Motivering e250071896
Tekst van het document
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 7
Bescherming gezondheid en het milieu
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •
geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2
Situatie plangebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 7.1.2.1 Geluid door wegen en spoorwegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Het plangebied ligt in het centrum van Ermelo aan de Stationsstraat en het Garsteland. Deze wegen hebben een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur en kennen zeer beperkte verkeersintensiteiten vanwege hun functie als ontsluitingswegen in een centrumgebied. De drukkere doorgaande wegen zoals de Horsterweg en Leuvenumseweg bevinden zich op meer dan 100 meter afstand van het plangebied en worden bovendien afgeschermd door tussenliggende bebouwing. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp Gelet op de lage snelheden, beperkte verkeersintensiteiten en de afstand tot drukkere wegen, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de standaardwaarde van 53 dB Lden als bedoeld in artikel 3.34 Bkl niet wordt overschreden, zodat nader akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. 7.1.2.2 Geluid door industrieterreinen In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar het kopje ‘Geluid door overige geluidbelastende activiteiten’. 7.1.2.3 Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Algemeen Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan.
De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Gebiedstypen Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’, ‘gemengd gebied’ of ‘functiemengingsgebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Voor gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kunnen de gebieden worden aangemerkt als ‘functiemengingsgebied’. Bij ‘functiemengingsgebieden’ moet gedacht worden aan: 1. 2. 3. 4.
stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.
Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: • • •
Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Ten aanzien van het plangebied en de omgeving (het centrum van Ermelo) wordt opgemerkt dat er sprake is van een situatie waarbij bewust functiemenging wordt nagestreefd, daarom wordt hier uitgegaan van een ‘functiemengingsgebied’. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Ten aanzien van de toe te voegen woningen (woonfunctie) wordt opgemerkt dat dit geen milieubelastende functie betreft. Er is daarmee geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat ten aanzien van de in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies. Ten aanzien van de uitbreiding van de Lidl en de beoogde centrumfuncties in de voormalige COOP supermarkt, wordt opgemerkt dat dit op basis van het omgevingsplan reeds is toegestaan. Hiermee is dan ook geen sprake van een (verdere) verslechtering van het woon- en leefklimaat ten aanzien van de in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies. Desondanks is het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door Ardea Acoustics & Consult een akoestisch beoordeling uitgevoerd voor de uitbreiding van de Lidl.
De volledige beoordeling is opgenomen in bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. De uitbreiding van het winkeloppervlak geeft Lidl de mogelijkheid om de verkoopruimte opnieuw in te richten en het productaanbod te verbeteren. Lidl geeft aan dat deze uitbreiding vooral ten doel heeft om haar bestaande klanten te voorzien van een beter aanbod. Op basis van ervaring met andere locaties neemt het aantal klanten zeer beperkt toe maar is sprake van een hogere omzet per bezoek. Dit betekent dan ook dat er geen significante verandering is van het aantal klanten dat het filiaal gaat bezoeken. De bevoorrading verandert ook niet significant. In de huidige situatie gaat het om gemiddeld twee vrachtwagens per dag. Dit aantal verandert niet. Vanwege de uitbreiding en verandering van de inrichting van de winkel worden de bestaande installaties wel vervangen. Deze verandering is beoordeeld bij zowel de bestaande woningen/appartementen als de nieuwe appartementen. Bezoekers van het winkelgebied parkeren hun auto op de openbare parkeerplaatsen van het Garsteland. De nieuwe appartementen bevinden zich op zodanig grote afstand van de parkeerplaatsen dat geen geluidhinder is te verwachten. Dit geluid wordt daarom niet beoordeeld.
Op basis van de uitgevoerde geluidsberekeningen blijkt dat bij de bestaande en nieuwe woningen/appartementen voldaan wordt aan de eisen volgens artikel 22.63 van het Omgevingsplan op basis van: -
Plaatsing geluidscherm met hoogte van 2,35 m. Plaatsen 2 geluiddempers op Carrier units met relatief hoogte van 0,4 m ten opzichte van bovenzijde ventilator.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. Het plangebied ligt in het centrum van Ermelo waar uitsluitend milieucategorie 1 en 2 bedrijven/inrichting zijn toegestaan. Dergelijke bedrijven/inrichtingen vallen op basis van functiemengingsgebieden in de categorieën A en B van de VNG-brochure. Deze functies kunnen inpandig aan woningen worden uitgevoerd (categorie A) of dienen bouwkundig afgescheiden te zijn van woningen of andere gevoelige functies (categorie B). In voorliggend geval is er een bouwkundige scheiding tussen de beoogde woningen en de in de omgeving voorkomende centrumfuncties (incl. uitbreiding van de Lidl supermarkt). Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieubelastende functies niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd. 7.1.3
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2
Situatie plangebied
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Sigma een verkennend en nader milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. In bijlage 2 is het onderzoek te vinden. Hieronder wordt er een korte conclusie gegeven. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek aan de Stationsstraat 47 te Ermelo blijkt dat de bovenste bodemlaag (bovengrond) plaatselijk verontreinigd is met de metalen lood, zink en in mindere mate cadmium. Ter plaatse van één meetpunt (boring 1) zijn waarden gemeten die hoger zijn dan de vastgestelde normen voor een schone of licht verontreinigde bodem. Daarmee wordt de bodemkwaliteit op die plek als sterk verontreinigd aangemerkt. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest, maar dit is niet specifiek onderzocht. Indien daarover zekerheid gewenst is, moet aanvullend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Het vervolgonderzoek (nader bodemonderzoek) laat zien dat de verontreiniging met lood en zink zich plaatselijk beperkt tot een laag van circa 0,5 meter dik en een geschatte omvang van ongeveer 14 m³ grond. De verontreiniging lijkt te zijn ontstaan voor 1987 en wordt daarmee beschouwd als een historische bodemverontreiniging. De gemeten gehalten lood betekenen dat de bodem niet geschikt is voor gebruik als moestuin of speelterrein, zonder aanvullende maatregelen.
Wanneer de locatie (deels) als tuin in gebruik wordt genomen, wordt geadviseerd om hierover advies in te winnen bij de GGD.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp 7.2.3
Conclusie
De bodem op het perceel is overwegend geschikt voor het voorgenomen gebruik, maar plaatselijk is sprake van een beperkte, historische verontreiniging met zware metalen (lood en zink) in de bovenlaag. De aangetroffen verontreiniging met lood en zink is historisch en plaatselijk van aard. Sanering is op dit moment niet noodzakelijk, maar bij functies met direct bodemcontact (zoals tuinen of speelplaatsen) zijn mogelijk beheersmaatregelen, zoals het aanbrengen van een schone grondlaag, wenselijk. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 7.3.2
Situatie plangebied
Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2
Situatie plangebied
De beoogde woningen worden aangemerkt als geurgevoelige gebouwen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante geurbelastende activiteiten aanwezig. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde woningen, voor wat betreft het aspect geur, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden geurbelastende functies in de omgeving niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 7.5.2
Situatie plangebied
In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op 720 meter van het plangebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor. Gelet op het vorenstaande kan een onderzoek naar spoortrillingen achterwege blijven. Verder zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen relevantie trilling veroorzakende activiteiten aanwezig. 7.5.3
Conclusie
Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.6.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt er geen functie gerealiseerd die risico’s voor de gezondheid van omwonenden met zich mee brengt. Daarnaast vinden er in de nabijheid van het plangebied geen activiteiten plaats die een risico voor de gezondheid met zich mee brengen. Het initiatief draagt bij aan meerdere maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet. De uitbreiding van de Lidl supermarkt en transformatie van het voormalige COOP-gebouw naar centrumfuncties zorgt voor behoud en versterking van de economische structuur, terwijl de realisatie van zes appartementen bijdraagt aan het voorzien in de behoefte aan woningen. De voorgenomen functietoedeling realiseert een evenwichtige verdeling door retail-, woon- en centrumfuncties ruimtelijk en functioneel op elkaar af te stemmen binnen een bestaand centrumgebied. De combinatie van dagelijkse voorzieningen op de begane grond met woningen op de verdiepingen creëert een levendige en multifunctionele omgeving die gedurende verschillende dagdelen wordt gebruikt. Deze intensieve maar gevarieerde functietoedeling past bij de centrumlocatie en draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De herontwikkeling van leegstaande panden voorkomt bovendien functieverlies en ruimtelijke degradatie. Vanuit gezondheidsoogpunt verbetert de kwaliteit van de leefomgeving door deze evenwichtige functietoedeling.
De nabijheid van voorzieningen stimuleert actieve mobiliteit en verkort verplaatsingsafstanden, wat positief uitwerkt op zowel de fysieke gezondheid van bewoners als de luchtkwaliteit. De transformatie van leegstand naar vitale functies draagt bij aan de sociale veiligheid en het voorkomen van verloedering. Hoewel de intensivering van het gebruik kan leiden tot een beperkte toename van verkeersbewegingen, wordt dit effect gecompenseerd door de verkorting van verplaatsingsafstanden naar dagelijkse voorzieningen. De gezondheidseffecten verslechteren daarom niet onevenredig, maar verbeteren per saldo door de evenwichtige toedeling van complementaire functies op deze centrumlocatie. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
7.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
7.7.1
Wettelijk kader
Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ en ‘klimaatadaptatie’ getoetst. 7.7.2
Situatie plangebied
De woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarnaast wordt een groene daktuin gerealiseerd. De groene daktuin ondersteunt zowel klimaatadaptatie door waterberging en temperatuurregulatie als ecosysteembeheer door creatie van stedelijke habitat. De natuurinclusieve maatregelen zoals nestkasten versterken het beheer van ecosystemen door ondersteuning van stedelijke biodiversiteit. De intensivering van bestaande bebouwing realiseert een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen door maximaal gebruik van bestaande infrastructuur en het voorkomen van uitbreiding op groene locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp 7.7.3
Conclusie
Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid en klimaatadaptatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
8.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Het Gelders Natuurnetwerk is de Gelderse uitwerking van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp 8.1.4
Situatie plangebied
8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op circa 800 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 3. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase is intern gesaldeerd met de beëindiging van de bestaande functies in het plangebied. Geconcludeerd is dat het additionaliteitsvereiste niet in de weg staat om dit gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie als interne salderingsmaatregel in de passende beoordeling te betrekken. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
8.1.4.2 GNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) hoort, bevindt zich op 760 meter van het plangebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. 8.1.4.3 Houtopstanden In het plangebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel geschikt als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of (winter)rustplaats. Door het slopen van de woning tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit verkregen worden, omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.
De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Als gevolg van het slopen van de bestaande bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de woning voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of (winter)rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen en/of (Winter)rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: •
Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp • •
8.3
Nader onderzoek naar de functie van de te slopen bebouwing voor vleermuizen uitvoeren; Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken).
Conclusie
Omdat niet uitgesloten kan worden dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot aantasting van het functionele leefgebied van vleermuissoorten, is nader onderzoek nodig. Omdat het hier om diersoorten gaat waarvoor in de regel een omgevingsvergunning voor een flora en faunaactiviteit kan worden verkregen, staat dit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Voor het overige leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soorten- en gebiedsbescherming. Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur. Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 9
9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Situatie plangebied De gemeente heeft het archeologisch beleid verwerkt in dubbelbestemmingen in haar bestemmingsplannen, die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie H’. De gronden zijn hiermee naast de andere daar voorkomende bestemmingen ook bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 100 m2. De te slopen bebouwing binnen het plangebied komt uit de jaren ’30. Bebouwing uit deze jaren ‘30 zijn vaak sober gefundeerd. Dat betekent dat de bodem onder het te slopen gebouw vaak nog archeologische waarden kan herbergen. Datzelfde gold voor Stationsstraat 50-52. Hier is eerder een vindplaats uit de middeleeuwen opgegraven. Achter op het perceel staat een garage.
De kans dat ook hier archeologische waarden aanwezig zijn, is groot. Dat komt ook doordat de bodemopbouw bestaat uit een dikke humeuze laag op zand. De dikte van deze humeuze laag komt voort uit het bemesten van de historische akkers met potstalmest. In het centrum zijn er plekken waar deze laag dikker is dan 1 meter. Op basis van deze gegevens is besloten dat een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is. Het proefsleuvenonderzoek kan pas worden uitgevoerd na sloop van de te slopen bebouwing. Daarom wordt ter bescherming van eventuele archeologische waarden de archeologische dubbelbestemming overgenomen in dit TAM-omgevingsplan.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied liggen geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Het plan heeft daarmee geen invloed op de cultuurhistorie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 10
10.1
Infrastructuur en openbare ruimte
Wettelijk kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied.
10.2
Verkeer en parkeren
10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De gemeente Ermelo heeft parkeerbeleid vastgesteld op 30 juni 2016, het Parkeerbeleidsplan Ermelo. Op basis daarvan is een Nota Parkeernormen opgesteld. In de Nota Parkeernormen Ermelo zijn de parkeernormen benoemd per functie. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk Stedelijke zone: Centrum
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. 10.2.2 Parkeerbehoefte In het kader van voorgenomen ontwikkeling is voor de gehele ontwikkeling een parkeerberekening gemaakt. Hierin is de bestaande situatie vergeleken met de beoogde toekomstige situatie, tevens is rekening gehouden met dubbelgebruik. De parkeerberekening is opgenomen in bijlage 6. Op basis van de parkeerberekening blijkt dat per saldo drie parkeerplaatsen toegevoegd moeten worden om te kunnen blijven voorzien in de parkeerbehoefte. De parkeerplaatsen worden toegevoegd aan het parkeerterrein bij het Garsteland. 10.2.3 Verkeersgeneratie en ontsluiting Voor het bepalen van de toename van de verkeersgeneratie wordt uitsluitend ingegaan op de beoogde woningen. Immers is de uitbreiding van de Lidl-supermarkt reeds planologisch toegestaan. Voor het inperken van de detailhandelsmogelijkheden voor de voormalige COOP supermarkt geldt dat dit vanuit planologisch oogpunt eveneens niet zorgt voor een toename van de verkeersgeneratie. Functie Verkeersgeneratie Aantal Wonen - Koop, 5,8 6 woningen appartement, 75 – 100 m2 bvo Totale verkeersgeneratie naar boven afgerond per weekdagetmaal:
Subtotaal 34,8 35
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp Op basis van de genoemde uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie voor de beoogde woningen 35 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De omliggende wegen zijn in voldoende mate ingericht om de toekomstige verkeerbewegingen eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen.
10.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 11
11.1
M.e.r.- Beoordeling
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
11.2
Situatie plangebied
Voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (J11) uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Kolom 2 uit bijlage V Ob is hierbij niet van toepassing, waarmee geen merplicht geldt. Wel is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht: er is sprake van het toevoegen van zes appartementen. In het kader van dit plan is een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 7. Uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 12
12.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen.
Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Op 27 oktober 2025 is een inloopavond georganiseerd door de ontwikkelaar voor de omwonenden en winkeliers uit de directe omgeving. Door middel van een brief worden omwonenden uitgenodigd om de plannen te bekijken en vragen en zorgen te uiten. Ook is de mogelijkheid geboden om per emailbericht vragen te stellen. Van deze laatste mogelijkheid heeft één omwonende gebruik gemaakt door te vragen waarom er niet een parkeergarage in de leegstaande COOP supermarkt wordt gerealiseerd. Deze vraag is beantwoord als technisch niet haalbaar in de bestaande woonomgeving. De avond zelf is door circa 60 mensen bezocht. Men heeft kennisgenomen van de plannen. Enkele bewoners aan de Dirk Staalweg hebben hun zorgen geuit over de wijze van bevoorraden door Lidl en over de installaties die op het dak staan. Dit betreft reeds een bestaande situatie. Ook na de uitbreiding zal de bevoorrading niet wijzigen.
Indien er vervangende installaties moeten worden geplaatst, zullen deze aan de gestelde eisen met betrekking tot geluid moeten voldoen. Overigens wordt er hoe dan ook een akoestisch rapport aan de stukken toegevoegd. Hiermee wordt de genoemde zorg als zijnde beantwoord beschouwd. Over het algemeen is de teneur onder de omwonenden dat men blij is dat het al decennia leegstaande winkelpand Stationsstraat 47 gaat verdwijnen en er iets moois voor terugkomt. 12.2.2 Afstemming overlegpartners Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Provincie Gelderland Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en het feit dat voldaan wordt aan het gestelde in het provinciaal beleid, is vooroverleg met de provincie Gelderland niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp Waterschap Vallei en Veluwe Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van ‘het wateradvies’ (https://hetwateradvies.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van toepassing is. Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met het waterschap is niet nodig. Het Waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies. 12.2.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het wijzigingsbesluit voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Hoofdstuk 13
13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.
13.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit plan beoogt het realiseren van zes appartementen. Daarnaast biedt dit plan de ruimte voor uitbreiding van de Lidl supermarkt. Tot slot wordt de aanduiding ‘detailhandel’ verwijderd van de locatie van de voormalge COOP supermarkt. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Ermelo. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22p van het omgevingsplan van de gemeente Ermelo. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22p' gelezen worden.
De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22p bij het omgevingsplan van de gemeente Ermelo. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 13.2.3 Toepassingsbereik Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0233.TAMStationsstraat4747a-0201 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 13.2.4 Begripsbepalingen Het TAM-omgevingsplan is een regeling opgesteld op grond van de Omgevingswet en maakt onderdeel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (art.
1.1 Omgevingswet) en dus ook op het TAM-omgevingsplan. Begripsbepalingen in dit TAMomgevingsplan kunnen niet afwijken van begripsbepalingen uit de Omgevingswet. Het TAMomgevingsplan bevat daarom uitsluitend aanvullende begripsbepalingen. Tevens zijn de begripsbepalingen uit de AMvB’s en Omgevingsregeling van toepassing verklaard. Begripsbepalingen uit de AMvB’s en de Omgevingsregeling zijn namelijk niet rechtstreeks van toepassing op het omgevingsplan.
13.3
Verantwoording van de regels
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen en bepalingen uit het bestemmingsplan “Kom Ermelo” en “Parkeernormen”. Waarde – Archeologie H (Artikel 4) Deze gebiedsaanwijzing is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft ongewijzigd. Algemene regels over parkeren (Artikel 5) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van het parkeren. Hierin zijn de normen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen van de gemeente Ermelo vastgelegd. Gemengd – Stationsstraat 47/47a Ermelo (Artikel 6) Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft grotendeels ongewijzigd. Wel is bepaald dat op de voormalige COOP locatie geen supermarkt meer gevestigd mag worden. Daarnaast is de woonfunctie op de verdieping mogelijk gemaakt, met bijhorende passende bouwregels.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlagen bij de ruimtelijke motivering
Bijlage 1
Wateradvies
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlage 2
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlage 3
Stikstofonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek geluid door activiteiten
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlage 5
Quickscan natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlage 6
Parkeerberekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
TAM-omgevingsplan 22p Stationsstraat 47/47a Ontwerp
Bijlage 7
M.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55