CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt-lijst e250030777

Gemeenteraad 9 juli 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Wijziging integrale verordening Sociaal Domein15.586 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Wijziging artikelen integrale verordening Sociaal Domein Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2025 Was

Wordt

Hoofdstuk 2 Participatiewet artikel 2.11 Proefplaats 1.​ Het college kan het instrument proefplaats inzetten voor uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die onder de banenafspraak vallen. 2.​ Een proefplaats kan voor de duur van 2 maanden aangeboden worden als onderdeel van een reintegratietraject. 3.​ De proefplaats kan in uitzonderlijke gevallen verlengd worden met 2 maanden tot een maximum van 6 maanden, als dit in het belang van de re-integratie van de belanghebbende is en de duurzame uitstroom naar werk bevordert; 4.​ Een proefplaats heeft als doel: a. Het opdoen van werkervaring bij een werkgever met als doel te onderzoeken in hoeverre de plaatsing kan worden omgezet in een arbeidscontract bij deze werkgever; b. Vaststelling van de loonwaarde van belanghebbende voor de loonkostensubsidie. 5.​ Bij een proefplaats, als bedoeld in lid 3, onder a is het de intentie van werkgever om aansluitend een dienstverband zonder proeftijd aan te gaan, minimaal voor de duur van een half jaar; 6.​ Voorafgaand aan de proefplaatsing wordt met de werkgever en de bijstandsgerechtigde een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin de werkzaamheden, begeleiding, taken en verplichtingen, duur en omvang worden vastgelegd.

7.​ Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. 8.​ Een proefplaats kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een participatieplaats als bedoeld in artikel 2.8 is ingezet. 9.​ Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.

artikel 2.11 Proefplaats 1. Het college kan het instrument proefplaats inzetten voor uitkeringsgerechtigden. 2.Een proefplaats kan voor de duur van 2 maanden aangeboden worden als onderdeel van een re-integratietraject. 3. De proefplaats kan in uitzonderlijke gevallen tweemaal verlengd worden met 2 maanden tot een maximum van 6 maanden, als dit in het belang van de re-integratie van de belanghebbende is en de duurzame uitstroom naar werk bevordert; 4. Een proefplaats heeft als doel: a. Het opdoen van werkervaring bij een werkgever met als doel te onderzoeken in hoeverre de plaatsing kan worden omgezet in een arbeidscontract bij deze werkgever; b. Vaststelling van de loonwaarde van belanghebbende voor de loonkostensubsidie. 5.Bij een proefplaats, als bedoeld in lid 3, onder a is het de intentie van werkgever om aansluitend een dienstverband zonder proeftijd aan te gaan, minimaal voor de duur van een half jaar; 6. Voorafgaand aan de proefplaatsing wordt met de werkgever en de bijstandsgerechtigde een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin de werkzaamheden, begeleiding, taken en verplichtingen en de duur worden vastgelegd. 7. Het deelnemen aan de proefplaats wordt opgenomen in het plan van aanpak of het trajectplan, met bijbehorende beschikking verstuurd naar de persoon. 8.

Het college weigert de proefplaats, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. 9. Een proefplaats kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een participatieplaats als bedoeld in artikel 2.8 is ingezet. 10. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het tweede en derde lid, buiten beschouwing gelaten.

Toelichting: Naast enkele verduidelijkingen, is de wijziging van dit artikel gericht op het breder kunnen inzetten van het instrument proefplaats. Nu kan dat alleen voor uitkeringsgerechtigden die onder de banenafspraak vallen.

Was

Wordt

Artikel 2.31 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: a.de reden van de verlaging; b.de duur van de verlaging; c.het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d.indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

artikel 2.31 Het besluit tot opleggen van een verlaging 1.​ In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b.de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd. 2.​ Op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, kan het college de verlaging herzien zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 2.36, 2.37 en 2.40, nakomt.

Toelichting: De wijziging is erop gericht om duidelijk aan te geven dat het college een maatregel kan herzien als iemand weer voldoet aan de verplichtingen uit de participatiewet. artikel 2.32 Horen van belanghebbende 1.​ De belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen voordat een verlaging wordt opgelegd. 2.​ Het horen van de belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

artikel 2.32 Zienswijze van belanghebbende 1.​ De belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen voordat een verlaging wordt opgelegd. 2.​ Het verzoek tot schriftelijke zienswijze van de belanghebbende kan achterwege blijven als: a.​ de belanghebbende mondeling zijn zienswijze naar voren heeft gebracht; b.​ de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c.​ het college de zienswijze niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d.​ de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Toelichting: De wijziging is met name gericht op het verwijderen van de mogelijkheid af te zien van een zienswijze van de belanghebbende met als enige reden spoed. artikel 2.33 Afzien van verlaging 1.​ Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.​ Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.​ Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

artikel 2.33 Afzien en afstemmen van de verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt conform artikel 18 lid 9 PW. 2.Het college stemt de verlaging af, op bijzondere omstandigheden, als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht (conform artikel 18 lid 10 PW). 3. De belanghebbende wordt bij een besluit zoals genoemd in lid 1 en 2, schriftelijk op de hoogte gesteld.

Was

Wordt

Toelichting: De wijziging is erop gericht om eventueel een maatregel op te leggen als een gedragingen langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden. artikel 2.34 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.​ Een verlaging wordt op de uitkering of de met toepassing van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand toegepast in de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.​ Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig lid 1 niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 3.​ Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering of de met toepassing van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als de belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in lid 1 onder b opnieuw een uitkering of bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 Pw ontvangt.

artikel 2.34 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Na het besluit tot oplegging van de verlaging volgt zo snel de verwerking in de betaling van de uitkering. 2 . De verlaging blijft staan, na beëindiging of intrekking van de uitkering of de met toepassing van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand, deze binnen 30 dagen wordt hervat conform 45 lid 3 PW.

Toelichting: Dit betreft een vereenvoudiging van het artikel. artikel 2.35 Berekeningsgrondslag 1.​ Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.​ In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:. a. aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 Pw, of b. de verwijtbare gedraging van de belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.​ Bij toepassing van lid 2 onder a moet in tot en met ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand’.

artikel 2.35 Hoogte verlaging 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm op het tijdstip van de gedraging. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 Pw. Hierbij moet in tot en met ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand’.

Was

Wordt

4.​ Bij toepassing van lid 2 onder b moet in tot en met ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘verleende bijzondere bijstand’. Toelichting: Dit is een vereenvoudiging van het artikel. artikel 2.36 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting 1.​ Als de belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2.​ Het bedrag van de verlaging in het eerste lid wordt toegepast over drie maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 3.​ Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18 lid 4 onder a Pw, of recidive, vindt geen verlaging als bedoeld in het tweede lid plaats.

artikel 2.36 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting 1. Als de belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2. Het bedrag van de verlaging in het eerste lid wordt gelijkmatig verspreid over drie maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Toelichting: lid 3 laten vervallen. artikel 2.37 Gedragingen Participatiewet, Ioaw en Ioaz 1.​ Een verlaging bedraagt 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand indien: a. de belanghebbende zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV of deze registratie niet tijdig verlengd is; als er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing. b. de belanghebbende niet verschijnt bij een afspraak in het kader van de re-integratie of bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b Pw; als er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing. 2.​ De verlaging bedraagt 20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als: a. de belanghebbende niet meewerkt aan het in naam van belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand (artikel 57 aanhef en onder a Pw); b. de belanghebbende niet meewerkt aan betaling in natura van een deel van de uitkering (artikel 57 aanhef en onder b Pw).

artikel 2.37 Gedragingen Participatiewet, Ioaw en Ioaz 1. Een verlaging bedraagt 30 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand indien: a. de belanghebbende niet verschijnt bij een afspraak in het kader van de re-integratie of bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b Pw; b.de belanghebbende niet meewerk aan het in naam van belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand (artikel 57 aanhef en onder a Pw); ​ c. de belanghebbende niet meewerkt aan betaling in natura van een deel van de uitkering (artikel 57 aanhef en onder b Pw). ​ d. de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; ​ e.de belanghebbende onvoldoende de verplichtingen nakomt als bedoeld in de artikelen 9 lid 1 aanhef en onder b of 55 Pw, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 Pw, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18 lid 4 Pw; ​ 2. De verlaging bedraagt 100 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als: a.​ de belanghebbende niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e Ioaw of de artikelen 36 lid 1

Was 3.​ De verlaging bedraagt 40 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als: a. de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; b. de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan activiteiten of werkzaamheden die gericht zijn op arbeidsinschakeling of bevordering van arbeidsbekwaamheid; c. de belanghebbende niet of in onvoldoende mate meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden van een participatievoorziening, anders dan bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw; d. de belanghebbende onvoldoende de verplichtingen nakomt als bedoeld in de artikelen 9 lid 1 aanhef en onder b of 55 Pw, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 Pw, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18 lid 4 Pw; e. de belanghebbende niet of onvoldoende een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen verricht als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c Pw, artikel 37 lid 1 onder f Ioaw of artikel 37 lid 1 onder f Ioaz; f.

de belanghebbende uit houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b Pw, artikel 37 lid 1 onder e Ioaw of artikel 37 lid 1 onder e Ioaz niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a lid 1 Pw, artikel 38 lid 1 Ioaw of artikel 38 lid 1 Ioaz. 4.​ De verlaging bedraagt 100 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als: a. de belanghebbende niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e Ioaw of de artikelen 36 lid 1 en artikel 37 lid 1 onder e Ioaz, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; b. de belanghebbende niet naar vermogen probeert algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw.

Wordt en artikel 37 lid 1 onder e Ioaz, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; b.​ de belanghebbende niet of onvoldoende een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen verricht als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c Pw, artikel 37 lid 1 onder f Ioaw of artikel 37 lid 1 onder f Ioaz; 3. Het college weigert de IOAW of IOAZ uitkering blijvend in sprake is van: a.​ aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; b.​ de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; c.​ de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; d.​ de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Was

Wordt

Toelichting: Hierbij is gekeken naar een vereenvoudiging van het artikel en juridische juistheid. artikel 2.38 Te weinig inzet of onverantwoordelijk gedrag 1.​ Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende te weinig inzet toont of zich onverantwoordelijk gedraagt. De verlaging wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.​ De verlaging bedraagt: a. 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 12 maanden bij een benadelingsbedrag tot € 2.500; b. 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 18 maanden bij een benadelingsbedrag van € 2.500 tot € 10.000; c. 20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 24 maanden bij een benadelingsbedrag van € 10.000 tot € 20.000. d. 20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 36 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000. 3.​ Het college kan in uitzonderlijke gevallen met toepassing van artikel 48 lid 2 onder b Pw, de bijstand in de vorm van een lening verstrekken in plaats van het verlagen van de uitkering als bedoeld in lid 1 en lid 2.

artikel 2.38 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende te weinig inzet toont of zich onverantwoordelijk gedraagt. De verlaging wordt afgestemd op het financiële gevolg van de benadelingshandeling. Het financiële gevolg van de benadelingshandeling bestaat uit het bedrag aan uitkering dat als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid extra uitbetaald moet worden aan belanghebbende ten opzichte van de situatie dat het tekortschietend besef zich niet zou hebben voorgedaan; 2.De verlaging bedraagt: a.30 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 1 maand bij een benadelingshandeling met een financieel gevolg tot € 2.500; b.100 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 1 maand bij een benadelingshandeling met een financieel gevolg vanaf € 2.500 tot € 10.000; c.100 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 3 maanden bij bij een benadelingshandeling met een financieel gevolg boven €10.000

Toelichting: De huidige verordening verdeelt de verlaging over een hele lange periode. Dit past ons inziens niet bij het doel van een maatregel: gedragsverandering. Ook houden we het inkomen van inwoners hiermee onnodig lang onder het sociaal minimum. In de verordening van de gemeente Harderwijk is nu opgenomen: artikel 2.39 Onacceptabel gedrag Het college kan onacceptabel gedrag sanctioneren volgens het Beleid Agressie en Geweld. Voor Ermelo en Zeewolde is de huidige omschrijving van dit artikel: Artikel 2.39 Onacceptabel gedrag Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende zich op een onacceptabele manier gedraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw, Ioaw of Ioaz als bedoeld in artikel 9 lid 6 Pw, artikelen 37 lid 1 onder g Ioaw en artikel 37 lid 1 onder g Ioaz. De uitkering wordt verlaagd met: a. 20 procent bij het mondeling of schriftelijk beledigen van de in de aanhef genoemde personen en instanties; b. 40 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken

artikel 2.39 Zeer ernstige misdragingen 1.​ Wanneer de belanghebbende zich op een zeer ernstige manier misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw, Ioaw of Ioaz als bedoeld in artikel 9 lid 6 Pw, artikelen 37 lid 1 onder g Ioaw en artikel 37 lid 1 onder g Ioaz kan het college sanctioneren volgens het EHZM beleid "agressie en geweld” 2.​ Wanneer sanctionering niet leidt tot een verbetering van de zeer ernstige misdraging of wanneer de misdraging leidt tot een tijdelijke staking van de dienstverlening kan het college de uitkering verlagen met: ​ a. 30 procent bij het mondeling of schriftelijk beledigen van de in de aanhef genoemde personen en instanties; ​ b. 30 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken ​ c. 100 procent bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht op geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties;

Was of mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties. c. 100 procent bij het voor de tweede keer of vaker uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken of mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties; d. 100 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties.

Wordt ​ ​

d. 100 procent bij het voor de tweede keer of vaker uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken; e. 100 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties.

3.​ Artikel 3, lid 4 sub d onder ii van het mandaatbesluit Ermelo, Harderwijk en Zeewolde aan bestuur Meerinzicht is van toepassing op lid 2 van artikel 2.39 (zeer ernstige misdragingen).

Toelichting: Bij dit artikel wijkt het huidige beleid van de 3 gemeenten van elkaar af. Voorgesteld wordt dit artikel te harmoniseren, waarbij het uitgangspunt is dat eerst het beleid “ agressie en geweld” gevolgd wordt. De algemene sancties waarover gesproken wordt in het “ beleid Agressie en Geweld” zijn het ordegesprek, schriftelijke waarschuwing, een eventuele aangifte en het staken van de dienstverlening gedurende een bepaalde periode (waaronder een pand/telefoonverbod). In het kader van re-integratie naar werk is het staken van de dienstverlening geen wenselijke situatie. Een verlaging van de uitkering kan in deze situatie het enige middel zijn om gedragsverandering bij de belanghebbende te bewerkstelligen. Het college wordt geraadpleegd voordat een besluit conform dit artikel wordt opgelegd. artikel 2.40 Niet nakomen van andere verplichtingen Als de belanghebbende een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 Pw niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c.

40 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

artikel 2.40 Niet nakomen van andere verplichtingen Als de belanghebbende een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 Pw niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: ​ a. 30 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand; ​ b. 30 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; ​ c. 30 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van de inspanningen tijdens de zoekperiode van jongeren ten aanzien van de algemene bijstand <27 jaar; ​ d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. ​ e. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende meewerken aan vestigen van een krediethypotheek.

Toelichting: Dit artikel wordt gelijk getrokken met de andere maatregelen wat betreft de percentages. Nieuw is het artikel betreffende het meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek. artikel 2.41 Samenloop van gedragingen 1.​ Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde

artikel 2.41 Samenloop van gedragingen

Was verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.​ Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.​ Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Pw genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.​ Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Pw genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

artikel 2.42 Recidive 1.​ In geval van recidive wordt het percentage van de verlaging van de uitkering verdubbeld. Indien al 100% verlaging is opgelegd wordt de periode verdubbeld. Bij een tweede recidive of nog meer recidives bepaalt het college – voor zover het betreft de niet-geüniformeerde verplichtingen - naar eigen oordeel de duur en hoogte van de verlaging. 2.​ In afwijking van het eerste lid geldt een verlaging van de uitkering met 100% voor de duur van een maand bij een tweede recidive voor een weigering tot medewerking of een onvoldoende medewerking aan een re-integratietraject.

Wordt 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

artikel 2.42 Recidive 1. In geval van recidive wordt de periode van de maatregel verdubbeld. Bij een tweede recidive en verdere recidive wordt de periode verdriedubbeld. Dat is de maximale periode bij recidive. 2. De recidivetermijn betreft 12 maanden en vangt aan op de verzenddatum van het besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd.

Was

Wordt

3.​ De recidivetermijn vangt aan op de verzenddatum van het besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd of wordt afgezien van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen. Toelichting: vereenvoudiging en verduidelijking van de regels. Hierbij wordt opgenomen dat een recidivetermijn 12 maanden betreft. Als iemand na twaalf maanden opnieuw hetzelfde maatregelwaardige gedrag vertoont, geldt dit hiermee niet als recidive. Artikel 2.44 Samenloop inburgeringsboete en maatregel Participatiewet Wanneer een gedraging leidt tot overtreding van zowel de Participatiewet als de Wet inburgering 2021 beoordeelt het college na analogie van de ‘Beleidsregels Wet inburgering 2022 gemeente Ermelo, Harderwijk en Zeewolde of er een boete op grond van de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of een maatregel op grond van de Participatiewet.

Artikel 2.44a Samenloop inburgeringsboete en maatregel Participatiewet Wanneer een gedraging leidt tot overtreding van zowel de Participatiewet als de Wet inburgering 2021 beoordeelt het college, rekening houdend met de ‘Beleidsregels Wet inburgering 2022 gemeente Ermelo, Harderwijk en Zeewolde of er een boete op grond van de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of een maatregel op grond van de Participatiewet.

Toelichting: Titel aanpassing en vereenvoudiging taalgebruik Artikel 2.44b Verrekenen boete voor inburgering met bijstandsuitkering 1. Het college kan de bestuurlijke boete die hij op grond van de wet aan de inburgeringsplichtige heeft opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. 2. Het college sluit bij het verrekenen aan bij de geldende regels uit de participatiewet zoals bedoeld in artikel 60 van deze wet en de Beleidsregels Terugvordering, Invordering en Boete voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2024. 3. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Awb. Toelichting: nieuw artikel

Hoofdstuk 3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Artikel 3.1 begripsbepaling a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de belanghebbende daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken, mede in aanmerking nemende diens financiële positie in vergelijking met een inkomen op het minimumniveau; Toelichting: invulling conform rechtspraak

Artikel 3.1 begripsbepaling a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en die financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau zoals dat voor de (gezins) situatie van belanghebbende geldt;

Was

Wordt

Artikel 3.1 begripsbepaling l. ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de visie van het college inzake de te leveren ondersteuning, tot stand gekomen op basis van de beoordeling van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, waarin de adviezen, verwijzingen en afspraken, alsmede het overleg met de belanghebbende zijn betrokken, alsmede de beoogde resultaten;

Artikel 3.1 begripsbepaling l. ondersteuningsplan: ook wel aangeduid als onderzoeksverslag: de schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, de bevindingen hiervan en de visie van het college inzake het vervolg na de melding, tot stand gekomen op basis van beoordeling van de eventuele adviezen, verwijzingen en afspraken, alsmede het overleg met de belanghebbende en al het overige wat tijdens het onderzoek naar voren komt en van belang is voor de beoordeling van een eventuele aanvraag.

Toelichting: aanpassing aan de praktijk en verschillen in uitvoering van verschillende uitvoeringsorganisaties. Artikel 3.1 begripsbepaling Toevoegen van begrippen s t/m y

s. pgb vertegenwoordiger: een door de belanghebbende gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijk vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt; t. gebruikelijke hulp: Alles wat huisgenoten normaal gesproken voor een ander doen is gebruikelijk. Wat meer is, is in beginsel niet-gebruikelijk tenzij de huisgenoot er toe in staat is, er de tijd voor heeft en niet overbelast is. u. eigen kracht: Benutting van eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen om de eventuele beperkingen te verminderen of op te heffen, eventueel met behulp van het sociaal netwerk, o.a. middels aanspraak op andere (wettelijke) regelingen, behandelingen, e.d. v. ritbijdrage: een door het college vast te stellen bedrag dat een persoon met beperkingen bijdraagt aan het gebruik van het collectief vervoer; w. zaak: roerende en onroerende zaken als hulpmiddelen, woningaanpassingen en/of andere maatregelen van bouwkundige aard of woontechnische ingrepen in of aan een woonruimte (zoals een traplift). x.

beschermd Wonen: een vorm van veilig wonen met met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Binnen de regio Noord-Veluwe en Zeewolde wordt maatschappelijke zorg gehanteerd waar beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang onderdeel van maken. y. (Maatschappelijke) opvang: het bieden van tijdelijk onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meerdere problemen al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Of als er sprake is van dreigende dakloosheid. Binnen de regio Noord-Veluwe en Zeewolde wordt maatschappelijke zorg gehanteerd waar beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang onderdeel van maken.

Toelichting: Toevoeging van de begrippen ter verduidelijking en inclusie van de uitvoering door alle uitvoeringsorganisaties. Artikel 3.2 Melding

Artikel 3.2 Melding

Was

Wordt

Toevoegen lid 4

4. Het college informeert de belanghebbende over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Toelichting: Dit is een verplichting vanuit de wet. Stelt belanghebbende in gelegenheid om aan te geven wat hij/zij belangrijk vindt. Artikel 3.3 cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat de belanghebbende een beroep kan doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de belanghebbende uitgangspunt is. 2. Het college wijst de belanghebbende en, indien van toepassing, zijn mantelzorger of vertegenwoordiger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 3.3 cliëntondersteuning 1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie zorgt ervoor dat de belanghebbende een beroep kan doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de belanghebbende uitgangspunt is. 2. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie wijst de belanghebbende en, indien van toepassing, zijn mantelzorger of vertegenwoordiger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Toelichting: aanpassing aan de praktijk van meerdere uitvoeringsorganisaties. Artikel 3.4 Gesprek en onderzoek 1. Het college onderzoekt, mede op basis van een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger, waar wenselijk met de mantelzorger en waar mogelijk met de familie zo spoedig mogelijk, alles voor zover van toepassing en voor zover relevant in het kader van de Wmo 2015: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de belanghebbende, waaronder mede begrepen diens godsdienstige en culturele voorkeuren; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 Wmo 2015, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige

Artikel 3.4 Onderzoek 1. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie stelt na zorgvuldig onderzoek ten minste vast: a. wat de hulpvraag is; b. welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid, participatie of het zich zelfstandig kunnen handhaven in de samenleving; c. of en welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan deze hulpvraag; d. hoe op eigen kracht in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie neemt in het onderzoek de volgende elementen mee: i. het hebben van huisgenoten (wie zijn zorgdragend en wie heeft behoefte aan zorg?); ii. in hoeverre mantelzorg de nodige hulp en ondersteuning kan bieden; iii. het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen; iv. of sprake is van gebruikelijke hulp; v. vaardigheden en mogelijkheden om de hulp te bieden; vi. beschikbaarheid om de hulp te bieden (bijvoorbeeld door werk); vii. mate van planbaarheid van de benodigde zorg; viii. het ontstaan van overbelasting; ix. het relevante normenkader en het protocol gebruikelijke hulp CIZ; x. overige individuele omstandigheden die worden ingebracht.

Was

Wordt

activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; g. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de belanghebbende met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of artikel 2.1.4a Wmo 2015 verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de belanghebbende in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de belanghebbende een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college is niet gehouden in te stemmen met de inhoud van het persoonlijk plan, maar dient in voorkomende gevallen aan te geven waarom hiervan wordt afgeweken. 3.

Het college informeert de belanghebbende over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de belanghebbende toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. De belanghebbende is gerechtigd tot weigering, in geval de melding echter wordt afgesloten omdat het college dan geen mogelijkheid heeft de noodzaak tot compensatie te onderzoeken. 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is of als het gaat om een ondersteuningsvraag met een spoedeisend karakter of een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag, kan het college, voor het overige onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015, in overleg met de belanghebbende afzien van een gesprek.

e. hoe met algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of door gebruikmaking van andere (voorliggende) voorzieningen in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien; f. hoe door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, er tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening gekomen kan worden om de zelfredzaamheid van belanghebbende te verbeteren; g. of de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer belanghebbende rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; h. of belanghebbende de ondersteuningsbehoefte redelijkerwijs kon voorzien en verwacht mocht worden dat de belanghebbende zijn handelen en nalaten hierop had aangepast waardoor geen maatwerkvoorziening nodig zou zijn geweest; i. of een andere voorziening nodig is dan de voorziening waarom belanghebbende vraagt; j. in hoeverre het, om het onderzoek volledig en zorgvuldig uit te kunnen voeren, nodig wordt geacht om informatie in te winnen bij derden. k. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van belanghebbende. l.

welke bijdragen in de kosten de belanghebbende met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of artikel 2.1.4a Wmo 2015 verschuldigd zal zijn. 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen. 3. De factoren genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 4. Tijdens het gesprek wordt aan belanghebbende in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Bij de keuze voor een pgb volgt een beoordeling conform artikel 3.13 van deze verordening. 5. Als de belanghebbende een persoonlijk plan aan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie is niet gehouden in te stemmen met de inhoud van het persoonlijk plan, maar dient in voorkomende gevallen aan te geven waarom hiervan wordt afgeweken. 6. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie informeert de belanghebbende over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie, belanghebbende, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 8. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.

Was

Wordt 9. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is of als het gaat om een hulpvraag met een spoedeisend karakter of een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag, kan het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie , voor het overige onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015, in overleg met de belanghebbende afzien van een gesprek.

Toelichting: Hier betreft het deels aanpassing conform rechtspraak. Voor een deel aanpassing zodat het door verschillende uitvoeringsorganisaties toegepast kan worden. En voor een deel gaat het om verduidelijking. Artikel 3.5 Ondersteuningsplan 1.​ Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in het ondersteuningsplan. 2.​ De belanghebbende tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. 3.​ Als de belanghebbende tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 4.​ Als de belanghebbende van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende ondersteuningsplan.

Artikel 3.5 Verslag van het onderzoek: 1.​ Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en de conclusies hiervan. 2.​ De belanghebbende tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. 3.​ Als de belanghebbende tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 4.​ Als de belanghebbende van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.

Toelichting: Hier gaat het om een aanpassing van de titel en de beschrijving zodat het toepasbaar is voor verschillende uitvoeringsorganisaties. Artikel 3.6 Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens de belanghebbende schriftelijk bij het college worden ingediend. 2. Een ondertekend en geretourneerd ondersteuningsplan kan dienen als aanvraag.

Artikel 3.6 Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens de belanghebbende schriftelijk bij het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie worden ingediend. 2. Een ondertekend en geretourneerd onderzoeksverslag kan dienen als aanvraag. 3. In afwijking van de voorgaande leden, kan het college in het dringende belang van de belanghebbende besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de belanghebbende een aanvraag wordt ingediend.

Toelichting: In dringende situaties zoals bijvoorbeeld in casuïstiek waarbij veiligheidsaspecten spelen, kan het nodig zijn om een directe beschikking af te geven. Deze mogelijkheid is nu niet geborgd in de regelgeving. Artikel 3.7 Specifiek beschermd wonen en opvang

Artikel 3.7 laten vervallen

Toelichting: Dit is verwerkt in de tekst, apart artikel daardoor overbodig. (=“of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie”). artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening

artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening

Was

Wordt

1. Het college neemt het ondersteuningsplan, indien aanwezig, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

lid 1 vervangen in: 1 .Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie neemt het onderzoeksverslag, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Toelichting: De wijziging zorgt voor een toepasbaarheid binnen de verschillende uitvoeringsorganisaties. artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, geldt dat een belanghebbende hiervoor niet in aanmerking komt, indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de ingezetene redelijkerwijs vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was, tenzij van de belanghebbende redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening Lid 3 aanpassen in: 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang geldt dat een belanghebbende hiervoor alleen in aanmerking komt, als: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de ingezetene redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was, maar van belanghebbende redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. c. de maatwerkvoorziening gezien de beperkingen van belanghebbende veilig is voor hemzelf en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

Toelichting: De wijziging zorgt voor een toepasbaarheid binnen de verschillende uitvoeringsorganisaties. De andere wijziging zorgt voor een afkadering bij onveilige situaties. Artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening Lid 6 t/m 9 toevoegen

Toevoegen: 6. Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een belanghebbende in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als a.​ hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en; b.​ hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; c.​ opvang een passende, noodzakelijke en bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de belanghebbende of anderen en de behoefte van de belanghebbende met als doel het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 7. Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een belanghebbende (alsmede eventuele kinderen van deze belanghebbende) in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als

Was

Wordt a.​ deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico's voor de veiligheid van deze belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende) als gevolg van huiselijk geweld, en de belanghebbende niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en; b.​ deze de situatie - waarbij de belanghebbende de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico's voor de veiligheid van de belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende) als gevolg van huiselijk geweld - , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; c.​ opvang een passende, noodzakelijke en bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de belanghebbende met als doel het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving. 8.

Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een belanghebbende in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als a.​ hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en; b.​ hij de situatie van psychische of psychosociale problemen - met als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; c.​ beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de belanghebbende of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de belanghebbende met als doel het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 9.

In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 3.2 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke

Was

Wordt maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 3.4 en artikel 2.3.2 Wmo 2015, en de aanvraag van de belanghebbende.

Toelichting: De wijziging zorgt voor een toepasbaarheid binnen de verschillende uitvoeringsorganisaties. Borging van de taken beschermd wonen en maatschappelijke opvang. artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden e. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan belanghebbdende al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen, of tenzij de belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; f. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. 2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als de belanghebbende geen ingezetene is van de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde; b. als deze niet langdurig noodzakelijk is, voor zover het gaat om hulpmiddelen of een woningaanpassing.

artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden 8. De normale afschrijvingstermijn als bedoeld in lid 1 onder e bijdraagt zeven jaar voor hulpmiddelen.

artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden e. Indien het een voorziening betreft die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de belanghebbende dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. De belanghebbende dient zelf aan te tonen dat hier sprake van is; f. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. g. voor zover de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de belanghebbende rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. h. indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat belanghebbende of zijn huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet en artikel 3.4 van deze verordening; i. voor zover er geen belemmeringen zijn vastgesteld in zelfredzaamheid en / of participatie. 2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als de belanghebbende geen ingezetene is van de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde; b. als deze niet langdurig noodzakelijk is tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding. Onder lid 3 toevoegen als extra uitsluitgrond: g.

als de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden Lid 8 laten vervallen

Toelichting: De bepaling beschreven in lid e staat al verwoord in artikel 3.19 lid 4 vandaar dat deze komt te vervallen. artikel 3.11 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als hij dit van belang acht voor de beoordeling van een melding of aanvraag om een maatwerkvoorziening.

artikel 3.11 Advisering Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als hij dit van belang acht voor de beoordeling van een melding of aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Toelichting: De wijziging zorgt voor een toepasbaarheid binnen de verschillende uitvoeringsorganisaties.

Was

Wordt

Artikel 3.13 Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. De belanghebbende kan alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien hij een volledig ingevuld persoonlijk budgetplan heeft overgelegd. 3. De belanghebbende aan wie een pgb wordt toegekend, dient ervoor te zorgen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens deze de ondersteuning moet gaan bieden voldoet aan de in artikel 3.19 lid 2 opgenomen kwaliteitseisen. 4. Een pgb voor ondersteuning door zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken, wordt alleen verstrekt indien: a. deze staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; b. deze beschikt over een actuele verklaring omtrent gedrag; c. deze beschikt over een adequate opleiding; d. deze, voor zover dit voor de aard van de dienstverlening is vereist, beschikt over een voor de beroepsgroep relevante registratie; e. de e mee erkt aan een cli ntervaringsonder oek en de daarvoor benodigde informatie verstrekt f. deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft. 5. Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt indien: a. de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt; b.de ondersteuning structureel van behoorlijke omvang is; c. de geboden ondersteuning passend, adequaat en veilig is; d.

de persoon uit het sociale netwerk die de ondersteuning gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn, e. er bij de persoon uit het sociale netwerk die de hulp gaat bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; f. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring in staat moet zijn in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren; g. de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is;

artikel 3.13 Regels voor pgb 1. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. De belanghebbende kan alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien hij een volledig ingevuld budgetplan heeft overgelegd en voldaan heeft aan alle voorwaarden. 3. De belanghebbende aan wie een pgb wordt toegekend, dient ervoor te zorgen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens deze de ondersteuning moet gaan bieden voldoet aan de in artikel 3.19 lid 2 opgenomen kwaliteitseisen. 4. Een pgb voor ondersteuning door zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken, wordt alleen verstrekt indien: a. deze staat ingeschreven in het handelregister bij de Kamer van Koophandel; b. deze beschikt over een actuele verklaring omtrent gedrag; c. deze beschikt over een adequate opleiding; d. deze, voor zover dit voor de aard van de dienstverlening is vereist, beschikt over een voor de beroepsgroep relevante registratie; e. deze meewerkt aan een cliëntervaringsonderzoek en/of evaluaties en de daarvoor benodigde informatie verstrekt f. deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft. 5. Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt indien: a.

de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt voor zover het huisgenoten betreft; b. de geboden ondersteuning passend, adequaat en veilig is; c. de persoon uit het sociale netwerk die de ondersteuning gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn, d. er bij de persoon uit het sociale netwerk die de hulp gaat bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; e. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring in staat is de in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren; f. de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is; g. deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6 leden 2 en 5 Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb: a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15613708/1