CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing e250009203

Gemeenteraad 14 mei 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Vaststellen kaders Stationsstraat 9115.745 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Momenteel is deze verontreiniging aanwezig onder een verharding en zijn er geen onaanvaardbare risico’s. Er is dan ook geen saneringsnoodzaak op basis van artikel 22.30 uit het omgevingsplan van gemeente Ermelo. Daarnaast blijft het bestaande bouwblok grotendeels gehandhaafd en betreft het project een verbouwing vanaf de eerste etage en een aanpassing van de gevel. Omdat de grond hiervoor niet geroerd wordt is de aangetroffen verontreiniging te combineren met het toekomstig gebruik. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot bodem is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4.

Water

Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen. Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer

35

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Onderzoek Via de site van het wateradvies is het ruimtelijke plan getoetst aan een aantal punten om te onderzoeken of het plan waterbelangen raakt. Uit de vragenlijst blijkt dat er geen waterbelangen worden geraakt, omdat er geen extra verharding wordt toegevoegd. De notitie hiervan is toegevoegd als bijlage 4.

Als algemeen principe geldt dat bij elk initiatief, bouw, verbouw of reconstructie, het schone regenwater voor zover redelijkerwijs mogelijk geheel binnen de plangrenzen wordt verwerkt. Het vuilwater wordt gescheiden van het regenwater aangesloten op het gemeentelijke hoofdriool. Een nieuwbouwplan zoals deze biedt de kans om het gehele projectgebied waterneutraal te maken ten opzichte van wanneer dit gebied onverhard zou zijn. De gemeente Ermelo heeft een notitie gemaakt m.b.t. de waterbergingseis. Deze notitie is toegevoegd

als bijlage 5. Binnen het plangebied wordt een zo groot mogelijk deel van de neerslag van een hevige kortdurende bui (1/100 jaar, 70 mm in een uur) verwerkt (infiltratie/ berging).

De hoeveelheid neerslag

dat verwerkt moet worden, is afhankelijk van de grote van het plangebied. hiervoor wordt de volgende staffel gehanteerd. Voor plangebieden groter dan 500 m2 en kleiner dan 1500 m2 dient 40 mm berging aangehouden te worden. Het totale plangebied is circa 670 m². Regenwater wordt verplicht grotendeels verwerkt / geïnfiltreerd op eigen terrein, met een overloopmogelijkheid naar de openbare weg. Hoe is dit verwerkt in het plan Het regenwater dat nu in de bodem wordt geïnfiltreerd kan in de toekomstige situatie nog steeds in de bodem worden geïnfiltreerd. Er worden infiltratiekratten op eigen terrein geïmplementeerd, waardoor een groot deel van het regenwater wordt geïnfiltreerd en op een natuurlijke manier terugvloeit in de bodem. Ten behoeve van de infiltratiekratten is een notitie gemaakt met punten waar rekening mee dient te worden gehouden. Deze notitie is toegevoegd als bijlage 6. Als afstand tussen de infiltratiekratten en belendende bebouwing wordt geadviseerd een minimale afstand van

2 m aan te houden of zo nodig

een waterdichte folie tussen de infiltratievoorziening en de belendingen aan te brengen. Daarnaast is gerekend is met een bergingseis van 40 mm.

36

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Naast infiltratiekratten worden regentonnen geïnstalleerd die niet alleen dienen als wateropslag. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van waterdoorlatend straatwerk, waardoor regenwater gemakkelijk in de bodem kan doordringen en niet leidt tot wateroverlast. Conclusie Met betrekking tot water is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5.

Geluid

Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Wettelijk kader Geluidaandachtsgebied Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. Binnen een geluidaandachtsgebied moet de waarde van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt getoetst aan de geluidnormen. De reikwijdte van een geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron. De geluidaandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Omgevingsplan. Voor zover dat nog niet is gebeurd geldt een overgangssituatie. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling) als opgenomen in Tabel 1.

Tabel 1: Aandachtsgebieden overgangssituatie Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf (art 17.5 overgangsrecht geluidaandachtsgebied) Geluidaandachtsgebied

Breedte

weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30

100 meter

km/u of minder weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan

200 meter

30 km/u weg bestaande uit 3 of meer rijstroken

350 meter

lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen

200 meter

lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

350 meter

37

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder (artikel 3.5, Aanvullingswet geluid). Toetswaarden geluidbelasting Per

geluidbronsoort

moet

de

geluidbelasting

worden

bepaald

en

worden

getoetst

aan

de

standaardwaarden (SW) en grenswaarden (GW) van het Bkl (standaardwaarden van het Bkl (art. 5.78t respectievelijk 5.78u). Hierbij gelden de in tabel 2 opgenomen standaardwaarden.

Tabel 2: Standaardwaarden geluidbelasting Geluidbronsoort

Standaardwaarde

Provinciale wegen Rijkswegen

50 Lden

Gemeentewegen en Waterschapswegen

53 Lden

Spoorwegen

55 Lden

Indien

de

geluidbelasting

op

een

plan

voor

een

bepaalde

geluidbronsoort

hoger

is

dan

de

standaardwaarde moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een bevoegd gezag afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere omgevingswaarde vaststelt. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Hierbij gelden de in Tabel 3 opgenomen grenswaarden.

Tabel 3: Grenswaarden geluidbelasting Geluidbronsoort

Grenswaarde

Provinciale wegen Rijkswegen

60 Lden

Gemeentewegen en Waterschapswegen

70 Lden

Spoorwegen

65 Lden

Een omgevingswaarde normeert de (totale) omgevingskwaliteit op een willekeurige plaats in het land of in een bepaald gebied. Indien een hogere omgevingswaarde voor geluid wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Ow is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp’s en zonder Gpp’s bij elkaar opgeteld. Onderzoek Voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 15 appartementen bovenop een bestaande winkel. De appartementen zijn geluidgevoelige bestemmingen. Op grond van de Omgevingswet moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd indien nieuwe woningen zich binnen het aandachtsgebied bevinden van

38

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

wegen. Totdat de basisgeluidemissie is vastgesteld, geeft het overgangsrecht vaste afstanden voor de aandachtsgebieden. Deze zijn te vinden in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Voor 30 km/h-wegen geldt een afstand van 100 meter en 200 meter voor snelheden daarboven. De appartementen zijn gelegen aan de Stationsstraat. Dit is een voetgangersgebied en heeft geen aandachtsgebied. De appartementen liggen binnen het aandachtsgebied van de Rietlaan, Weegakker en Dokter Holtropstraat. Gezien de intensiteit, afstand en afscherming lijkt het niet waarschijnlijk dat deze wegen (gezamenlijk) de standaardwaarde overschrijden. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Qua geluid en activiteiten en milieuzonering wordt verwezen naar paragraaf 5.9. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot geluid is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6.

Geur

Wettelijk kader

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan

39

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Onderzoek In het beoogde plan worden geen activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ook worden geen geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven) toegestaan. Om deze redenen is het niet nodig een geuronderzoek uit te voeren en vormt het aspect geur geen belemmering. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot geur is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7.

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

40

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen.

Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Onderzoek In de omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en daarmee ligt het plangebied niet in een plaatsgebonden risicocontour 10-6 of aandachtsgebieden. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot omgevingsveiligheid is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8.

Luchtkwaliteit

Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels

41

opgenomen

in

paragraaf

5.1.4.1

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

Bkl.

Volgens

deze

18 februari 2025

regels

gelden

zogeheten

omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 5

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.

6

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een ‘milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Onderzoek In het werkgebied van de Veluwe liggen geen luchtkwaliteitsaandachtsgebieden. Indien een gemeente grenst aan een aandachtsgebied van een andere gemeente is wel een nadere beschouwing nodig. Ermelo grenst aan de zuidkant aan het aandachtsgebied van de gemeente Barneveld.

42

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Gezien de afstand tot deze gemeente wordt niet aannemelijk geacht dat deze ontwikkeling bijdraagt aan het overschrijden van de grenswaarde in het aandachtsgebied. Op basis van de drie onderstaande figuren is ter plaatse van het plangebied sprake van een NO2concentratie van 10 – 12 µg /m3, een PM2,5 concentratie van 9 – 10 µg PM2,5/m3 en een PM10 concentratie van 17 – 18 µg PM10/m3. De omgevingswaarden voor NO2 (40 µg/m3), PM2,5 (25 µg/m3) en PM10 (40 µg/m3) worden niet overschreden. De drempelwaarde voor NIBM-projecten in de categorie woningbouw ligt bij circa 2.000 woningen. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 15 woningen, geconstateerd wordt dat het project daarmee NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur 18: Fijnstof (PM2,5)

43

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Figuur 19: Fijnstof (PM10)

Figuur 20: Stikstofdioxide Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot luchtkwaliteit is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

44

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

5.9.

Activiteiten en milieuzonering

Wettelijk kader

De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden. In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als Tabel 4.

Tabel 4: Richtafstanden en categorieën Afstand in meters

Geur

Geluid

10

FM

FM

30

1

1

50

2

2

100

3

3

200

3

4

300

IT

IT

De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het Omgevingswet-regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid. Onderzoek Op basis van onderstaande figuur wordt voor dit plan uitgegaan van een gemengd gebied met functiemenging. Ter plaatse van die functies zijn enkel activiteiten mogelijk in categorie 1 zodat sprake is van functiemenging. In de omgeving zijn in een straal van 50 meter de volgende functies gelegen waar bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan:

45

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Figuur 21: Omliggende functies

Figuur 22: Belemmering omliggende functies

46

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

De bovenstaande adressen hebben bestemming ‘Centrum’, ‘Gemengd’ of ‘Wonen- Woongebouwen’. Op deze bestemmingen is functiemenging toegestaan (combinatie wonen/werken in één pand of aanpandig). Deze adressen vormen geen belemmering voor het initiatief en andersom vormt het initiatief geen beperking voor de bedrijfsvoering op deze adressen. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10.

Trillingen

Onder de Omgevingswet zijn de regels met betrekking tot trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen als gevolg van activiteiten. Wettelijk kader Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is ook geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van trillinggevoelige ruimten, namelijk woningen. Onderzoek naar trillinghinder gebeurt meestal binnen 100 m van een spoor. Het plangebied ligt op ca. 470 meter afstand van het spoor. Onderzoek naar trillinghinder is derhalve niet noodzakelijk. Daarnaast worden geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing.

Conclusie Met betrekking tot trillingen is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

47

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

5.11.

Flora en fauna

De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) behorende bij de Omgevingswet. Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant-

en

diersoorten

en

regels

ter

bescherming

van

houtopstanden.

Het

gebieds-

en

soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere

plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb’s. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt.

De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming.

48

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn; of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Onderzoek Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om uit te sluiten dat gebieden en soorten worden aangetast. De quickscan is toegevoegd als bijlage 7 bij deze motivering. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties met betrekking tot provinciaal beschermde gebieden ten aanzien van provinciaal beleid; •

Een negatief effect van fysieke activiteiten en van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie en uitgevoerde stikstofdepositieberekening uitgesloten worden.

•

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming •

De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd;

•

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor vleermuizen, beschermde plantensoorten en beschermde ongewervelden;

•

Voor de aanwezige vogelsoorten geldt dat het uitvoeren van voorgenomen activiteiten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd;

•

Er dient te allen tijde gewerkt te worden conform de specifieke zorgplicht.

Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden Wegens de ligging van het onderzoeksgebied binnen de bebouwingscontour van houtkap is de bomenverordening van de gemeente Ermelo van toepassing. Natuurinclusief bouwen De gemeente Ermelo hanteert bij afwijken van het omgevingsplan een verplicht puntensysteem voor natuurinclusief bouwen. Er dient te worden voldaan aan 11 punten.

49

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Stikstof Gezien de huidige stikstofproblematiek is het noodzakelijk voorafgaand aan de te volgen procedures de gevolgen voor de stikstofdepositie in beeld te brengen. In het kader hiervan is een onderzoek uitgevoerd dat is toegevoegd als bijlage. Uit de rekenresultaten blijkt dat zowel in de gebruiksfase als de realisatiefase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige project in de tijdelijke realisatiefase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van stikstof zijn geen nadere stappen noodzakelijk. De rapportage van de stikstofberekening is toegevoegd als bijlage 8. Hoe is dit verwerkt in het plan De punten voor het natuurinclusief bouwen worden verworven door behoud van bestaande boompartijen, doorwaadbare bestrating voor parkeerplaatsen, vijf inheemse struiken, insectenhotel en een nestkast voor vlinders. De maatregelen die worden genomen ten behoeve van natuurinclusief bouwen worden getoond in bijlage 2. Conclusie Met betrekking tot flora en fauna is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12.

Archeologie

Naast veiligheid en gezondheid is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het

50

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie. Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald

in

respectievelijk

archeologische

dubbelbestemmingen

en

cultuurhistorische

dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Onderzoek Omdat de appartementen worden gebouwd bovenop de bestaande winkel wordt de bodem niet geroerd. Eventuele archeologische waarden kunnen daardoor niet worden geschaad. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot archeologie is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13.

Cultuurhistorie

Naast veiligheid en gezondheid is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Wettelijk kader De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten verplaatsing van beschermde monumenten gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand aantasting van de omgeving van een beschermd monument aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen conserveren en in stand houden van archeologische monumenten

Onderzoek

51

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig waar het planvoornemen invloed op heeft. Cultuurhistorische waarden worden derhalve niet aangetast. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot cultuurhistorie is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14.

Verkeer en parkeren

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). Wettelijk kader Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat. Onderzoek Verkeer Voor het berekenen van de verkeersgeneratie (per etmaal) is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. Op basis hiervan is uitgegaan van de ligging in gebiedstype ‘centrum’ en de stedelijkheidsklasse ‘weinig stedelijk’. Alle koopappartementen

hebben een kleiner bvo dan 75 m². Derhalve is uitgegaan van de categorie ‘koop, appartement, <75m2 bvo’.

Tabel 5: Verkeersgeneratie toekomstige situatie Stedelijkheidsklasse weinig stedelijk, centrum Type object

Gem. per eenheid

Aantal eenheden

Totale generatie

Koop, appartement,

5,2

15

78

2

<75m bvo Totaal

52

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

78

18 februari 2025

Op basis van tabel 5 neemt de (theoretische) verkeersgeneratie derhalve toe met 78 verkeersbewegingen per etmaal. Hierbij wordt opgemerkt dat voorgaande een theoretische benadering betreft. Gelet op de inrichting van de bestaande wegen is deze toename van verkeersbewegingen niet zodanig dat dit zal leiden tot verkeersproblemen. Verkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Parkeren Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte is door NDC is een parkeeronderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of de resterende parkeervraag afgewenteld kan worden in de openbare ruimte. Dit parkeeronderzoek is toegevoegd als bijlage 9. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt om een parkeerbalans op te stellen van de ontwikkeling (met uitbreiding). Met deze parkeerbalans wordt duidelijk of de extra parkeervraag past binnen de beschikbare ruimte in de openbare ruimte rondom de ontwikkeling (restcapaciteit) welke is vastgesteld met dit parkeeronderzoek op de maatgevende onderzoeksdagen en -tijden.

Het parkeeronderzoek is uitgevoerd volgens de eisen die de gemeente Ermelo heeft gesteld

qua meetmomenten en grootte van het onderzoeksgebied (volgens ‘Nota Parkeernormen Ermelo’ d.d. 22 februari 2017). Uit de resultaten van de metingen op alle meetdagen komen geen extreme of opvallende resultaten naar voren. De parkeerdruk in het gehele onderzoeksgebied blijft gedurende alle meetmomenten ruim onder de 85%. Op zoneniveau zijn de drukste momenten met de hoogste parkeerdruk en bezettingsgraad als volgt: •

Zone 1 (<100 meter loopafstand): zaterdag 15 juni 2024 om 23.00 uur met een parkeerdruk van 43 geparkeerde voertuigen op een beschikbare parkeercapaciteit van 85 parkeerplaatsen wat resulteert in een bezettingsgraad van 51%;

•

Zone 2 (100-200 meter loopafstand): vrijdag 14 juni 2024 om 20.00 uur en donderdag 20 juni 2024 om 18.00 uur met op beide momenten een parkeerdruk van 133 geparkeerde voertuigen op

een

beschikbare

parkeercapaciteit

van

209

parkeerplaatsen

wat

resulteert

in

een

bezettingsgraad van 64%; •

Zone 3 (>200 meter loopafstand en aanvullend onderzocht): zaterdag 15 juni om 23.00 uur met een parkeerdruk van 28 geparkeerde voertuigen op een beschikbare parkeercapaciteit van 47 parkeerplaatsen wat resulteert in een parkeerdruk van 60%.

Op eigen terrein worden 7 parkeerplaatsen gerealiseerd. Om te onderzoeken hoeveel parkeerplaatsen nog overblijven die moeten worden afgewenteld in de openbare ruimte is een parkeerberekening gemaakt die reeds is geaccordeerd door de gemeente. Deze berekening is te vinden als bijlage 10. Uit deze berekening blijkt dat de resterende parkeerplaatsen kunnen worden opgelost in de openbare ruimte. Hoe is dit verwerkt in het plan Niet van toepassing. Conclusie Met betrekking tot verkeer en parkeren is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

53

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

5.15.

Duurzaamheid

Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid. Wettelijk kader De Omgevingsvisie Ermelo schrijft dat het de ambitie is om in 2030 energieneutraal te wonen, te leven, te ondernemen, te recreëren en te vervoeren en daarnaast om dat in 2035 ook klimaatneutraal te doen. Hiertoe is een Programma Duurzaamheid vastgesteld. Bij het werken aan een duurzaam Ermelo kunnen 5

thema’s

onderscheiden

worden:

energieopwekking,

warmtetransitie,

klimaatadaptatie,

afval

en

circulariteit. Onderzoek Niet van toepassing. Hoe is dit verwerkt in het plan Het plan moet voldoen aan de eisen van Verbouw.

De appartementen worden gebouwd in

overeenstemming met de BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Door te voldoen aan deze voorschriften, wordt ingezet op een uiterst energiezuinig gebouw dat bijdraagt aan een duurzamere toekomst. De focus op BENG omvat het minimaliseren van energieverbruik, het maximaliseren van efficiëntie en het integreren van hernieuwbare energiebronnen. Er worden zonnepanelen geplaatst alsook warmtepompen. Dit niet alleen om te voldoen aan wettelijke vereisten, maar ook om verantwoordelijkheid voor het milieu te vervullen en een positieve impact te hebben op de gemeenschap. Het gebouw gaat volledig van het gas af. Het huidige gebouw heeft een energielabel lager dan G. Het nieuwe gebouw gaat naar een energielabel van op zijn minst A+. Conclusie Met betrekking tot duurzaamheid is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.16.

Klimaatadaptatie

De verandering van het klimaat vraagt om klimaatadaptatie. De impact van klimaatverandering kan groot zijn en verschilt per sector. Zonder zorgvuldige voorbereiding op de veranderingen levert dat risico’s op voor de samenleving en de fysieke leefomgeving. Als gevolg van klimaatverandering is er in de fysieke leefomgeving een toegenomen kans op hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingen. Deze negatieve gevolgen zijn als thema’s geformuleerd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen deze thema’s een belangrijke rol. Klimaatadaptatie van de fysieke

54

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

leefomgeving is hierbij een van de belangrijkste opgaven. Klimaatadaptief ontwikkelen, bouwen en inrichten van de fysieke leefomgeving voorkomt problemen en beperkt financiële en maatschappelijke schade als gevolg van klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Wettelijk kader In paragraaf 5.7.6 van de Provinciale Omgevingsverordening staan regels omtrent klimaatadaptatie beschreven. Deze paragraaf is opgenomen met het oog op het bevorderen van klimaatadaptatie bij nieuwe activiteiten of ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

Artikel 5.85 (klimaatadaptatie) Lid 1 Voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Lid 2 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a.

waterveiligheid;

c.

droogte; en

b. d.

wateroverlast; hitte.

Lid 3 De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Onderzoek Onderstaand zijn vier kaartbeelden weergegeven vanuit Atlas voor de Leefomgeving waar de vier aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte in terugkomen. In en rondom het plangebied is geen overstromingskans. Ook is er weinig wateroverlast na een extreme bui in het plangebied. Het plangebied wordt eveneens niet getroffen in tijden van droogte. Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast. Het plangebied warmt ca. 1 tot 1,2 graden op in hete periodes.

55

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Figuur 23: Waterveiligheid: overstromingskans

Figuur 24: Wateroverlast na een bui

56

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

Figuur 25: Droogte

Figuur 26: Hitte Hoe is dit verwerkt in het plan Een essentieel aspect is het beheer van regenwater. Er worden infiltratiekratten op eigen terrein geïmplementeerd, waardoor een groot deel van het regenwater wordt geïnfiltreerd en op een natuurlijke manier terugvloeit in de bodem. Daarnaast worden regentonnen geïnstalleerd die niet alleen dienen als 57

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

wateropslag, maar ook als een bron voor het onderhoud van de gemeenschappelijke tuin door de bewoners. Het behoud van bestaande flora, zoals de grote bomen op het terrein staat centraal in het ontwerp. Deze bomen, voornamelijk gepositioneerd ten zuiden van het perceel, bieden niet alleen natuurlijke schoonheid maar zorgen ook voor verkoeling, waardoor het leefgebied comfortabeler wordt, met name tijdens warme periodes. Ermelo is grotendeels gelegen op zandgrond, wat infiltratie van water vergemakkelijkt. Om dit natuurlijke proces te versterken, wordt gebruik gemaakt van waterdoorlatend straatwerk, waardoor regenwater gemakkelijk in de bodem kan doordringen en niet leidt tot ongewenste wateroverlast. Conclusie Met betrekking tot klimaatadaptatie is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.17.

Gezondheid

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de

Omgevingswet. Hierbij gaat het zowel om het beschermen van de gezondheid (bijvoorbeeld voorkomen ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid) als het bevorderen van de gezondheid (bijvoorbeeld middels sport en ontspanning). De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Ook kent de Omgevingswet ‘specifieke zorgplichten’, deze borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In een ruimtelijke procedure dienen dergelijke (planologisch) relevante aspecten met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en het milieu dan ook te worden beoordeeld. Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het beoordelingskader kan dus per gemeente verschillen.

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid kan in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. Indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid nog niet is vastgelegd in het omgevingsplan, dient te worden getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege. Wettelijk kader Tot op heden heeft de gemeente Ermelo in het omgevingsplan (nog) geen toepassing gegeven aan het vastleggen van het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid. Er kan niet worden getoetst aan bijbehorende omgevingswaarden. Wel is wat betreft gezondheid, in het kader van de specifieke zorgplicht,

58

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

opgenomen dat in ieder geval alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid moeten worden genomen. Ook gelden, met het oog op het beschermen van de gezondheid, onder andere regels voor het graven in de bodem, het tijdelijk opslaan van vrijkomende grond, de aansluiting op drinkwater, afvoer van huishoudelijk afvalwater & hemelwater en overbewoning van woonruimte. Onderzoek Niet van toepassing. Hoe is dit verwerkt in het plan Het plan omvat een reeks gezondheidsinitiatieven die gericht zijn op het bevorderen van welzijn en het creëren van een gezonde leefomgeving van de Ermelose gemeenschap. Er wordt veel belang gehecht aan het behoud van groene ruimtes en het verbeteren van de klimaatbestendigheid. Het plan omvat het behoud van bestaand groen en het toevoegen van groen aan de achterzijde. Dit zal niet alleen de esthetische aantrekkingskracht van onze omgeving vergroten, maar ook een positieve invloed hebben op de luchtkwaliteit en het algemene welzijn van de bewoners. Alle voorzieningen liggen binnen loopafstand, waardoor bewoners gestimuleerd worden om actief te blijven en dagelijkse activiteiten te voet af te leggen. Daarnaast komen er voldoende mogelijkheden voor het stallen van fietsen, waardoor het gebruik van de fiets als duurzaam vervoermiddel wordt bevorderd en tegelijkertijd de lichamelijke activiteit van de bewoners gestimuleerd wordt.

Tot slot wordt veel belang gehecht aan een schone en opgeruimde omgeving. Daarom is er ruimte voorzien voor afvalcontainers, die uit het zicht worden geplaatst om een nette uitstraling te behouden en de leefbaarheid te verbeteren. Conclusie Met betrekking tot gezondheid is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

59

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

6.

Financiële uitvoerbaarheid en

kostenverhaal

Door vaststelling van dit planologisch besluit worden zogenaamde ‘kostenverhaalplichtige activiteiten’ mogelijk gemaakt in de zin van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De Omgevingswet verplicht de gemeente de kosten die zij zelf maakt ten behoeve van een planologisch

besluit voor het mogelijk maken van een kostenverhaalplichtige activiteit te verhalen op de eigenaar of eigenaren van de betreffende gronden. Het kostenverhaal betreft alleen kosten die op de kostensoortenlijst staan als genoemd in Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding van het planologisch besluit in de procedurefase, maar ook aan de kosten van aanleg van openbare voorzieningen in de uitvoeringsfase. Een kostenverhaalsplichtige activiteit mag niet worden verricht voordat de voor de activiteit verschuldigde bijdrage in het kader van het kostenverhaal is betaald. Hiervan kan worden afgeweken als een overeenkomst wordt gesloten waarin voorwaarden worden opgenomen over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling. In dit geval mag de uitvoering van een activiteit wel starten voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Als er geen zekerheid voor betaling is overeengekomen vóór het nemen van het planologisch besluit, neemt de gemeente kostenverhaalsregels op in het omgevingsplan, dan wel kostenverhaalvoorschriften op bij de omgevingsvergunning.

60

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

7.

Belangenafweging en conclusie

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (hoofdstukken 4 en 5). Daarbij is de uitvoerbaarheid van het plan verzekerd (hoofdstuk 6). Op basis van voorliggende motivering wordt geconcludeerd dat, alles overwegende, de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wel aanvaardbaar is omdat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

61

Motivering BOPA Stationsstraat 91, Ermelo

18 februari 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15219416/1