CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept programmabegroting 2026 2029 e250021378

Gemeenteraad 14 mei 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Programmabegroting 2026-2029 en Jaarstukken 2024 VNOG30.886 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Activiteiten: wat gaan we daarvoor doen? 3. Sterke informatiepositie. BV: − zorgt voor een betrouwbare, integrale informatievoorziening; − zorgt voor informatiebeveiliging en continuïteit conform de landelijke standaarden; − participeert in het landelijk programma Informatieveiligheid, waaronder de inrichting van een sectorale SOC/CERT; − ontwikkelt, implementeert, gebruikt, beheert en ondersteunt informatiegestuurd werken, onder andere via dashboards, business intelligence en het datawarehouse; − zorgt voor een goede archivering van stukken; − draagt bij aan de integraliteit en kwaliteit van beleids- en bestuursvoorstellen; − zorgt voor (juridische) advisering; − coördineert en verzorgt 24/7 de in- en externe communicatie ten aanzien van de reguliere activiteiten en bij incidenten, rampen, crises; − ontwikkelt en beheert content en (nieuwe) communicatiemiddelen en waakt over uitstraling, huisstijl en relevantie van boodschappen voor de diverse doelgroepen; − houdt toezicht op-, adviseert over- en verzorgt de privacy- en gegevensbescherming; − neemt deel aan regionale en landelijke netwerken en overlegt actief met ketenpartners om te investeren in kennis en contacten; − werkt, naar aanleiding van landelijke afspraken, samen met andere afdelingen aan de versterking van crisisbeheersing, versterking van informatievoorziening en versterking samenwerking tussen regio en Rijk.

Deze versterkingsopgaven worden bekostigd uit een ophoging van de rijksbijdrage BDuR, zie hiervoor de separate paragraaf 5.8. Pagina 26 van 74

4. Een gezonde financiële basis en betrokken medewerkers. a. Een solide financiële positie en control. BV: − zorgt voor de financiële-, contracten- en polis-administratie en adviseert over financiën, verzekeringen, inkoop en aanbesteden en coördineert het risicomanagement; − zorgt voor bestuurlijke informatievoorziening hierover die transparant en tijdig is; − organiseert en coördineert de P&C cyclus en de totstandkoming van kadernota, meerjarenbegroting, halfjaarrapportage en jaarstukken (-verslag en -rekening); − overlegt periodiek met de gemeentelijke financieel ambtenaren (het FAO); − stelt een intern beheersingsplan op en versterkt de uitvoering van verbijzonderde interne controle, o.a. in het kader van de rechtmatigheidsverklaring die het DB afgeeft aan het AB; − onderhoudt contact met de accountant. b. Optimale facilitering van de organisatie en de medewerkers.

BV: − overlegt periodiek met gebouwbeheerders en FAO over beheer/gebruik brandweerkazernes; − beheert de locaties vanuit de gebruikersrol conform de vastgestelde demarcatieregeling; − optimaliseert werklocaties en training- en oefenlocaties (met afdeling Brandweerzorg); − adviseert gemeenten over verduurzaming van kazernes op basis van het VNOG Klimaatplan; − bewaakt, begeleidt en adviseert gemeenten over aanpak RI&E knelpunten in kazernes; − levert gemeenten input bij nieuw- en verbouwprojecten van kazernes; één van de nieuwbouwprojecten is de ontwikkeling van de centrale brandweerpost Apeldoorn, tevens kantoorlocatie VNOG en beoogd veiligheidscentrum; − begeleidt de VNOG afdelingen bij de uitvoering van het VNOG Klimaatplan. c. Onze mensen richting, ruimte en vertrouwen geven om zich te ontwikkelen. BV: − investeert in de professionele (door)ontwikkeling van VNOG; − werkt in het kader van het speerpunt ‘Arbeidsmarkt’ uit het regionaal beleidsplan 2025-2028 aan de volgende acties: o voert de strategische personeelsplanning uit; o richt de secundaire arbeidsvoorwaarden verder in; o stimuleert diversiteit, o.a.

door te leren van organisaties die hier al verder mee zijn en best practises uit te testen; o zoekt verbinding met directe partners (gemeenten, GGD, veiligheidsregio’s) voor HRM-alliantievorming en stimuleert het delen van specialistische functies en onderzoekt de mogelijkheden voor het gezamenlijk organiseren van generieke taken en de onderlinge uitwisseling van personeel (stages); o versterkt de verbinding met onderwijsinstellingen; o stimuleert, door het uitvoeren van diverse programma’s, duurzame inzetbaarheid, leiderschapsontwikkeling en een veilige werkomgeving en helpt medewerkers zelf regie te voeren op hun vitaliteit, loopbaan en mobiliteit; − faciliteert het Arbobeleid, mede op basis van de RI&E; − zorgt voor doorontwikkeling van e-HRM dat bijdraagt aan meer efficiency en kwaliteit, gebruiksgemak en de registratie en rapportage van/over personele gegevens/data en formatie; − verzorgt de ondersteunende werkzaamheden voor personeelszorg en -administratie. Indicatoren: hoe gaan we dat meten? Op de prestatiekaart worden twee keer per jaar een aantal geleverde prestaties van de afdeling via indicatoren toegelicht. De prestatiekaart is een onderdeel van de halfjaarrapportage en de

Pagina 27 van 74

jaarrekening. De kaart is ingedeeld volgens de Opgaven van VNOG, die ook de grondslag van deze begroting vormen. Middelen: welke middelen hebben wij daarvoor beschikbaar? Product

L/B

Realisatie 2024

Raming 2025

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Personele kosten

Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo

302.322 9.827.246 -9.524.924

312.000 10.713.300 -10.401.300

312.000 10.377.900 -10.065.900

312.000 10.193.900 -9.881.900

312.000 10.153.900 -9.841.900

312.000 10.083.900 -9.771.900

201.609 -201.609 9.820 1.646.766 -1.636.946

266.500 -266.500

266.500 -266.500

266.500 -266.500

266.500 -266.500

266.500 -266.500

1.611.000 -1.611.000

1.513.400 -1.513.400

1.480.900 -1.480.900

2.142.000 -2.142.000

2.142.000 -2.142.000

95.065 -95.065

109.500 -109.500

109.500 -109.500

109.500 -109.500

109.500 -109.500

109.500 -109.500

39.574 -39.574

80.000 -80.000

80.000 -80.000

80.000 -80.000

80.000 -80.000

80.000 -80.000

580.286 -580.286

681.000 -681.000

676.800 -676.800

676.800 -676.800

676.800 -676.800

676.800 -676.800

616.544 -616.544 65.000 3.260.427 -3.195.427

792.700 -792.700

938.700 -938.700

966.700 -966.700

966.700 -966.700

966.700 -966.700

2.949.928 -2.949.928

2.760.178 -2.760.178

2.785.178 -2.785.178

2.785.178 -2.785.178

2.785.178 -2.785.178

130.713 -130.713 2.500 606.054 -603.554

134.500 -134.500

134.500 -134.500

134.500 -134.500

134.500 -134.500

134.500 -134.500

731.700 -731.700

832.700 -832.700

832.700 -832.700

802.700 -802.700

802.700 -802.700

571.242 -571.242

928.830 -928.830

1.280.000 -1.280.000

1.494.000 -1.494.000

1.549.000 -1.549.000

1.790.000 -1.790.000

-17.195.885

-18.686.958

-18.658.178

-18.708.678

-19.354.778

-19.525.778

519.560 1.249.256 -729.696

549.700 398.150 151.550

184.000 431.600 -247.600

70.000

-729.696

151.550

-247.600

100.000 464.100 -364.100 -364.100

-17.925.581

-18.535.408

-18.905.778

-19.072.778

Facilitair

Huisvesting

Communicatie

Middelen

Verzekeringen

Personeelszaken

Informatie

Arbo

Overig

Rente en afschrijving

Mutatie(s) reserve(s)

Totaal saldo baten en lasten Mutaties reserves 6.0 Bedrijfsvoering

Saldo reserves Resultaat

Baten Lasten Saldo

Pagina 28 van 74

70.000 70.000 -19.284.778

-19.525.778

Programma:

7. Algemene dekkingsmiddelen

Programmahouder:

dhr. J. Joon

Op het programma 7 ‘Algemene dekkingsmiddelen’ staan de middelen die betrekking hebben op de gemeentelijke bijdragen en de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding vanuit het Rijk. De gemeentelijke bijdrage voor 2026 is conform de Kadernota 2026-2029. Voor de hoogte van de bijdrage wordt verwezen naar bijlage 2. De middelen in dit programma worden ingezet om via de andere programma’s de Opgaven van de organisatie uit te voeren. Verder is in dit programma een post opgenomen voor onvoorziene uitgaven en staat hier de nog over de andere programma’s te verdelen post loon- en prijscompensatie. De mutatie in de reserves wordt toegelicht in bijlage 4. Middelen: welke middelen hebben wij daarvoor beschikbaar? Product

L/B

Personele kosten

Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo

Realisatie 2024

Raming 2025

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

622.070 231.608 390.462

399.300 -399.300 1.193.925 1.193.925 0

399.300 -399.300 1.361.000 1.361.000 0

399.300 -399.300 1.869.000 1.869.000 0

399.300 -399.300 1.779.000 1.779.000 0

399.300 -399.300 1.663.000 1.663.000 0

64.284.195

669.048 -669.048 67.664.940

1.984.898 -1.984.898 68.705.000

1.934.398 -1.934.398 71.706.000

1.929.398 -1.929.398 73.226.000

1.929.398 -1.929.398 73.226.000

64.284.195 10.469 43.641 -33.172

67.664.940 43.400 591.614 -548.214

68.705.000

71.706.000

73.226.000

73.226.000

553.779 -553.779

789.279 -789.279

677.279 -677.279

718.279 -718.279

64.641.485

66.048.378

65.767.023

68.583.023

70.220.023

70.179.023

7.0 Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien Baten Lasten Saldo Saldo reserves

2.934.985 1.120.013 1.814.972 1.814.972

1.964.465 43.400 1.921.065 1.921.065

3.944.000 3.944.000 3.944.000

6.054.000 3.000.000 3.054.000 3.054.000

5.783.000 4.500.000 1.283.000 1.283.000

5.864.000 4.500.000 1.364.000 1364000

Resultaat

66.456.457

67.969.443

69.711.023

71.637.023

71.503.023

71.543.023

Treasury

Loon- en prijscompensatie

Bijdragen rijk en gemeenten

Algemeen

Mutatie(s) reserve(s)

Totaal saldo baten en lasten

Mutaties reserves

Pagina 29 van 74

Programma:

8. Kazernes en overgangsrecht (individuele gemeenten)

Programmahouder:

dhr. J. Joon

Het programma 8 betreft onderwerpen die één op één met alleen de betrokken gemeente worden verrekend. De volgende onderwerpen worden individueel verrekend: − Het onderdeel ‘facilitaire kosten’ van de demarcatie kazernes (zie toelichting in paragraaf 5.5.) conform de Regeling demarcatie. − De kosten die voortvloeien uit de aanvullende overeenkomst in het verlengde van de Regeling Demarcatie die met gemeente Apeldoorn is afgesloten omtrent het beheer van de kazernes van Apeldoorn. − De kazerne die (nog) in tijdelijk eigendom van VNOG is (Doetinchem). Op termijn wordt deze kazerne weer terug aan de gemeente Doetinchem overgedragen. − De afwikkeling met de gemeenten Apeldoorn van de financiële gevolgen van het FLO overgangsrecht. Verschillen tussen de in rekening gebrachte voorschotten en de uiteindelijke kosten blijken bij de jaarrekening en worden dan met de desbetreffende gemeente verrekend. Beleidsdoelen: wat willen we bereiken? a. Goed uitgeruste en onderhouden kazernes, zodat de uitruk kan plaatsvinden en er werkzaamheden kunnen worden verricht onder de juiste arbeidsomstandigheden. b. Een juiste uitvoering van het FLO overgangsrecht. Activiteiten: wat gaan we daarvoor doen? a.

Kazernes − De afdeling Bedrijfsvoering (team Vastgoed, Services en Projecten, VSP) zorgt voor / coördineert het onderhoud en de facilitaire diensten, in nauw overleg met de gemeentelijke gebouwbeheerders en conform de afspraken in de Regeling Demarcatie. Tevens zorgt deze afdeling voor de verrekening van de kosten met de desbetreffende gemeenten. b. Overgangsrecht − VNOG zorgt voor een juiste uitvoering van het FLO / overgangsrecht en voor verrekening van de kosten met de betreffende gemeente. Middelen: welke middelen hebben wij daarvoor beschikbaar? De facilitaire kosten van de kazernes, etc. en het overgangsrecht worden een op een met de betreffende gemeenten verrekend. Zie voor een specificatie bijlage 3.

Pagina 30 van 74

Product

L/B

Apeldoorn

Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo Baten Lasten Saldo

Doetinchem

Harderwijk

Epe

Zutphen

Aalten

Berkelland

Bronckhorst

Brummen

Apeldoorn

Elburg

Ermelo

Hattem

Heerde

Lochem

Montferland

Nunspeet

Oldebroek

Oost Gelre

Oude IJsselstreek

Doetinchem

Putten

Voorst

Winterswijk

Algemeen

Mutatie(s) reserve(s)

Totaal saldo baten en lasten

Realisatie 2024

Raming 2025

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

307.182 307.182 0 273.346 273.346 0 153.548 153.548 0 54.995 54.995 0 154.582 154.582 0 17.065 17.065 0 42.945 42.945 0 41.397 41.397 0 21.704 21.704 0 985.376 985.376 0 28.122 28.122 0 18.157 18.157 0 9.451 9.451 0 29.434 29.434 0 49.708 49.708 0 30.794 30.794 0 25.420 25.420 0 35.692 35.692 0 59.173 59.173 0 36.490 36.490 0 529.377 529.377 0 19.259 19.259 0 33.059 33.059 0 40.704 40.704 0

372.000 372.000 0 183.000 183.000 0 125.000 125.000 0 49.000 49.000 0 125.000 125.000 0 33.000 33.000 0 56.000 56.000 0 58.000 58.000 0 25.000 25.000 0 2.111.000 2.111.000 0 41.000 41.000 0 20.000 20.000 0 14.000 14.000 0 27.000 27.000 0 65.000 65.000 0 30.000 30.000 0 34.000 34.000 0 33.000 33.000 0 71.000 71.000 0 47.000 47.000 0 492.000 492.000 0 19.000 19.000 0 33.000 33.000 0 21.000 21.000 0

372.000 372.000 0 183.000 183.000 0 125.000 125.000 0 49.000 49.000 0 125.000 125.000 0 33.000 33.000 0 56.000 56.000 0 58.000 58.000 0 25.000 25.000 0 1.293.500 1.293.500 0 41.000 41.000 0 20.000 20.000 0 14.000 14.000 0 27.000 27.000 0 65.000 65.000 0 30.000 30.000 0 34.000 34.000 0 33.000 33.000 0 71.000 71.000 0 47.000 47.000 0 482.000 482.000 0 19.000 19.000 0 33.000 33.000 0 21.000 21.000 0

372.000 372.000 0 183.000 183.000 0 125.000 125.000 0 49.000 49.000 0 125.000 125.000 0 33.000 33.000 0 56.000 56.000 0 58.000 58.000 0 25.000 25.000 0 1.313.500 1.313.500 0 41.000 41.000 0 20.000 20.000 0 14.000 14.000 0 27.000 27.000 0 65.000 65.000 0 30.000 30.000 0 34.000 34.000 0 33.000 33.000 0 71.000 71.000 0 47.000 47.000 0 482.000 482.000 0 19.000 19.000 0 33.000 33.000 0 21.000 21.000 0

372.000 372.000 0 183.000 183.000 0 125.000 125.000 0 49.000 49.000 0 125.000 125.000 0 33.000 33.000 0 56.000 56.000 0 58.000 58.000 0 25.000 25.000 0 1.207.500 1.207.500 0 41.000 41.000 0 20.000 20.000 0 14.000 14.000 0 27.000 27.000 0 65.000 65.000 0 30.000 30.000 0 34.000 34.000 0 33.000 33.000 0 71.000 71.000 0 47.000 47.000 0 482.000 482.000 0 19.000 19.000 0 33.000 33.000 0 21.000 21.000 0

372.000 372.000 0 183.000 183.000 0 125.000 125.000 0 49.000 49.000 0 125.000 125.000 0 33.000 33.000 0 56.000 56.000 0 58.000 58.000 0 25.000 25.000 0 1.306.500 1.306.500 0 41.000 41.000 0 20.000 20.000 0 14.000 14.000 0 27.000 27.000 0 65.000 65.000 0 30.000 30.000 0 34.000 34.000 0 33.000 33.000 0 71.000 71.000 0 47.000 47.000 0 440.000 440.000 0 19.000 19.000 0 33.000 33.000 0 21.000 21.000 0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Mutaties reserves 8.0 Kazernes in eigendom en overgangsrecht Baten Lasten Saldo Saldo reserves Resultaat

Pagina 31 van 74

4. Overzicht baten & lasten en financieel-technische uitgangspunten 2026 De toevoeging aan de reserves in 2027 en 2028 van respectievelijk € 3.000.000 en € 4.500.000 betreft de verhoging van de gemeentelijke bijdrage voor de dekking van de stijging van de kapitaallasten. Deze bedragen worden gestort in de egalisatiereserve afschrijvingen en de hogere kapitaallast wordt onttrokken. Bij de Kadernota 2027-2030 wordt een nieuwe doorrekening gemaakt van de kapitaallasten. Programma

2025

2026

2027

2028

2029

begroting

begroting

begroting

begroting

begroting

lasten struct. Risico- en crisisbeheersing

10.194.880

Brandweerzorg

35.602.010

Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio MKON Directie en control

baten incid.

struct.

235.000

lasten incid.

0

235.000

struct.

9.632.970 38.269.455

2.384.700

48.000

5.728.340

4.310.920

48.000

5.515.250

4.151.500

847.700

2.000

852.700

Bedrijfsvoering

18.998.958

312.000

19.217.778

Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien

2.853.887

68.902.265

Kazernes en overgangsrecht

4.084.000

4.084.000

Toevoeging aan reserves

Saldo

235.000

1.964.465

1.474.680

708.425

81.187.910

79.478.230

1.709.680

82.023.420

513.000

82.536.420

82.023.420 82.536.420

513.000

lasten incid.

struct.

baten incid.

struct.

incid.

9.550.970

0

37.632.455

84.000

2.417.700

48.000

2.416.700

48.000

2.426.700

48.000

5.731.340

4.310.920

5.750.340

4.310.920

5.749.340

4.310.920

3.256.500

0

struct.

0

70.066.000

513.000

baten incid.

84.000

3.256.500

3.944.000

struct.

9.590.970

4.298.977

78.079.420

lasten incid.

37.802.455

957.700

81.400

struct.

0

19.384.778

82.023.420

baten incid.

84.000

2.000 -247.600

431.600

81.187.910 0

329.000

312.000

473.425

80.479.485 Totaal lasten en baten

77.513.765

struct.

0

2.382.800

235.000

lasten incid.

84.000

36.593.455

80.479.485

struct.

9.690.970

14.000

Onttrekking aan reserves

baten incid.

80.000

2.000

1.102.700

312.000

19.596.778

4.991.977

73.575.000

3.276.500

3.276.500

84.662.420

-364.100

-284.100

3.000.000

464.100

87.662.420

180.000

87.842.420

0

0

6.054.000

180.000

1.102.700

2.000

19.837.778

312.000

4.784.977

75.005.000

4.709.977

74.889.000

3.170.500

3.170.500

3.227.500

3.227.500

84.215.420

70.000

82.932.420

0

5.783.000

70.000

4.500.000

87.662.420 87.842.420

0

Pagina 32 van 74

81.608.420

2.000 312.000

70.000

180.000

88.715.420

84.237.420

0

82.873.420 5.864.000

4.500.000

70.000

88.785.420

88.715.420 88.785.420

0

70.000

88.737.420

88.737.420

88.737.420

88.737.420 0

0

Financieel-technische uitgangspunten Het algemeen bestuur heeft op 27 maart 2025 de Kadernota 2026-2029 vastgesteld. In de Kadernota staan de financieel-technische uitgangspunten voor de begroting 2026. De volgende uitgangspunten zijn toegepast. Kaders systematiek loon- en prijscompensatie De systematiek voor de begroting 2026 verschilt niet van degene die is toegepast voor vorige begrotingen, echter er is voor de looncompensatie een correctie toegepast als gevolg van de werkelijke CAO-ontwikkelingen ten opzichte van de CPB-verwachtingen (punt 1 hieronder). Dit blijft binnen de hoofdlijn in de systematiek dat de gemeentelijke bijdrage meebeweegt met de loonen prijsindex (zoals ontleend aan CPB), waarbij zoals gebruikelijk verschillen in realisatie van de loonsom in de jaarrekening worden toegelicht en de bestemming van het resultaat ter besluitvorming voorligt in het algemeen bestuur (al dan niet terugvloeien naar gemeenten). 1. Looncompensatie: De looncompensatie voor 2026 wordt berekend op basis van het percentage (loonvoet sector overheid), dat wordt genoemd in de septembercirculaire 2024 van het Gemeentefonds. Daarnaast wordt gekeken of de ontvangen compensatie over voorgaande jaren voldoende was om de stijging van de lonen als gevolg van de afgesloten arbeidsvoorwaardenakkoorden en als gevolg van wijzigingen in de belastingen en premies te dekken.

Als dit afwijkt, wordt dit in de betreffende jaarrekening gemeld. Zowel afwijkingen naar boven als naar beneden worden voor de nieuwe begroting verrekend met de gemeentelijke bijdragen (correctie). 2. Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR): Voor de raming van de Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR) die de VNOG van het Rijk ontvangt, wordt uitgegaan van de laatste beschikking. Voor de begroting voor 2026 is dit de beschikking die de VNOG voor 2025 ontvangt in december 2024. De BDUR bedraagt ongeveer 15% van de inkomsten van de VNOG. Als de uitkering in 2024 en 2025 (in juni wordt dit bekendgemaakt door het ministerie van Justitie en Veiligheid) wordt verhoogd voor loonen prijscompensatie, wordt dit onderdeel van het betreffende jaarrekeningresultaat en kan bij bestemming van het jaarrekeningresultaat bijvoorbeeld terugvloeien naar de gemeenten of er wordt een voorstel voorgelegd voor bestemming. Voor 2026 doet zich de situatie voor, dat in de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid een korting van 10% op de BDuR is verwerkt. In de Kadernota is toegelicht hoe hiermee wordt omgegaan, zie ook de Inleiding van deze begroting. 3. Prijscompensatie: Voor de prijscompensatie wordt ook uitgegaan van het percentage in de septembercirculaire (prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc)). Hier vindt geen verrekening met voorgaande jaren plaats.

Financiële kaders 1. Voor de formatie wordt uitgegaan van de vastgestelde formatie per 1 januari 2025. Uitbreiding en inkrimping van de formatie verloopt, voor zover dit niet gedekt kan worden binnen de begroting, via de Kadernota. 2. De loonkosten worden gebaseerd op onder 1 genoemde formatie, rekening houdend met: a. de daarbij behorende functieschalen op de hoogste anciënniteit; b. Inhuur van derden, bij voorbeeld ter vervanging van ziekte, vacatureoverbrugging of knelpunten wordt niet geraamd en wordt in principe opgevangen vanuit de kaderstellende loonkosten;

Pagina 33 van 74

3.

4.

5.

6. 7.

c. incidentele en persoonsgebonden beloningscomponenten (gratificaties, arbeidsmarkt / functioneringstoelagen, extra periodieken e.d.) worden niet begroot, deze moeten worden opgevangen binnen het genormeerde formatiebudget; d. het laatst bekende arbeidsvoorwaardenakkoord 2024; e. het gemiddelde van de loonindexcijfer 2025 en 2026 uit de Septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds “loonvoet sector overheid” (4,7% voor 2025 en 3,8% voor 2026) (zie in de Kadernota (hoofdstuk 7) de tabel met de berekening); f. het gemiddelde percentage voor de werkgeverslasten (o.a. sociale verzekerings- en pensioenpremies) voor 2024 aangepast met de percentages voor 2025. Voor 2026 zijn de percentages voor de werkgeverslasten nog niet bekend; g. gedurende het begrotingsjaar 2026 wordt bij de tussentijdse rapportages en de jaarrekening een begrotings-brede toelichting gegeven op de afwijkingen van bovengenoemde aannames. Tevens worden de verschillen door onder- en/of overbezetting toegelicht; h. het opleidingsbudget beweegt mee met de loonsom (2% minus 100.000) i. de begroting 2026 wordt niet meer bijgesteld op basis van andere percentages in komende circulaires. Voor de raming van de vrijwilligersvergoedingen: a. wordt het bedrag voor 2025 genomen; b.

het gemiddelde van de loonindexcijfer 2025 en 2026 uit de Septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds “loonvoet sector overheid” (4,7% voor 2025 en 3,8% voor 2026) (zie in de Kadernota (hoofdstuk 7) de tabel met de berekening); c. de begroting 2026 wordt niet meer bijgesteld op basis van andere percentages in komende circulaires. Voor de exploitatielasten wordt: a. de vastgestelde begroting (2025) gebruikt inclusief de structurele wijzigingen uit 2024, die nog niet in de primitieve begroting 2025 waren opgenomen; b. autonome ontwikkelingen worden meegenomen voor zover opgenomen in de Kadernota 2026; c. uitgegaan wordt van het prijsindexcijfer uit de septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds “prijs overheidsconsumptie, netto materieel”, voor het jaar 2026: 2,2%; d. de begroting 2026 wordt niet meer bijgesteld op basis van andere percentages in volgende circulaires. Voor de kapitaallasten wordt rekening gehouden met investeringen conform de Toekomstvisie, die is verwerkt in het MeerjarenInvesteringsprogramma (MJIP) plus de reguliere vervangingen die geen onderdeel uitmaken van het vernieuwde dekkings- en spreidingsplan, bijvoorbeeld ICT. Voor investeren en activeren zijn de uitgangspunten: a. disagio wordt niet geactiveerd; b. verkrijgings- of vervaardigingsprijs, waarbij geen rente wordt toegerekend tijdens het vervaardigingsproces; c. lineair afschrijven.

Uitzondering: op gebouwen wordt annuïtair afgeschreven; d. componenten worden zo nodig apart geactiveerd; e. afschrijven tot boekwaarde nul. Indien een actief met winst of verlies wordt afgestoten, wordt het saldo hiervan ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve kapitaallasten materieel gebracht; f. voor het jaar van investeren wordt alleen een half jaar rente gerekend, voor de jaren daarna rente en afschrijving (100%). Het rente-omslagpercentage voor 2026 komt uit op 1,7%. Voor de producten dienstverlening wordt uitgegaan van kostendekkende tarieven. Pagina 34 van 74

8. Bij de verdeling van de gemeentelijke bijdrage over de deelnemende gemeenten wordt het verdeelmodel gebruikt. Dit verdeelmodel is conform de Gemeenschappelijke Regeling VNOG en is voor 2025 geactualiseerd. Het geldt voor vier jaren. Effect Kadernota: loon- en prijscompensatie De loon- en prijscompensaties voor het jaar 2026 zijn, na toepassing van de hiervoor beschreven systematiek en kaders als volgt (prijscompensatie inclusief verhoging opleidingsbudget): Loon- en prijscompensatie 2026 looncompensatie

prijscompensatie

Septembercirculaire Septembercirculaire Septembercirculaire gemeentefonds 2023 gemeentefonds 2024 gemeentefonds 2024 2025 2026 Gemiddeld voor looptijd tot en met 31 december 2026 Loon- en prijscompensatie 2026 exclusief MKON Meldkamer Oost Nederland (Meldkamer Brandweer Multi) Bijdrage 4 Veiligheidsregio's Totaal VNOG

5,8%

4,7% 3,8% 4,25% ² 1.490.000 202.840 -151.220 1.541.620

2,2% 353.000 11.000 -8.200 355.800

2

In de Kadernota 2026-2029 is voor 2025 en 2026 het gemiddelde percentage uit de Septembercirculaire 2024 voor 2025 (4,7%) en ² In de Kadernota 2026((4,7% - 2029+ wordt voor4,25%. 2025 VNOG en 2026 het gemiddelde percentage uit de Septembercirculaire 2026 (3,8%) gehanteerd 3,8%)/2)= verwacht dat de nieuwe arbeidsvoorwaardenregeling zal worden geëffectueerd tot en met 31 december 2026(4,7%) (17 maanden). is het passend om de gemiddelde stijging over verwacht de periodedat vande 2025 en gemeentefonds 2024 voor 2025 en 2026Hierdoor (3,8%) gehanteerd ((4,7%+3,8%)/2)=4,25%. VNOG 2026 voorcalculatorisch in rekening te brengen bij degeëffectueerd gemeenten. tot en met 31 december 2026 (17 maanden). Hierdoor is nieuwe arbeidsvoorwaardenregeling zal worden

het passend om de gemiddelde stijging over de periode van 2025 en 2026 voorcalculatorisch in rekening te brengen bij de

De verwachte ontwikkeling van de lonen en prijzen leiden conform vastgesteld beleid (op basis gemeenten. van de gegevens van het Centraal Planbureau) in 2026 tot een stijging van (€ 1.541.620 (lonen) + € 355.800 (prijzen) =) € 1.897.420, afgerond € 1,9 miljoen. De loon- en prijsindex van de meldkamer brandweer-multi (MKON-MKBM) bedraagt € 202.840, resp. € 11.000. De MKON-MKBM staat in de VNOG-begroting, maar wordt bekostigd door de vijf betrokken veiligheidsregio’s samen; het VNOG-aandeel bedraag 25,45%. In het genoemde bedrag van 1,9 miljoen is de bijdrage van de vier andere veiligheidsregio’s verrekend. Deze loon- en prijsstijging is verwerkt als een verhoging van de gemeentelijke bijdrage. Eindeffect Kadernota op de gemeentelijke bijdrage 2026 In de Kadernota stonden voorts, naast de loon- en prijscompensatie, enige autonome ontwikkelingen (zowel meerkosten (€ 135.000), maar ook nieuwe inkomsten (€ 70.000) die hier mee verrekend zijn, zodat het eindeffect van de autonome ontwikkelingen per saldo € 65.000 bedraagt). Deze zijn verwerkt in de meerjarenbegroting met als dekking een verhoging van de gemeentelijke bijdrage. Het eindeffect van de Kadernota voor de gemeentelijke bijdrage 2026 is als volgt: Effect van deze Kadernota ten opzichte van de gemeentelijke bijdrage 2025 2026 2027 Gemeentelijke bijdrage volgens de meerjarenbegroting 2025 e.v.

56.077.400 59.077.900 Loon- en prijscompensatie 1.897.420 1.897.420 Autonome ontwikkelingen 65.000 65.000 Ontwikkeling kapitaallasten (vorig jaar) -3.000.000 Ontwikkeling kapitaallasten (huidig jaar) 3.000.000 Totaal 58.039.820 61.040.320 *Bedragen t.o.v. begroting 2025

2028 60.597.500 1.897.420 65.000 -4.500.000 4.500.000 62.559.920

2029 60.597.500 1.897.420 65.000 -4.500.000 4.500.000 62.559.920

In bijlage 2 staan de gemeentelijke bijdragen 2026. In bijlage 3 staat een overzicht van programma 8. Pagina 35 van 74

5. Paragrafen 5.1. Beleidsregels en uitgangspunten reserves Inleiding Deze paragraaf beschrijft de beleidsregels en werkwijzen die worden toegepast voor de risico’s, de reserves, de weerstandscapaciteit en het bepalen van de ratio weerstandscapaciteit, zoals opgenomen in de vastgestelde Kadernota 2026-2029. De beleidsregels zetten eerdere lijnen voort; ze zijn vastgelegd in de betreffende paragrafen van voorgaande begrotingen. Risicomanagement 1. Het wettelijk kader voor risicobeheersing is artikel 9 en 13 van het BBV. Het betreft de in de begroting en rekening vereiste paragraaf ‘Weerstandsvermogen en Risicobeheersing’. 2. De VNOG moet voorbereid zijn op de mogelijke (financiële) gevolgen van risico’s die zich kunnen voordoen binnen de bedrijfsvoering. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstellingen kunnen verstoren. 3. Het treffen van beheersingsmaatregelen ter vermijding en vermindering van risico’s staat centraal. De te nemen maatregelen op risico’s kunnen zijn: het matigen (door maatregelen); het overdragen (door bijv. verzekeren); het vermijden (door het schrappen van doelstellingen) en het accepteren ervan. 4. Het managen van risico’s is een verantwoordelijkheid van het MT.

De afdelingshoofden betrekken teamleiders en andere medewerkers bij het benoemen van relevante risico’s en bij het treffen en uitvoeren van de maatregelen. De afdelingshoofden rapporteren hierover in de tussentijdse rapportages en de Jaarstukken. 5. De geïnventariseerde risico’s worden gekwantificeerd op basis van 5 percentages die de kans weergeven dat het risico zich kan voordoen. De percentages zijn: 10%, 30%, 50%, 70% en 90%. Bij een kans van 90% op het zich voordoen van een risico wordt overwogen hierop de begroting aan te passen, indien kan worden aangegeven (vanaf) wanneer het risico zich waarschijnlijk voordoet. 6. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit, worden de voor de maatregelen benodigde financiële middelen vermenigvuldigd met de genoemde percentages die de kans op het risico weergeven. 7. Structurele risico’s worden voor maximaal 3 jaar berekend bij de benodigde weerstandscapaciteit. Daarna wordt geacht dat de effecten kunnen worden afgewend, begroot, dan wel anderszins kunnen worden opgevangen. 8. Financiële en niet-financiële risico’s worden geïnventariseerd. Ook de beheersingsmaatregelen zijn zowel financieel als niet-financieel van aard. Reserves 1. De VNOG beschikt over een Algemene Reserve, een Bedrijfsvoeringreserve, (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. 2.

De Algemene reserve vormt het weerstandsvermogen en is voor afdekking van risico’s en heeft geen einddatum. De Algemene Reserve wordt gevoed vanuit het jaarrekeningresultaat bij besluit van het Algemeen Bestuur over de resultaatsbestemming, of anderszins door Algemeen Bestuursbesluiten. Bij een wijziging (bijv. een onttrekking) van de Algemene Reserve c.q. het weerstandsvermogen dient er een zienswijze te worden gevraagd aan de deelnemende gemeenten, zoals bepaald in de Gemeenschappelijke Regeling VNOG. 3. De Algemene Reserve en de Bedrijfsvoeringsreserve (zie hierna) en de post Onvoorzien vormen samen de weerstandscapaciteit (zie hierna). Pagina 36 van 74

4. De hoogte van de weerstandscapaciteit is zodanig, dat de weerstandsratio zich in een bandbreedte van 1,0 tot 1,4 bevindt. Indien deze ratio buiten deze bandbreedte is of dreigt te raken, volgt een AB-voorstel (bijv. bij kadernota) over de wijze waarop dit voorkomen of hersteld wordt. 5. De Bedrijfsvoeringreserve heeft een algemene bufferfunctie en is breed inzetbaar voor prioriteiten, knelpunten of voor het tijdelijk afvlakken van gemeentelijke bijdragen. De Bedrijfsvoeringreserve heeft geen einddatum en behoort tot de beschikbare weerstandscapaciteit (telt mee voor de afdekking van risico’s). De minimale hoogte is 2%, de maximale hoogte is 5% van het begrotingstotaal. 6. De bestemmingsreserves, waaronder egalisatiereserves zijn voor een specifiek doel ingesteld (“beklemd”); zij tellen niet mee voor afdekking van overige risico’s en maken geen deel uit van de beschikbare weerstandscapaciteit. 7. Er zijn bestemmingsreserves van onbepaalde duur en tijdelijke bestemmingsreserves. 8. Resultaatsonafhankelijke stortingen en onttrekkingen (gelijk aan reeds begrote dotaties en onttrekkingen) maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 9. Stortingen en onttrekkingen aan egalisatiereserves maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 10.

De Financiële verordening VNOG bepaalt dat bij het instellen van bestemmingsreserves (door het AB) het doel, de (maximale) hoogte, de duur en de wijze van voeding en onttrekking worden aangegeven. Een overzicht van de huidige reserves is opgenomen in bijlage 4. Weerstandscapaciteit 1. De beschikbare weerstandscapaciteit wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, gevormd door de Algemene Reserve, de Bedrijfsvoeringreserve3 en de post Onvoorzien. 2. Tot de beschikbare weerstandscapaciteit behoren niet, zoals hiervoor reeds aangegeven, de (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. Daar is al een bestedingsdoel aan verbonden4. 3. De weerstandsratio = beschikbare weerstandscapaciteit benodigde weerstandscapaciteit 4. De streefwaarde van de weerstandsratio ligt tussen 1,0 (“matig”) en 1,4 (“voldoende”)5. 5. De beschikbare weerstandscapaciteit, de benodigde weerstandscapaciteit en de weerstandsratio worden in de begroting en in de jaarrekening opgenomen. 6. Indien de weerstandsratio buiten de bandbreedte van de streefwaarde ligt, wordt in de eerstvolgende Kadernota (of ander geëigend moment in de P&C cyclus) afgewogen hoe deze waarde weer te bereiken.

Bij voorstellen waarbij aanspraak wordt gemaakt op de bedrijfsvoeringreserve zullen de effecten daarvan op de (mogelijke daling van de) ratio worden beoordeeld en geduid. In voorkomende situaties kan worden overwogen een specifieke reserve te in te stellen voor een aangewezen bestemming (zoals bijv. voor de uitvoering van het klimaatplan). 4 BBV technisch behoren alle bestemmingsreserves tot het weerstandsvermogen, vanuit de gedachte dat het AB altijd kán besluiten om de bestemming (bestedingsdoel) van een reserve te halen. De accountant heeft informeel laten weten geen moeite te hebben met de VNOG werkwijze, mits dit in de jaarstukken transparant wordt toegelicht. Voorts spoort deze handelwijze met het door de provincie Gelderland vastgestelde financieel toezichtkader. 5 Naast een minimum ratio is een maximum ratio toegevoegd. Deze ratio 1,0 tot 1,4 komt overeen met die van diverse deelnemende gemeenten en veel veiligheidsregio’s. Dit onderstreept het eigenaarschap voor het reduceren van risico’s van VNOG. De bandbreedte is als richtsnoer bedoeld. Maatregelen om het vermogen te versterken of de gemeenten terug te betalen, zullen altijd gewogen worden in de beleidsinhoudelijke en financiële context van VNOG én gemeenten op enig moment. 3

Pagina 37 van 74

5.2. Weerstandscapaciteit en risicomanagement Inleiding In de paragraaf ‘Weerstandscapaciteit en risicomanagement’ worden de risico’s in beeld gebracht en gerelateerd aan de weerstandscapaciteit. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstelling(en) van de organisatie kunnen verstoren. De te nemen maatregelen op risico’s kunnen zijn: het matigen (door maatregelen); het overdragen (door bijv. verzekeren); het vermijden (door het schrappen van doelstellingen) en het accepteren ervan. Verder is het van belang te beseffen dat het inherent is aan risico’s dat het onzeker is of deze plaats zullen vinden. Bij de inventarisatie van risico’s en de daarbij gemaakte doorrekeningen, vormen de bestuurlijk vastgestelde beleidsdoelen en normen (waaronder die uit de Toekomstvisie 2020-2026) het uitgangspunt. In de Kadernota 2026-2029, opgemaakt eind 2024, is een update van de risico-inventarisatie weergegeven met de berekende daarvoor benodigde weerstandscapaciteit. Eerder is in de kadernota besloten om de nieuwe beleidslijnen omtrent vermogen en risico’s in de betreffende paragrafen van de begroting en jaarrekening op te nemen. De taken die in het kader van het risicomanagement worden uitgevoerd volgen de P&C-cyclus.

Daarbij worden de verwachte en beoordeelde risico’s geactualiseerd in de kadernota’s en begrotingen en wordt verantwoording afgelegd over beheersing ervan in tussentijdse rapportages en jaarstukken. Het managen van risico’s is een continu proces waarbij zich steeds weer andere risico’s kunnen voordoen. Dit vereist voortdurende afstemming zowel met collega’s intern als ook met de andere (aangrenzende) veiligheidsregio’s. Dat geldt zowel de aanpak als de uitkomsten van de risico-inventarisatie. Actuele voorbeelden die de noodzaak van het managen van risico’s onderstrepen zijn: • de inflatieontwikkeling en schaarste ‘in de markt’ met als gevolg stijging van prijzen m.n. van het (brandweer)materieel en -materiaal maar ook voor (ICT) dienstverlening en daarnaast een mogelijke stijging van het rentepeil; • enerzijds de blijvende aandacht van het tijdig en goed kunnen (blijven) inspelen op bestrijding van crises, zoals (eerder de coronapandemie en) de opvang van vluchtelingen, en anderzijds de dreiging van (rijks)bezuinigingen op de budgetten voor crisisbestrijding; • mogelijke onverwachte c.q.

hogere kosten bij het realiseren van verduurzamingsdoelen, zoals extra onderhoudskosten bij elektrificatie van voertuigen (risico vervroegde vervanging van accu’s) en meerkosten aanleg/instandhouding (elektriciteit)voorzieningen; • (mogelijk) aanpassingen aan (installaties in) kazernes en vervanging van inrichting in kazernes, waarover bij de demarcatiebesprekingen onvoldoende duidelijk is geworden voor wiens rekening de kosten komen; • (mogelijke) verontreiniging van grond/bodem bij kazernes en oefenterreinen en de daarmee samenhangende kosten van (mogelijke) sanering van grond; • toegenomen landelijke aandacht voor PTSS klachten bij uitvoering van (brandweer)taken in de veiligheidsregio’s met de daarbij komende kosten en • mogelijke claims van betrokkenen als gevolg van door VNOG genomen besluiten en uitgevoerde – en gehandhaafde maatregelen ter bestrijding van crises, dit risico laat zich nu niet kwantificeren. In deze paragraaf wordt de actuele risico-inventarisatie voor de begroting 2026-2029 weergegeven met het daarbij benodigde weerstandsvermogen. Pagina 38 van 74

Risico-inventarisatie Algemeen Bij de uitvoering van het risicomanagement in 2024 zijn, in het kader van de P&C-cyclus, de risico’s beoordeeld en (op)nieuw opgehaald t.b.v. het opstellen van de Kadernota 2026-2029. Voor het opstellen van deze begroting zijn deze gegevens, waar mogelijk/nodig, marginaal getoetst. Inventarisatie In de kadernota 2026-2029 is een toelichting gegeven welke risico’s, met de daarbij gegeven kwantificering, door uitvoering van maatregelen en (externe) ontwikkelingen zijn gewijzigd ten opzichte van de vorige begroting en kadernota over de periode 2025-2028. Na de hieronder weergegeven tabel worden enkele belangrijke risico’s kort verder toegelicht. Risicoregister VNOG: uitwerking t.b.v.de begroting 2026 in tekst

Gekwantificeerde risico's Nr. Risico's en oorzaken

Kans in Effect % in euro's

Weerstandscapaciteit (euro's)

1 Geen match tussen de gemeenten en de afd. RCB t.a.v. de uitvoering van taken en dienstverlening, na de invoering van de nieuwe Omgevingswet. Te grote diversiteit in uitvoering/invulling door gemeenten t.o.v. het kwalitatieve en kwantitatieve aanbod van de VNOG.

50%

bedrag 200.000

2 (On)voldoende bezetting /inzet en (extra) kosten werving vrijwilligers op kazernes door groter verloop/uitstroom en schaarste vrijwilligers. 3 Teveel (roostering) uren bestaande (repressieve) bezetting brandbestrijding (Arbeidstijden).

70%

558.000

391.000

10%

50.000

5.000

4 Hogere prijzen; exploitatiekosten stijgen uit boven (verwachte) prijsindex. Wereldwijde ontwikkelingen w.o. gewijzigde verhoudingen tussen vraag en (schaarste van) aanbod, doen de grondstof- en materiaalprijzen stijgen. 5 Niet (tijdig) realiseren besparingen Toekomstvisie 2020 t.a.v. materiële kosten door vertraging vervanging - en/of wijzigingen inzichten vervanging materieel. 6 Niet (tijdig) realiseren besparingen Toekomstvisie 2020 t.a.v. personele kosten (vergoedingen/opleidingen/trainingen vrijwilligers) als gevolg van voortschrijdende inzichten benodigd aantal vrijwilligers in samenhang met (beschikbare) materieel (vorig punt).

70%

760.000

532.000

50%

91.000

46.000

70%

150.000

105.000

7 Uitval materieel repressieve inzet incidentbestrijding door defect materieel en/of gebrek onderdelen voertuigen/brandweermiddelen. 8 Extra prijsstijgingen (en vertraging) aanschaf blusmaterieel bij realisatie MSP o.b.v. Toekomstvisie. Extra prijsstijgingen nog aan te schaffen blusmaterieel leiden tot hogere kapitaalslasten c.q. eerdere uitputting van de (gevormde) egalisatiereserve.

30%

90.000

27.000

50%

333.750

167.000

9 Onvoldoende oefenmogelijkheden Vakbekwaam blijven brandweerpersoneel. Oefenmogelijkheden beperkt bij niet voldoen vakbekwaamheidspleinen aan eisen RI&E. 10 Hogere kosten uitvoering elektrificatie voertuigen mobiliteitsplan. Extra kosten (onderhoud) bij doorvoeren elektrificatie , nog onzeker. 11 Noodzakelijke (spoedeisende) aanpassingen aan gebouwen/ installaties voortvloeiende uit afspraken en (wettelijke) eisen (w.o. RI&E). 12 Extra -/ vervroegde investeringen/kosten vervanging PFAS-houdende materialen/kleding. Vanuit voorschrijdende ontwikkelingen en - wetgeving dienen PFAS houdende materialen (bluskleding/-laarzen), versneld te worden vervangen. 13 Extra kosten tijdelijke huisvesting (w.o. verbindingen) en faciliteiten kantoorpersoneel. Aanpassingen werkplekfaciliteiten en verbindingen (crisiscentrum) ter overbrugging naar huisvesting 1-post. 14 Digitale verstoring (hack systemen), verhinderen uitvoering taken bij crisis en alle ondersteunende/bedrijfsmatige activiteiten door uitval ICT systemen.

30%

25.000

8.000

30%

500.000

150.000

50%

600.000

300.000

50%

900.000

450.000

50%

200.000

100.000

30%

500.000

150.000

Pagina 39 van 74

100.000

15 Te hoge personele kosten (beroeps en vrijwilligers) door onjuiste gegevens, berekeningen en ontoereikende kennis en controles. 16 Inkopen voor te hoge bedragen en/of onjuiste uitvoering/voorwaarden (w.o. aanbestedingen) door onjuist inkoopproces en demarcatie problematiek. 17 Onvoorziene kosten aanspraken van personeel na dienstongevallen door veranderingen in de verzekeringsmarkt en gewijzigde mogelijkheden van dekking. 18 Stijging reële bijdrage aan NIPV door bijv. nieuwe taken. 19 Stijging financieringskosten bij aantrekken leningen (vreemd vermogen), door stijging van het rentepercentage. 20 Beboeting en imagoschade door schending van de privacy (overtreding van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG)). Processen rond persoons-gerelateerde gegevens worden niet goed uitgevoerd, waardoor privacygevoelige gegevens op onjuiste plaatsen terecht kunnen komen.

10%

450.000

45.000

10%

150.000

15.000

10%

300.000

30.000

10% 50%

85.500 900.000

9.000 450.000

10%

300.000

30.000

21 Hogere kosten (eigen) organisatie OVDG'en (Officieren van dienst geneeskundig). Na opzegging door het Witte Kruis van het (doorlopend) contract voor inhuur van OVDG'en ontstaat het risico dat de uitvoering van deze taak door de VNOG zelf, hogere kosten met zich brengt.

10%

250.000

25.000

22 Wegvallen OTO-stimuleringsgelden specifieke omgeving ‘LCMS-GZ’. De aansluitkosten (voor de OTO-module) stijgen na het wegvallen van de subsidie vanuit het regionaal netwerk acute zorg. Gebruik van de 'LCMS-GZ' is in belang van VNOG/GHOR.

70%

75.000

53.000

3.188.000 Niet kwantificeerde risico's Nr. Risico's en oorzaken

Kans in %

Effect in euro's bedrag

Weerstandscapaciteit (euro's)

1 Hogere personele kosten (beloning/vergoeding) -w.o.relatieve aandeel VNOG- bij repressieve inzet van parttime brandweermensen (i.p.v. vrijwilligers). Uitkomst project Taakdifferentiatie: afschaffing consignatie en kazernering vrijwilligers; mogelijke alternatieven (parttime aanstellingen) duurder. 2 Toename onderhoudskosten materieel voor repressieve inzet brandbestrijding door langer gebruik bestaand materieel. 3 Onvoldoende financiële middelen voor (toekomstige) crises. Voortschrijdende ontwikkelingen w.o. bezuinigingen bij (decentrale) overheden kunnen leiden tot ontoereikende dekking van (structurele) kosten voor (bijv.) coördinatietaken door VNOG. 4 Uitwerking (operationele) uitvoering demarcatie. De uitwerking/uitvoering van de demarcatieafspraken kan nog leiden tot onvoorziene (financiële) situaties c.q. tegenvallers. 5 Verontreiniging grond/bodem kazernes en oefenpleinen door PFAS/stikstof. Mogelijke kosten sanering PFAS grond-/bodemverontreiniging en beperking ontwikkelingen. 6 Posttraumatische stressstoornissen (PTSS) a.g.v. uitvoering van (repressieve) taken. Landelijk wordt (meer) aandacht gevraagd voor PTSS klachten bij uitvoering van (brandweer)taken bij Veiligheidsregio's. 7 Organisatie van de brandweerzorg in Apeldoorn bij/na realisatie 1-post.

De roostering en het voldoende beschikbaar krijgen van (beroeps)medewerkers met de vereiste (brandweer)kwalificaties is (nog) een risico c.q. uitdaging, na realisatie van 1-post in Apeldoorn

Op basis van een marginale toetsing van de risico’s, na het opstellen van de Kadernota 20262029, en de overwegingen van het managementteam, zijn de volgende aanvullende overwegingen te geven (bij de niet gekwantificeerde risico’s): • bij het risico van verontreiniging grond/bodem kazernes en oefenpleinen door PFAS/stikstof: aan PFAS is ‘stikstof’ toegevoegd, aangezien de aanwezigheid daarvan beperkingen met zich kan brengen bij verdere ontwikkelingen zoals (ver-/nieuw)bouw en verdere aanpassingen van de door VNOG gebruikte (oefen) terreinen; • bij het risico van PTSS (posttraumatische stressstoornissen) a.g.v. uitvoering van (repressieve) taken bij de brandweer, wordt aangegeven dat daarvoor landelijk (meer) Pagina 40 van 74

•

aandacht wordt gevraagd; dit heeft geleid tot de volgende landelijk uniforme stellingname: “Tot op heden gaan veiligheidsregio’s verschillend om met medewerkers met PTSSsymptomen. Voor veiligheidsregio’s wordt op dit moment een landelijke regeling voor PTSS uitgewerkt. Met deze regeling wordt PTSS voor veiligheidsregio’s als beroepsziekte erkend. Dit in navolging van bijvoorbeeld Defensie en Politie. Een belangrijk onderdeel van de regeling zijn preventieve maatregelen om PTSS te voorkomen. In de regeling is een bepaling opgenomen dat ook erkende PTSS-gevallen met terugwerkende kracht rechten kunnen ontlenen aan de regeling. Verder is de minister gevraagd bij te dragen aan de collectieve kosten voor uitvoering van de regeling. Afhankelijk van de parlementaire besluiten over de voorjaarsnota worden hiervoor gelden toegekend. Bij het ingaan van deze regeling bestaat een (financieel) risico voor toepassing van de regeling met terugwerkende kracht en de mogelijke negatieve uitkomst over de voorjaarsnota waardoor alle inspanningen en de daaruit voorvloeiende financiële consequenties op dit gebied door de eigen Veiligheidsregio moeten worden gedragen” en bij het risico van het (on)voldoende tijdig uitgerust zijn van de brandweerzorgorganisatie met name bij/na de realisatie 1-post in Apeldoorn.

Onder andere in het kader van de nieuwe één-post in Apeldoorn wordt bezien hoe de organisatie van de brandweerzorg in Apeldoorn vorm gegeven gaat worden. Hierbij worden onder andere bestaande vraagstukken over de roostering enerzijds en het beschikbaar hebben van voldoende beroepsmedewerkers met de vereiste brandweerkwalificaties anderzijds in evenwicht gebracht. Indien nodig komen wij hier in toekomstige kadernota’s/begrotingen op terug.

Specifiek gekoppeld aan het gegeven dat VNOG de paraatheid organiseert met een relatief groot aantal vrijwilligers (vlg. benchmark 2019 Berenschot), ligt een aantal risico’s besloten die VNOG bovengemiddeld kunnen raken. Hierbij moet worden gedacht aan: • de financiële compensatie voor mogelijk stijgende werkgeverslasten via bijv. het gemeentefonds, kan VNOG een nadelig herverdeeleffect opleveren en • de maatschappelijke trend van daling van de bereidheid om zich langdurig te binden aan vrijwilligerswerk, mogelijk gecombineerd met een gevoeld gebrek aan lokale identiteit bij de plaatselijke brandweerposten. Het berekende bedrag als (benodigde) weerstandscapaciteit is tot stand gekomen door rekening te houden met de kans dat het risico zich kan voordoen en het daarbij behorende financiële effect. Voor een deel van de risico’s is het nog te vroeg of te onduidelijk om de financiële effecten ervan te (kunnen) berekenen (zie het overzicht ‘Niet gekwantificeerde risico's’). Bij de inventarisatie van de risico’s is ook gekeken naar de mogelijke oorzaken ervan en de te nemen maatregelen voor het matigen, overdragen, vermijden of accepteren ervan. Een uitgebreider overzicht van de gekwantificeerde - en niet-gekwantificeerde risico’s, waarin ook de oorzaken, beheersmaatregelen en een mogelijke getalsmatige onderbouwing is opgenomen, is in bijlage 8 te vinden.

De bewaking van de (uitvoering van de) te nemen maatregelen zal opnieuw plaatsvinden gaande het (begrotings)jaar en zichtbaar (moeten) worden in de te presenteren financiële rapportages. De gevolgen van bovenstaande voor de benodigde weerstandscapaciteit en de weerstandsratio, komen hierna in deze paragraaf aan de orde.

Pagina 41 van 74

Weerstandscapaciteit De weerstandsratio bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en alle risico’s waarvoor geen beheersmaatregelen zijn getroffen of waar na het treffen van maatregelen nog resterende risico’s overblijven (benodigde weerstandscapaciteit). Het beschikbare - en de benodigde weerstandscapaciteit en de weerstandsratio worden in de begroting en in de jaarrekening opgenomen. De weerstandsratio wordt daarbij gedefinieerd als quotiënt (uitkomst van de deling) tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit. De streefwaarde van de weerstandsratio ligt tussen 1,0 (“matig”) en 1,4 (“voldoende”). Indien de weerstandsratio buiten de bandbreedte van de streefwaarde ligt, wordt in de eerstvolgende Kadernota (of ander geëigend moment in de P&C cyclus) afgewogen hoe deze waarde weer kan worden bereikt. Benodigde weerstandscapaciteit De benodigde weerstandscapaciteit is het bedrag wat nodig is op basis van de financieel gekwantificeerde risico's. Beschikbare weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bestaat uit het totaal van middelen dat beschikbaar is om de risico’s financieel af te dekken. De beschikbare weerstandscapaciteit wordt gevormd door de Algemene Reserve, de Bedrijfsvoeringreserve en de (begrote) post Onvoorziene uitgaven.

Tot de beschikbare weerstandscapaciteit behoren niet de (tijdelijke) bestemmingsreserves. Daar is al een bestedingsdoel aan verbonden. De Algemene reserve is voor afdekking van risico's (vastgestelde doel van de reserve, zie bijlage 4 en vastgestelde begrotingsuitgangspunten in Kadernota en begroting, zie paragraaf 5.1.) en heeft geen einddatum. De Algemene Reserve wordt gevoed vanuit AB besluiten, zoals daarvan o.a. sprake is bij de bestemming van het jaarrekeningresultaat. De Bedrijfsvoeringsreserve heeft een algemene bufferfunctie en is breed inzetbaar voor prioriteiten (bijv. innovatie) of voor het tijdelijk afvlakken van gemeentelijke bijdragen (zie bijlage 4 en paragraaf 5.1.). De Bedrijfsvoeringreserve heeft geen einddatum en behoort tot de beschikbare weerstandscapaciteit en telt derhalve mee voor de afdekking van risico’s. Berekening van de beschikbare weerstandscapaciteit Beschikbare weerstandscapaciteit begroting 2026

€

Saldo Algemene reserve Saldo Bedrijfsvoeringsreserve *) Post onvoorzien Beschikbaar weerstandsvermogen

1.135.114 2.580.319 250.000 3.965.433

* hierbij is rekening gehouden met de genomen besluiten tot toekomstige besteding in 2025 e.v. jaren, ad. € 1.859.800; de storting in deze reserve vanwege de verlaagde huur van de Europaweg verloopt budgettair neutraal. Berekening van de ratio weerstandsvermogen Weerstandsvermogen VNOG begroting 2026 Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit Ratio

€ 3.965.433 3.188.000 1,2

Pagina 42 van 74

Toelichting De berekende waarde van de weerstandsratio voor de begroting 2026-2029 komt uit op 1,2 en bevindt zich daarmee in het midden van de door het bestuur vastgestelde bandbreedte van 1,0 tot 1,4. Financiële kengetallen VNOG

Netto schuldquote Solvabiliteitsratio Exploitatieruimte

Rekening 2024

Begroting Begroting Begroting Begroting Begroting 2025 2026 2027 2028 2029

23% 43% 10,00%

77% 19% -2,86%

95% 17% 0,00%

86% 15% 0,00%

79% 15% 0,00%

69% 14% 0,00%

Toelichting op de kengetallen Algemeen Bestuurlijk zijn er voor de VNOG geen normen vastgesteld waaraan de berekende kengetallen moeten voldoen. Provincies hanteren als toezichthouders op gemeenten en ook gemeenschappelijke regelingen, de signaleringswaarden die het Rijk gebruik bij stresstesten om mede de financiële positie van de zgn. 100.000+ gemeenten te toetsen. Deze signaleringswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Categorie

Netto schuldquote Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte

A= minste risico

B - gem. risico

C = meeste risico

< 90% > 50% begr. > 0%

90%-130% 20%- 50% begr. = 0

> 130% < 20% begr.< 0%

De kengetallen geven alleen in relatie tot elkaar een beeld. Wanneer dit beeld verontrustend is kan dit betekenen dat de financiële positie onder druk staat en er dus maatregelen nodig zijn om deze situatie te verbeteren. Aan de hand van de voor de VNOG berekende positie valt op te maken wat de status is bij het opstellen van de (meerjaren)begroting 2026-2029. Netto schuldquote Dit kengetal geeft een indicatie van de druk van schuldenlast (rente/aflossing) op de eigen middelen. De quote wordt berekend door de netto schuld te delen door het totaal aan jaarlijkse baten. Bij de begrote cijfers voor 2026-2029 is uitgegaan van een toename van de investeringen op basis van de Toekomstvisie. Ter financiering van deze investeringen is in 2024 een deel van het benodigde vreemd vermogen aangetrokken in de vorm van leningen met een looptijd van 15 jaar. Voor de komende jaren wordt rekening gehouden met nog meer aan te trekken financiering. De berekende netto schuldquote valt grotendeels in de categorie ‘minste risico’. In de loop van het meerjarenperspectief loopt dit risico (tijdelijk) op door een hogere schuldenlast als gevolg van een forse toename van de investeringen. Dit wordt veroorzaakt door de toename van de aflossingsverplichtingen met de daarbij behorende afname van de liquide middelen.

Daarbij is op basis van de uitgangspunten in de Kadernota 2026-2029 - vanaf 2027 gerekend met een hogere benodigde bijdrage van de gemeenten ter dekking van de gestegen kapitaalslasten.

Pagina 43 van 74

Solvabiliteitsratio Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de organisatie aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. Hiertoe wordt de omvang van het eigen vermogen gerelateerd aan de totale omvang van het vermogen (dus het eigen en het vreemde vermogen). Hierbij geldt hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de financiële weerbaarheid van de VNOG. De berekende ratio bedraagt over 2026: 17% en valt daarmee in de categorie: meeste risico. Dit kengetal neemt verder af in de loop van de weergegeven jaren. De oorzaak daarvan is dezelfde als toegelicht bij de netto schuldquote. Voor lokale overheden i.c. een gemeenschappelijke regeling moet deze ratio anders beoordeeld worden dan bij een bedrijf. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal geeft weer hoeveel structurele ruimte er is om de eigen lasten te dragen, ook als bijvoorbeeld de baten afnemen of lasten in de toekomst gaan toenemen. Het gaat daarbij om de ruimte die wordt berekend door het structurele saldo (verschil tussen structurele baten en lasten) te delen door het totaal aan jaarlijkse baten.

Pagina 44 van 74

5.3. Onderhoud kapitaalgoederen Het (brandweer)materieel is eigendom van VNOG. De kazernes worden beschikbaar gesteld aan VNOG. Over het gebruik ervan en de vergoeding ervoor zijn demarcatieafspraken gemaakt. In 2013 heeft VNOG, in afstemming met de belastingdienst, de eigendom van een viertal brandweerkazernes tijdelijk overgenomen van de betreffende gemeenten, met de afspraak dat de kazernes na een bepaalde termijn weer terug zouden gaan naar de gemeenten. Inmiddels zijn de kazernes van Heerde, Harderwijk en Apeldoorn-Zuid (Saba) weer terug in eigendom overgegaan naar de gemeenten. De overgang van de kazerne Doetinchem naar de gemeente Doetinchem volgt nog. Voor Apeldoorn bestaat het voornemen om drie brandweerposten samen te voegen tot één post. Die nieuwe locatie wordt dan ook de (centrale) werkplek van het management, de staf, ondersteunend personeel en bepaalde afdelingen van VNOG (kantoorlocatie), alsmede de locatie van de crisisruimten en beoogd veiligheidscentrum. Deze locatie blijft eigendom van de gemeente Apeldoorn. De kapitaalgoederen voor rekening van VNOG zijn de voertuigen en overig materieel waarop wordt afgeschreven. Voor dit materieel wordt regio-breed met één beheerssysteem gewerkt. De planning van het onderhoud vindt plaats volgens regionaal en landelijk vastgestelde intervallen en protocollen.

Pagina 45 van 74

5.4. Financiering en Treasury Inleiding De paragraaf treasury is één van de voorgeschreven paragrafen als onderdeel van de begroting. Artikel 13 van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) schrijft voor dat de beleidsvoornemens en ontwikkelingen ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille worden beschreven. Om te kunnen voldoen aan de eisen van de Wet Financiering decentrale overheden (wet fido) moet de Veiligheidsregio twee treasury-instrumenten hanteren. Dit zijn het treasurystatuut en de treasuryparagraaf. In de treasuryparagraaf wordt aangegeven welke de gestelde doelen zijn. De RUDDO (Regeling Uitzetting Derivaten Decentrale Overheden) is voor VNOG niet van toepassing. Algemene ontwikkelingen Het gemeentelijk brandweermaterieel en (tijdelijk) vier kazernes zijn na wijziging van de Wet op de Veiligheidsregio’s, eind 2013 in eigendom overgedragen aan VNOG. Eind 2023 zijn twee kazernes weer terug verkocht aan de gemeenten, een andere kazerne was eerder al terug overgegaan. Het moment van de overdracht van de laatste kazerne aan de gemeente is nog onduidelijk. De totale omvang van de vaste activa bedroeg eind 2024 circa € 40,8 miljoen. De financieringsbehoefte kan worden gedekt door langlopende leningen, kasgeldleningen en bankkredieten en de inzet van reserves.

In de afgelopen jaren is vooral gebruik gemaakt van langlopende leningen en de inzet van reserves. In de komende jaren zal de VNOG voor vervanging van het brandweermaterieel en de herfinanciering van aflossingen regelmatig nieuwe leningen gaan aantrekken op de momenten dat dit nodig wordt geacht. VNOG heeft ter voorkoming van het risico op rentestijging van aan te trekken financiering, in 2024 voor € 42 miljoen aan leningen vastgelegd te storten in de jaren 2024 t/m 2026. Met deze financiering kan onder andere de aanschaf van de 75 nieuwe blusvoeruigen worden betaald. Voor het resterende deel van de nog aan te trekken financiering blijft VNOG een renterisico lopen. Schatkistbankieren Decentrale overheden moeten schatkistbankieren. Schatkistbankieren houdt in dat financiële middelen die door VNOG worden aangehouden op bankrekeningen boven een bepaald bedrag worden afgeroomd en via een rekening-courant verhouding ten gunste van de Nederlandse schatkist worden gebracht. Hierdoor hoeft de Nederlandse staat minder geld te lenen op de financiële markten en zal de staatsschuld afnemen. Decentrale overheden krijgen op deposito’s een rente vergoed die gelijk is aan de rentes die de Nederlandse staat betaalt op leningen die ze op de markt aangaat. Vanaf 2022/2023 wordt er weer meer rente vergoed voor de aangehouden rekening-courant tegoeden waaronder ook de tegoeden in de schatkist.

Voor 2026 zal het drempelbedrag voor het aanhouden van tegoeden buiten de schatkist voor VNOG rond de € 1.500.000 bedragen. Risicobeheer Om de risico’s van financiering zoveel mogelijk te beperken zijn er twee normen die gerapporteerd moeten worden: de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Kasgeldlimiet Bij het behouden van liquiditeit en het financieren van activa wordt, waar dat mogelijk is, gebruik gemaakt van kortlopende geldleningen. Dit heeft twee voordelen: Pagina 46 van 74

1. er kan snel worden ingespeeld op schommelingen in de financieringsbehoefte en 2. het is een relatief goedkope financieringsvorm. Tegenover deze voordelen staat echter het nadeel van de korte rentevastheid (renterisico). Om dat risico te beperken wordt in de wet FIDO aangegeven dat als uitgangspunt geldt dat langlopende investeringen langlopend gefinancierd moeten worden. Hiermee wordt voorkomen dat als gevolg van renteontwikkelingen op de geldmarkt er problemen in de begroting zullen gaan ontstaan. Daarnaast is er een kasgeldlimiet ingesteld. Daarmee worden de decentrale overheden gedwongen zich niet te veel te laten leiden door de voordelen van kortlopende financiering. De kasgeldlimiet bepaalt de maximale omvang van de externe korte geldpositie. Deze zogenaamde netto vlottende schuld mag op bepaalde peildata maximaal 8,2% bedragen van het totaal van de begroting van VNOG. De totale omvang van de programmabegroting van VNOG bedraagt in 2026 ruim € 80 miljoen. De kasgeldlimiet bedraagt daarmee afgerond € 6,5 miljoen. Door tijdig en in voldoende mate langlopende leningen af te sluiten, zal voorkomen worden dat de kasgeldlimiet te lang, dat wil zeggen meer dan twee achtereenvolgende kwartalen, wordt overschreden. Renterisiconorm De renterisiconorm beperkt het renterisico op de vaste schuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15465319/1