Bijlage 3 - Verordening jeugdhulp gemeente Epe 2026 definitief
Tekst van het document
Toeleiding naar jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden: 1. Vrij toegankelijk (algemene voorziening)
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrijtoegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 3 tot en met 6). Voor een deel van de hulpvragen kan worden volstaan met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) kunnen zich voor deze hulp dus rechtstreeks tot de aanbieder wenden. Naast de overige en individuele voorzieningen heeft de gemeente een taak bij de toeleiding van jeugdigen naar jeugdbescherming en jeugdreclassering (artikel 2.12). 2. Toegang jeugdhulp Er zijn drie verschillende manieren te onderscheiden waarop jeugdigen en gezinnen toegang kunnen krijgen tot jeugdhulp: a. Via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) kan binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) precies nodig hebben, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s). Er wordt gekeken wat de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem.
Als aanvulling daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een andere of overige voorziening is. Is een individuele voorziening nodig, dan neemt het CJG, namens het college, een besluit en bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) welke jeugdhulpaanbieder passend is om de betreffende problematiek aan te pakken. Insteek is dat de hulp zo licht als mogelijk is en zo zwaar als nodig. Indien er bij gezinnen sprake is van complexe problematiek, kan een kinderbeschermingsmaatregel (gedwongen kader) overwogen worden. Hieraan voorafgaand wordt een overleg aan de Jeugdbeschermingstafel gevoerd. Uithuisplaatsingen van kinderen proberen we te voorkomen. Bij een dreigende uithuisplaatsing wordt de richtlijn uithuisplaatsing en terugkeer gevolgd. Als uithuisplaatsing dreigt voor een kind wordt eerst een gedragen verklarende analyse gemaakt. Op basis van de verklarende analyse wordt met ouder(s)/verzorger(s) en kind gekeken wat er nodig is aan zorg. Dit komt in het perspectiefplan. Het verblijf is zo dicht mogelijk bij de thuisomgeving van het kind, om de continuïteit van school, sociale contacten en familiebanden te waarborgen. In hele uitzonderlijke situaties kan het gebeuren dat een jeugdige in een ‘gesloten’ verblijfsvoorziening wordt opgenomen.
Gesloten jeugdhulp is een vorm van zorg en behandeling voor jongeren met ernstige en gecompliceerde gedragsproblemen die tegen zichzelf beschermd moeten worden of zich aan de noodzakelijke zorg dreigen te onttrekken. Jongeren worden ongeacht of ze dit willen, opgenomen en krijgen in hun eigen belang hulp in een gesloten omgeving. Dit gebeurt altijd op besluit van de kinderrechter en na toetsing door een onafhankelijke gedragswetenschapper. In het gedwongen kader kan een gecertificeerde instelling zo’n machtiging gesloten jeugdhulp aanvragen. Er kan ook sprake zijn van een machtiging gesloten jeugdhulp in het vrijwillige kader. In deze situatie is er (nog) geen
gecertificeerde instelling bij het gezin betrokken en hebben de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) zelf ingestemd met een gesloten plaatsing. In deze situaties regelt de Jeugdwet dat het college een machtiging kan aanvragen na toetsing door een onafhankelijke gedragswetenschapper. b. Via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder(s) precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal de jeugdhulpaanbieder het CJG informeren over de verwijzing. De jeugdhulpaanbieder zal na de verwijzing in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) bepalen welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur) binnen de marges van de toegekende individuele voorziening. Bij het vaststellen van de passende hulp dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente of zorgregio heeft gemaakt in het kader van de inkoop.
Deze afspraken gaan over hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en over de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind. Hiermee wordt de integrale benadering bevorderd rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek. Voorkomen moet worden dat professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente onder de individuele voorzieningen valt en alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2.8). Als de passende hulp is vastgesteld, moeten de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) een aanvraag jeugdhulp bij het college indienen. Het college beoordeelt of binnen de gemaakt afspraken en de verordening is gehandeld en geeft, indien akkoord, een beschikking af voor de goedkoopst adequate voorziening. Wettelijk is geregeld dat toegang tot jeugdhulp via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist mogelijk is. Deze verordening regelt slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2.11).
Alle huisartsenpraktijken staan in verbinding met het CJG, zodat aan de voorkant afgestemd kan worden welke hulp (en bij welke aanbieder) nodig is. c. Via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter
opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die, na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval, hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.
Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. De gecertificeerde instelling stuurt een bepaling jeugdhulp aan het college. Jeugdige en ouder(s)/verzorger(s) ontvangen geen beschikking, omdat tegen de uitspraak van de rechter geen bezwaar en beroep mogelijk is bij het college.
Artikelsgewijs Artikel 1 Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we het begrip ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdige en ouder(s)/verzorger(s)’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouder(s)/verzorger(s) (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouder(s)/verzorger(s) namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouder(s)/verzorger(s) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of
omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s)/verzorger(s) of adoptie gerelateerde problemen; 2. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt; en 3. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:3 van de Awb). De definitie van ‘hulpvraag’ is nodig omdat deze niet is gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik.
Als aanvulling op de definitie ‘individuele voorziening’ dient deze voorziening wel noodzakelijk te zijn in het kader van gezond, zelfstandig en veilig opgroeien. Bij verstrekking wordt uitgegaan van de goedkoopst en dichtstbijzijnde adequate voorziening. In het ondersteunings- of gezinsplan staan naast een omschrijving van de gezinssituatie en de hulpvraag onder andere de afspraken die met de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) zijn gemaakt. Met het begrip ondersteuningsplan wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld het begrip hulpverleningsplan en bijhorende vereisten zoals bedoeld in de Jeugdwet.
Artikel 2 Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen Artikel 2.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In dit artikel wordt de toegang jeugdhulp op verwijzing door de huisarts of medisch specialisten beschreven. Deze hebben binnen de Jeugdwet een eigenstandige bevoegdheid om naar jeugdhulp te verwijzen. Na de verwijzing van de arts of specialist gaan de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) in gesprek met de jeugdhulpaanbieder om tot de passende hulp te komen.
Artikel 2.2 Toegang jeugdhulp via GI of kinderrechter Een maatregel voor jeugdbescherming en jeugdreclassering wordt door de kinderrechter opgelegd wanneer een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet
(voldoende) helpt. Naast de maatregel kan de rechter ook beslissen dat jeugdhulp nodig is. De gemeente i.c. het CJG is gehouden deze jeugdhulp in te zetten, binnen de voorwaarden die daarvoor zijn vastgelegd in de Jeugdwet, deze verordening en de beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugd.
Artikel 2.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente Dit artikel regelt de toegang tot jeugdhulp via de gemeente en beschrijft op hoofdlijnen hoe jeugdigen en hun ouder(s)/verzorger(s) een hulpvraag bij het college kunnen indienen.
Artikel 3 Van aanvraag tot beschikking via de gemeente Artikel 3.1 Clientondersteuning en vertrouwenspersoon Cliëntondersteuning voor jeugd is geregeld in de Wmo. Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in de Wmo artikel 2.2.4. De wet benadrukt dat de cliëntondersteuning voor iedereen kosteloos beschikbaar is. Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouder(s)/verzorger(s) en pleegouder(s) tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: •
de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;
•
de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;
•
de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;
•
het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en
•
de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.
Artikel 3.2 Vooronderzoek Dit artikel regelt de fase voor het officiële gesprek (onderzoek). Jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) krijgen de kans om een persoonlijk plan op te stellen. Zij kunnen zelf de huidige situatie toelichten, wat zij willen bereiken en hoe zij denken dat de hulp eruit moet zien. Verder moeten jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) gegevens aanleveren die nodig zijn, o.a. ter identificatie (Wet op identificatieplicht).
Artikel 3.3 Gesprek Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Het ligt daarom voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) het een en ander wordt besproken. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het kader van deze verordening worden deze gesprekken beschouwd als onderdelen van een samenhangend geheel, leidend tot één gespreksverslag. In Artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt een jeugdige gedefinieerd als een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, of een jongere van 18 jaar of ouder waarop het strafrecht voor minderjarigen (tot 23 jaar) wordt toegepast. Ook jonge kinderen worden in de jeugdwet als jeugdige gezien. Kinderen kunnen echter vaak pas vanaf 8 jaar over de hulpverlening meedenken en meepraten. Wanneer het gesprek kan plaatsvinden hangt af van de situatie. Dit is ook afhankelijk van de agenda van ouder(s)/verzorger(s) en jeugdige. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de termijn van 8 weken waar binnen een besluit moet zijn genomen. In de onderdelen a tot en met g zijn de onderwerpen van het onderzoek weergegeven. Maar uiteraard wordt daarbij rekening gehouden met wat al bekend is bij het CJG.
Is de jeugdige al bekend, dan hoeven een aantal (gespreks)onderwerpen niet meer uitgediept te worden en wordt bijvoorbeeld alleen gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) voor het eerst bij het CJG, dan dient het gesprek om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen.
Artikel 3.4 Eigen kracht Gemeenten moeten altijd eerst kijken naar wat ouder(s)/verzorger(s) en jeugdigen zelf kunnen. Wij gaan er vanuit dat het grootste deel van de in jeugdigen geholpen kan worden op basis van eigen kracht, met behulp van het eigen sociale netwerk, ondersteuning vanuit de sociale basis en ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen. Niet voor elke jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) is dit voldoende en/of passend. Voor hen bieden wij een vangnet in de vorm van een maatwerkvoorziening. De eigen kracht van jeugdigen en ouder(s)/verzorger(s) wordt dus voorop gesteld overeenkomstig het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s)/verzorger(s) en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) en die van het sociale netwerk te versterken. Ten aanzien van de afstemmingsplicht valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringwet en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.
Artikel 3.5 Beoordeling van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen In dit artikel wordt concreet gemaakt hoe de gemeente beoordeelt wat een gezin zelf kan oplossen. Het gaat hier om een integrale afweging. Het gaat niet om een financiële draagkrachttoets van de ouder(s)/verzorger(s), maar het uitgangspunt is praktisch en pedagogisch om in te schatten wat de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk hierin kan bijdrage.
Artikel 3.6 Draagkracht, draaglast en overbelasting Dit artikel beschrijft dat ouder(s)/verzorger(s) primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging, opvoeding en begeleiding van hun kinderen, ook als er sprake is van ziekte of beperkingen. Pas als de zorg meer dan gebruikelijk is en het gezin dit redelijkerwijs niet aankan, kan de gemeente een voorziening bieden. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties. Daarbij is er aandacht voor signaleren van (dreigende) lichamelijke, psychische en gedragsmatige overbelasting bij ouder(s)/verzorger(s). Alleen als die overbelasting verband houdt met de zorg voor de jeugdige, kan dat een reden zijn voor ondersteuning. Komt het door andere oorzaken, dan wordt van ouder(s)/verzorger(s) verwacht dat zij dat eerst zelf oplossen In het zesde lid, onderdeel a, beschrijft dat de overbelasting moet samenhangen met de zorg voor de jeugdige. Een voorbeeld hiervan is als de overbelasting voorkomt uit het werk van de ouder/verzorger, er wordt verwacht dat het werk op een andere manier wordt ingericht.
Artikel 3.7 Criteria voor een individuele voorziening Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdige de hulp krijgt die hij nodig heeft. Het college kiest daarbij voor de goedkoopst en dichtbijzijnde adequate voorziening. De jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) kunnen er voor kiezen de jeugdhulp te betrekken van een aanbieder die duurder is of de hulp verder weg biedt. In deze situaties komen de meerkosten hiervan, het hogere uurtarief of de (extra) vervoerskosten, voor eigen rekening. In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afweging het college maakt bij toekenning van individuele voorzieningen. Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ inclusief eventuele verzekeringen bijvoorbeeld een (aanvullende) zorgverzekering en het al of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige en/of andere voorziening, goed te beoordelen. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening of interventie wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en (waar beschikbaar) wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Het college kan hiervoor gebruik maken van de NJI databank Effectieve Jeugdinterventies, Richtlijnen Jeugdhulp en GGZ standaarden.
Artikel 3.8 Medewerkingsplicht Dit artikel regelt de medewerkingsplicht van ouder(s) en jeugdigen bij het onderzoek naar de inzet van jeugdhulp. De Jeugdwet gaat uit van een zorgvuldige en doelmatige inzet van hulp, waarbij het college alleen een passende beslissing kan nemen als het beschikt over voldoende en juiste informatie over de situatie van de jeugdige en het gezin. Wat houdt medewerkingsplicht in? Als een ouder of jongere een aanvraag doet voor jeugdhulp kan de gemeente om bepaalde informatie vragen die de inwoner, indien van toepassing, verplicht is aan te leveren: - Het geven van openheid over de persoonlijke en medische situatie. - Het toestemming geven voor het opvragen van medisch of psychologisch advies. - Het meewerken aan gesprekken (bijvoorbeeld met het sociaal wijkteam) en onafhankelijk deskundigenonderzoek. - Het inzichtelijk maken van de gezinssituatie en de eigen kracht van het netwerk.
Artikel 3.9 Beschikking Indien de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) in aanmerking komen voor jeugdhulp, stelt het college een schriftelijke beschikking op, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. De inhoud van de beschikking moet in begrijpelijke taal worden weergegeven. De inwoner moet goed begrijpen wat er in de beschikking staat en welke zorg er ingezet wordt. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst en mits ouder(s)/verzorger(s) voldoen aan de pgb-voorwaarden als bedoeld in artikel 6.1, bestaat de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter, is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, op grond van de Awb geeft de mogelijkheid tot bezwaar en beroep.
Wordt de voorziening in pgb verstrekt, dan stuurt de gemeente bij de beschikking tevens een bijlage mee met de rechten en plichten die aan het ontvangen van een pgb zijn verbonden. Het derde lid geeft aan welke elementen de beschikking voor een voorziening in natura dient te bevatten. Hierin wordt beschreven dat de beschikking zich niet alleen behoeft te beperken tot de individuele voorziening, maar ook de overige afspraken kan bevatten over inzet van de eigen mogelijkheden, die
van het netwerk en de andere en overige voorzieningen. De elementen van een beschikking bij het verlenen van een PGB staan vermeld in het vierde lid.
Artikel 4 Individuele jeugdhulpvoorzieningen Artikel 4.1 Vormen van individuele voorzieningen Dit artikel beschrijft waar jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) informatie kunnen vinden over de verschillende vormen van individuele voorzieningen. Een overzicht van de gecontacteerde maatwerkvoorzieningen is te vinden op de website van de zorgregio. Informatie over jeugdbescherming en jeugdreclassering staat op de website van de Gelderse Verbeteragenda. De Essentiële Functies worden voor heel de regio samen ingekocht, hierover is informatie beschikbaar op de genoemde website. Tot slot kunnen jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) voor vrij toegankelijke voorzieningen terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).
Artikel 4.2 Jeugdhulpvervoer Het uitgangspunt is dat ouder(s)/verzorger(s) en jeugdigen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van en naar jeugdhulpvoorzieningen. Gemeentelijke ondersteuning komt pas aan de orde als vervoer door ouder(s)/verzorger(s), netwerk of eigen oplossingen niet haalbaar is. In het tweede en derde lid is beschreven dat de gemeente pas een vervoersvoorziening kan toekennen op het moment dat er sprake is van medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Dit geldt wanneer een jeugdige vanwege een psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, ook niet met begeleiding. Ook wanneer ouder(s)/verzorger(s) redelijkerwijs het vervoer zelf niet (meer) kunnen verzorgen kan dit leiden tot een toekenning. Verder is het vervoer beperkt tot de noodzakelijke routes (vierde lid). Dit geldt alleen voor bestemmingen van huis of school naar de jeugdhulplocatie en terug. Andere bestemmingen vallen hier niet onder. In het vijfde lid is het afwegingskader voor de beoordeling van jeugdhulpvervoer uitgewerkt.
Artikel 4.3 Kinderopvang en buitenschoolse activiteit Dit artikel verduidelijkt dat reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang geen vormen van jeugdhulp zijn in de zin van de Jeugdwet.
Artikel 4.4 Dyslexie Dit artikel regelt de toegang tot dyslexiezorg binnen de Jeugdwet. Dyslexiezorg voor jeugdigen van 7 tot en met 13 jaar met Ernstige Dyslexie valt onder de Jeugdwet, mits de jeugdige basisonderwijs volgt. Toegang tot vergoede dyslexiezorg is uitsluitend mogelijk na een besluit van de gemeente, op basis van het advies van de Poortwachter dyslexie. Hiermee wordt geborgd dat alleen jeugdigen die voldoen aan de geldende criteria toegang krijgen tot diagnostiek en behandeling. De Poortwachter dyslexie beoordeelt of diagnostiek en/of behandeling noodzakelijk is aan de hand van het meest recente Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling en actuele wetenschappelijke inzichten. Dit zorgt voor een zorgvuldige, eenduidige en kwalitatief verantwoorde beoordeling.
Artikel 4.5 Behandeling bij complexe scheidingsproblematiek Dit artikel regelt onder welke voorwaarden het college een individuele voorziening kan inzetten bij complexe scheidingsproblematiek. Een voorziening kan worden toegekend wanneer uit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van het kind ernstig wordt belemmerd of bedreigd door de scheidingssituatie en sprake is van psychische problematiek of een duidelijke kans daarop. De behandeling moet plaatsvinden binnen een methodisch programma dat gericht is op het verminderen van de ontwikkelingsproblemen van het kind. De voorkeur gaat uit naar landelijk erkende of evidence-informed methodieken. De voorziening is niet bedoeld als omgangsbemiddeling tussen ouders. De behandeling richt zich primair op het welzijn en de ontwikkeling van het kind. Wanneer een rechtbank adviseert een behandeling in te zetten, beoordeelt het college zelfstandig of een individuele voorziening wordt toegekend.
Artikel 5 Kwaliteitseisen Alle jeugdhulp verleend door een formele hulp, die op grond van de Jeugdwet wordt ingezet, moet voldoen aan de in de wet vermelde eisen. Voor de Jeugdwet zijn de wettelijke kwaliteitseisen leidend, er is geen onderscheid tussen ZiN en Pgb. De volgende kwaliteitseisen gelden voor alle professionele jeugdhulpaanbieders: • • •
de norm van verantwoorde hulp, inclusief de verplichting om geregistreerde professionals in te zetten; gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde hulp; systematische kwaliteitsbewaking door de jeugdhulpaanbieder;
•
• • •
verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. In deze verordening wordt bedoeld een VOG met algemeen screeningsprofiel 08 ‘personen’, functieaspect 84 ‘Belast zijn met de zorg voor minderjaren’, en specifiek screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; de meldplicht calamiteiten en geweld; verplichting om de vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen.
De consulent toetst de kwaliteitseisen op basis van het pgb-plan. Gemeenten kunnen zich er ook van verzekeren dat een aanbieder jeugdhulp van goede kwaliteit biedt op basis van: • klantervaringen en eigen contacten met de betreffende aanbieder; • jaarverslagen van de betreffende aanbieder; • rapport(en) van een of meer inspecties. Artikel 6 Regels voor een pgb Artikel 6.1 Algemene regels voor een pgb Dit artikel begint met een verwijzing naar het centrale pgb-artikel (8.1.1) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) te geven. Het college kan op grond van artikel 8.1.1 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van artikel 8.1.1, eerste lid van de wet: “Indien de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) dit wensen …”). Een pgb wordt slechts verstrekt als de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1, tweede lid, onder b van de wet). Ook wordt een pgb alleen verstrekt indien, naar het oordeel van het college, is gewaarborgd dat de in te kopen jeugdhulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.
Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, onder c van de wet weegt het college mee of de in te kopen jeugdhulp in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. In het tweede lid is vastgelegd dat het pgb enkel en alleen bedoeld is voor de financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel en mag alleen ingezet worden voor de feitelijk gemaakte uren. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een hulpverlener op basis van een maandloon uit te betalen. Het derde lid regelt dat de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) het pgb inzetten om de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan/gezinsplan te behalen binnen de daarvoor gestelde termijn. Zij stellen daartoe een pgb-plan op waaruit ook de besteding van het pgb blijkt. Alleen als zich nieuwe omstandigheden voordoen die het onmogelijk maken de afgesproken doelen te behalen, kan van
het pgb-plan worden afgeweken. Gezien de nieuwe omstandigheden wordt hiervan door de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) direct melding gedaan aan het college i.c. het CJG (artikel 8). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura (artikel 8.1.1, vierde lid, onder a van de wet). De situatie waarin het door de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. De jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het vijfde lid geeft aan dat voor alle jeugdhulp in spoedeisende situaties geen pgb mogelijk is. Deze hulp heeft een acuut karakter en moet dus direct worden ingezet. De tijd om een pgb aanvraag te beoordelen ontbreekt. Van ondersteuning in een acute (spoedeisende) situatie is bv sprake bij crisishulp, crisisopvang, spoedhulp, spoedopvang en time-out. In het vijfde lid is ook bepaald welke kosten niet uit het pgb mogen worden betaald.
Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor de financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb mag niet worden ingezet in het buitenland, tenzij hier nadrukkelijke toestemming voor is verkregen. De Jeugdwet is bedoeld voor jeugdigen en ouder(s)/verzorger(s) uit de gemeente en niet voor personen die een groot deel van het jaar in het buitenland verblijven. Uit het pgb mogen verder geen administratie of andere kosten samenhangend met het beheer van het pgb worden betaald of voorzieningen die niet als jeugdhulp zijn aan te merken. In het vijfde lid is aangegeven dat het inkopen van zorg van ouder(s)/verzorger(s) die zij aan hun eigen kind geven is uitgesloten als er sprake is van onvoldoende draagkracht versus draaglast en/of overbelasting. Indien hiervan sprake is, is een ouder ook niet in staat om de benodigde zorg/ondersteuning zelf middels een pgb te leveren. De Jeugdwet betreft immers geen inkomensvoorziening. Het college neemt in het onderzoek naar de ondersteuningsvraag de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college beoordeelt of het gezin de benodigde ondersteuning, hulp en zorg zelf kan bieden. (zie artikel 3.6 Draagkracht, draaglast en overbelasting)
Artikel 6.2 Hoogte pgb en onderscheid formele en informele pgb Dit artikel beschrijft hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van jeugdhulp en voor verschillende typen hulpverleners. Het college maakt onderscheid tussen jeugdhulp die wordt geleverd door formele en informele hulpverleners. De leden 1 tot en met 4 bevatten vervolgens de definitie van wat onder een formele en informele hulpverlener wordt verstaan.
Formele hulp Doorgaans ontvangen jeugdigen en gezinnen de hulp in natura van een formele, dat wil zeggen professionele, hulpverlener. Deze hulpverlener is geregistreerd in het Kwaliteitsregister jeugdhulp en werkt volgens de voor hem geldende professionele standaard. De jeugdhulpaanbieder zorgt voor een verantwoordelijkheidstoedeling, die in redelijkheid leidt tot verantwoorde hulp (artikel 4.1.1 Jeugdwet). De aanbieders die door de gemeente Epe zijn gecontracteerd voor zorg in natura vallen bij het leveren van ondersteuning op basis van een persoonsgebonden budget onder formele hulp. Voor aanbieders die geen overeenkomst hebben met de gemeente Epe gelden natuurlijk de wettelijke eisen en verder de in het tweede lid onder b genoemde vereisten voor het leveren van formele hulp op basis van een persoonsgebonden budget. Het derde lid geeft specifiek aan dat een zelfstandige zonder personeel of een freelancer of degene die wordt ingehuurd door de jeugdige voor het leveren van de daadwerkelijke ondersteuning in het kader van formele hulp geen partner, eerste of tweedegraads familie van de hulpvrager kan zijn. Indien dit wel het geval is, is er sprake van informele hulp in het kader van een persoonsgebonden budget. Informele hulp Met een pgb mogen, onder voorwaarden, ook informele hulpverleners worden ingezet.
Het vijfde lid schetst de kaders voor het inzetten van informele hulpverleners vanuit het pgb. Dit kunnen personen zijn die behoren tot het sociale netwerk. Onder het sociale netwerk kunnen ook mantelzorgers vallen. Het college is met de regeling van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven en dit aantoonbaar tot betere, effectievere en doelmatigere hulp leidt. In lid 5 is uitgewerkt welke afweging wordt gemaakt bij het verzoek om een informele hulp in te zetten. Bij de beoordeling of een informele hulp in staat is de juiste ondersteuning te bieden (a.) en de beoordeling van de belastbaarheid (b.) kan het college een professional inschakelen. Het zesde lid beschrijft hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een pgbplan dat de jeugdige opstelt. Dit plan maakt deel uit van het onderzoek en waarvan o.m. ook het gezinsplan deel van uitmaakt. In dit plan geven de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) aan op welke wijze ze de gestelde doelen binnen de afgesproken termijn bereiken. Hierin geven ze tevens aan hoe ze het pgb besteden. De gemeente heeft een format voor het pgb -plan gemaakt dat de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) dienen te gebruiken.
Artikel 6.3 Pgb-vaardigheden budgethouder Op grond van artikel 8.1.1 tweede lid, sub a Jeugdwet moet de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) in staat zijn tot redelijke waardering van belangen en moeten zij instaat zijn de taken die aan het pgb verbonden zijn te kunnen uitvoeren. De budgethouder is degene voor wie de zorg is geïndiceerd en deze verstrekt krijgt in de vorm van een pgb. Hij ontvangt een pgb, dat wil zeggen een budget om zelf de individuele voorziening in te
kopen die is afgesproken. De budgethouder is verantwoordelijk voor de besteding van het budget en voor de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp. Dit geldt ook als het een kind betreft. De ouder/verzorger kan wel de vertegenwoordiger zijn. Daarmee neemt hij alle rechten en plichten van de budgethouder over. De budgethouder legt in een pgb-plan vast op welke manier de ingekochte hulp bijdraagt aan de oplossing van zijn probleem. Zijn ouder(s)/verzorger(s) niet instaat het pgb te beheren dan kan een budgetbeheerder worden gekozen die deze taak op zich neemt. In de uitspraak van 21 augustus 2013 ECLI:NL:CRVB:2013:1488 stelt de raad dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, er wel sprake moet zijn van gewaarborgde hulp van derden. Daarvan is in ieder geval geen sprake indien de derde niet kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, waaronder die welke betrekking hebben op de keuze van de zorgverlener, de kwaliteit van de zorg en de financiële verantwoording, waaraan inherent moet worden geacht dat eisen kunnen worden gesteld aan de integriteit van de derde.
In de uitspraak CRvB 11 januari 2017 ECLI:NL:CRVB:2017:232 stelt de Raad vast dat appellante zich bij het beheer van het pgb heeft willen laten bijstaan door derden en – naar uit de gedingstukken blijkt – niet in staat is op eigen kracht de aan een pgb verbonden verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren. Een verzekerde kan echter voor het beheer van een pgb de hulp van derden inroepen. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1488, heeft overwogen, is daarbij van belang of sprake is van gewaarborgde hulp van derden. De toenmalige bewindvoerder heeft verklaard dat zij geen inhoudelijke verantwoordelijkheid wil dragen voor de zorg. Niet in geschil is dat [naam A] niet kan worden aangemerkt als een gewaarborgde derde omdat zij verantwoordelijkheid draagt als zorgaanbieder van appellante. Het Zorgkantoor heeft dan ook terecht het pgb geweigerd. Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.
Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen.
Artikel 7 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d van de wet. Daarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren van de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In de toelichting op de nota van wijziging op de wet is voorts vermeld dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid
behoort misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het tweede lid bevat een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Jeugdwet is opgenomen (artikel 8.1.4). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een individuele voorziening wordt verstrekt met de bedoeling dat deze wordt ingezet. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van een individuele voorziening hiervan nog geen gebruik is gemaakt, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. De communicatie richting inwoners moet in begrijpelijke taal plaatsvinden. De inwoner moet goed begrijpen wat er in de beschikking staat, welke zorg er ingezet wordt en wat zijn rechten en plichten zijn.
Artikel 7.1 Rechtmatigheid en doelmatigheid Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In het eerste lid gaat het om het feit dat in de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de wet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd. Het tweede en derde lid bevat op grond van artikel 8.1.3, van de wet dat het college periodiek moet onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 28, tweede en derde lid toegevoegd.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb. Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb -houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit:
dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder. Het vierde tot het zesde lid regelen de bevoegdheden van de toezichthouders en verplichting om mee te werken met het onderzoek van de toezichthouder worden in dit artikel geregeld.
Artikel 7.2 Controle Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. Het college stuurt op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp. Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen.
Artikel 8 Verhouding prijs en kwaliteit Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s), door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op situaties waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.
Hiervoor is tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
Artikel 9 Klachtenregeling Dit artikel regelt de wijze waarop klachten over de uitvoering van de Jeugdwet worden afgehandeld en maakt onderscheid tussen klachten over de gemeentelijke uitvoering en klachten over de door aanbieders geleverde jeugdhulp. Het eerste lid verplicht het college een regeling vast te stellen voor de afhandeling van klachten die betrekking hebben op de wijze waarop hulpvragen en aanvragen door of namens het college worden behandeld. Hiermee wordt geborgd dat jeugdigen en ouder(s)/verzorger(s) hun klachten op een toegankelijke en zorgvuldige manier kenbaar kunnen maken. Het tweede lid bepaalt dat aanbieders van jeugdhulp een eigen klachtenregeling moeten hebben voor klachten over individuele voorzieningen. Daarnaast wordt vastgelegd dat aanbieders jeugdigen en hun ouder(s) en/of verzorger(s) bij de start van de hulpverlening actief informeren over deze klachtenprocedure. Dit draagt bij aan transparantie en rechtsbescherming. Het derde lid regelt dat het college toeziet op de naleving van de klachtenregelingen door aanbieders. Dit toezicht vindt plaats zonder afbreuk te doen aan andere handhavingsbevoegdheden van het college en kan onder meer bestaan uit periodiek overleg met aanbieders, het uitvoeren van cliëntervaringsonderzoek en inzage in klachten en de wijze van afhandeling daarvan.
Hiermee wordt de kwaliteit van de klachtenafhandeling en de jeugdhulpverlening als geheel bewaakt.
Artikel 10 Medezeggenschap bij aanbieders Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In het eerste lid gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van Wmo, paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 11 Betrekken van ingezetenen bij beleid In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulp-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is
uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Het tweede en derde lid beschrijft de regeling van de inspraak en medezeggenschap welke verplicht is op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 12 Hardheidsclausule Ook al worden er binnen de Jeugdwet zorgvuldige afwegingen gemaakt, het college zal er niet aan ontkomen om, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Als ondanks de zeer persoonlijke beoordeling van de hulpvraag nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Ook de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) kunnen een beroep doen op deze clausule.