Ruimtelijke onderbouwing e240052014 (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
De Beek 75
,
Ermelo
Gemeente Ermelo
Oktober 2024
Ca
EDOK-RO
EDOK-RO Van
Breugelplantsoen 81
3771 VN Barneveld
@
06
—
1395 0955
@ info@edok-ro.nl www.edok-ro.nl
Documenttitel
1
Ruimtelijke
onderbouwing
Datum
1
04-10-2024
Gemeente
:
Ermelo
Opdrachtgever
Fam
Contactpersoon
:
(geanonimiseerd) EN MN (geanonimiseerd) (oRAMBA)
Opsteller
:
EDOK-RO
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) DT
Projectnummer
:
(geanonimiseerd)
2023-FB-01
De
Beek
75, Ermelo
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 1. 1 1. 2 1. 3 1. 4
Inleiding Aanleiding Ligging projectgebied Planologische regeling Leeswijzer
Hoofdstuk 2
Huidige en toekomstige situatie
11
Hoofdstuk 3
15 15 16 17
Hoofdstuk 4
21 21 21 22 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 33
3. 1 3. 2 3. 3
4. 1 4. 2 4. 3 4. 4 4. 5 4. 6 4. 7 4. 8 4. 9 4. 10 4. 11 4. 12 4. 13 4. 14
Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
5 5 5 8 9
Milieu- en omgevingsaspecten Algemeen Bedrijven en milieuzonering Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Bodem
Geur Archeologie
Cultuurhistorie Flora en fauna
Water Luchtkwaliteit Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen
Milieueffectrapportage
Hoofdstuk 5 5. 1 5. 2
Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 6 6. 1 6. 2 6. 3
Afweging en conclusie
Aanleiding
Afweging Conclusie
Bijlagen
35 35 35 37 37 37 37
39
Bijlage 1
Besluit omgevingsvergunning sleufsilo
41
Bijlage 2
Vergunning sleufsilo
43
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
45
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
47
Bijlage 5
Geen Wnb-vergunning
49
Bijlage 6
Natuurwaardenonderzoek
51
Bijlage 7
Stikstofonderzoek
53
Bijlage 8
Watertoets
55
3
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
4
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Hoofdstuk 1 Inleiding
1. 1
Aanleiding
Op de locatie aan De Beek 75 in Ermelo is volgens het geldende bestemmingsplan een vrijstaande bedrijfswoning toegestaan. Deze woning is sinds zeer lange tijd al in gebruik door twee huishoudens. De gemeente heeft in een mediation-traject medewerking toegezegd om hier planologisch een reguliere twee-onder-een-kapwoning mogelijk te maken onder voorwaarde dat de sleufsilo's op het perceel Koningsweg 188 worden verwijderd. Tevens dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld waaruit blijkt dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. In overleg met de omgevingsdienst is besloten om nu tijdelijk in te steken als twee plattelandswoningen en dat te zijner tijd de gemeente de plattelandswoningen omzet naar twee reguliere woningen. Door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan het college van Burgemeester en Wethouders afwijken van het vigerende bestemmingsplan door middel van de uitgebreide vergunningprocedure. ,
,
,
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening' en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt uitvoerbaar is.
1. 2
Ligging projectgebied
De plangebieden zijn gelegen aan de oostzijde van de N302 zie afbeelding 1.1 hierin is A: locatie De Beek 75 en B: Locatie Koningsweg 188. ,
,
Afbeelding 1. 1: Ligging van de locatie De Beek 75 (A) en Koningsweg 188 (B) Afbeelding 1. 2 geeft de begrenzing (rode lijn) weer van het plangebied De Beek 75 in Ermelo.
5
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Afbeelding 1. 2: Luchtfoto locatie De Beek 75 Op de navolgende afbeelding 1. 3 wordt de ligging van de sleufsilo's weergegeven (rode cirkel) op het perceel Koningsweg 188.
Afbeelding 1. 3: Luchtfoto locatie Koningsweg 188
6
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Kadastrale gegevens De Beek 75 Kadastrale gemeente
: Ermelo
Sectie
: C
Nummer
: 1084
(gedeeltelijk)
Afbeelding 1. 4: Kadastrale kaart (plangebied rode belijning) Koningsweg 188 Kadastrale gemeente
: Ermelo
Sectie
: C
Nummer
: 859
(gedeeltelijk) 922 (gedeeltelijk) en 1005 (gedeeltelijk) ,
Afbeelding 1. 5: Kadastrale kaart
7
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
1. 3
Planologische regeling
Voor beide locatie is het bestemmingsplan 'Buitengebied Agrarische toepassing. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2015.
enclave
en
Speuld'
van
Locatie De Beek 75 Deze locatie heeft de enkel bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie H'. Binnen het bouwvlak bedraagt de maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 4 en 8 meter. Verder gelden de functieaanduidingen: specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning specifieke vorm van waarde - landschapswaarden 2 specifieke vorm van waarde - natuurwaarden 1 specifieke vorm van waarde - natuurwaarden 3 en de gebiedsaanduidingen: overige zone - natuurrand reconstructiewetzone - extensiveringsgebied
Afbeelding 1. 6: Uitsnede geldend bestemmingsplan Locatie Koningsweg 188 Deze locatie heeft de enkel bestemming 'Agrarisch met waarden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie M' en 'Waarde aanwezig. Verder gelden de functieaanduidingen: specifieke vorm van waarde - landschapswaarden 2 specifieke vorm van waarde - natuurwaarden 1 specifieke vorm van waarde - natuurwaarden 3
8
-
Natuur en landschapswaarden en Landgoed'. Er is geen bouwvlak
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
en de gebiedsaanduidingen:
overige zone - natuurrand reconstructiewetzone - extensiveringsgebied
Afbeelding 1. 7: Uitsnede geldend bestemmingsplan
1. 4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 is een
beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied. De gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven. Hoofdstuk 5 behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid en hoofdstuk 6 sluit af met de conclusie.
9
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
10
Ruimtelijke onderbouwing
Hoofdstuk In de
huidige
2
Huidige
situatie wordt de
en
woning
De
Beek 75, Ermelo
toekomstige situatie
al sinds
jaar en dag
door twee
gezinnen
bewoond.
Voor
de locatie De Beek 75, waarbij nu een aanduiding ‘bedrijfswoning’ aanwezig is, wordt door deze naar Het een gecombineerde aanvraag gewijzigd ‘plattelandswoning’. betreft twee-onder-één-kapwoning waarvoor de geregistreerde sloopmeters van de sleufsilo’s aan de Koningsweg 188 worden ingezet om de omzetting planologisch naar twee aaneengebouwde plattelandswoningen mogelijk te maken. Voor de locatie het hebben van Na
nabij Koningsweg een
188 waar vergunning is verleend (zie Bijlage aantal sleufsilo’s, wordt het perceelgewijzigd naar ‘Natuur’.
sloop en afvoer van kruidenrijk grasland.
de
steenachtige
Vervolgens wordt het beheer Landschap & Kasteelen.
van
het
materialen wordt het
perceel
worden
Afbeelding 2,1 geeft de bestaande situatie weer (links) omgezet naar kruidenrijk grasland (rechts).
(geanonimise rd) Afbeelding
2.1: Bestaande
en
nieuwe situatie
1
en
Bijlage 2) voor
perceel geëgaliseerd
en
in
overgedragen
en
de situatie
gezaaid
naar
de
Stichting
waarbij
het
gehele perceel
met
Geldersch
wordt
Kruidenrijk grasland
Koningsweg
188
De bestaande twee-onder-een-kapwoning aan De Beek 75 A en B, blijft ongewijzigd. Afbeelding 2.2 geeft de bestaande inrichting weer en afbeelding 2.3 het vooraanzicht van de woning.
EDOK-RO
11
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Afbeelding 2. 2: Luchtfoto De Beek 75 A en B.
Afbeelding 2. 3: Voorzaanzicht
12
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Afbeelding 2. 4 geeft een aantal gevels weer van de twee-onder-een-kapwoning.
Afbeelding 2. 4: Gevels
13
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
14
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Hoofdstuk 3
Beleid
3. 1
Rijksbeleid
3. 1. 1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit en zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de
,
,
woonbehoeften. Om
ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks in het voorjaar is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast. ,
,
,
,
,
Toetsing Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de wijziging van één agrarisch plattelandswoning naar een twee-onder-een-kap plattelandswoning. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. 3. 1. 2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Met het vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (30 december 2011) ook wel Barro genoemd geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen en wordt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de voormalige Nota Ruimte gewaarborgd. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen; ,
,
hoofdwegen en hoofdspoorwegen; elektriciteitsvoorzieningen; buisleidingen van nationaal belang van gevaarlijke stoffen; ecologische hoofdstructuur; primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Toetsing ,
Gelet
alsmede de aard en omvang van de beoogde op de ligging van het plangebied planontwikkeling dat in het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt wordt geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met het nationaal ruimtelijk belang zoals neergelegd in het Barro. Voornoemde onderwerpen hebben geen betrekking op het plangebied. ,
,
,
3. 1. 3
Ladder duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 tweede lid van het Bro luidt sinds 1 juli 2017 als volgt: " De toelichting bij een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. " ,
,
,
,
,
,
15
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
De 'nieuwe ladder' vergt niet meer dat de 'actuele regionale behoefte' wordt beschreven volstaan kan worden met de 'behoefte'. Relevant is of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Artikel 1.1.1 lid 1 Bro geeft de volgende definitie aan stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein of van kantoren detailhandel woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. ,
,
,
,
,
Voor woningbouwlocaties geldt volgens jurisprudentie (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zaaknummer 201608869/1 d. d. 28 juni 2017) dat er 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. Voor 'wonen' is het daarom de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. ,
Toetsing Dit plan voorziet niet in de realisatie van 12 of meer woningen. De feitelijke situatie wordt planologisch mogelijk gemaakt. Daarmee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.
3. 2
Provinciaal beleid
3. 2. 1
Omgevingsvisie
Op 19 december 2018 is de laatste versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Gelderland kiest er in de Omgevingsvisie voor om bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven vanuit twee hoofddoelen. Het eerste doel is het vergroten van de concurrentiekracht van Gelderland door versterking van de ruimtelijk-economische structuur.
een
duurzame
Het tweede doel is het waarborgen en het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Dit betekent vooral: ontwikkelen met kwaliteit recht doen aan de ruimtelijke landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek; zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap; een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte hitte en waterovervloed; een gezonde en veilige leefomgeving; een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur natuur en landschap. De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak bijvoorbeeld wonen werken mobiliteit. Het derde thema Mooi Gelderland betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
De Omgevingsvisie beschrijft hoe de provincie Gelderland in de komende jaren wil omgaan met ontwikkelingen en initiatieven. In de Omgevingsvisie wordt het accent gelegd op de stedelijke netwerken als economische kerngebieden van Gelderland. In samenhang met de sterke steden zijn de landschappelijke ligging en de vitaliteit van de dorpen in de regio van groot belang. Bij ruimtelijke initiatieven is de uitdaging de match te maken tussen de kwaliteiten van het betreffende initiatief en de kwaliteiten van de plek of het gebied waar het initiatief speelt. Toetsing Dit plan voorziet in het planologisch mogelijk maken van de bestaande al lang in gebruik zijnde twee-onder-een-kapwoning. Door de sloop van de gleufsilo's en omliggende verharding neemt het aantal m2 verharding af wat de waterfunctie in de omgeving ten goede komt. Daarnaast wordt het gehele perceel ingezaaid met kruidenrijk gras wat ten gunste is van de natuur. ,
,
16
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Dit plan is in overeenstemming c. q. niet in strijd met de Omgevingsvisie Gelderland. 3. 2. 2
Omgevingsverordening Gelderland
Op 21 december 2022 is de laatste versie van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening ziet erop toe dat het beleid uit de Omgevingsvisie Gelderland operationeel wordt. Navolgend worden de voor het plangebied relevante bepalingen aangehaald en vervolgens getoetst. Wonen Artikel 2. 2 bepaalt over nieuwe woningen het volgende: Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: 1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; 2. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid; 3. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling en Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling. Toetsing ,
,
Ermelo valt onder de regionale woonagenda 'Samenwerking Noord-Veluwe'. De gemeenten Elburg Ermelo Harderwijk Hattem Nunspeet Oldebroek en Putten werkten in 2018 en 2019 samen in de Samenwerking Noord-Veluwe (SNV). In die periode is een regionale woonagenda opgesteld: de Regionale woonagenda 2019-2022. In deze agenda worden de opgaven en uitdagingen bepaald die de partners in de komende periode willen oppakken waaronder het maken van afspraken over regionale en gemeentelijke woningbouwaantallen en het nader in beeld brengen van de kwalitatieve woningbouwbehoefte. Wel wordt in de woonagenda geconstateerd dat er een oplopend tekort is aan woningen en dat elke doelgroep graag een nieuwe woning wil. De woningbouw blijft fors achter bij de ,
,
,
,
,
,
behoefte.
Met dit plan neemt het aanbod aan woningen niet toe maar wordt voorkomen dat elders nieuwe woningen moeten worden gebouwd. Er is sprake van zuinig ruimte gebruik en door de sloop van de sleufsilo's en omliggende verharding neemt de verharding in het buitengebied af wat ten gunste is van de natuur. ,
,
Conclusie Dit plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
3. 3
Gemeentelijk beleid
3. 3. 1
Omgevingsvisie Ermelo
De Omgevingsvisie Ermelo is vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2022. De omgevingsvisie geeft de ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen van Ermelo op hoofdlijnen. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 'Buitengebied west'. De relevante opgaven die rondom het plangebied benoemd zijn zijn als volgt: Goede inpassing van woningbouwprojecten. Koester het afwisselende waardevolle landschap. De druk op het gebied wordt steeds groter denk aan woningbouw grootschalige energieopwekking en recreatie-initiatieven. Het Ontwikkelingsperspectief Horst & Telgt vormt het kader voor ontwikkelingen. Werken aan de verbetering van het landschap. Een voorbeeld is het versterken van groen rondom buurtschappen en erfbeplanting. Verder is over wonen het volgende beschreven in de omgevingsvisie: ,
,
,
Ermelo werkt samen met de bewoners en partners aan leefbare toekomstbestendige wijken. Met een aantrekkelijke groene inrichting waarmee bijgedragen wordt aan de klimaatadaptatie een schone lucht beweegspeelvriendelijke omgeving. Ingezet wordt duurzame en een en op levensloopbestendige woningen voor alle leeftijds- en doelgroepen. We faciliteren en stimuleren de realisatie van voldoende woningen voor alle Ermeloërs. Nieuwbouw vindt in eerste instantie plaats via ,
,
,
,
17
,
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
inbreiding en herontwikkeling termijn hebben we behoefte aan een nieuwe maar op ontwikkelingsrichting buiten het bebouwde gebied. Het behoud en waar mogelijk versterken van onze groene identiteit en een gezonde leefomgeving vraagt om een einde aan het alsmaar verder inbreiden. ,
,
Toetsing Dit plan voorziet in het planologisch mogelijk maken van de bestaande twee-onder-een-kapwoning aan De Beek 75 A en B. Om dit mogelijk te maken worden op het perceel Koningsweg 188 gleufsilo's met omliggende verharding gesloopt en het gehele perceel ingezaaid met kruidenrijk gras. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van groen rondom buurtschappen.
,
Conclusie Dit plan is in overeenstemming met het ontwerp van de Omgevingsvisie Ermelo. 3. 3. 2
Woonvisie Ermelo 2030
Sinds de laatste woonvisie uit 2015 zijn er veel ontwikkelingen geweest op de woningmarkt. Zo is de druk op de woningmarkt flink toegenomen en zijn de huizenprijzen gestegen. Hierdoor hebben veel huishoudens en met name starters en de ouderen moeite om geschikte en passende woonruimte te vinden. Om in te spelen op de veranderingen heeft het college een nieuwe woonvisie opgesteld.
Exclusief staat voor de woonomgeving die de gemeente Ermelo bieden; groen gezond een sterke ,
,
sociale verbondenheid en zorgstructuur. Deze woonomgeving wil de gemeente toegankelijk houden voor iedereen. Dit betekent dat de gemeente zich gaat inspannen voor een gevarieerd woningaanbod voor jong en oud kleine en grote huishoudens lage midden en hoge inkomens en voor mensen met een specifieke zorgvraag. Om de visie te realiseren zet de gemeente in op drie strategische ,
,
,
woonopgaven:
Samen investeren in toekomstbestendige buurten en buurtschappen;
Woningbouwprogramma in balans; Passend en betaalbaar wonen voor iedereen. Nieuwbouw herstructurering en transformatie zet de gemeente de komende jaren in voor alle doelgroepen. De gemeente heeft hierbij een programmering van nieuwbouwwoningen voor ogen waarin een goede balans is tussen de behoefte van de korte termijn en de lange termijn. Ook stimuleren ze bij elke nieuwbouwaanvraag de inzet op groen- en natuurinclusief bouwen. In Ermelo streeft de gemeente naar een woningvoorraad die zoveel mogelijk past bij de woonwensen inkomens levensfase en huishoudenssamenstelling van onze inwoners. Er is keuze voor iedereen mede door een passend en betaalbaar woningaanbod. Hierbij zetten ze onder andere in op het vergroten van het aantal sociale huurwoningen. ,
,
, ,
Toetsing Dit plan voorziet in het planologisch mogelijk maken van de bestaande twee-onder-een-kapwoning. Hierdoor kunnen de bewoners blijven wonen en wordt voorkomen dat het woning tekort verder toeneemt.
Conclusie Dit plan is in overeenstemming c. q. niet in strijd met de woonvisie. 3. 3. 3
Landschapsontwikkelingsplan
Het buitengebied van Ermelo en Putten heeft bijzondere landschappelijke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Deze kwaliteiten staan onder druk door de dynamiek in het buitengebied ten gevolge van verschillende processen en concrete ontwikkelingen die hun weerslag hebben op het landschap. De dynamiek biedt tevens kansen voor behoud van landschappelijke kwaliteiten en landschapsontwikkeling. De gemeente Ermelo wil het LOP gebruiken als input voor de nieuwe structuurvisie Ermelo. Het doel van de opstelling van het LOP is om in overleg met alle betrokkenen bestuurders beleidsmakers bewoners en organisaties - tot een uitvoeringsgericht plan te komen voor behoud en verbetering van de kwaliteit van het landschap. ,
,
18
,
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Op hoofdlijnen bestaat de visie uit het behoud en versterking van de kernkwaliteiten van de 4 hoofdzones. Op het Landschapsontwikkelingsplan is het plangebied gelegen in de hoofdzone II: Flank van het Veluwemassief. Hierover is het volgende beschreven: De flank is grotendeels ‘agrarisch werklandschap’ dat is opgebouwd uit een mozaïek van verschillende landschapstypen. Op de flank zijn gebieden te vinden met veel ruimtelijke ontwikkelingen zoals de dorpsranden gebieden met verblijfsrecreatie en landbouwontwikkelingsgebieden. Ook zijn er gebieden met weinig ontwikkelingen zoals de landgoederenzone Gerven – Hell - Oldenaller (de ‘waardevolle ruimtelijke eenheden’ uit het kwaliteitsbeeld). In de gebieden met veel ruimtelijke ontwikkelingen wordt gestreefd naar de versterking dan wel aanleg van een landschappelijk raamwerk om de ruimtelijke ontwikkelingen in te bedden. Het raamwerk bestaat uit bouwstenen (landschapselementen zoals lanen) die passen bij het landschapstype. Ook bij kleinschalige ontwikkelingen bijvoorbeeld op het niveau van erven geldt dat de bouwstenen (eigenschappen) van de verschillende landschapstypen worden benut. In het gebied Horst en Telgt wordt gestreefd naar versterking van het contrast tussen de besloten dekzandruggen met bebouwing en het open landschap daartussen. ,
,
,
,
,
Door dit plan wordt de landschapsstructuur als volgt versterkt: Verharding neemt met circa 2. 500 m 2 af. Er wordt circa 6. 000 m 2 kruidenrijk grasland ingezaaid.
Conclusie Dit plan is in overeenstemming met het landschapsontwikkelingsplan.
19
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
20
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Hoofdstuk 4
4. 1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Ingevolge artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4. 2
Bedrijven en milieuzonering
4. 2. 1
Algemeen
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur stof geluid gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening zoals dat uitgangspunt is van de Wro dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. ,
,
,
,
,
VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering " Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).
VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige De
bestemming
waarbij
onaanvaardbare
milieuhinder
als
gevolg
van
milieubelastende
(bedrijfs)activiteiten betreffende geluid geur stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. ,
,
Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2) waar sprake is van functiemenging kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1 etc. ). ,
,
,
,
,
21
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Relatie tussen milieucategorie Milieucategorie
,
richtafstanden en omgevingstype
Richtafstanden tot omgevingstype
Richtafstanden tot omgevingstype
rustige woonwijk en buitengebied
gemengd gebied
1
10 m
0 m
2
30 m
10 m
3. 1
50 m
30 m
3. 2
100 m
50 m
4. 1
200 m
100 m
4. 2
300 m
200 m
5. 1
500 m
300 m
5. 2
700 m
500 m
5. 3
1. 000 m
700 m
6
1. 500 m
1. 000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn 4. 2. 2
Onderzoek
Dit plan voorziet in een milieugevoelige functies. Daarmee is sprake van inwaartse zonering. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie is een agrarisch bedrijf (De Beek 73) op circa 150 meter ,
afstand. Milieuzoneringen staan de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg (zie paragraaf 4. 5 Geur). 4. 2. 3
Conclusie
Het aspect bedrijven- en milieuzonering is geen belemmering voor dit plan.
4. 3
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
4. 3. 1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. ,
Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken. ,
22
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. ,
,
Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1. 4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone ,
De zonebreedte varieert van 100 tot 1. 200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden aangegeven.
overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden) afhankelijk van de situatie. ,
Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. ,
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm) afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. ,
,
4. 3. 2
Onderzoek
In mei 2024 is door AWG Geluidadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting te bepalen en of een eventuele hogere grenswaarde-procedure noodzakelijk is (zie Bijlage 3 ).
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) ligt rond iedere weg een zone (art. 74). Voor deze locatie is voor de Flevoweg
-
N302 een zone van 250 meter van toepassing.
Gemeentelijk geluidbeleid De Ermelo hanteert gemeentelijk geluidbeleid. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat hogere grenswaarden zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Als de maatregelen onvoldoende effect sorteren kan de gemeente een hogere grenswaarde vaststellen. Hierbij hecht de gemeente aan de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. Verder is altijd een goede motivatie c. q. ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk en moet ook de cumulatieve geluidbelasting worden meegewogen.
Grenswaarden Bij hogere waarden moet uit akoestisch onderzoek blijken welke maatregelen nodig zijn om wel aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Als maatregelen niet mogelijk of onvoldoende doeltreffend zijn kan een hogere waarde worden vastgesteld. Dit wordt beoordeeld per wegvak. De maximale ontheffing voor nieuwe woningen is voor Gemeentelijke wegen Binnenstedelijk gebied 63 dB en voor Gemeentelijke wegen Buitenstedelijk gebied 53 dB.
23
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
In dit geval betreft het een buitenstedelijk situatie waarvoor een maximale waarde geldt van Lden=53 dB (vervangende nieuwbouw 58 dB). Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting op de bestaande woning 75B aan de wegzijde Lden=53 dB of lager bedraagt. Op de nieuwe (te splitsen) woning 75B voldoet de zuid– en oostgevel aan de voorkeursgrenswaarde van Lden=48 dB incl. aftrek van 5 dB. Op de noordgevel is er door reflectie van de uitbouw net een overschrijding tot Lden=49 dB. ,
Op de verdieping bedraagt de berekende geluidbelasting Lden= 49 dB op zowel de noord als de zuidgevel. Op de oostgevel wordt wel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Daarmee heeft de nieuwe woning een geluidluwe gevel en is op basis van het geluidbeleid inpasbaar. Het betreft een bestaand pand waarvoor de bestaande situatie wordt gelegaliseerd. Maatregelen aan bron en overdracht zijn hier niet reëel te treffen. Er is ook maar 1 dB berekend boven de voorkeursgrenswaarde. De minimale karakteristieke geluidwering conform het Bouwbesluit van GA;k=20 dB is voor de nieuwe woning voldoende. ,
Omdat
de berekende waarde 1 dB boven de voorkeursgrenswaarde grenswaarde nodig. De gemeente wordt gevraagd die vast te stellen.
ligt is wel een
hogere
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is ook een goed binnenniveau aan te bevelen. De benodigde karakteristieke geluidwering voor een binnenniveau van 33 dB is voor de nieuwe woning gelijk aan de minimale waarde uit het Bouwbesluit van GA;k= 20 dB. Voor de bestaande woning is een GA;k=23 dB(A) of lager aan te bevelen. Verkeersgeluid vormt hiermee geen belemmering voor realisatie van het plan. 4. 3. 3
Conclusie
Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4. 4
Bodem
4. 4. 1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i. v. m. milieuhygiënische risico's voor mens plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. ,
,
4. 4. 2
Onderzoek
In februari 2024 is door Grondvitaal BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging in de grond en het freatisch grondwater. Uitvoering
onderzoek heeft plaatsgevonden overeenkomstig NEN 5740 ONV-NL van het (onverdachte niet lijnvormige locatie) en NEN 5740 VEP (verdachte kern) en aanverwante normen en richtlijnen m. b. t. het nemen van de monsters en de behandeling daarvan. Uit het rapport blijkt dat voor het gehele onderzoeksgebied geldt: De onderzoekshypothese ”onverdacht” grondwatermonster heel strikt genomen kwalificatie verdacht van toepassing.
kan niet
op grond van de analyseresultaten van het worden gehandhaafd. Formeel gesproken is de
De aangetroffen cadmiumconcentratie is echter van lichte aard en geeft geen aanleiding aanvullend onderzoek. De invloed hiervan op de volksgezondheid en het milieu is nihil.
tot
Uit
de
de toetsing van de
analyses van
de grondmengmonsters
aan
de tijdelijke kaders
Omgevingswet blijkt dat de twee grondmengmonsters niet de interventiewaarde overschrijden.
24
van
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Uit het rapport blijkt dat voor de locatie van de voormalige HBO-tank geldt: De onderzoekshypothese ”verdachte locatie” wordt op grond van de analyseresultaten van het gronden grondwatermonsters niet bevestigd. In het grondmengmonster en het grondwatermonster zijn geen verhoogde waarden aangetroffen van de verdachte parameters. Op basis van het bodemonderzoek zijn er geen aanwijzingen dat de bovengrondse huisbrandolie tank naast de woning een negatieve invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse. 4. 4. 3
Conclusie
Er zijn geen milieutechnische belemmeringen aanwezig. Het aspect bodem is geen belemmering voor het plan.
4. 5
Geur
4. 5. 1
Algemeen
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader s als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties deze zijn weergegeven in de volgende tabel. ,
binnen bebouwde kom
buiten bebouwde kom
concentratiegebieden
30 (in ou/m)3
140 (in ou/m 3
niet concentratiegebieden
20 (in ou/m)3
80 (in ou/m)3
,
,
,
,
Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen maar gelden ook deze minimumafstanden. ,
Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom. 4. 5. 2
Onderzoek
Dit plan voorziet in een milieugevoelige functies. Daarmee is sprake van inwaartse zonering. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie is een agrarisch bedrijf (De Beek 73) op circa 150 meter ,
afstand.
Hiervoor geldt maximaal milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 30 meter voor stof en geluid. Voor het geuraspect volgt de aan te houden vaste afstand van 50 meter uit de Wet geurhinder en veehouderij. Dit bedrijf ligt op 150 meter vanaf het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor dit plan. Daarnaast is de functie wijziging voor de woningen niet beperkend voor dit bedrijf. De woning aan De Beek 71 ligt namelijk al op kortere afstand tot het bedrijf. ,
,
25
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Het voormalige rundveebedrijf aan De Beek 77 heeft geen Wnb-vergunning meer waardoor er geen volwaardige en reëel agrarisch bedrijf gevoerd kan worden (zie Bijlage 5). De agrarische bestemming is nog van kracht maar een mogelijkheid om die te verwezenlijken is er niet meer want een nieuwe Wnb-vergunning is niet denkbaar op deze plaats. Er bevinden zich dan ook geen dieren meer in de bedrijfsbebouwing van De Beek 77. Indien dit wel geval is zal de gemeente handhavend moeten optreden. ,
,
,
Aangezien de bewoner van De Beek 77 bezig is zijn functie te wijzigen naar een woonfunctie ook geen mogelijkheid om alsnog een loonwerkbedrijf te vestigen op de locatie.
,
is er
Tevens is besloten in overleg met de omgevingsdienst dat de twee bedrijfswoningen worden omgezet naar twee plattelandswoningen. Voormalige bedrijfswoningen kunnen op basis van de instructieregels (Omgevingswet bepaalde gevallen minder bescherming krijgen dan reguliere woningen.
2024) in
Voorliggend plan is zo'n geval aangezien het perceel De Beek 77 in voorbereidende fase is om het betreffende perceel om te zetten naar een woonfunctie. Er is dus zicht op een acceptabel woonklimaat. ,
Overige
milieubelastende functies zijn op uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg. 4. 5. 3
ruimere
afstand gelegen. Milieuzoneringen staan de
Conclusie
Het aspect geur is geen belemmering voor de realisatie van de woningen.
4. 6
Archeologie
4. 6. 1
Algemeen
Op basis van de Erfgoedwet moet de gemeente bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening
houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Het gemeentelijk archeologisch beleid is verwoord in het in april 2011 vastgestelde archeologiebeleid 2011-1015. Hieraan is de beleidskaart archeologie gekoppeld. De Beleidskaart Archeologie is tot stand gekomen door onderzoek van archeologisch adviesbureau RAAP (RAAP- rapport 2050 " Een actualisatie en herziening van de archeologische verwachting)." In de beleidskaart Archeologie is aangegeven wanneer bij nieuwe planontwikkelingen archeologisch vooronderzoek plaats dient te vinden. Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Bij een plan kan worden bepaald dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een aanlegactiviteit van werken geen bouwwerken zijnde een rapport over de archeologische waarden dient te overleggen. Aan de omgevingsvergunning kunnen indien nodig archeologische voorschriften worden verbonden. Deze verplichting geldt niet bij projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m². ,
,
,
Op de beleidskaart archeologie zijn per waarde- of verwachtingsgebied de vrijstellingsgrenzen Het beleid is om in bestemmingsplannen een dubbelbestemming " Waarde archeologie " op te nemen met bijhorende bouwregels en aanlegvergunningstelsel met inachtneming van de vrijstellingsgrenzen. aangegeven.
4. 6. 2
Onderzoek
Het perceel is gelegen in een gebied waarvoor geldt: hoge verwachting (zie afbeelding 4. 1. ).
26
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Afbeelding 4. 1: Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rode cirkel) Voor gebieden waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt betekend dit dat bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor dit plan is sprake van functiewijziging en vinden er geen bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 4. 6. 3
Conclusie
Archeologie is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4. 7
Cultuurhistorie
4. 7. 1
Algemeen
In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland stedenland kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.
,
,
,
Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; ,
27
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
4. levend landschap: synergie tussen erfgoed economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. 4. 7. 2 Onderzoek ,
Er is sprake aangetast. 4. 7. 3
van
functiewijziging
,
waardoor
eventuele
cultuurhistorische
waarden
niet
worden
Conclusie
Cultuurhistorie is geen belemmering voor dit plan.
4. 8
Flora en fauna
4. 8. 1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in heldere implementatie de Europese een van natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN) waarvoor de provincies beleid maken. ,
,
,
Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot negatieve de (significant) effecten op instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. ,
,
,
,
Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3. 1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3. 5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art. 3. 10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. ,
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast
de
Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN) de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
,
waarvoor
,
Ook de beheersgebieden
voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de ,
28
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. voorgenomen
4. 8. 2
Onderzoek
Er is hier sprake van functiewijziging. Er vinden geen wijzigingen plaats aan het dak en/of de gevels. In juli 2024 is door Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur een quicksan natuurwaarden onderzoek uitgevoerd voor de sleufsilo's nabij Koningwegsweg 188 in Ermelo (zie Bijlage 6) .
Uit het onderzoek blijkt dat: er geen aanwijzingen zijn voor verblijfplaatsen van marters vleermuizen en jaarrond beschermde nesten; de sleufsilo’s net binnen Natura 2000-gebied Veluwe liggen. Bestaande activiteiten bestaan uit het inkuilen van mais en gras en het er als veevoer weer uithalen. Verwijdering van de silo's heeft hooguit positieve gevolgen voor beschermde habitats en/of soorten. Er is in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase door intern salderen geen toename van de stikstofdepositie hoger dan 0. 00 mol/ha/jaar. Daarmee is ook externe werking door stikstof uit te sluiten (zie Bijlage 7); bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling gegeven moet worden aan de zorgplicht om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dat betekent hier de sleufsilo’s te verwijderen buiten de broedtijd. 4. 8. 3 Conclusie ,
Het aspect flora en fauna is geen belemmering voor de realisatie van het plan. Er is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming.
4. 9
Water
4. 9. 1
Algemeen
Algemeen Het waterbeleid wordt vanuit Europa in de vorm van kaderrichtlijnen aangestuurd en vertaald in Nederlands en regionaal waterbeleid. De uitvoering van het waterbeheer is in handen van Rijkswaterstaat en de Waterschappen. De gemeenten spelen naast de waterschappen een belangrijke rol in het beheer van de afvalwaterketen terwijl zij ook een belangrijke zorgplicht hebben bij grondwateroverlast en de verwerking van regenwater. Het waterbeleid de zorgplichten en concrete richtlijnen komen in deze paragraaf aan de orde. De concrete invulling van watermaatregelen voor deze ontwikkeling wordt besproken in paragraaf 5. 6. ,
Europees en Nationaal beleid Water is geen gewoon handelswaar maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd (Europese Kaderrichtlijn Water 2003). Vanuit de Kaderrichtlijn Water wordt dan ook het kader gegeven voor de bescherming van landoppervlaktewater overgangswater kustwater en grondwater. Met als doel om de aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen te behoeden voor verdere achteruitgang. Tevens om de emissies te verbeteren duurzaam gebruik van water te bevorderen en te zorgen voor aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Het Nationaal Waterprogramma (NWP 2022-2027) stelt als doel een veilige en klimaatbestendige delta nu en in de toekomst. Het NWP is dan ook te lezen als een structuurvisie. Met water als ordenend principe. ,
,
,
,
,
,
,
Water als ordenend principe loopt als een rode draad door al het Nederlandse waterbeleid. Met als doel een mooi veilig schoon gezond en duurzaam (beheer van het) watersysteem. ,
,
,
Provinciaal en Regionaal beleid De doelen voor het waterbeheer zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening. Net als de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie deze gaat uitvoeren. Als waterbeheerder en bevoegd gezag voor zowel waterkwantiteit als waterkwaliteit heeft waterschap Vallei en Veluwe dit verder uitgewerkt. Dat is gedaan in het Blauw Omgevingsprogramma (2022-2027). Om de taak als waterbeheerder uit te kunnen voeren heeft het waterschap twee instrumenten: de keur en de legger. ,
29
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
De keur is een verordening waar gedoogplichten geboden en verboden in staan. Hieruit volgt dan ook of voor bepaalde werkzaamheden een watervergunning aangevraagd dient te worden. Dat kan via het omgevingsloket. ,
De legger bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken waterlichamen en onderhouds- en beschermingszones. In deze legger wordt daarnaast aangegeven wie het onderhoud van een watergang dijk of constructie moet uitvoeren. Eventueel andere bestaande infrastructuur zoals transport- en persleidingen voor stedelijk afvalwater met beschermingszones zijn opgenomen onder het hoofdstuk " kabels en leidingen." ,
,
Lokaal waterbeleid In de gemeente Harderwijk is het beleid rondom (afval)water vertaald in het Waterplan Harderwijk (2013-2018) en het Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan Waterschap-Harderwijk-Ermelo-Putten (ZAP WHEP 2016-2023). In het Waterplan zijn de benodigde maatregelen uitgewerkt voor het realiseren en behouden van een veilig veerkrachtig en ecologisch gezond functionerend watersysteem met het oog op een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het ZAP WHEP heeft de status van een verbreed gemeentelijke rioleringsplan (vGRP). Hier staat dan ook in uitgewerkt hoe de gemeente invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplichten voor stedelijk afvalwater hemelwater en grondwater. ,
,
,
4. 9. 2
Onderzoek
In januari 2024 is door EDOK-RO de watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 8). Hieruit blijkt dat er geen water belangen zijn die in het geding komen door het plan. Tevens neemt door dit plan het aantal m 2 aan verharding met circa 2. 000 m 2 af. 4. 9. 3
Conclusie
Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4. 10
Luchtkwaliteit
4. 10. 1
Algemeen
Kader De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project al dan niet per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie 3% criterium: < 1. 500 woningen met een gelijkmatige (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg verkeersverdeling; < 3. 000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling ,
,
,
,
,
,
,
30
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
4. 10. 2
Onderzoek
In 'kopje' kader zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. ,
,
Er is hier sprake van een bestaande situatie. Het aantal verkeersbewegingen zal dan ook toenemen. Het plan draagt in 'niet betekende mate' bij aan luchtverontreiniging.
niet
Onderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4. 10. 3
Conclusie
Het aspect lucht is geen belemmering voor de functiewijziging.
4. 11
Externe veiligheid
4. 11. 1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen ook als potentiële voor gevaarlijke stoffen zoals buisleidingen spoor- auto- en waterwegen gevarenbron aangemerkt. ,
,
,
,
,
,
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het
plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. ,
Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water spoor weg) ,
,
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. ,
31
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4. 11. 2
Onderzoek
Voor de functiewijziging is de risicokaart geraadpleegd (zie afbeelding 4. 2). Hieruit blijkt dat externe veiligheid geen belemmering is.
Afbeelding 4. 2: Uitsnede risicokaart (rode stip = plangebied) 4. 11. 3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4. 12
Verkeer en parkeren
4. 12. 1
Algemeen
Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor
,
parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen. 4. 12. 2
Onderzoek
Verkeer Het aantal verkeersbewegingen neemt door de functiewijziging niet toe problemen voor omliggende wegen.
,
en leidt dus
ook niet tot
Parkeren Door de functiewijziging blijft het aantal benodigde parkeerplaatsen gelijk. Dit was in de huidige situatie geen belemmering en ook door de functie wijziging niet.
32
Ruimtelijke onderbouwing De Beek 75 Ermelo ,
4. 12. 3
Conclusie
Verkeer en parkeren is geen belemmering voor de functiewijziging.
4. 13
Kabels en leidingen
4. 13. 1
Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4. 13. 2