1 Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b Toelichting
Tekst van het document
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 2 9 van 43
4.6.2
Onderzoek
De Wet geluidhinder beschouwt een geluidbelasting van 48 dB (voor wegverkeerslawaai) als milieuhygiënisch aanvaardbaar. Dit is de ten hoogste toelaatbare waarde. Indien uit de berekeningen blijkt dat er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, is het college bevoegd een hogere waarde vast te stellen. Voor het plangebied zijn de volgende grenswaarden van kracht: Tabel Voorkeursgrenswaarde en maximale hogere waarde conform art. 82 en 83 Wgh. De genoemde waarden zijn weergeven als Lden. Bron
Situatie
Wegverkeerslawaai
Nieuwe woning, buitenstedelijk
Voorkeurs-grenswaarde Maximale hogere waarde 48 dB
53 dB
Ermelo heeft geluidbeleid opgesteld voor het verlenen van hogere grenswaarden. Op basis van dit geluidbeleid wordt bepaald of een ontwikkeling wenselijk is. Bij nieuwbouwprojecten wordt er bijvoorbeeld gesteld dat voor maximaal 10 procent van de woningen een hogere grenswaarde mag worden vastgesteld. Indien de voorkeursgrenswaarde overschreden wordt, moet op basis van het gemeentelijke beleid ook getoetst worden op milieukwaliteit en wordt aanvullend naar bouwkundige eisen gekeken.
Resultaten
Figuur 4.5: Geluidscontouren plangebied. De Omgevingsdienst heeft in het kader van voorliggend bestemmingsplan een geluid berekening (SRM 1) uitgevoerd. Hiermee is de impact berekend op het plangebied op basis van de dichtst bijgelegen weg. Hierbij is uitgegaan van een worst-case intensiteit van 1500 mvt/etmaal over Ganzenveld, welke gelegen is op een afstand van circa 130 meter. Met deze berekening wordt er ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
4.6.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek vormt wegverkeerslawaai belemmering voor deze ontwikkeling en is er sprake van goede ruimtelijke ordening.
Gemeente Ermelo
geen
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 30 van 43
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Algemeen
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met de (PM10). luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer, en de bijbehorende bijlagen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: * * » *
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (<3% van de jaargemiddelde grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.
4.7.2
Onderzoek
Conform voorschrift 3 B.2 van bijlage 3 b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' draagt een bouwplan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1.500 woningen. In dit geval wordt deze grens niet overschreden.
4.7.3
Conclusie
De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling in het plangebied, niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de functiewijzing van de woningen.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.
VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied.
In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 31 van 43
wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Tabel: Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype
Milieucategori e
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0 m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn
4.8.1
Onderzoek
Type gebied: gemengd gebied ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.’ Kijkende naar de definitie van gemengd gebied zoals deze omschreven staat in de VNG brochure kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als gemengd gebied. In de nabijheid zitten onder andere de functies wonen, recreatie, agrarisch, bos en bedrijven.
Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De woningen binnen het plangebied betreffen geen milieubelastende activiteiten. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van het onderhavige plan als milieubelastende activiteit. Er dient wel te worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd.
Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd is er gekeken naar alle nabijgelegen milieubelastende activiteiten in een straal van 200 meter. Binnen een straal van 200 meter zijn geen bedrijven gelegen, daarom is er in de verdere omgeving gekeken naar bedrijven van categorie 5.1 of hoger. Er zijn geen bedrijven van categorie 5.1 of hoger in de omgeving waarbij het plangebied binnen de richtafstand valt.
Direct aangrenzend aan het plangebied liggen verschillende recreatieterreinen en bungalowparken. Normaliter zouden kampeerterreinen en vakantieparken opgemerkt worden als categorie 3.1 bedrijven, echter gaat dat in deze situatie niet op. De omliggende recreatieterreinen en bungalowparken hebben geen centrale gedeelde voorzieningen, geen sport- en speelvoorzieningen. Het is niet aannemelijk dat er centrale voorzieningen toegevoegd gezien merendeel van de recreatiewoningen in particulier eigendom is.
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 32 van 43
Ten noorden van het plangebied ligt sportcomplex de Strokel. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen t.b.v. het waarborgen van een goed woon-en leefklimaat voor omwonenden. Een activiteit mag geen onevenredige overlast veroorzaken voor de bestaande woningen in de directe omgeving van het sportcomplex. Deze regel is erg algemeen, maar toch is deze bewust opgenomen. De regel biedt namelijk ruimte voor flexibiliteit. Van de andere kant is de flexibiliteit wel ingeperkt door de overige regels in het bijbehorende bestemmingsplan (bijvoorbeeld regels over parkeren, lichtmasten en toegelaten functies).
4.8.2
Conclusie
De milieuzoneringen op grond van de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige plan.
4.9
Geur
4.9.1
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: * »
voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.
Tabel Geurbelasting en maximale norm ten opzichte van een gevoelig object. De genoemde waarden zijn weergeven als ou (odour units) per kubieke meter. binnen bebouwde kom
buiten bebouwde kom
concentratiegebieden
3,0 (in ou/m3)
14,0 (in ou/m3
niet concentratiegebieden
2,0 (in ou/m3)
8,0 (in ou/m3)
Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden. Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.
4.9.2
Onderzoek
De woningen betreffen geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Er dient derhalve te worden beoordeeld of in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven in de bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van de nieuwe woningen. Andersom dient ook beoordeeld te worden of ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Ten zuiden van het plangebied ligt aan de Harderwijkerweg 148 een pluimveehouderij. Deze pluimveehouderij betreft een vergunningplichtige inrichting. Het bedrijf is gebonden aan de voorschriften uit haar vergunning. Dit geldt ook voor het
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 3 3 van 43
voorkomen van geurhinder op omliggende woningen. De minimale afstand tussen de milieubelastende instelling en het geurgevoelige object moet derhalve 50 meter bedragen. De feitelijke afstand tussen de dichtstbijzijnde bedrijfshal en de hoek van de de woningen in het plangebied bedraagt circa 590 meter. Op basis van die afstand kan bepaald worden dat zowel de milieubelastende instelling als het geurgevoelige object geen hinder van elkaar zal ondervinden. Binnen een straal van circa 100 meter rondom het plangebied liggen al enkele woonbestemmingen welke reeds een beperkende factor zijn voor een verdere uitbreiding van het bedrijf. Voorliggend plan is daarmee geen extra belemmering voor de pluimveehouderij. Daarnaast speelt voor het bepalen of sprake is van een goed woon-en leefklimaat ook de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting) een rol. Gelet op de situering van het plangebied in haar omgeving valt niet te verwachten dat op dit onderdeel sprake is van een knelpunt. Ter plaatse van de nieuwe woningen bestaat ook in relatie tot dit onderdeel een goed woon-en leefklimaat, de woningen zijn immers al aanwezig.
4.9.3
Conclusie
Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10'6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effect afstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 34 van 43
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In april 2015 is de Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Ermelo vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.
4.10.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie mogelijk gemaakt van permanente bewoning. Op grond van art 1 lid l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is sprake van een kwetsbaar object. Het onderwerp externe veiligheid is relevant voor de ontwikkeling. Figuur 4.7 geeft een overzicht van de ligging van het plangebied ten opzichte van risico bronnen weer. Het plangebied ligtbuiten de risico contouren van deze bronnen. Het aantal kwetsbare objecten neemt niet toe, aangezien het aantalwoningen feitelijk niet toeneemt. Een groep recreatiewoningen wordt namelijk ook gezien als een kwetsbaar object. De woningen in het plangebied liggen op een recreatieterrein (groepen recreatiewoningen). Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
Figuur 4.7 risico bronnen en ligging plangebied
4.10.3 Conclusie
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 3 5 van 43
Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor dit plan.
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 36 van 43
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Algemeen Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, worden in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en de parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen. Het parkeerbeleid voor dit bestemmingsplan komt voort uit het bestemmingsplan "Parkeernormen".
4.11.2
Onderzoek
De Omgevingsvisie stelt dat voor voorliggend bestemmingsplan de parkeernormen van het bestemmingsplan "Parkeernormen" overgenomen dienen te worden. De woningen krijgen een woonbestemming. Hierbij geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied is voldoende ruimte aanwezig voor deze parkeervoorzieningen.
4.11.3 Conclusie Gezien er geen fysieke verandering plaats vindt op het gebied van verkeer en parkeren én er voldoende ruimte is voor de benodigde parkeerplaatsen kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.
4.12
Kabels en leidingen
4.12.1
Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.12.2
Onderzoek
Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidinūen De beoogde woonbestemming van voorliggend plan ligt op circa 25 meter van de hartlijn van de bovengrondse 150kV-hoogspanningsverbinding. Voor deze hoogspanningsverbinding wordt een binnenste AMM-afstand van 30 meter en een buitenste AMM-afstand van 120 meter geadviseerd. Daar waarbij de afweging mogelijk wordt gemaakt dat er gevoelige bestemmingen binnen een AMM-afstand komen, moet de magneetveldzone berekend worden. Indien de woonfunctie hierbinnen ligt, moet er gemotiveerd worden waarom dit aanvaardbaar is. Dit plan voorziet in de juridisch-planologische wijziging van de percelen Haspel 33 en 33b van recreatie naar wonen. In de huidige situatie wordt op deze percelen al gewoond, feitelijk verandert er daarom niets aan de situatie. Het woon- en leefklimaat van deze percelen wordt als aanvaardbaar beoordeeld omdat er geen feitelijke veranderingen zullen zijn die het huidige woon- en leefklimaat zouden verslechteren. Daarnaast is niet bewezen dat magneetvelden van hoogspanningslijnen de oorzaak van gezondheidsklachten en/of ziekten zouden kunnen zijn. Het belang van het legaliseren van de bestaande situatie vindt de gemeente groter dan de mogelijke gezondheidsrisico's van de hoogspanningsverbinding.
De potentiële gezondheidsrisico's worden mondeling aan de huidige bewoners toegelicht en als addendum toegevoegd aan de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente, waarin initiatiefnemer verzocht wordt een kettingbeding op te nemen in eventuele koopovereenkomsten. Rioolleidingen De rioolleidingen voor dit plan leiden niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 3 7 van 43
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden.
4.12.3 Conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Bij toekomstige graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.13
MER-toets
4.13.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: » »
»
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
4.13.2 Onderzoek 4.13.2.1
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: » * »
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 38 van 43
een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van voorliggend plan (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vorm vrije m.e.r.-toets.
4.13.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 39 van 43
Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Voorliggend bestemmingsplan sluit aan bij de regels van de geldende bestemmingsplannen 'Recreatieterreinen' en 'Bestemmingsplan Tonselse Veld 2014'. De regels zijn op maat gemaakt voor voorliggend plan. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
5.1.1
Inleidende regels
5.1.1.1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. 5.1.1.2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
5.1.2
Bestemmingsregels
5.1.2.1 ľuin' Deze bestemming is opgenomen aan de voorzijde van de Haspel 33 en borgt een groene voortuin en kent beperkte bouwmogelijkheden.
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 40 van 43
5.1.2.2 'Wonen' Deze bestemming is opgenomen voor de Haspel 33 en 33b en kent een bouwvlak dat over de woningen ligt. De Haspel 33b is voorzien van een aanduiding " kleine woning" zodat het kleinschalige karakter wordt geborgd. 5.1.2.3 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' Deze dubbelbestemmingsplan ligt over het gehele plangebied en zorgt ervoor dat er geen bebouwing wordt opgericht die de werking van de naastgelegen hoogspanningsleiding beschermt. 5.1.2.4 'Waarde - Archeologie' Deze dubbelbestemming ligt over het hele plangebied en zorgt voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.
5.1.3
Algemene regels
5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.1.3.2 Algemene gebruiksregels Daarnaast wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. 5.1.3.3 Algemene afwijk:ingsregels Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. 5.1.3.4 Algemene procedureregels Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet.
De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.
5.1.4
Overgangs- en slotregels
5.1.4.1 Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 5.1.4.2 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 41 van 43
*
*
*
de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving.
Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: * »
de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid.
In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
Gemeente Ermelo
duidelijke voorwaarden
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 42 van 43
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Inspraak Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op een beperkt grondgebied en maakt geen nieuwe bouwwerken mogelijk. De initiatiefnemer heeft de buurt geïnformeerd over de plannen. De reacties waren overwegend positief en er zijn geen bezwaren geuit tegen het plan. Over het informeren van omwonenden en hun reacties is geen verslag beschikbaar. Het bestemmingsplan hoeft niet ter inzage gelegd te worden, omdat de buurt actief is geïnformeerd over het plan en het plan bestaat uit een zeer kleinschalig grondgebied.
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
pagina 43 van 43
Hoofdstuk 7 Procedure en overleg In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b'.
7.1
Procedurestappen
Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:
7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen.
7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.
7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2
Vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan is in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd, te weten Provincie Gelderland, Waterschap Vallei en Veluwe, ODNV en de VNOG. De reacties zijn verwerkt in het bestemmingsplan.
7.3
Omgevingsdialoog
De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel een planologische wijziging met nagenoeg geen nieuwe bouwmogelijkheden. De direct aanwonenden zijn geïnformeerd over de bestemmingsplanwijziging. Het gaat om de Haspel 31, Haspel 35 én het bungalowpark aan de Haspel 33 a. De bewoners hebben geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging.
7.4
Zienswijzen
In het kader van de procedure als bedoeld in 3.4 Awb heeft het ontwerp bestemmingsplan 'Haspel 33 en 33b gedurende zes weken, van 1 mei 2023 tot en met 12 juni 2023, ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn twee zienswijzen ingediend, de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in Bijlage 2 Nota beantwoording zienswijzen.
Gemeente Ermelo
Bestemmingsplan Haspel 33 en 33b - vastgesteld
ermeto Heeft u naar aanleiding van de inhoud nog vragen,
Raadhuisplein 2
dan kunt u zich richten tot...
www.ermelo.nl
Postbus 500 3850 AM Ermelo t
0341 56 73 21
f—0341 56 73 69 e
gemeente@ermelo.nl www.ermelo.nl