik van bestaande bebouwing en er vinden geen aanpassingen plaats aan het buitenterrein. Hierdoor worden geen bomen of houtopstanden gekapt. Conclusie De voorgenomen tijdelijke opvang betreft het in gebruik nemen van een bestaand kantoorpand. Er worden geen bomen gekapt waarmee de gevolgen op soortenbescherming en houtopstanden op voorhand worden uitgesloten. Het voornemen heeft geen effect op Natura 2000-gebied. Ook heeft het voornemen geen invloed op gebieden die zijn aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van het thema natuur zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl.
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de lichtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 µg/m2. Resultaten De verkeersgeneratie die de opvang heeft is beduidend lager dan de verkeersaantrekkende werking van de voormalige kantoorfunctie. De bewoners van de tijdelijke opvang zullen zich hoofdzakelijk te voet, met de fiets of het openbaar vervoer verplaatsen. Aan de hand van de te verwachten vervoersbewegingen is de NIBM-tool ingevuld (zie afbeelding 4.1). Hieruit komt naar voren dat de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
23 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Afbeelding 4.1 Uitkomsten NIBM-tool (geraadpleegd op 3 mei 2024)
In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de huidige achtergrondconcentraties in en rondom de projectlocatie, zie afbeelding 4.2 en 4.3. De achtergrondconcentraties voor NO2 liggen tussen de 16 en 25 microgram per m3. De achtergrondconcentraties voor PM10 liggen tussen de 16 en 18 microgram per m3. Voor NO2 en PM10 is 40 microgram/m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. De achtergrondconcentraties op de projectlocatie blijven ruimschoots beneden de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Afbeelding 4.2 Luchtkwaliteit NO2 (opgehaald van atlasleefomgeving d.d. 3 mei 2024)
24 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
Afbeelding 4.3 Luchtkwaliteit PM10 (opgehaald van atlasleefomgeving d.d. 3 mei 2024)
Conclusie Gezien er geen sprake is van een toename van de verkeersaantrekkende werking van de opvang ten opzichte van de voormalige kantoorfunctie draagt de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens liggen de huidige achtergrondconcentraties voor NO2 en PM10 ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3 waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt er expliciet gewezen op de tijdelijkheid van het beoogde voornemen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvang.
4.8
Geluid
Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en functies die een zekere mate van rust nodig hebben anderzijds. Ruimtelijke plannen en projecten moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en onderliggende besluiten en regelingen. Toetsingskader Voor een het afwijken van het omgevingsplan dient het aspect geluid te worden beoordeeld. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet (Ow). In artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen dat gebouwen met een woonfunctie worden gedefinieerd als geluidgevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Ook vallen hieronder woonwagens en woonschepen. Een schip waar mensen verblijven maar dat ook in gebruik is voor de vaart, is geen woonschip.
25 | 36
Witteveen+Bos | 141667/24-009.111 | Definitief 02
De aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfuncties van een ander Omgevingswetinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn gebouwen die worden ingezet voor het opvangen van personen geen gebouwen met een woonfunctie, maar met een logiesfunctie. De wet wijst gebouwen met deze functies niet aan als geluidgevoelig gebouw. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Andere gebouwen en locaties reguleert het Bkl niet. Het Rijk laat de bescherming van overige gebouwen en locaties over aan decentrale overheden. Dit is in lijn met het subsidiariteitsbeginsel (decentraal) en het proportionaliteitsbeginsel (artikel 2.3 Omgevingswet). Een wettelijke taak van de gemeente hierin is het 'evenwichtig toedelen van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet). De gemeente neemt bij deze taak het geluid door activiteiten op de niet van Rijkswege beschermde gebouwen en locaties mee. Voor elk gebouw of locatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen kunnen verblijven, is geluid in principe een onderdeel van de afweging. Vaak zal de geluidkwaliteit door de beleidsmatige ordening van functies/activiteiten in de fysieke leefomgeving acceptabel zijn. Of is de noodzakelijke mate van bescherming tegen geluid van functies gering.
Het betreft hier geen geluidgevoelige functie en de locatie is daarmee niet beschermt tegen geluid. Dit betekent dat er geen toetsing hoeft plaats te vinden aan de standaardwaarde en grenswaarde uit de Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Wel wordt er aan de hand van deze waarden het woon- en leefklimaat inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Hierbij dient gezegd te worden dat aanwezige bedrijven in de omgeving niet worden beperkt in hun geluidruimte. Resultaten Opvang van asielzoekers is in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) expliciet aangemerkt als een gebouw zonder woonfunctie, en is daarmee geen geluidgevoelig gebouw. Wel moet worden voldaan aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is aan het Bevoegd Gezag om te beoordelen of dit gewaarborgd wordt gedurende de tijdelijke opvanglocatie. Witteveen+Bos heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de beoogde locatie, zie bijlage II. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat het geluid op de gevels ten gevolge van de gemeentewegen ten hoogste 45 dB bedraagt. Dit is ruim lager dan de standaardwaarde uit het Bkl. Het geluid op de gevels ten gevolge van de provinciale weg bedraagt ten hoogste 58 dB. Dit is 8 dB hoger dan de standaardwaarde uit het Bkl, maar ligt lager dan de grenswaarde van 60 dB. Het gezamenlijke geluid van wegverkeer op gevels bedraagt ten hoogste 59 dB.