Ontwerpbeleidsvisie e250034176
Tekst van het document
Recht doen aan eigenheid Dit uitgangspunt betekent dat Defensie wil beschermen en benutten wat er is en nieuwe, onderscheidende ruimtelijke kwaliteit wil ontwikkelen. Defensie werkt aan lokaal passende oplossingen, die daar ook voor arbeidsplaatsen en vitaliteit zorgen. Voor de uitbreiding van activiteiten weegt Defensie gebiedskenmerken mee. Hierbij past Defensie waar nodig haar activiteiten aan bestaande gebiedskenmerken aan. Dat betekent dat Defensie aanwezige ruimtelijke kwaliteit benut en ontwikkelt en tegelijk bijdraagt om nieuwe en onderscheidende ruimtelijke kwaliteit te ontwikkelen. Defensie heeft hierbij oog voor verschillende gebiedsopgaves en werkt actief mee aan lokaal passende oplossingen. Defensie onderschrijft dat elke regio telt. Daarom is voor de uitbreiding van Defensie goed gekeken naar bijdrages voor de regio. Sociaaleconomische ontwikkelingen zoals werkgelegenheid dragen bij aan de vitaliteit van gebieden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor behoefte 1 (versterken en concentreren van ondersteunende eenheden). Bij het zoeken naar een voorkeurslocatie is daarom ook rekening gehouden met mogelijke koppelkansen voor werkgelegenheid.
Rekening houden met water en bodem Defensie houdt op haar terreinen rekening met de belasting van bodem en water en streeft, in samenwerking met andere overheden en terreinbeherende organisaties, naar gezonde bodems op al haar terreinen in 2050. Gezonde bodems zijn cruciaal voor het ontplooien van defensieactiviteiten. Daarnaast dragen gezonde bodems optimaal bij aan de sponswerking en doelen op het gebied van biodiversiteit, circulaire economie, klimaat (adaptatie en -mitigatie), een goede (grond)waterkwaliteit en voedselvoorziening. Duurzaam beheer van die bodems is noodzakelijk om ze bestand te houden tegen klimaateffecten als verdroging, koolstofdioxide op te slaan en stikstof vast te leggen. Defensie houdt bij de uitvoering van het NPRD rekening met de waterkwaliteit en de waterkwantiteit, met het oog op voorkomen van verslechtering van oppervlaktewater zoals bedoeld in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Pagina 24 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
Voor de uitbreiding van activiteiten, zowel op bestaande als nieuwe locaties, is ‘rekening houden met water en bodem’ één van de selectiecriteria geweest waarom een bepaald gebied wel of niet geschikt is voor een bepaalde ruimtevraag. Uitgangspunt is: niet in zeer diepe polders, uiterwaarden of gebieden met te hoge grondwaterstand. Ook dient de bodemsoort en situatie geschikt te zijn voor de beoogde defensieactiviteit. Op basis van de gebieden die overblijven na deze analyses worden redelijkerwijs te beschouwen alternatieven onderzocht met een beoordelingskader waar de thema’s bodem, oppervlaktewater, grondwater en waterveiligheid deel van uitmaken. In de uiteindelijke weging spelen alle onderdelen uit het beoordelingskader een rol.
6.3
Samengaan van belangen op provinciaal en regionaal niveau Eind 2022 is in het nationale ruimtelijke beleid een start gemaakt met het programma NOVEX. Doel is om in nauwe samenwerking met de provincies te komen tot een ruimtelijke vertaling van de nationale programma’s naar de provincies waarbij ook duidelijk zou worden wat ruimtelijk mogelijk en realiseerbaar is. De provincies hebben de ruimtelijke opgaven uit de nationale programma’s gecombineerd met de provinciale ruimtelijke opgaven en uitgewerkt tot ruimtelijke voorstellen. Defensie is na het uitbrengen van de NRD voor het NPRD actief gaan participeren in de het NOVEX-traject. Dit heeft erin geresulteerd dat in provincies waarin dit aan de orde is, specifieke ruimtebehoeftes van Defensie zijn uitgewerkt in relatie tot de andere ruimtelijke opgaven. Voorbeelden van ruimtelijke opgaven die in NOVEX-kader zijn afgestemd, zijn de verstedelijksopgaven in Noord-Brabant en Twente, de voorgenomen defensieactiviteiten in Gelderland i.r.t. De Veluwe, amfibisch oefenen en HNS in Zuid-Holland. Het kabinet zal in het kader van het programma NOVEX zogeheten ruimtelijke arrangementen met de provincies af sluiten.
Doel hiervan is om vanuit nationaal (nationale programma’s en Nota Ruimte) en provinciale omgevingsvisies (POVI) perspectief ruimtelijk beleid onderling af te stemmen en zo bij te dragen aan de uitvoering van opgaven in een provincie. Relevante afspraken op het terrein van Defensie zullen worden opgenomen in deze arrangementen. Interferentie met andere belangen is ook onderdeel van het planMER. Om interferentie te voorkomen met lopende rijks-, regionale en lokale plannen op een bepaalde locatie heeft het planMER-onderzoek voor de verschillende locatiealternatieven deze plannen meegenomen in het onderzoek. Met deze informatie heeft Defensie met stakeholders kunnen afstemmen en een keuze kunnen maken tijdens de verschillende trechterrondes. In het planMER is ondermeer gekeken naar de Woondeals, de NOVEX-verstedelijkingsstrategieën, provinciale en lokale woningbouwplannen, plannen voor duurzame energie-ontwikkeling, infrastructuur en natuurontwikkeling.
Pagina 25 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
7
Uitbreiding ruimte van Defensie
Voor de uitbreiding van militaire activiteiten die in Nederland nodig zijn, en die niet op bestaande defensieterreinen kunnen worden ingepast, wordt extra ruimte gezocht. Het invullen van deze ruimtevragen is noodzakelijk om de hoofdtaken van Defensie uit te kunnen voeren en is daarom van nationaal belang. Binnen de krijgsmacht zijn 57 behoeftes met een ruimtevraag geïdentificeerd en daarvoor zijn de mogelijke locaties onderzocht. Defensie heeft een zorgvuldig en navolgbaar proces doorlopen om tot deze uitbreiding te komen en zorg te dragen voor nationale veiligheid. Hieronder wordt eerst het proces van trechtering tot voorkeursalternatieven beschreven. Vervolgens worden de ruimtebehoeftes uitgewerkt. Deze zijn eerder in de NRD van dit programma uitgeschreven, en zijn op punten geactualiseerd. Bij elke ruimtebehoefte wordt beschreven welke voorkeurslocatie Defensie voor de invulling van de behoefte kiest, en wat de overwegingen daarbij zijn.
7.1
Trechteringsproces De bepaling van voorkeurslocaties is voornamelijk gebaseerd op de uitkomsten van het planMER-onderzoek dat door het onafhankelijk onderzoeksbureau AnteaGroup is uitgevoerd om tot zo objectief mogelijke besluitvorming te komen. Om nadere afstemming met medeoverheden – zowel op rijksniveau als regionaal – en inwoners in het proces te borgen is gekozen voor een gefaseerde aanpak. Dit proces is verdeeld in twee stappen, zeef 1 en zeef 2, en aangeduid met de term ‘trechtering’. Omdat de categorie locatiespecifieke behoeftes van aard verschilt van de categorie behoeftes met een bovenregionale afweging, is gekozen om voor deze categorie een vergelijkbare trechtering in te richten, maar met een ander proces. De behoeftes met een bovenregionale afweging zijn middels twee zeven getrechterd. De alternatieven voor de locatiespecifieke behoeftes zijn in de tweede zeef in één keer tot voorkeursalternatief getrechterd. De beide sporen verenigen zich daarmee in de tweede zeef. In zeef 1 is voor de locatie-alternatieven met een bovenregionale afweging een voorlopige trechtering tot verder te onderzoeken locaties-alternatieven en niet verder te onderzoeken locatie-alternatieven gemaakt op basis van het planMERonderzoek.
Dit onderzoek is in de kern een objectief wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijke effecten van nieuwe defensieactiviteiten op de fysieke leefomgeving op en rondom de onderzochte locaties voor de verschillende behoeftes. In het planMER-onderzoek zijn voor elk van de behoeftes de alternatieven voor locaties in beeld gebracht en beoordeeld op effecten van inpassing van de betreffende ruimtebehoefte op die locatie. Voor de behoeftes met een bovenregionale afweging zijn de verder te onderzoeken locatie-alternatieven interdepartementaal afgestemd en middels bestuurlijke overleggen in oktober 2024 met medeoverheden besproken. Omdat Defensie z.s.m. duidelijkheid heeft willen geven aan inwoners en stakeholders in onderzochte gebieden, heeft Defensie in het najaar van 2024 het resultaat van de eerste trechtering middels een Kamerbrief openbaar gemaakt en via directe communicatie kenbaar gemaakt. De locatiespecifieke behoeftes zijn niet meegenomen in zeef 1. Voor de locatiespecifieke behoeftes met een groot (in)direct ruimtebeslag is Defensie aan de Pagina 26 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
hand van de beschikbare planMER-resultaten in gesprek gegaan met medeoverheden over die locatiespecifieke behoeftes. De locatiespecifieke behoeftes waarvoor alternatieven waren geformuleerd en dus een voorkeurslocatie moest worden bepaald, zijn meegenomen in de trechtering van zeef 2. In zeef 2 is getrechterd tot voorlopige voorkeurslocaties. Deze trechtering is uitgebreider dan de eerste en baseert zich dan ook op de resultaten uit het planMER-onderzoek, het militair defensiebelang (met het oog op de gereedstelling) bestuurlijk draagvlak en maatschappelijke draagbaarheid. In deze zeef zijn zowel de behoeftes met een bovenregionale afweging als de locatiespecifieke behoeftes meegenomen. Om te komen tot definitieve voorkeurslocaties zijn in maart 2025 bestuurlijke overleggen gevoerd over de resultaten uit de tweede zeef. De uitkomsten van deze gesprekken zijn voor de definitieve voorkeurslocaties in dit hoofdstuk meegenomen. Deel A van het planMER onderzoek biedt een volledig overzicht van de onderzoeksresultaten per behoefte en locatie-alternatief. In deel B is de keuze voor de uiteindelijke voorkeurslokaties of voorkeursalternatieven beschreven, met de effecten en aspecten die in deze keuze een rol hebben gespeeld.
Ook is in beeld gebracht tot welke cumulatie en spreiding van militaire activiteiten in Nederland de keuze voor deze voorkeurslokaties en voorkeursalternatieven leidt.
Pagina 27 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
7.2
Voorkeurslocaties bovenregionale behoeftes Dit deel van het programma bevat de 13 ruimtebehoeftes van Defensie waarvoor een bovenregionale afweging is gemaakt om de voorkeurslocatie te bepalen. Bij elk van de ruimtebehoeftes wordt de behoefte toegelicht, en wordt de gekozen voorkeurslocatie geschetst. Vervolgens wordt onderbouwd waarom Defensie voor deze voorkeurslocatie kiest. Op het volgende kaartbeeld worden de voorkeursalternatieven voor de behoeftes met een bovenregionale afweging weergegeven.
Pagina 28 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
7.2.1
Behoefte 1: versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Defensie heeft behoefte aan een centraal gelegen kazerne voor de groei, versterking en concentratie van ondersteunende eenheden. Dit is nodig om de slagkracht en operationele (gevechts)-ondersteuning, combat support (CS) en combat service support (CSS) in het landdomein te versterken. Voor deze behoefte is nabijheid van bestaande oefenterreinen of de mogelijkheid tot het creëren van een nieuw oefenterrein van belang, en de mogelijkheid om een kazerne te ontwikkelen die de toekomstige groei van de landmacht kan borgen.
De locatie Zeewolde-Spiekweg is aangewezen als voorkeurslocatie. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Vanuit militair oogpunt is deze locatie zeer geschikt vanwege de centrale ligging. De locatie is goed te bereiken voor de huidige werknemers van de desbetreffende eenheden, maar ligt ook goed gepositioneerd ten opzichte van nieuw arbeidspotentieel vanuit Utrecht, Noord-Holland en Flevoland. De locatie ligt op korte afstand van oefenterreinen op de Veluwe en heeft betere mogelijkheden voor de landschappelijke inpassing van een nieuw oefenterrein. De positie van dit oefenterrein is gunstig gelegen ten opzichte van eventuele nieuwe woningbouwlocaties. Op deze locatie kan geoefend worden met drones. Het realiseren van de behoefte op deze locatie geeft weinig milieudruk op de omgeving en is goed inpasbaar in het landschap. De gronden op deze locatie zijn voor een groot deel al rijksbezit, waardoor er sneller kan worden gestart met de realisatie en de kosten beperkt kunnen worden. Met de komst van de kazerne is veel werkgelegenheid gemoeid, een belangrijk aspect voor de ontwikkeling van de hele regio. Deze ontwikkeling past ook goed in het rijksbeleid gericht op spreiding van rijkswerkgelegenheid. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
•
•
•
•
Realisatie van de behoefte kan niet zonder gevolgen voor de omgeving gerealiseerd worden. 387 ha agrarische grond en 245 ha natuur en 21 ha overig zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming. Er zijn negen woningen en/of bedrijven met een agrarische functie op deze locatie aanwezig. De impact van het amoveren van woning/bedrijven op bewoners en betrokkenen is zeer groot. In de realisatiefase van deze behoefte zal een proces worden ingericht dat aan deze impact zo goed mogelijk recht doet. Een tweede aandachtspunt is dat de realisatie van de behoefte op deze locatie mobiliteitseffecten heeft. Samen met de regio wordt in beeld gebracht welke randvoorwaarden nodig zijn met betrekking tot de mobiliteit en de doorstroming op aan- en afvoerwegen richting Flevoland. Daarbij wordt ook gekeken naar uitstralingseffecten en ontwikkelingen in de naastgelegen provincies, zoals de intensivering van activiteiten in Stroe en Ermelo. Een derde aandachtspunt is dat de locatie in een netwerk van natuurgebieden ligt en aantasting daarvan niet geheel te voorkomen is. Natuurcompensatie zal nodig zijn. In de vervolgfase moet daarom aandacht zijn voor natuurcompensatie en ruimtelijke inpassing. De locatie biedt hiervoor voldoende ruimte. Het realiseren van een volledig nieuwe kazerne op deze locatie zal aanzienlijk tijd vergen.
Hiervoor zal Defensie in de tussenliggende periode op de bestaande locaties Ermelo en Stroe het gebruik intensiveren. En met de groei van de krijgsmacht blijven Ermelo en Stroe ook op de langer termijn in gebruik. Met de regio worden hierover afspraken gemaakt in een bestuurlijk voornemen.
Pagina 31 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
7.2.2
Behoefte 2: extra locatie grootschalige munitieopslag Defensie heeft behoefte aan een extra locatie voor grootschalige munitieopslag, als aanvulling op reeds bestaande opslaglocaties. De munitievoorraad wordt op langere termijn structureel fors opgehoogd om te voldoen aan (NAVO-)taken. Veranderende logistieke concepten vragen om modernere en ruimere munitieopslag. Daarnaast brengt de positie van ‘doorvoerland’ richting bondgenoten ook met zich mee dat (tijdelijk) munitie moet worden opgeslagen.
De locatie Staphorst is aangewezen als voorkeurslocatie. De locatie is door de gemeente Staphorst gedurende het participatieproces en met ‘het Staphorster bod aan de Rijksoverheid voor grootschalige munitieopslag, d.d. 19 december 2024’ naar voren gebracht als extra te onderzoeken locatiealternatief. Het realiseren van een grootschalig munitieopslag in Nederland is gezien de omvang en benodigde veiligheidszonering geen eenvoudige opgave. Dat de Gemeente Staphorst vanuit haar verantwoordelijkheid een stap naar voren doet om in een veranderende veiligheidssituatie een actieve bijdrage te leveren aan de nationale veiligheid en ruimte voor defensie is dan ook noemenswaardig. Een aantal overwegingen heeft geleid tot de keuze voor Staphorst als voorkeurslocatie. De realisatie van deze behoefte is grotendeels mogelijk binnen een reeds bestaande veiligheidscontour. Dat komt doordat de munitieopslag op deze locatie gerealiseerd kan worden door een bestaande munitieopslag uit te breiden. Door de aanwezigheid van reeds bestaande veiligheidszonering blijft het aantal woningen of bedrijven dat (mogelijk) geamoveerd zou moeten worden beperkt. De locatie is centraal gelegen in Nederland en er is voldoende ruimte in de omgeving voor de benodigde uitbreiding. Omdat een deel van de gronden al in eigendom is van Defensie kan de realisatie relatief snel plaatsvinden.
Voor de krijgsmacht heeft deze locatie als voordeel dat deze relatief dichtbij het huidige munitiecomplex in Veenhuizen ligt, wat effectieve samenwerking in de bedrijfsvoering mogelijk maakt. Tegelijkertijd liggen beide locaties ver genoeg uit elkaar om te voorzien in strategische spreiding. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
•
•
•
•
Ondanks dat een bestaande munitieopslag kan worden uitgebreid heeft de realisatie van deze behoefte op deze locatie nog steeds effect op de omgeving en op omwonenden. Een belangrijk aandachtspunt voor de realisatie is dat de veiligheid voor de omgeving en omwonenden geborgd blijft, en dat in afstemming met inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden een optimale inpassing van het grootschalige munitiecomplex wordt bepaald. 44 ha natuur en 12 ha agrarische grond zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming, als aanvulling op 15 ha bestaand defensieterrein. In de veiligheidszone rondom deze locatie waarin een woonfunctie na realisatie niet meer toegestaan is, liggen nu vier woningen. Omdat het hier mede gaat over een bestaande situatie en een bestaande veiligheidszone, onderzoekt Defensie in hoeverre het mogelijk is om deze woningen te sparen. Defensie realiseert zich dat de impact van het amoveren van woningen op bewoners en betrokkenen zeer groot is. Mocht het uiteindelijk blijken dat er alsnog woningen geamoveerd moeten worden zal Defensie een zorgvuldig proces inrichten dat zo goed als mogelijk recht doet aan deze impact. Een veilige, robuuste en rechtstreekse aansluiting op het hoofdwegennet (A28) en een veilige spoorwegovergang is nodig voor de omgeving, voor het
Pagina 32 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
•
verbeteren van de omgevingsveiligheid en voor de beleving daarvan. Hierdoor kunnen de kernen van gemeente Staphorst in de toekomst meer dan nu worden ontzien van militair munitietransport en overige zwaar transport. Defensie, provincie en de gemeente gaan een gezamenlijke inspanningsverplichting aan om dit in het vervolgtraject verder uit te werken. De locatie ligt grotendeels in natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Door de uitbreiding van het bestaande munitiecomplex is er sprake van aantasting van het NNN. Bij de verdere uitwerking wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met bestaande natuur- en recreatiewaarden en het minimaliseren van aantasting van het NNN. Afhankelijk van de gekozen aanpak zal natuur gecompenseerd moeten worden in lijn met de wettelijke kaders die daarvoor gelden. Defensie zal in gesprek gaan met de Provincie, gemeente en Staatsbosbeheer om te verkennen hoe deze aanpak invulling kan geven aan de ambitiekaart voor natuur in de regionale gebiedsvisie.
Met de hierboven genoemde aandachtspunten wordt tegemoet gekomen aan de zorgen en randvoorwaarden zoals die door de gemeente in het ‘Staphorster bod aan de Rijksoverheid voor grootschalige munitieopslag’ naar voren zijn gebracht. 7.2.3
Behoefte 3: nieuwe munitieopslag SIC (Snel Inzetbare Capaciteit) Defensie heeft behoefte aan een locatie waar munitie kan worden opgeslagen. Om snel te kunnen reageren op dreigingen buiten Nederland moeten eenheden kunnen beschikken over containers met munitie die gereed zijn onmiddellijk te worden getransporteerd. Deze gereedstelling is in NAVO verband afgesproken. Daarbij is de zogenoemde ‘Notice to move’ (NTM) – de reactietijd op een oproep – aanzienlijk verkort en is de hoeveelheid benodigde munitie vergroot. Er wordt daarom gezocht naar een locatie waar circa 480 standaard zeecontainers kunnen worden opgeslagen. Met het oog op efficiënte transportlijnen is het zoekgebied voor de opslag voor SIC gericht op Noordoost Nederland vanwege de nabijheid van de Eemshaven.
De locatie Kollumerwaard-West is aangewezen als voorkeurslocatie. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De overweging die daarbij het zwaarst heeft gewogen is dat voor de realisatie van de behoefte op deze locatie geen woningen hoeven te wijken, vanwege een reeds aanwezige niet-actieve kruitfabriek. De zoneringen en vergunning voor de kruitfabriek bestaan al in dit gebied, daardoor zijn de activiteiten van een munitieopslag gemakkelijker te realiseren. Vanuit militair perspectief is de locatie zeer goed bruikbaar door de nabijheid van een ander defensiecomplex. Dit heeft voordelen voor de bedrijfsvoering omdat hiervandaan ondersteunende diensten georganiseerd kunnen worden en eenheden zich kunnen verzamelen bij inzet om van daaruit de inzetmunitie op te halen. Ook de afstand tot Eemshaven, van waaruit eenheden worden ingezet, is relatief kort. Realisatie op deze locatie heeft een vrij beperkte impact op de omgeving. De projectlocatie ligt niet op zeer vruchtbare landbouwgrond en er is geen sprake van bodemdaling. De keuze voor deze locatie doet recht aan de wens vanuit de omgeving voor een zoveel mogelijk westelijke inpassing, met zoveel mogelijk behoud van agrarisch gebied, die aansluit op aanwezige infrastructuur. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
Pagina 33 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
•
•
• • •
7.2.4
Realisatie van de behoefte kan niet zonder gevolgen voor de omgeving gerealiseerd worden. 13 ha agrarische grond en 2 ha natuur en 18 ha overig zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming. De locatie ligt direct naast een Natura 2000-gebied (Vogelrichtlijngebied). Vanwege de aard en het ruimtebeslag van de behoefte is de impact echter als beperkt ingeschat. Er is geen sprake van grootschalige verlichting en de intensiteit van activiteiten die mogelijk hinder veroorzaken (geluidsoverlast) is beperkt tot crisissituaties waarbij snel veel transporten moeten plaatsvinden. Realisatie kan effect hebben op mogelijk aanwezige diersoorten. Aanwezigheid van een of enkele kraamverblijven van vleermuissoorten is niet uit te sluiten. De ontsluiting van het complex en de aansluiting op de bestaande lokale en provinciale wegstructuren. De verdere ruimtelijke inpassing en optimalisatie van de exacte ligging van de opslag zal gebeuren in afstemming met partijen in het gebied, waarbij oog zal zijn voor het minimaliseren van de impact op de omgeving.
Behoefte 4: nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein) Defensie heeft behoefte aan een nieuw springterrein, in aanvulling op het bestaande oefenspringterrein in Reek. De behoefte is tweeledig. Ten eerste neemt het aantal opleidingen en oefeningen toe en is daarvoor op het bestaande terrein in Reek onvoldoende capaciteit. Ten tweede heeft Defensie behoefte om in Nederland met zwaardere explosieven te oefenen wat niet mogelijk is op het terrein in Reek.
Uit het planMER is Lelystad naar voren gekomen als voorkeursalternatief met aandachtspunten. Echter op basis van bredere inhoudelijke en politieke afweging is deze locatie uiteindelijk niet opgenomen in het voorkeurspakket. Met het NPRD wordt derhalve niet voorzien in deze behoefte. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Vanuit planMER komt de locatie Lelystad als voorkeursalternatief naar voren, echter met significante aandachtspunten. De effecten op de leefomgeving zijn groot. Zo bestaat er een risico dat explosieven de relatief dunne kleilaag in Flevoland doorbreken en er zout grondwater als kwel naar boven komt. Ook gaat ontwikkeling op deze locatie ten koste van waardevolle landbouwgrond en meerdere agrarische bedrijven/woningen. De locatie ligt daarnaast dichtbij de aanvliegroutes van Lelystad Airport wat met name interfereert met civiele luchtvaart. Er is op deze locatie dus sprake van een stapeling van verschillende negatieve effecten. Cumulatie met andere defensiebehoeftes waarvoor in dezelfde regio een voorkeursalternatief wordt aangewezen versterken deze negatieve effecten. Daartegenover staat dat deze locatie niet groot genoeg is om invulling te geven aan de volledige behoefte. Een nieuw springterrein op deze locatie zou wel leiden tot meer capaciteit voor opleiding en training, maar niet voor het oefenen met grotere explosieven.
Het kabinet heeft, mede vanuit het besef dat de provincie Flevoland ook voor de toename van jachtvliegtuigcapaciteit en een kazerne voor ondersteunende eenheden de voorkeurslocatie is, de keuze gemaakt om het springterrein in het ontwerp NPRD niet op te nemen in het voorkeurspakket. Ook het ontbreken van bestuurlijk draagvlak heeft hieraan bijgedragen. Door deze keuze blijft er echter alsnog steeds onvoldoende capaciteit in Nederland om militair personeel volledig op te leiden en te trainen in het gebruik van explosieven. Defensie heeft en houdt hier wel behoefte aan. Defensie zal daarom bezien in hoeverre deze behoefte op een andere wijze geheel of gedeeltelijk ingevuld kan worden. Pagina 34 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
7.2.5
Behoefte 5: oefenen in verstedelijkt gebied (oefendorp) Ontwikkelingen op het krijgstoneel tonen aan dat militair optreden in verstedelijkt gebied steeds belangrijker wordt. De taakstelling van een moderne en toekomstgerichte krijgsmacht vereist daarom het kunnen optreden in verstedelijkt gebied. Er wordt verwacht dat de verhouding van optreden in landelijk/verstedelijkt gebied verschuift van 90/10 naar 50/50. Op dit moment is er in Nederland onvoldoende capaciteit om dit type oefenen te faciliteren; zo zit het huidige oefendorp Marnehuizen aan haar maximum capaciteit. Om voldoende capaciteit binnen Nederland te garanderen is er behoefte aan een aanvullend – met Marnehuizen vergelijkbaar – oefendorp.
Het Oefenterrein (OT) Weerterheide is aangewezen als voorkeurslocatie. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Deze locatie biedt de mogelijkheid om op eigen terrein een bebouwd gebied te creëren met daaromheen voldoende ruimte als benaderingszone. Ondanks dat het oefenterrein reeds een bestaande functie heeft, is weinig sprake van verdringing van andere activiteiten van Defensie op dit oefenterrein. De zuidelijke ligging van deze locatie heeft voordelen boven andere locaties vanwege bereikbaarheid en spreiding voor de diverse onderdelen van Defensie, maar ook biedt deze locatie een goede spreiding ten opzichte van de andere militaire oefendorpen in Nederland. Op de Nassau-Dietz kazerne, aangrenzend aan het oefenterrein zijn mogelijkheden voor kazernefaciliteiten te realiseren. Realisatie heeft weinig nadelige effecten op de omgeving ten opzichte van het bestaande gebruik. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met het volgende aandachtspunt rekening moeten worden gehouden:
•
• 7.2.6
De ontwikkeling vindt plaats in Natura 2000-gebied (vogelrichtlijngebied) uit het planMER blijkt dat de voorgenomen activiteit geen significante gevolgen heeft op de aanwezige vogelsoorten. Daarvoor zijn wel mitigerende maatregelen noodzakelijk. Er zal wel compensatie nodig zijn in verband met ruimtebeslag in NNN.
Behoefte 6: amfibisch oefengebied Er is een grote behoefte naar meerdere mogelijkheden om amfibisch te kunnen trainen en oefenen in Nederland. Voor de meer grootschalige oefeningen gaat het om een beperkt aantal oefeningen in het jaar, circa 10 tot maximaal 15. De huidige amfibische trainings- en oefenlocatie op Texel beschikt over onvoldoende capaciteit om de krijgsmacht voldoende amfibisch te laten oefenen, ook op een hogere moeilijkheidsgraad. Daarnaast heeft de locatie op Texel te kampen met verscheidene problemen van o.a. morfologische aard zoals kusterosie. Daarbij komt dat de locatie op Texel te klein is om op adequate wijze scenario’s geschikt aan moderne oorlogsvoering – bijv. het ‘doorstoten’ landinwaarts – te oefenen. Er is daarom behoefte aan nieuwe locaties met voldoende capaciteit, trainingswaarde en afwisseling en die geschikt zijn om realistische scenario’s te simuleren.
De locaties Maasvlakte II, Marnehuizen, Vliehors en Groote Keeten zijn aangewezen als voorkeurslocaties. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De behoefte vraagt om afwisselender te kunnen oefenen, dus in verschillende landschapstypologieën. De locaties Marnehuizen (dijk met oefendorp), Vliehors (strandvlakte en schietrange), Groote Keeten (strand en strandopgangen) en Maasvlakte (in gebouwde omgeving) bieden samen deze mogelijkheid, omdat elke locatie geschikt is voor een ander trainingsdoel voor amfibisch oefenen, en belasting op de omgeving kan worden Pagina 35 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
verdeeld. Dit is belangrijk omdat veel van het Nederlandse kustlandschap kwetsbaar natuurgebied is. Hoewel amfibisch oefenen in een belasting kan vormen voor natuur en landschap, leidt de spreiding van activiteiten ertoe dat de aantasting van kwetsbare natuur en historisch landschap op de aangewezen locaties beperkt is. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
•
•
• •
•
•
7.2.7
In de vervolgfase moet er aandacht zijn voor de unieke waarden en landschappelijke kernkwaliteiten van de Waddenzee. De locatiealternatieven Vliehors en Marnewaard liggen in het waddengebied. De vaartuigen die naar deze aanlandingsplekken varen door de Waddenzee, een gebied dat zowel als Natura 2000-gebied als UNESCO Werelderfgoed beschermd wordt. Door afspraken te maken over oefenen in relatie tot het broedseizoen kan de impact op natuur beperkt worden, dit geldt met name voor het oefenen op de Vliehors. Voor het oefenen op de Maasvlakte II is afstemming met het havenbedrijf en de omgeving van belang. Voor het oefenen op de Marnewaard is het belangrijk dat het gebruik in goede afstemming plaats vindt met de dijkbeheerder omdat het een primaire waterkering betreft. Voor het oefenen op Groote Keeten is het belangrijk dat alleen het strand en de strandopgang wordt gebruikt, zodat de duinenrij en achterliggende natuur wordt ontzien. Dit ligt in Natura 2000-gebied. In algemene zin is goede afstemming met de economische en recreatieve functies in het gebied, onder ander door een goede en vroegtijdige communicatie over wanneer oefeningen plaatsvinden.
Behoefte 7: gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Defensie heeft behoefte aan voldoende, gegarandeerde havencapaciteit (afmeer- en overslagcapaciteit) voor de afhandeling van meerdere schepen tegelijk met militaire lading. Dit is nodig omdat Nederland zich binnen NAVO verband heeft gecommitteerd aan taken en activiteiten als transitieland in het kader van Host Nation Support (HNS). Hierbij komen eenheden tot brigadegrootte met meerdere schepen aan in Europa om daarna te worden doorgevoerd met weg-, rail- en binnenwatervervoer naar de eindbestemming. Ook is munitieoverslag nodig. Momenteel maakt Defensie vooral gebruik van de havens van Vlissingen en de Eemshaven voor militaire mobiliteit. In de nabije toekomst zal er intensiever gebruik worden gemaakt van havencapaciteit in het teken van HNS. Om dit mogelijk te maken is Defensie op zoek naar extra gegarandeerde havencapaciteit, in de vorm van opstelplaatsen, een kade die geschikt is voor schepen met een diepgang van 15 meter en een aanwezige spoorontsluiting. Hiermee kan Nederland voldoen aan de afgesproken verplichtingen in het kader van HNS.
De locatie op Rotterdam Maasvlakte II is aangewezen als voorkeurslocatie. Gezien de toekomstige ontwikkelingen in de Rotterdamse haven wordt rekening gehouden met adaptiviteit. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Door gegarandeerde havencapaciteit zoals beschreven op deze locatie toe te voegen aan het bestaande havengebruik in Vlissingen en Eemshaven is voldoende havencapaciteit beschikbaar om de volledige behoefte te kunnen realiseren. Op Maasvlakte II komen wel veel verschillende functies samen, waardoor een goede inpassing aandacht vraagt. De activiteit van Defensie op de beoogde locatie is inpasbaar met andere activiteiten in de haven, waaronder een mogelijke zoeklocatie voor een kerncentrale. Ook blijkt uit Pagina 36 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
de uitgevoerde risicoanalyse dat het groepsrisico voor de omgeving te beperken is door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor enkele (toekomstige) activiteiten in de haven zijn beperkte groepsrisco’s of domino-effecten niet geheel uit te sluiten. Nader onderzoek in de volgende fase is nodig om te verkennen op welke wijze die mitigeerbaar zijn en deze maatregelen kunnen worden geborgd. Er is geen significant overstromingsrisico en de locatie is goed bereikbaar. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte op Maasvlakte II zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
•
•
In de Rotterdamse haven komen veel verschillende ruimtelijke opgaven samen. In NOVEX-verband wordt onderzoek gedaan naar het omgaan met ruimtegebruik en ruimtegebrek in de haven Rotterdam. De uitkomsten hiervan kunnen leiden tot een wens tot uitbreiding of herconfiguratie van de ruimte in de haven. Bij het aanwijzen van de voorkeurslocatie wordt daarom rekening gehouden met adaptiviteit. Dat betekent dat het terrein en de afmeervoorziening van de voorkeurslocatie gegarandeerd beschikbaar is voor Defensie, totdat er op basis van nadere afspraken met gemeente Rotterdam en Havenbedrijf Rotterdam een beter alternatief naar voren komt dat aan de voorwaarden van Defensie voldoet en daartoe in gezamenlijkheid met NOVEXpartners over wordt besloten. Zolang Defensie van de huidige voorkeurslocatie en afmeervoorziening gebruik maakt, moet er een (planologische) borging vigerend zijn die veilig stelt dat de locatie te allen tijde door Defensie gebruikt kan worden.
Voor haar taken in het kader van Host Nation Support zal Defensie ook gebruik blijven maken van locaties in andere havens, waaronder voornamelijk in de Eemshaven en Vlissingen. Daarom zal Defensie ook de ontwikkelingen in die zeehavens blijven volgen en aangehaakt blijven op gesprekken over eventuele ontwikkelingsmogelijkheden. 7.2.8
Behoefte 8: toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit De behoefte komt neer op ruimte in Nederland voor 2300 extra jachtvliegtuigsorties. Het aantal jachtvliegtuiglocaties moet daarbij toereikend zijn voor: 1. de thuisbasis van drie Nederlandse jachtvliegtuigsquadrons en een reserveveldfunctie. 2. het accommoderen van internationale beddown en het beoefenen van HNS. 3. het beoefenen van het ACE-concept. Hoe meer locaties hoe meer invulling gegeven kan worden aan het ACE-concept.
De voorkeurslocatie voor deze behoefte is Lelystad Airport met 2300 jachtvliegtuigsorties. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Defensie groeit hierdoor op Lelystad door naar een derde Main Operating Base (MOB) voor jachtvliegtuigen, wat betekent dat op termijn permanent jachtvliegtuigen worden gestationeerd op Lelystad Airport. Het gaat hierbij om militair medegebruik op een civiele luchthaven. Militair-civiele samenwerking op Lelystad Airport biedt veel synergiemogelijkheden, zoals gedeeld ruimtegebruik, medegebruik van ondersteunende diensten en gezamenlijke investeringen. Permanente stationering van jachtvliegtuigen betekent dat Defensie banen creëert wat bijdraagt aan de regio. Voor Defensie biedt het mogelijkheden dat het dicht bij arbeidspotentieel zit vanuit de provincie en de Randstad. De effecten van jachtvliegtuigen zijn merkbaar in de omgeving, maar het aantal gehinderden voor deze locatie is significant minder dan op de andere onderzochte locaties. In vergelijking met andere onderzochte locaties zijn er ook Pagina 37 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
minder graas- en hokdieren in de omgeving, die kunnen schrikken van jachtvliegtuigen. Deze voorkeurslocatie biedt samen met de bestaande MOB’s voldoende ruimte voor het huisvesten van drie jachtvliegtuigsquadrons, het inbedden van een reserveveldfunctie en het accommoderen van internationale beddown en HNS. Met Lelystad Airport als extra jachtvliegtuiglocatie kan beter invulling worden gegeven aan het Agile Combat Employment (ACE)-concept, zij het in beperkte mate. Het verder versterken van het ACE-concept is mogelijk door het toevoegen van zogenaamde Contingency Locations. De mogelijke impact hiervan is wel onderzocht in het planMER-onderzoek, maar het toevoegen van extra Contingency Locations is geen onderdeel van het voorkeursalternatief. Bij de realisatie van de behoefte op deze locatie zal met een aantal aandachtspunten bij de verdere ontwikkeling en inpassing rekening moeten worden gehouden:
•
•
•
7.2.9
Realisatie van deze behoefte kan niet zonder gevolgen voor de omgeving en leidt met name tot geluidsimpact op omwonenden, bedrijven, recreatie en natuur. Er liggen maximaal tien woningen/bedrijven in de berekende geluidscontour van 70 Lden en hoger, waarbinnen, op basis van civiele regelgeving, geen woonfunctie is toegestaan. Voor de groei naar een MOB is daarnaast ongeveer 60-90 hectare aan ruimte nodig voor de benodigde militaire infrastructuur. Deze ruimte kan voor een deel gevonden worden op terreinen die reeds in eigendom zijn van Lelystad Airport, maar er is ook ontwikkeling buiten het vliegveld nodig. Hier zijn momenteel nog geen concrete zoekgebieden voor vastgesteld. In het definitieve programma zal, na overleg met medeoverheden, worden vastgesteld waar deze uitbreiding van het luchthaventerrein het best kan plaatsvinden, met oog voor de aandachtspunten. Realisatie heeft mogelijk effect op civiele luchtvaart. Het inpassen en rekening houden met de huidige gebruikers van Lelystad en de mogelijke toekomstige ontwikkeling van Lelystad Airport vraagt een goede afstemming. Een goede aansluiting op het luchtruim en de inpassing in het luchtruim vergen nog nader onderzoek en afstemming. In de uitvoering zal nadrukkelijk aandacht zijn voor een goede en veilige aansluiting op het overige vliegverkeer.
Behoefte 9: onbemande maritieme helikopters Defensie heeft behoefte om met maritieme drones (zwaarder dan 150 kg) te oefenen in de bestaande maritieme oefengebieden. Daarvoor zoekt Defensie corridors op een vlieghoogte van circa 3000 voet om naar de oefengebieden te vliegen. Er wordt nu nog niet geoefend met maritieme drones. Defensie heeft wel oefengebieden waar oefenen met drones mogelijk is: de bestaande oefengebieden EHD 41, EHD 42 en EHR 8. Vanwege het maritieme karakter en de samenwerking met de NH-90 is vliegbasis De Kooy, bij Den Helder de enige logische plek voor het stationeren van deze drones.
De geoptimaliseerde routes naar de EHD 41, EHD 42 en EHR8 zijn aangewezen als voorkeursalternatief voor de transfer met de maritieme drones van Maritiem vliegkamp de Kooy naar de oefengebieden EHD 41, EHD 42 en EHR8. Het gaat hierbij om permanente corridors die tijdelijk geactiveerd worden. Voor de EHR 8 is overigens geen specifieke route nodig omdat deze in de Controlled Trafic Region (CTR) van MVKK De Kooy ligt. De volgende overweging heeft geleid tot deze keuze: deze routes hebben beperkte impact op omgeving en natuurwaarden.
Pagina 38 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met het volgende aandachtspunt rekening moeten worden gehouden:
•
7.2.10
De routes moeten ingepast worden in het bestaande luchtruim, met name ten opzichte van andere luchtvaartgebruikers zoals helikopterverkeer naar boorplatforms. Dit vereist verder onderzoek en afstemming met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Militaire Luchtvaart Autoriteit (MLA).
Behoefte 10: stationering en corridors onbemande cargodrones Defensie heeft behoefte aan drones (zwaarder dan 150 kg) voor het vervoeren van vracht; de zogenaamde cargodrones. Dit zijn onbemande systemen die goederen kunnen transporteren. Voor het oefenen met drones boven land zijn locaties nodig waar de cargodrones gestationeerd kunnen worden. Daarnaast zijn corridors nodig naar de bestaande oefengebieden in Nederland, op circa 1.500 tot 4.000 ft hoogte.
Het voorkeursalternatief voor stationering van cargodrones is Militair Luchtvaartterrein (MLT) Deelen. Voor de corridors is het voorkeursalternatief ‘directe routes naar vier militaire oefengebieden, en naar de kennisinstituten op Marknesse en Twente’. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. In dit alternatief leiden vliegactiviteiten met drones niet of nauwelijks tot merkbare effecten op de leefomgeving. Ook leidt dit alternatief niet tot conflicten met de huidige luchtruimindeling. De directe routes naar de oefenterreinen vallen binnen het militaire luchtruim. Dit geldt niet voor Stroe, maar daarvoor kunnen bestaande militaire aanvliegroutes worden uitgebreid. De rechtstreekse route naar ASK kan gedeeltelijk gecombineerd worden met de route naar Marknesse tot één permanente corridor die in tijd geactiveerd kan worden. Het aanwijzen van de rechtstreekse route naar Twente Airport als permanente route die in tijd geactiveerd kan worden, maakt civiel-militaire samenwerking (versterken kennis drones optreden) goed mogelijk. Ook lopen de routes naar de oefengebieden en naar Marknesse slechts kort over natuurgebieden zoals de Veluwe. Naar de Arnhemse Heide en Ginkelse Heide zijn geen specifieke routes nodig omdat deze in de CTR van MLT Deelen liggen.
De route richting Stroese Zand verloopt grotendeels via de CTR van Deelen en de EHR 9; voor het laatste deel van de route is een permanente corridor die tijdelijk geactiveerd kan worden of een uitbreiding van de EHR 9 nodig. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
•
•
Bij de verdere uitwerking moeten de routes goed ingepast worden in het luchtruim, ook om zo efficiënt en veilig mogelijk gebruik daarvan te maken en de overlast voor andere gebruikers van het luchtruim (ook civiel) te minimaliseren. Dit vereist verder onderzoek en afstemming met het Ministerie van IenW en de MLA. De combinatie met het huidige gebruik van de Twente Airport en de route en naderingspunt op het vliegveld vraagt verdere uitwerking, zodat de overlast voor andere gebruikers van het luchtruim (ook civiel) kunnen worden geminimaliseerd.
Bij de verdere uitwerking van deze behoefte hecht Defensie aan goede interactie en communicatie met de omgeving, omdat dit een nieuwe activiteit betreft. Ook zal in de vervolgfase de mogelijkheid van medegebruik door civiele drones worden
Pagina 39 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
Tabel 7.2.2: Maximaal beoogd gebruik helikopterlandingen per militair oefenterrein Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met het volgende aandachtspunt rekening moeten worden gehouden:
•
7.2.13
Vanwege de ligging van oefenterreinen in natuurgebieden zijn (beperkte) effecten op natuur door helikopterlandingen niet uit te sluiten.
Behoefte 13: korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Er is behoefte aan een korte/smalle onverharde landingsbaan (dirtstrip) voor het oefenen van tactische landingen met tactische transportvliegtuigen. Ook opleiding en training van grondeenheden in het controleren en geschikt kunnen maken van een dirtstip is onderdeel van de behoefte.
De locatie MLT Deelen is aangewezen als voorkeurslocatie met maximaal 240 vliegbewegingen per jaar. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. MLT Deelen is een bestaande vliegbasis met een aangewezen beperkingsgebied en geluidscontour. De nieuwe activiteit past daar ruim binnen. Vanuit militair perspectief draagt een onverharde landingsbaan op deze locatie het beste bij aan de getraindheid van zowel de diverse grond- en luchteenheden. MLT Deelen ligt op een gunstige afstand van Vliegbasis Eindhoven, waar de tactische luchttransportcapaciteit van Defensie is gestationeerd. Ook ligt de locatie nabij de landmachteenheden van de Luchtmobiele Brigade in Schaarsbergen, die oefenen om de landingsbaan te beoordelen en gereed te maken voor een start of landing, en andere snel inzetbare eenheden. Realisatie op MLT Deelen heeft synergievoordelen, omdat faciliteiten reeds op deze locatie aanwezig of goed te organiseren zijn, waardoor de investeringskosten van het realiseren van de behoefte lager blijven. Bovendien ligt er al een korte verharde landingsbaan die vooruitlopend op de aanleg van een onverharde landingsbaan gebruikt kan worden voor het beoefenen van korte landing- en opstijgprocedures. Op geluid voor omwonenden scoort MLT Deelen goed. In de nabijheid van MLT Deelen ligt een beperkt aantal woningen, de effecten van 240 vliegbewegingen zijn hiervoor zeer beperkt.
Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met het volgende aandachtspunt rekening moeten worden gehouden:
•
• •
Door het gebruik met luchttransport wordt meer geluid op MLT Deelen geproduceerd dan in de huidige situatie. De huidige geluidszone biedt hiervoor voldoende ruimte. Er kan wel sprake zijn van (beperkte) toename van geluidshinder voor omwonenden en recreatie. Vanwege de ligging nabij Natura 2000-gebied kan verstoring voor diersoorten die op de Veluwe leven kan aan de orde zijn. De verplaatsing leidt daarnaast tot een bijdrage van stikstofdepositie aan Natura 2000-gebied De Veluwe. De mogelijke negatieve natuureffecten hiervan zijn een aandachtspunt.
Pagina 43 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
7.3
Voorkeurslocaties locatiespecifieke behoeftes Dit deel van het programma bevat de 44 ruimtebehoeftes van Defensie die gekoppeld zijn aan een specifieke defensielocatie of een specifiek gebied. Deze behoeftes slaan neer in 31 verschillende gebieden. Dit betreft behoeftes die als nieuwe activiteit op een bestaande locatie of gebied worden ingepast of meer van dezelfde activiteit die er nu al is en dan veelal een aanpassing van de vergunning en/of extra milieuruimte vergt. Bij elk van de ruimtebehoeftes wordt de behoefte toegelicht, en wordt de gekozen voorkeurslocatie geschetst. Vervolgens wordt onderbouwd waarom Defensie voor deze voorkeurslocatie kiest. Op het volgende kaartbeeld worden de voorkeursalternatieven voor de locatiebehoeftes weergegeven.
Pagina 44 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
7.3.1
Locatiespecifieke behoefte 1: uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD 42 Defensie heeft behoefte aan uitbreiding van de maritieme oefengebieden op de Noordzee. De wapensystemen die getest moeten worden, krijgen een steeds langere dracht. Daarnaast is er behoefte om vanaf zee op landdoelen te kunnen schieten, en veilig gebruik te kunnen maken van de Vliehors range. Ook is er behoefte om in groter verband (meerdere schepen en vliegtuigen) tegelijkertijd op, onder- en bovenwater te kunnen oefenen. De huidige omvang van het oefengebied EHD 42 voorziet hierin onvoldoende en moet worden uitgebreid.
Het voorzien in deze behoefte is onderdeel van het voorkeurspakket. Het voorkeursalternatief is het uitbreiding van oefengebied EHD 42 in zuidwestelijke richting, naar locaties B en C. Uitzondering hierop is het schieten vanuit EHD 42 op de Vliehors. Dit is gezien de effecten geen onderdeel van het voorkeurspakket. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Met deze uitbreiding wordt in combinatie met de invulling van locatiespecifieke behoefte 2 een aaneengesloten oefenterrein gecreëerd waarmee voor het grootste gedeelte invulling kan worden gegeven aan de behoefte. De behoefte om vanuit het maritieme oefengebied op de Vliehors te schieten is hier geen onderdeel van. De behoefte blijft onverminderd aanwezig, maar is op basis van de huidige uitgangspunten niet uitvoerbaar. Dit wordt met name veroorzaakt door de huidige omvang en inrichting van de Vliehors range, en de effecten van de onveilige gebieden op de andere ruimtegebruikers tussen de maritieme oefengebieden en de Vliehors (civiele en militaire luchtvaart en scheepvaartroutes). Defensie zal moeten bezien in hoeverre dit gedeelte van de behoefte op een andere wijze ingevuld kan worden. Bij de realisatie van de behoefte op deze locatie zijn enkele aandachtspunten waarmee bij de verdere ontwikkeling en inpassing rekening moet worden gehouden:
•
•
7.3.2
Een deel van het gebied ligt in Natura 2000-gebied Friese Front, net als het huidige EHD 42 oefengebied. De inpassing van deze behoefte kan bij elk van de gebieden effecten hebben op vogels die afhankelijk zijn van het Natura 2000-gebied Friese Front. Dit is binnen het bestaande oefengebied ook het geval. De mitigerende maatregelen zoals daarvoor van toepassing zullen ook gelden voor het uitbreidingsgebied in het Friese Front. Realisatie van de behoefte heeft effecten op andere ruimtegebruikers, omdat in de huidige situatie sprake is van ander gebruik: visserij, scheepvaart, olie- en gaswinning en helikopterroutes. Bij de realisatie zal afgestemd moeten worden met deze ruimtegebruikers om tot optimale medegebruik te komen.
Locatiespecifieke behoefte 2: uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen inclusief drones met corridors op het water naar, in en boven het water EHD 41 Defensie heeft behoefte aan uitbreiding van de maritieme oefengebieden op de Noordzee. De wapensystemen die getest moeten worden, krijgen een steeds langere dracht. Daarnaast is er behoefte om vanaf zee op landdoelen te kunnen schieten, en veilig gebruik te kunnen maken van de Vliehors range. Ook is er behoefte om in groter verband (meerdere schepen en vliegtuigen) tegelijkertijd op, onder- en bovenwater te kunnen oefenen. De huidige omvang van het oefengebied EHD 41 voorziet hierin onvoldoende en moet worden uitgebreid.
Het voorzien in deze behoefte is onderdeel van het voorkeurspakket. Het voorkeursalternatief is het uitbreiding van oefengebied EHD 41 in Pagina 47 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
noordelijke richting, naar locatie B. Uitzondering hierop is het schieten vanuit EHD 41 op de Vliehors. Dit is gezien de effecten geen onderdeel van het voorkeurspakket. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Met deze uitbreiding wordt in combinatie met de invulling van locatiespecifieke behoefte 2 een aaneengesloten oefenterrein gecreëerd waarmee voor het grootste gedeelte invulling kan worden gegeven aan de behoefte. De behoefte om vanuit het maritieme oefengebied op de Vliehors te schieten is hier geen onderdeel van. De behoefte blijft onverminderd aanwezig, maar is op basis van de huidige uitgangspunten niet uitvoerbaar. Dit wordt met name veroorzaakt door de huidige omvang en inrichting van de Vliehors range, en de effecten van de onveilige gebieden op de andere ruimtegebruikers tussen de maritieme oefengebieden en de Vliehors (civiele en militaire luchtvaart en scheepvaartroutes). Defensie zal moeten bezien in hoeverre dit gedeelte van de behoefte op een andere wijze ingevuld kan worden. Bij de realisatie van de behoefte op deze locatie is er een aandachtspunt, waarmee bij de verdere ontwikkeling en inpassing rekening moet worden gehouden:
•
7.3.3
Realisatie van de behoefte heeft effecten op andere ruimtegebruikers, omdat in de huidige situatie sprake is van ander gebruik: visserij, scheepvaart, oliewinning en helikopterroutes. Bij de realisatie zal afgestemd moeten worden met deze ruimtegebruikers om tot optimale medegebruik te komen.
Locatiespecifieke behoefte 3: schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range, gemeente Vlieland De behoefte van Defensie is om met de MQ-9 en de Apache gevechtshelikopter op de Vliehors Range te kunnen schieten met extra munitiesoorten: Advanced Precision Kill Weapon System (APKWS) en Hellfire (raketten) en GBU-12 en GBU-49 (bommen). Dit is momenteel niet mogelijk op de huidige schietrange.
Het voorzien in deze behoefte op deze locatie is voor de GBU-12 en GBU-49 onderdeel van het voorkeurspakket. De andere wapensystemen zijn geen onderdeel van het voorkeurspakket. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De GBU-12 en GBU-49 passen binnen de vergunde onveilige zone. Uit onderzoek blijkt dat t.o.v. de referentiesituatie geen aanvullende effecten optreden. Het schieten met hellfires en APKWS op deze locatie brengt een te groot onveilig gebied met zich mee en zou daarmee ten koste gaan van andere ruimtefuncties, zoals wonen en recreëren. De behoefte om met hellfires te schieten blijft onverminderd aanwezig, maar zal niet met het NPRD in Nederland worden gerealiseerd. Defensie zal moeten bezien in hoeverre dit gedeelte van de behoefte op een andere wijze ingevuld kan worden. 7.3.4
Locatiespecifieke behoefte 4: herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors Range, gemeente Vlieland Defensie heeft behoefte aan een verruiming van de onveilige zone op de Vliehors Range voor het benodigd gebruik met de huidige en toekomstige wapensystemen. De bestaande onveilige zone van de Vliehors Range is hiervoor niet toereikend. Aanpassing van de Omgevingsregeling is nodig.
Het voorzien in deze behoefte op deze locatie is onderdeel van het voorkeurspakket.
Pagina 48 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De behoefte betreft geen intensivering van het gebruik op de Vliehors Range en leidt niet tot negatieve milieueffecten. 7.3.5
Locatiespecifieke behoefte 5: uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten vliegbasis Leeuwarden, gemeente Leeuwarden, en verlenging van de baan De behoefte bestaat uit twee delen. Defensie heeft ten eerste de behoefte aan meer grondgebonden geluid op vliegbasis Leeuwarden. Dit is nodig voor meer proefdraaien met jachtvliegtuigen en het gebruik van grondvoertuigen en gronduitrusting. Dit is nodig voor operaties met Nederlandse jachtvliegtuigen maar ook voor gezamenlijk optreden met bondgenoten tijdens grootschalige oefeningen als Frisian Flag en Ramstein Flag. Ten tweede heeft Defensie de behoefte om de secundaire baan op Vliegbasis Leeuwarden te verlengen zodat deze binnen de bestaande geluidscontour beter en vaker kan worden gebruikt.
Het voorzien in deze behoeftes op deze locatie is onderdeel van het voorkeurspakket. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De uitbreiding van de secundaire baan biedt vliegbasis Leeuwarden meer mogelijkheden om tijdens verschillende weersomstandigheden te vliegen en het vlieggeluid meer gelijkmatig te verdelen over de bestaande geluidscontour. Daarnaast draagt een volwaardige secundaire baan bij aan de vliegveiligheid tijdens start en landing of als de hoofdbaan door onvoorziene omstandigheden niet beschikbaar is. Voor de uitbreiding van de secundaire baan zijn de onderzochte uitbreidingsrichtingen in beide richtingen nodig. Bij de realisatie van de behoefte op deze locatie zijn enkele aandachtspunten, waarmee bij de verdere ontwikkeling en inpassing rekening moet worden gehouden:
•
• • •
7.3.6
Voor wat betreft de verlenging van de secundaire baan kan realisatie van de behoefte niet zonder gevolgen voor de omgeving gerealiseerd worden. 46 ha agrarische grond en 1 ha overig zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming. Beide uitbreidingsrichtingen zijn in het bestemmingsplan (geheel of gedeeltelijk) aangewezen als archeologisch waardevol. De ligging van een aardgasleiding in de oostelijke uitbreidingsrichting (uitbreidingsgebied B). Bij het gebruik van de secundaire baan is bestaande woningbouw, omgeving Tsjessingawei, in de oostelijke richting een aandachtspunt. Het gebruik van de secundaire baan moet passend worden gemaakt binnen de bestaande geluidscontour. Voor wat betreft de uitbreiding van milieuruimte is aanvullend onderzoek nodig om de geluidseffecten op de omgeving nader in kaart te brengen en eventueel benodigde mitigerende maatregelen vast te kunnen stellen. Dat onderzoek wordt uitgevoerd tussen dit ontwerp en het definitieve programma. Tussen ontwerp en definitieve vaststelling zal hier een separaat participatietraject voor worden georganiseerd.
Locatiespecifieke behoefte 6: beperkingengebied rondom vliegbasis Leeuwarden (specifiek de outer horizontal surface) Defensie heeft de behoefte om rondom vliegbasis Leeuwarden het beperkingengebied, de zogenaamde outer horizontal surface (OHS), juridisch vast te leggen. Dit houdt in dat binnen een straal van 15 km rondom deze vliegbasis in beginsel geen gebouwen of bouwwerken hoger dan 150 meter gerealiseerd mogen worden als dat ten koste gaat van de vliegveiligheid. Dit beleid is gebaseerd op de Pagina 49 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
door burgerluchtvaartorganisatie ICAO4 van de Verenigde Naties (VN) voorgeschreven beperkingengebieden.
Het voorzien in deze behoefte op deze locatie is onderdeel van het voorkeurspakket. De belangrijkste overweging bij deze keuze is geweest dat realisatie nodig is voor de vliegveiligheid. Ook leidt dit tot meer veiligheid op de grond door een kleinere kans op ongelukken met vliegtuigen. De impact van een OHS op andere ruimtegebruikers en -vragers in de regio is gering. De mogelijkheid voor hoge objecten is door de provincie Friesland beleidsmatig al beperkt. De invulling van de behoefte leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor eventuele toekomstige bouwontwikkelingen in dit gebied hoger dan 150 meter is eerst een positieve beoordeling nodig over de effecten op de vliegveiligheid. 7.3.7
Locatiespecifieke behoefte 7: uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen, gemeente Het Hogeland Defensie heeft de behoefte om naast de vaste schietpunten op schietbaan Marnewaard ook te kunnen schieten vanaf voertuigen die rijden en verschillende vuurposities innemen. Daarnaast heeft Defensie de behoefte om 6 weken per jaar meer te kunnen oefenen, van 14 naar 20 weken per jaar.
Het voorzien in de behoefte op deze locatie is onderdeel van het voorkeurspakket. De belangrijkste overweging hiervoor is geweest dat inpassing van deze behoefte geen fysieke uitbreiding vraagt van de bestaande schietbaan of verandering van het bestaande onveilig gebied op de Waddenzee. De schietbaan Marnewaard is een belangrijke schietbaan voor het oefenen en trainen met voertuig gebonden wapens. Door de realisatie van deze behoeftes kan realistischer worden geoefend en is Defensie instaat om de benodigde groei van het aantal schutters te faciliteren. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte op deze locatie zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden:
•
•
7.3.8
In de directe nabijheid van de schietbaan Marnewaard liggen Natura 2000gebieden en UNESCO Werelderfgoed. Geluidshinder en geluidsverstoring zullen met name door de toename van het aantal schoten en schietdagen toenemen. Deze effecten zijn daarom onderzocht. Uit het onderzoek blijkt echter dat deze toename niet leidt tot significante effecten voor de natuur. In de directe nabijheid van de schietbaan Marnewaard liggen ook woningen en recreatieparken. Geluidshinder zal met name door de toename van het aantal schoten en schietdagen toenemen. Deze effecten zijn daarom onderzocht. Uit het onderzoek blijkt echter dat deze toename niet leidt tot significante effecten.
Locatiespecifieke behoefte 8: EHR 8 uitbreiden en gereedmaken voor oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water inclusief corridors Defensie heeft de behoefte om vanuit de haven van Den Helder naar het bestaande maritieme oefengebied EHR-8 te kunnen varen met onbemande vaartuigen. Het gaat
4
Dit beleid vloeit voort uit de guideline van de burgerluchtvaartorganisatie ICAO van de Verenigde Naties “Annex 14, Volume I – Aerodromes”, waarin voorschriften over hoogtebeperkingen voor objecten op en rond luchthavens zijn opgenomen.
Pagina 50 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025