Zandkampweg 21 Ermelo TAM-plan e260010027
Tekst van het document
Globale ligging van het besluitgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius.
4.1.2
Ligging Natuurnetwerk Nederland Het besluitgebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 1 kilometer ten oosten van het besluitgebied.
13
Globale ligging van het besluitgebied ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk. Bron: provincie Gelderland.
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
4.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het besluitgebied zijn gebouwen aanwezig en ook is groen aanwezig. Het besluitgebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.
4.2.2
Vogelrichtlijnsoorten
4.2.2.1
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het besluitgebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het besluitgebied tot broeden komen.
4.2.2.2
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit
14
gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2022). Tijdens het veldbezoek zijn er huismussen waargenomen op het dak van het woonhuis (zie navolgende afbeelding), waarbij ook geschikte nestelmogelijkheden voor deze soort in de woning aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk.
Een huismus zittend op een dakpan van de woning.
Het kamphuis bevat een plat dak en er zijn geen geschikte kieren aangetroffen waar huismussen in kunnen kruipen en tot broeden kunnen komen. Nader onderzoek is niet nodig voor dit pand. De schuren bevatten wel een zadeldak met golvende dakpannen. Echter is er geen dakbeschot aanwezig waar mussen tussen kunnen kruipen, en zijn er derhalve geen geschikte nestelmogelijkheden in de gebouwen aanwezig. Nader onderzoek naar de schuren is dan ook niet nodig.
15
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017a). Alle bebouwing is tijdens het veldbezoek uitvoerig gecontroleerd op geschikte kieren en spleten voor de gierzwaluw. Op een aantal plekken zijn er geschikte kieren aangetroffen tussen het dakkapel en de dakpannen van het woonhuis. Op dit soort plekken kan een gierzwaluw invliegen en een nestplaats maken. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. In de overige bebouwing zijn geen geschikte kieren en/of spleten aangetroffen. Hier is nader onderzoek niet noodzakelijk. Sperwer, boomvalk en ransuil De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen. De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen.
Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen. De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (SOVON, 2002). De boomvalk is een schaarse broedvogel die leeft in open landschappen, meestal met water in de buurt. De boomvalk broedde oorspronkelijk veel in heiden, bossen en bosranden op zandgrond. Tegenwoordig broedt zij echter meer in open agrarische landschappen en aan de rand van steden. Ook in gebieden die rijk zijn aan menselijke verstoring zoals sport-, bedrijfsterreinen of langs snelwegen wordt door de boomvalk gebroed. Dit heeft deels te maken met een toenemende predatiedruk van havik in het oorspronkelijke broedgebied. De boomvalk gebruikt voornamelijk nesten van kraaien maar ook duiven of andere roofvogels om in te broeden en gedraagt zich in broedtijd onopvallend. Nesten kunnen in boomgroepen, vrijstaande bomen maar ook op hoogspanningsmasten zijn gelegen. De broedperiode is in mei-juni (SOVON 2002, www.vogelbescherming.nl).
Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste
16
dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen. De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (SOVON 2002, www.sovon.nl, www.vogelbescherming.nl). In het besluitgebied is een verdacht nest aangetroffen in een naaldboom (zie navolgende afbeelding). Gezien de locatie van het nest, het boomtype en het aanwezige habitat is het mogelijk dat het nest toebehoort aan een sperwer, boomvalk of ransuil. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk.
Het aangetroffen nest (rood omcirkeld) in het besluitgebied.
Wespendief, zwarte wouw, havik, buizerd en roek De wespendief nestelt in de kruin van hoge loof- en naaldbomen. Deze wordt echter snel over het hoofd gezien omdat ouders met jongen tot meer dan vijf kilometer van het nest foerageren en de balts boven dit gehele territorium kan plaatsvinden. De soort bouwt jaarlijks een nest of knapt een oud nest op. Als voedsel worden vooral sociale wespen en hun larven en poppen gegeten, maar de wespendief eet ook ander dierlijk voedsel zoals kleine zoogdieren, reptielen of amfibieën. De wespendief start pas in de laatste decade van mei met de ei-leg. De jongen zijn vanaf half augustus vliegvlug en worden dan nog twee weken verzorgt (SOVON, 2002). De zwarte wouw is een is een soort die in veel verschillende soorten landschap voorkomt, van laagland, bos- en waterrijke gebieden zoals rivierdalen met ooibossen en moerasgebieden. De soort nestelt in halfopen landschappen, doorgaans in de buurt van visrijke wateren, maar vooral in moerasbos. In Nederland is het een uitermate zeldzame broedvogel en zijn maar enkele broedgevallen bekend. Verreweg de meeste zwarte wouwen vertonen zich tijdens de voorjaarstrek, vooral in april en mei. Volwassen vogels trekken gemiddeld enkele weken eerder door dan onvolwassen
17
vogels en blijven veel minder vaak enige tijd hangen. De broedtijd is van april tot en met juni (SOVON 2020, www.vogelbescherming.nl). De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste gevallen gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verdedigd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (SOVON, 2002). De havik komt voornamelijk voor in naald- en loofbos en kan een territorium levenslang bezetten. Ook moerasbos en parken worden gebruikt. Door onderlinge concurrentie en voedselgebrek in bosgebieden worden ook steeds vaker dieren in groengebieden rond de stad aangetroffen. De havik maakt (meestal) zelf een nest hoog in de kroon van een boom welke vaak jarenlang achtereen wordt gebruikt. Soms wordt een nest van een andere roofvogel opgelapt. Meestal worden naaldbomen maar soms ook loofbomen gebruikt. De broedtijd loopt van eind maart tot begin juli (SOVON, 2002, www.vogelbescherming.nl).
Het habitat van de roek bestaat uit vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande clusters van bomen. Ook parklandschappen en parken aan de rand van vochtige landbouwgebieden worden gebruikt. De roek is een kolonievogel. De nesten bevinden zich in clusters van hogere bomen van 15-25 hoogte. Er worden verschillende boomsoorten gebruikt, waarbij de aanwezigheid van stevige takvorken op enkele meters hoogte leidend is bij de boomkeuze. De functionele leefomgeving rond een nestplaats van een roek moet bestaan uit een combinatie van voldoende volwassen bomen van minimaal 15 meter hoog. Een gevarieerd boomsoortenbestand en minimaal 1,5 hectare vochtig bemest gras- of bouwland binnen een straal van 1500 meter van de nestlocatie (BIJ12, 2017, SOVON, 2012). Habitats zoals hierboven beschreven staat is niet aanwezig in het besluitgebied. Voor de roek ontbreken vochtige landbouwgebieden in de omgeving. Verder bevindt het besluitgebied zich aan de rand van stedelijk gebied en wordt het gebouw gebruikt als kamplocatie voor scholen. Hierdoor is er regelmatig geluidsverstoring wat het voorkomen van de relatief schuwe soorten buizerd, wespendief en zwarte wouw verder verkleind. Daarnaast bevindt het nest zich niet hoog in een kroon van een boom maar op een tak op ongeveer vijf meter boven de grond. Hierdoor is het uitgesloten dat het nest behoort aan een havik.
Aanwezigheid van de roek, zwarte wouw, wespendief en de havik kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Steenuil en kerkuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe
18
ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017). De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele leven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON, 2002). Uit NDFF-gegevens blijkt dat er meerdere waarnemingen zijn van de steenuil in en rondom het besluitgebied. De meeste waarnemingen zijn gedaan op het perceel direct ten westen van het besluitgebied. Daarnaast is er geschikt leefgebied aanwezig in en direct rondom het besluitgebied voor de steenuil. Voor de kerkuil geldt dat er op 05-07-2020 één kerkuil overvliegend is waargenomen boven het perceel ten westen van het besluitgebied. Daarnaast is er geschikt leefgebied aanwezig in en direct rondom het besluitgebied. Op basis van bovenstaande gegevens kan leefgebied en aanwezigheid van beide uilensoorten niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk.
Tijdens het veldbezoek zijn de aanwezige schuren, bomen en andere bebouwing gecontroleerd op aanwezigheid van een nestplaats van de steen- en/of kerkuil. Deze zijn niet aangetroffen. Nestplaatsen in het besluitgebied kunnen daarom al wel op voorhand worden uitgesloten. Andere vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het besluitgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het besluitgebied verwacht. 4.2.3
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl).
19
In de omgeving van het besluitgebied komen de kartuizer anjer en brave hendrik voor. De kartuizer anjer komt voor in graslanden op zandgrond. Dit habitat is aanwezig in het besluitgebied. Echter wordt het gras van de speelweide regelmatig gemaaid omdat er regelmatig kinderen spelen. Hierdoor is het voorkomen van de kartuizer anjer uitgesloten. Brave hendrik groeit op bewerkte, vochtige en zeer stikstofrijke grond zoals rondom boerderijen. Dit habitat is ook niet aanwezig in het besluitgebied. Aanwezigheid van deze soorten zijn dan ook uitgesloten. 4.2.4
Grondgebonden zoogdieren
4.2.4.1
Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het besluitgebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.
4.2.4.2
Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de boommarter, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter en wezel in de omgeving van het projectgebied voor. Ook de hermelijn kan in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Kleine marters (bunzing, wezel en hermelijn) De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017).
De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden
20
meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen oude holen, steenhopen, holle bomen of boomwortels aangetroffen in het besluitgebied die kleine marters kunnen gebruiken als verblijfplaats. De randen van het besluitgebied vormen semi geschikt habitat voor kleine marters vanwege de aanwezigheid van de bomen. Echter groeit er weinig bodemvegetatie onder en rond deze bomen. Hierdoor is er maar weinig geschikte dekking van groen voor kleine marters. Daarnaast blijven de bomen langs de oostelijke en westelijke rand behouden. Vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen en geschikt habitat, kan aanwezigheid van kleine marters op voorhand worden uitgesloten. Boommarter De boommarter heeft een voorkeur voor oud (loof-)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. De soort komt soms ook in meer open terreinen voor, mits er voldoende bosjes en lijnvormige elementen in de omgeving zijn, zoals heggen en houtwallen. De boommarter komt slechts incidenteel voor in de nabijheid van gebouwen. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen.
Nesten worden vaak in oude spechtenof eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (www.zoogdiervereniging.nl). In en direct rondom het besluitgebied zijn geen geschikte holtes of holen aangetroffen die de boommarter kan gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast wordt het clubgebouw regelmatig gebruikt door scholen en andere groepen als kampgebouw. Hierdoor vindt er regelmatig verstoring plaats in het besluitgebied. De boommarter is een relatief schuwe soort waardoor het voorkomen van de soort in het besluitgebied verder wordt verkleind. Het is dan ook uitgesloten dat het besluitgebied fungeert als essentieel leefgebied van de boommarter. Nader onderzoek is dan ook niet nodig. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Tijdens het veldbezoek is alle bebouwing uitvoerig gecontroleerd op geschikte ruimtes voor voortplantingsplaatsen, zoals gaten die leiden naar de spouwmuur of een eventuele kruipruimte.
Dit soort plekken zijn niet aangetroffen. Tevens zijn er geen grote houtstapels of stenenhopen in het besluitgebied aanwezig waar een steenmarter kan verblijven. Ook werden van deze soort tijdens het veldbezoek geen sporen, als prooiresten of uitwerpselen, waargenomen. Het is daarom uitgesloten dat in het besluitgebied essentiële elementen voor de steenmarter aanwezig zijn.
21
Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal vijf meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). De bomen in het besluitgebied zijn gecontroleerd op aanwezigheid van mogelijke nesten van de eekhoorn. Er is één verdacht nest aangetroffen namelijk hetzelfde nest dat genoemd wordt in 4.2.2.2. Om uit te sluiten of het nest toebehoort aan een eekhoorn dient nader onderzoek plaats te vinden. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Het besluitgebied vormt vanwege de aanwezigheid van reliëf, schuilmogelijkheden en groenstroken redelijk geschikt gebied voor de das.
Tijdens het veldbezoek is het besluitgebied echter uitvoerig geïnspecteerd op de aanwezigheid van sporen van de das, zoals wissels (loopsporen), prenten, mestputjes, wroetsporen, haren en burchten. Deze werden in het besluitgebied niet aangetroffen. Daarnaast wordt het clubgebouw ook regelmatig gebruikt als kampgebouw voor scholen en andere groepen. Dit is ook verstorend voor de das, waardoor de aanwezigheid van een burcht nog onwaarschijnlijker is. Het is al met al redelijkerwijs uit te sluiten dat zich in het besluitgebied vaste rust- en verblijfplaatsen van de das bevinden. Incidenteel zouden dassen met een burcht in de omgeving van het grasland en de randzones gebruik kunnen maken om te foerageren. Het betreft echter een relatief zeer klein oppervlak en in de omgeving is veel alternatief foerageergebied aanwezig in het stadspark. Het is daarom uitgesloten dat het besluitgebied deel uitmaakt van het essentieel leefgebied van de das. 4.2.5
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de franjestaart, baardvleermuis, bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis in de buurt van het besluitgebied voor. Daarnaast kan de watervleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten.
22
Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). 4.2.5.1
Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017b, Dietz et al. 2011). De bebouwing is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen. In het woonhuis en het kamphuis zijn open stootvoegen aangetroffen (zie navolgende afbeeldingen). Ook zijn er geschikte kieren aangetroffen tussen de daktrim en de gevel van het kamphuis. Het kamphuis en het woonhuis zijn daarmee geheel geschikt voor vleermuizen.
Open stootvoegen in de zuidelijke gevel van het kamphuis.
23
Open stootvoegen in een aanbouw aan de zuidzijde van het woonhuis.
4.2.5.2
Ook de kopse kanten van de grote schuur en de westelijke kopse kant van de kleine schuur is geschikt voor vleermuizen. Er bevinden zich namelijk kieren in de houten gevel waar een vleermuis tussen kan kruipen. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het besluitgebied staan verschillende bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het besluitgebied te verwachten. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel.
24
Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het besluitgebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort
4.2.5.3
Kraamverblijf
Zomerverblijf
Paarverblijf
Winterverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
x
Ruige dwergvleermuis
-
x
x
x
Laatvlieger
x
x
x
x
Meervleermuis
-
-
-
-
Gewone grootoorvleermuis
x
x
x
-
Watervleermuis
-
-
-
-
Baardvleermuis
-
-
-
-
Rosse vleermuis
-
-
-
-
Franjestaart
-
-
-
-
Bosvleermuis
-
-
-
-
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. In het besluitgebied is geschikt foerageergebied aanwezig. Namelijk rondom de bomen en heesters aan de noord, oost- en westkant van het besluitgebied. Foerageergebied direct naast een verblijfplaats van een vleermuis is belangrijk voor het functioneren van de verblijfplaats. Indien in de bebouwing verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn kan het aanwezige groen in het besluitgebied essentieel foerageergebied vormen.
4.2.5.4
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. De bomenrijen aan de west- en zuidkant van het besluitgebied vormen lijnvormige elementen, die ook buiten het besluitgebied doorlopen. Deze bomenrijen kunnen
25
functioneren als vliegroute voor vleermuizen met een verblijfplaats in of buiten het besluitgebied. Indien de bomenrijen verdwijnen, of substantieel verstoord worden (bijvoorbeeld toename van hoeveelheid kunstmatige verlichting) kan dit de verbinding tussen de verblijfplaats en geschikt foerageergebied verbreken. Met name voor de bomenrij langs de Konijnenwal, waar het besluitgebied dus aan grenst, lijkt niet direct een alternatieve route beschikbaar. Deze bomenrijen vormen daarom mogelijk een essentiële vliegroute. 4.2.6
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de hazelworm, ringslang en zandhagedis in de buurt van het besluitgebied voor. Hazelworm De hazelworm leeft in bossen, bosranden, houtwallen en heide maar ook in parken en tuinen in een bosrijke omgeving. De soort wordt het meest in de randzone van heideen bosterreinen aangetroffen. Het leefgebied bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Ze hebben daarbij een voorkeur voor habitats met voldoende gevarieerde structuur in de vegetatie en ook met holen en gaten in de grond. Door deze variatie kunnen de dieren hun temperatuur regelen zonder in alle openheid te hoeven zonnebaden. Ook in kleinschalig cultuurlandschap kan de soort worden aangetroffen. Hazelwormen leven deels ondergronds, onder blad of onder heidestruiken.
De overwintering gebeurt ondergronds, in droge holten, die gedeeltelijk zelf gegraven zijn (Creemers & van Delft, 2009). De hazelworm is niet bijzonder kritisch in zijn habitatkeuze, zolang er voldoende schuilmogelijkheid is en het gebied deel uitmaakt van een groter leefgebied. In het besluitgebied zijn verschillende schuilmogelijkheden aanwezig in de vorm van stenen en bladerhopen. Daarnaast ligt het besluitgebied op een afstand van ongeveer 900 meter van de Veluwe, waar de soort volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF regelmatig is waargenomen en zijn er groenstroken aanwezig die de Veluwe met het besluitgebied verbinden. Het is daarom niet op voorhand uit te sluiten dat in het besluitgebied leefgebied met vaste rust- en verblijfplaatsen van de hazelworm aanwezig zijn. Ringslang De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen.
26
Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft 2009). Waterrijk gebied zoals hierboven omschreven staat is in het besluitgebied niet aanwezig. De aanwezigheid van de ringslang in het besluitgebied is daarom uitgesloten. Zandhagedis De zandhagedis komt voor op droge en zandige plekken op (struik)heidevelden, duinen of bosranden. Ook op open plekken in het bos en langs weg- en spoorbermen is de soort te vinden. De aanwezigheid van struikhei en helm en voldoende zonnige plekken zijn hierbij de belangrijkste structuurbepalende landschapskarakteristieken. De optimale habitat is een mozaïek van dwergstruikvegetatie, hogere grassen en kale grond. In kalkrijke duinen betstaat het voorkeurshabitat uit met duinriet vergrast duindoornstruweel met lage grassen, korstmossen en zand. Zandhagedissen overwinteren in de grond in een verlaten zoogdier- of een zelf gegraven hol (Creemers & van Delft, 2009).
Habitat zoals hierboven omschreven wordt is niet aanwezig in het besluitgebied. In het besluitgebied zijn wel enkele schuilmogelijkheden aanwezig, maar is er weinig geschikt habitat voor de zandhagedis door het ontbreken van heidegebied. Er is wel zandgrond aanwezig in het besluitgebied. Echter wordt er regelmatig door kinderen op de speelweide en het zanderige terrein gespeeld waardoor het ongeschikt is voor de zandhagedis. De aanwezigheid van de zandhagedis in het besluitgebied is redelijkerwijs uitgesloten. 4.2.7
Amfibieën
4.2.7.1
Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het besluitgebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.
4.2.7.2
Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander en rugstreeppad in de buurt van het
27
besluitgebied voor. Echter is er geen poel aanwezig in of in de omgeving van het besluitgebied. Aanwezigheid van beschermde amfibiesoorten kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). Er is zanderig terrein aanwezig in het zuidwesten van het besluitgebied. Echter is er geen poel aanwezig in of direct rondom het besluitgebied. Echter kunnen er tijdens de werkzaamheden plassen ontstaan waardoor er toch geschikt leefgebied ontstaat voor de rugstreeppad.
Er wordt daarom geadviseerd om plassen zo snel mogelijk te dempen, om vestiging van deze amfibiesoort te voorkomen. 4.2.8
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het besluitgebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het besluitgebied is daarmee uitgesloten.
4.2.9
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).
28
In het betreffende besluitgebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Ook zijn er geen waardplanten van de teunisbloempijlstaart waargenomen. Echter was het groeiseizoen van de waardplanten voorbij ten tijde van het veldbezoek. Gezien het besluitgebied wel in het verspreidingsgebied ligt van de nachtvlinder, wordt er geadviseerd om tijdens een ander veldbezoek voor nader onderzoek het besluitgebied te onderzoeken op mogelijke waardplanten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn verder niet te verwachten in het besluitgebied.
4.3
Aanwezigheid houtopstanden In het besluitgebied is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn, zijn namelijk onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter.
29
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
5.1
Mogelijke effecten op beschermde gebieden
5.1.1
Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Veluwe en Veluwerandmeren op een afstand van 0,9 en 2,8 kilometer van het besluitgebied liggen. Met de ruimtelijke ontwikkeling die uiteindelijk gaat plaatsvinden is een toename in stikstofuitstoot in het besluitgebied op voorhand niet uit te sluiten. Mogelijk slaat deze extra stikstof neer op stikstofgevoelige gebieden in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Om te berekenen of hier daadwerkelijk sprake van is, dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Mocht blijken dat er sprake is van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebied door deze ontwikkeling, dan is vervolgens aanvullend onderzoek nodig. Onderzocht dient dan te worden of de toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significant negatieve gevolgen voor beschermde natuurwaarden binnen Natura 2000gebied. Andere verstoringen van de instandhoudingsdoelen zoals door geluid kunnen door de onderlinge afstand worden uitgesloten.
5.1.2
Provinciale bescherming Het besluitgebied ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO). De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het besluitgebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorngenomen ingrepen zullen geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van de plannen niet in de weg.
5.2
Mogelijke effecten op beschermde soorten
5.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.
30
Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.
5.2.2
Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het besluitgebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.
5.2.2.1
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het besluitgebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het besluitgebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
5.2.2.2
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast soorten waarvan het nest alleen in de broedtijd beschermd is, zijn mogelijk ook soorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. Dit betreft de soorten huismus, gierzwaluw, sperwer, boomvalk, steenuil, kerkuil en ransuil. Met de geplande werkzaamheden gaan mogelijke nesten en/of essentieel leefgebied waarschijnlijk verloren. Zo wordt het woonhuis gesloopt waardoor huismus- en gierzwaluwnesten verloren kunnen gaan en wordt de boom met het verdachte nest gekapt. Ook is de kans dan aanwezig op het verwonden of doden van vogels. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten
31
zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in het besluitgebied of de omgeving aanwezig. 5.2.3
Overige beschermde soorten
5.2.3.1
Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.
5.2.3.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het besluitgebied. Het betreft verblijfplaatsen en een essentiële vliegroute van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger), een potentieel nest van de eekhoorn en essentieel leefgebied van de hazelworm. Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. De eekhoorn en hazelworm vallen onder het beschermingsregime “andere soorten” waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden zoals sloop van de bebouwing en mogelijke kap van bomen, gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen van de eekhoorn en vleermuizen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.
Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De bomenrijen aan de west- en zuidkant van het besluitgebied vormen lijnvormige elementen, die ook buiten het besluitgebied doorlopen. Deze bomenrijen kunnen functioneren als vliegroute voor vleermuizen met een verblijfplaats in of buiten het besluitgebied. Met name voor de bomenrij langs de Konijnenwal, waar het besluitgebied dus aan grenst, lijkt niet direct een alternatieve route beschikbaar. Deze bomenrijen vormen daarom mogelijk een essentiële vliegroute. Met de huidige plannen wordt er een nieuw kamphuis gerealiseerd in de zuidoostelijke hoek van het besluitgebied. Gezien er momenteel geen kunstmatig licht schijnt op de mogelijk essentiële vliegroute langs de Konijnenwal, kan het nieuwe kamphuis in de gebruiksfase tot een significante lichtverstoring leiden voor vleermuizen. De toename van verlichting kan namelijk de verbinding tussen de verblijfplaats en geschikt
32
foerageergebied verbreken. Op dat moment is er sprake van overtreding van de Wet Natuurbescherming. Nader onderzoek naar de mogelijke essentiële vliegroute is derhalve noodzakelijk. De groenstroken aan de west- en oostzijde van het besluitgebied vormen mogelijk leefgebied voor de hazelworm. Op basis van de huidige plannen blijven deze groenstroken behouden. Indien dit het geval blijft dan is nader onder zoek niet noodzakelijk. Indien de plannen wel wijzigen en er moeten bomen worden gekapt aan de westelijkeof oostelijke rand van het besluitgebied, dan zal nader onderzoek wel noodzakelijk zijn. Wanneer de bomen worden gekapt dreigt namelijk mogelijk essentieel leefgebied van de hazelworm verloren te gaan. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Verder is het op het moment niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het besluitgebied voorkomt omdat de combinatie van zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreekt. Als het besluitgebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het besluitgebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Tenslotte kunnen er mogelijk waardplanten aanwezig zijn voor de teunisbloempijlstaart.
Er wordt daarom geadviseerd om tijdens een veldbezoek voor nader onderzoek, het besluitgebied te onderzoeken op aanwezigheid van waardplanten van de teunisbloempijlstaart. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het besluitgebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig. 5.2.4
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen.
5.2.4.1
Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het kennisdocument van de huismus (BIJ12 2022). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni, waarbij één veldbezoek in de periode 1 april tot en met 15 mei plaatsvindt. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, vanaf één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.
33
5.2.4.2
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017).
5.2.4.3
Boomvalk en sperwer Onderzoek naar aanwezigheid van broedende roofvogels kan worden uitgevoerd door het in de broedtijd controleren van het aanwezige (mogelijke) nest. De broedtijd varieert per soort maar is ongeveer van half april tot en met eind juni. Mocht er in de broedtijd een roofvogel in de buurt van het nest worden aangetroffen moeten herhaalde bezoeken uitsluiten of deze het nest ook gebruikt om tot broeden te komen.
5.2.4.4
Ransuil Voor het nader onderzoek naar de ransuil dienen ten minste drie avondbezoeken rond zonsondergang plaats te vinden in de periode 20 februari t/m 20 juli (SOVON.nl). Hierbij wordt gelet op aanwezige volwassen dieren en nestindicerend gedrag, zoals baltsroep of vliegbewegingen met nestmateriaal.
5.2.4.5
Steenuil Onderzoek naar de steenuil dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017). De aanwezigheid van de steenuil kan het gehele jaar worden aangetoond. De beste periode om een territorium van een steenuil vast te stellen is van 15 februari tot en met 15 april. In deze periode kunnen ’s avonds territoriumroepen van een steenuil worden afgespeeld. Ook dient overdag het besluitgebied op sporen van een steenuil onderzocht te worden. In totaal dienen minimaal drie veld-bezoeken verricht te worden om afwezigheid met voldoende zekerheid aan te kunnen tonen. De afwezigheid van broedende steenuilen is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 februari tot en met 30 april geen aanwezigheid kan worden aangetoond.
5.2.4.6
Kerkuil Het nader onderzoek naar het broedgebied van de kerkuil dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het kennisdocument van de kerkuil (BIJ12, 2017). Onderzoek naar de aanwezigheid van (nesten van) kerkuilen dient door middel van een combinatie van zowel veldonderzoek als navraag bij uilenwerkgroepen en omwonenden te gebeuren. Ook dient voornamelijk in februari en maart gelet te worden op krijsende uilen en vanaf juni tot augustus op bedelende jongen. In totaal dienen minimaal drie veldbezoeken uitgevoerd te worden.
34
5.2.4.7
Eekhoorn De aan- of afwezigheid van de eekhoorn kan worden vastgesteld doormiddel van spooronderzoek en zichtwaarnemingen rond de mogelijke verblijfplaatsen. Doormiddel van het vaststellen van vraatsporen, uitwerpselen of loopsporen rond de verblijfplaatsen kan in één veldbezoek de aan- of afwezigheid van de eekhoorn worden vastgesteld.
5.2.4.8
Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Drie daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vijf veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het besluitgebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Vliegroutes Het nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur).
Het vleermuisprotocol stelt vast dat hiervoor twee veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Het eerste veldbezoek dient in de kraamperiode (half mei – half juli) plaats te vinden en het tweede minimaal acht weken later. Tijdens deze veldbezoeken wordt op strategische plekken langs bomenrijen onderzocht of vleermuizen deze als vliegroute gebruiken. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Vleermuizen Huismus Gierzwaluw Eekhoorn Ransuil Boomvalk & sperwer Kerkuil Steenuil
35
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
5.3
Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het besluitgebied is een houtopstand aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstand geveld. Mogelijk ligt deze houtopstand buiten de bebouwde kom van de gemeente voor houtopstanden en is het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing. De bebouwde kom met betrekking tot de bescherming van houtopstanden is in veel gemeenten een andere bebouwde kom dan die in het kader van de Wegenverkeerswet is vastgesteld. Wij adviseren u om navraag te doen bij de gemeente naar de begrenzing van de bebouwde kom met betrekking tot houtopstanden. Dan kan duidelijk worden of het beschermingsregime van toepassing is. Indien dit van toepassing blijkt, dan dient van de velling melding te worden gedaan en dient herbeplanting plaats te vinden. Herbeplanting kan mogelijk ook plaats vinden op andere grond dan de locatie waar de houtopstand wordt geveld. Hiervoor is een ontheffing van de provincie noodzakelijk. Deze herbeplanting op andere grond dient te voldoen aan regels zoals die zijn gesteld in de provinciale verordening. Deze regels kunnen betrekking hebben op onder meer de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en op de natuurwaarde van de gevelde houtopstand.
36
6
Conclusie Op de Zandkampweg 21 te Ermelo bevindt zich een perceel met aanwezige recreatiepand, ook wel De Zandkamp genoemd. Het voornemen bestaat om hier een nieuwe woongemeenschap te realiseren. Hiertoe wordt bestaande bebouwing gesloopt en nieuwbouw gerealiseerd. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied.
6.1
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Veluwe en Veluwerandmeren liggen in de buurt van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe en/of Veluwerandmeren is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkelingen in het besluitgebied niet uit te sluiten. Laat daarom een AERIUS-stikstofberekening uitvoeren om de veranderingen in stikstofdepositie in kaart te brengen. Overige negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen zijn wel op voorhand uitgesloten. Verder blijkt uit de quick scan dat in het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van de plannen dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
6.2
Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen en/of essentieel leefgebied aanwezig van huismus, gierzwaluw, boomvalk, ransuil, steenuil, kerkuil en sperwer. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel
37
leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen en een essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig in het besluitgebied. Ook is er mogelijk een nestplaats van de eekhoorn aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Verder is het op het moment niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het besluitgebied voorkomt omdat de combinatie van zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreekt. Als het besluitgebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het besluitgebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Ook is op basis van de huidige plannen, nader onderzoek naar de hazelworm niet noodzakelijk.