CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Verordening jeugdhulp gemeente Epe 2026 definitief

Gemeenteraad 9 juli 2026, gemeente EpeBij agendapunt: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2026 gemeente Epe en Verordening Jeugdhulp 2026 gemeente Epe16.745 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Jeugdhulp 2026 gemeente Epe

Intitulé De raad van de gemeente Epe; Gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid, van de Jeugdwet; Overwegende dat: •

•

De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s)/verzorger(s) en de jeugdige zelf ligt; Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: o de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; wat zijn de voorwaarden om een voorziening te krijgen en hoe wordt beoordeeld of een voorziening nodig is; o de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening: hoe stemt de toegang af of een individuele voorziening nodig is of een overige voorziening; en indien er sprake is van een individuele voorziening onder welke voorwaarden deze wordt afgegeven (als zorg in natura of als persoonsgebonden budget) o de wijze waarop de hoogte van een (persoonsgebonden) budget wordt vastgesteld; voorkomen moet worden dat een jongere ten onrechte een individuele voorziening (of een persoonsgebonden budget) ontvangt of misbruik kan maken van de wet; o de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering/uitvoering van jeugdzorg en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

BESLUIT Vast te stellen de Verordening Jeugdhulp 2026 gemeente Epe

Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige toegankelijk is. Met het begrip algemene voorziening wordt in het kader van deze verordening ook het begrip overige voorziening bedoeld (artikel 2.9 Jeugdwet). Budgethouder: de persoon die een pgb (persoonsgebonden budget) ontvangt op grond van de Jeugdwet.

College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, of – voor zover het college taken en bevoegdheden op grond van de Jeugdwet heeft gemandateerd – het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Draagkracht: Het vermogen van ouder(s)/verzorger(s) om de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Draaglast: de belasting die ouder(s)/verzorger(s) dragen op basis van de omstandigheden van henzelf en het gezin, denk dan bijvoorbeeld aan werk, gezondheid, gezinssamenstelling en hulp aan elkaar. Gebruikelijke hulp: Dit betreft zorg en ondersteuning die in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s)/verzorger(s), mede op basis van wat passend is bij de leeftijd en ontwikkeling van de jeugdige. Gezinsplan (of familiegroepsplan): De bundeling van alle individuele ondersteuningsplannen (zie toelichting begrip ondersteuningsplan) binnen een gezin/huishouden. Hulpvraag: Behoefte van de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) aan ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. Individuele voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige (en diens gezin), middels een beschikking toegankelijk is (artikel 2.9 Jeugdwet).

Jeugdige: Persoon zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Ondersteuningsplan: Een document waarin een beschrijving staat van de situatie van de jeugdige; de te behalen doelen (resultaten); en welke jeugdhulp en eventuele andere ondersteuning daarbij nodig is. Ouders/verzorgers: De ouder(s) met gezag over de jeugdige, de verzorger(s) die de jeugdige feitelijk verzorgen en opvoeden. Hieronder vallen ook de gemachtigde(n) en/of (wettelijk) vertegenwoordiger(s) die namens hen optreedt. Persoonlijk plan: Een beschrijving van de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) van zijn omstandigheden en welke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is, zoals bedoeld in artikel 4.1.2 van de Jeugdwet. Met het begrip persoonlijk plan wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld het begrip familiegroepsplan en bijbehorende eisen zoals bedoeld in de Jeugdwet. Pgb: Persoonsgebonden budget is een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of diens ouder(s)/verzorger(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort, door anderen, niet zijnde ouders, uit te voeren.

Pgb-plan: plan van de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) waarin hij de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt; het pgb -plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener. Sociaal netwerk: Familieleden, huisgenoten, mantelzorgers, buren, kennissen en medeleden van een vereniging of medeleden uit een geloofsgenootschap van de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s). Wettelijke andere voorziening: Een voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet en de Algemene wet Bestuursrecht.

Artikel 2 Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen Artikel 2.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Jeugdwet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van deze voorziening nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 2.2 Toegang jeugdhulp via GI of kinderrechter 1. Het college zorgt conform de Jeugdwet voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de Gecertificeerde Instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de Gecertificeerde Instelling of kinderrechter (gedwongen kader) aan een jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) is verleend door een aanbieder van

jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 2.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. 2. Jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) kunnen de hulpvraag indienen met een daartoe vastgesteld aanvraagformulier. Dit formulier is te vinden op: www.cjgepe.nl/contact 3. Er wordt een afspraak gemaakt om de hulpvraag verder te onderzoeken.

Artikel 3. Van aanvraag tot beschikking via de gemeente Artikel 3.1 Clientondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college informeert jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) dat zij een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon, als bedoeld in artikel 2.5 van de Jeugdwet, waarbij het belang van de jeugdige het uitgangspunt is. 2. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is en informeert inwoners hierover.

Artikel 3.2 Vooronderzoek 1. Het college brengt de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hen tot het gesprek in de gelegenheid het plan te overhandigen. 2. Als de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) een persoonlijk plan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het vooronderzoek. 3. Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 4. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is: a. gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp; b. ter voorkoming van fraude; of

c. ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige 5. Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit: a. vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. buitenlands paspoort; of d. vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Artikel 3.3 Gesprek 1. Het college onderzoekt de hulpvraag in samenspraak met de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) volgens de volgende stappen: a. Inventariseren van de hulpvraag. Hierbij maakt het college gebruik van het levensloopmodel van het NJi van bijlage 1 bij deze verordening; b. Zorgvuldig onderbouwen van de onderliggende problematiek; c. Vaststellen welke hulp in aard en omvang noodzakelijk is; d. Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht); e. Onderzoeken of aanspraak bestaat op een andere voorziening dan de Jeugdwet; f. Onderzoeken of een algemene voorziening passend is; g. Indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 2. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) vooraf over hoe het gesprek verloopt, wat hun rechten en plichten zijn en vraagt toestemming om de persoonsgegevens te verwerken. Het uitgangspunt is dat de aanbieder van de individuele voorziening niet bij dit gesprek aanwezig is tenzij anders wordt bepaald. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) afzien van een gesprek. 4.

Aan het einde van het onderzoek wordt met de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) besproken welke vorm van financiering het meest passend is: zorg in natura (ZIN) of een persoonsgebonden budget (pgb). De jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) worden in begrijpelijke taal geïnformeerd over de gevolgen van die keuze. 5. De jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 6. Het college kan een deskundige instantie om een oordeel en advies vragen als het college dit van belang acht voor het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag. 7. Het college zorgt ervoor dat het onderzoek en de voorbereiding van het besluit op een zorgvuldige wijze plaatsvindt. 8. Het college maakt op basis van het (voor)onderzoek en een gesprek een verslag met ondersteuningsplan en deze worden aan de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) verstrekt.

Artikel 3.4 Eigen kracht 1. Het college gaat uit van de eigen kracht van de jeugdige en/of ouder(s)/verzorgers om problemen op te lossen. Ouder(s)/verzorger(s) zijn verplicht om tot hun gezin horende kinderen op te voeden, te verzorgen en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, beperking of aandoening heeft. Ouder(s)/verzorger(s) en andere huisgenoten dragen onderling zorg voor normale, dagelijkse hulp. 2. Jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Bij uitval van één van de ouder(s)/verzorger(s) neemt de andere ouder de hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de hulp van de ouder/verzorger waar de jeugdige niet woont. 3. Van ouder(s)/verzorger(s) wordt verwacht dat zij binnen hun mogelijkheden meewerken aan het verminderen van belasting, bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of andere maatschappelijke verplichtingen. 4. Eigen kracht moet breed gelezen worden.

Onder eigen kracht valt in ieder geval: - Het gebruikmaken van het sociale netwerk; - Het aanspraak maken op een afgesloten aanvullende zorgverzekering; - Het gebruikmaken van algemene (gebruikelijke) voorzieningen en overige voorzieningen; - Het gebruikmaken van voorzieningen die voorkomen in andere wetgeving; - Het aanpassen van werktijden; - Het gebruik maken van zorgverlof; - Het gebruik maken van kinderopvang; - Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s)/verzorger(s) aan jeugdigen tot een leeftijd van 18 jaar, zowel in kortdurende als langdurige situaties.

Artikel 3.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Onder eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen wordt verstaan, het vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) om zelf of met behulp van het sociale netwerk de benodigde hulp te bieden. 2. Om te bepalen wat de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorgers door middel van eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: a. De behoeften en de mogelijkheden van de jeugdige; b. De benodigde ondersteuning(intensiteit) en de duur daarvan; c. De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouder(s)/verzorger(s); d. De samenstelling en de woonsituatie van het gezin; e. Het belang van de ouder(s)/verzorger(s) om te voorzien in een inkomen, zonder dat daarbij een financiële beoordeling wordt gedaan; f. De mogelijkheden van het sociale netwerk; g. De mogelijkheid om gebruik te maken van een voorliggende (wettelijk) voorzieningen;

h. Overige relevante omstandigheden van de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) die redelijkerwijs invloed kunnen hebben op de mogelijkheden om de benodigde hulp zelf te bieden.

Artikel 3.6 Draagkracht, draaglast en overbelasting 1. Een gezonde draagkracht betekent dat ouder(s)/verzorger(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s)/verzorger(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouder(s)/verzorger(s) hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent de gemeente geen individuele voorziening jeugdhulp toe. 2. Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouder(s)/verzorger(s) voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in het onderzoek de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college beoordeelt of het gezin de benodigde ondersteuning, hulp en zorg zelf kan bieden. Daarbij kijkt het college naar wat ouder(s)/verzorger(s) zelf kunnen, het probleemoplossend vermogen, de hulp van mensen in hun sociale omgeving en de beschikbare voorliggende voorzieningen.

Hiervoor kan het college gebruik maken van een onafhankelijk medisch onderzoek. 3. Het college maakt voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht als bedoeld in het eerste lid en draaglast als bedoeld in het tweede lid een onderscheid in kortdurende en langdurende situaties: a. Onder kortdurend wordt verstaan: er is uitzicht op herstel van de problematiek en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over het bieden van hulp voor een aaneengesloten eenmalige periode van maximaal drie maanden. b. Onder langdurend wordt verstaan: chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden binnen een periode van één jaar. 4. In kortdurende situaties neemt het college aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s)/verzorger(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk mag worden verwacht.

In langdurende situaties bieden ouders eventueel met behulp van het sociale netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als de gemeente op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht

in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk mag worden verwacht. 5. De zorg voor een jongere of huisgenoot kan zo zwaar worden dat er sprake is van (dreigende) overbelasting. Bij de beoordeling of sprake is van (dreigende) overbelasting maakt de gemeente gebruik van de Opvoedingsbelasting Vragenlijst van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi)1. 6. Bij (dreigende) overbelasting geldt het volgende: a. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. Als de overbelasting gerelateerd is aan factoren buiten de zorg van de jeugdige om, dient de ouder eerst een oplossing te zoeken voor de oorzaak van de overbelasting. b. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om de (dreigende) overbelasting te verminderen; c. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten, wordt dit eerst van de ouder verwacht; d. Het verlenen van hulp aan kinderen gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

Artikel 3.7 Criteria voor een individuele voorziening 1.

2. 3. 4. 5.

6.

1

Een jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) kunnen slechts in aanmerking komen voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat: a. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) ontoereikend zijn (eigen kracht), en; b. De jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening als doeltreffend gezien kan worden. Als een individuele maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst en dichtstbijzijnde adequate voorziening. Voorzieningen die aantoonbaar niet effectief zijn, worden niet ingezet als individuele voorzieningen. In situaties waarbij ouder(s)/verzorger(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of ouder niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die jeugdhulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit de wet, is het college gehouden om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige jeugdhulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en;

https://www.nji.nl/databanken/instrumenten/opvoedingsbelasting -vragenlijst-obvl

b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 7. Ter uitvoering van het zesde lid, onderzoekt het college samen met de jeugdhulpaanbieder tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. 8. Het college en de jeugdhulpaanbieder nemen de resultaten van lid 7 op in een ‘perspectiefplan’.

Artikel 3.8 Medewerkingsplicht 1. De jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) zijn verplicht om mee te werken aan onderzoek gericht op de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde ondersteuning mogelijk niet worden vastgesteld en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Als het niet meewerken de ontwikkeling of veiligheid van de jeugdige in gevaar brengt, zal in het gedwongen kader hulp geboden worden. Artikel 3.9 Beschikking 1. Op basis van de aanvraag neemt het college een besluit in de vorm van een beschikking als onderzoek uitwijst dat een individuele voorziening nodig is. Als onderzoek uitwijst dat een algemene voorziening passend is ten aanzien van de hulpvraag, dan kan in overleg met jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) afgezien worden van het nemen van een besluit in de vorm van een beschikking. 2. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3.

Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur of omvang van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de ingangsdatum en duur/omvang is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 4 Individuele jeugdhulpvoorzieningen Artikel 4.1 Vormen van individuele voorzieningen 1. Voor vrij toegankelijke voorzieningen kunnen jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) https://www.cjgepe.nl/. 2. Een overzicht van de door de gemeente gecontacteerde maatwerkvoorzieningen is te vinden op de website: https://zorgregiomijov.nl/, onder de pagina gecontacteerd zorgaanbod. 3. Informatie over jeugdbescherming en jeugdreclassering, waaronder geldende contracten en raamovereenkomsten, zijn te vinden op de website: https://www.gvjb.nl, onder contacten en afspraken, raamovereenkomst. 4. De Essentiële Functies worden voor de hele provincie Gelderland samen ingekocht. Meer informatie hierover is te vinden op de website: https://g7jeugd.nl/bovenregionaal/projectessentiele-functies. 5. Een aantal vormen van jeugdhulp zijn hoog specialistisch en worden landelijk geregeld via het Landelijke Transitiearrangement (LTA) via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Meer informatie hierover kun je terugvinden op de website: https://vng.nl/artikelen/functies-enaanbieders-jeugdhulp.

Artikel 4.2 Jeugdhulpvervoer 1. Het uitgangspunt is dat de jeugdige zelf en/of (pleeg)ouder(s)/verzorger(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van en naar jeugdhulpvoorzieningen. 2. Een vervoersvoorziening kan afgegeven worden als er naar het oordeel van het college sprake is van medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 3. Van medische noodzaak is sprake als de jeugdige een psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking heeft en hierdoor niet in staat is om door (pleeg)ouder(s)/verzorger(s) vervoerd te worden of gebruik te maken van openbaar vervoer en begeleiding in deze situaties niet toereikend is. 4. Vervoer vindt plaats tussen school of thuis en de jeugdhulplocatie. 5. Afwegingskader bij het toekennen van vervoerskosten: • Jeugdige heeft een individuele jeugdhulpvoorziening toegekend gekregen; • Er is sprake van medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid; • De eigen kracht van (pleeg)ouder(s)/verzorger(s) is niet toereikend (bijv. werktijd aanpassing of gebruik van het openbaar vervoer); • De mogelijkheden van het sociale netwerk zijn op. • Bij gebruik maken van het openbaar vervoer verstrekt het college aan de ouder(s)/verzorger(s) van de jeugdige, een vergoeding op basis van de reiskosten van het openbaar vervoer 2e klas.

Indien meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer. • Er is geen andere regeling of voorziening waaruit financiële ondersteuning kan komen;

•

De route naar de jeugdhulp voorziening is meer dan zes kilometer volgens de kortste route; • Er wordt rekening gehouden met de doelen van de jeugdige; bijvoorbeeld dat de jeugdige binnen een bepaalde termijn zelfstandig met het openbaar vervoer kan. • De jeugdige gaat naar de dichtstbijzijnde passende jeugdhulpvoorziening. 6. Het in het vorige lid opgenomen afwegingskader is richtinggevend. Het college maakt per geval een integrale afweging van alle relevante omstandigheden. Het niet voldoen aan één of meer van de genoemde punten sluit de toekenning van een vervoersvoorziening niet uit. 7. Een vervoersvoorziening kan in natura en pgb verstrekt worden. Artikel 4.3 Kinderopvang en buitenschoolse opvang Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vormen van jeugdhulp. Een aanvraag hiervoor wordt daarom in beginsel afgewezen.

Artikel 4.4 Dyslexie 1. Dyslexiezorg voor jeugdigen in de leeftijd van 7 tot en met 13 jaar met Ernstige Dyslexie (ED) valt onder de Jeugdwet, mits de jeugdige op de basisschool zit. 2. Voor vergoede dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de gemeente op basis van het advies van de Poortwachter dyslexie heeft besloten om de aangevraagde zorg toe te kennen. 3. De Poortwachter dyslexie toetst op basis van het meest recente Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling en/of recente inzichten op gebied van dyslexiezorg of diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie nodig is.

Artikel 4.5 Behandeling bij complexe scheidingsproblematiek 1. Het college kan een individuele voorziening toekennen voor behandeling van complexe scheidingsproblematiek, wanneer uit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van het tot het gezin behorende minderjarige kind ernstig wordt belemmerd of bedreigd als gevolg van de scheidingssituatie. Dit moet zich uiten in psychische problematiek of een aanmerkelijke kans daarop. 2. De behandeling wordt uitsluitend ingezet als onderdeel van een methodisch programma dat aantoonbaar is gericht op het verminderen van de ontwikkelingsproblemen van het kind. Hierbij geldt dat het programma: • landelijk is erkend of gebaseerd is op een evidence-informed methodiek, zoals Kinderen uit de Knel of Ouderschap Blijft; • vooraf inhoudelijk wordt beoordeeld en goedgekeurd door het college, indien het niet een landelijk erkende methodiek betreft.

3. De behandeling is niet bedoeld als omgangsbemiddeling tussen ouders. De focus ligt op het verbeteren van het welzijn van het kind en het verminderen van de ontwikkelingsbelemmeringen die voortkomen uit de scheidingsproblematiek. Verbetering van de onderlinge omgang tussen ouders kan onderdeel zijn van de aanpak, maar mag niet het primaire doel van de behandeling vormen. 4. Wanneer een rechtbank in het kader van een procedure over gezag of omgang het wenselijk acht dat een behandeling wordt ingezet, kan zij – in overleg met ouders en zorgaanbieder – het college verzoeken een dergelijke voorziening toe te kennen. Het college beoordeelt dit verzoek op inhoud en passendheid. Alleen als beide ouders of, waar relevant, het kind instemt en het college van oordeel is dat de behandeling passend is, kan een individuele voorziening worden toegekend. Artikel 5 Kwaliteitseisen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2.

De aanbieder die ondersteuning biedt, in natura of op basis van een pgb voor formele hulpverlening, voldoet aan de kwaliteitseisen zoals bepaald in de Jeugdwet en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop, zoals door het college vastgesteld. 2 3. Het college kan, in overeenstemming met artikel 2 van de raamovereenkomst MIJ- OV, bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 4. Als er voor een bepaalde branche een keurmerk bestaat, zorgt het college ervoor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 5. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 6. Het college kan aan hulpverleners die werken op basis van een pgb eisen stellen die aansluiten bij de eisen die aan gecontracteerde aanbieders worden gesteld, teneinde de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van de te leveren ondersteuning te waarborgen. 7.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) ter plaatse controleren van de geleverde individuele voorzieningen.

2

https://zorgregiomijov.nl/aanbieders/documenten-en- downloads

Artikel 6 Regels voor een pgb Artikel 6.1 Algemene regels voor een pgb 1. Het college verstrekt een pgb met inachtneming van artikel 8.1.1 Jeugdwet. 2. Als een jeugdige en/of ouder/verzorger in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 8.1.1, tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. De jeugdige en/of ouder/verzorger dient ter toetsing een pgb-plan in. In dit pgb-plan is in elk geval opgenomen: a. Hoe de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) zelf of met hulp van iemand uit het sociaal netwerk de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren, en; b. Wat de motivatie is om de jeugdhulp in de vorm van een pgb te ontvangen, en; c. Welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) met het pgb zou willen inkomen en bij welke aanbieder, en; d. Op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd en duidelijk is dat de jeugdhulp geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt, en; e. De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 3. Onverminderd artikel 8.1.1 Jeugdwet, verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. 4.

Binnen het beschikbare budget dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de in de beschikking genoemde budgetperiode te worden behaald, tenzij zich nieuwe omstandigheden bij de jeugdige voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de doelen. 5. Een pgb is niet mogelijk: a. als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals crisishulp/crisisopvang/spoedhulp/spoedopvang; b. voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland, tenzij hiervoor vooraf expliciet toestemming is gevraagd en gegeven door het college; c. voor bemiddelings- of administratiekosten zoals telefoonkosten en de kosten voor het opvragen van een VOG, coördinatie of voortgezette diagnostiek; d. Kosten voor een feestdagenuitkering, een eenmalige uitkering en reiskosten van de hulpverlener; e. voor het inkopen van wettelijk voorliggende, overige, algemene en algemeen gebruikelijke diensten of voorzieningen; f. voor besteding aan voorzieningen jeugdhulp die zijn uitgesloten door het college. Dit betreft behandelproducten, groep-producten en verblijfsproducten; g. Voor het inkopen van zorg van ouder(s)/verzorger(s) die zij aan hun eigen kind geven terwijl er sprake is van onvoldoende draagkracht versus draaglast en/of overbelasting; h.

Voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de door de gemeente ingekochte individuele voorziening. Tenzij in overleg het overstijgende bedrag zelf betaald wordt.

6. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een (pgb -)aanbieder indien er twijfels zijn over de integriteit van de (pgb-)aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de (pgb)aanbieder gedurende een periode van vier jaar voorafgaand aan de verstrekking van het pgb: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar kan brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn/haar directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie; g. op basis van een Bibob-toets door het college is (of zal worden) geweigerd als zorgaanbieder.

Artikel 6.2 Hoogte pgb en onderscheid formele en informele pgb 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een voorziening in de vorm van een dienst wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties: a. Een aanbieder die voldoet aan de volgende criteria: i. heeft een inschrijving in de Kamer van Koophandel (KvK) met een SBI-code die past bij de ondersteuning die wordt geleverd. Het college bepaalt of de SBI-code passend is; ii. richt zich, blijkens de doelstellingen uit dit register primair op de benodigde ondersteuning zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan; iii. biedt een dienstverband aan minimaal 2 medewerkers; iv. de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld (zie artikel Kwaliteitseisen) en ontvangen een salaris dat daarmee overeenkomstig is; v. degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de cliënt is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van degene aan wie de hulp wordt verleend; b. Een zzp’er of freelancer met een inschrijving in de KvK met een SBI-code die past bij de ondersteuning die wordt geleverd en zoals is beschreven in het ondersteuningsplan. Het college bepaalt of de SBI-code passend is.

Daarbij werkt de zzp’er of freelancer volgens een erkende of geldende methodiek en volgens de beroepscode van de eigen beroepsgroep. 3. Er is sprake van informele hulp wanneer de hulp niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid van dit artikel of die geleverd wordt door iemand uit het sociaal netwerk of een vrijwilliger;

4. Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp middels een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: a. de informele hulp is in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is; b. de belastbaarheid van de informele hulp; er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting; c. de jeugdige en/of diens ouder(s)/verzorger(s), niet zijnde de aanbieder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; d. het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit; e. de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten. 5. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld tijdens het onderzoek. b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorzieningen die tot de individuele maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; de benodigde ondersteuning moet tenminste bij één aanbieder in te kopen zijn; c. wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate compenserende oplossing voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura; d.

wordt voor de informele hulp voor begeleiding en persoonlijke verzorging een uurtarief van maximaal € 20,- vergoed. e. Als sprake is van werkgeverslasten dan wordt het pgb bedrag daarmee verhoogd. Artikel 6.3 Pgb-vaardigheden budgethouder 1. Om aan de voorwaarden van een pgb te voldoen, moet de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) een beoogd budgethouder hebben. Dit kan ook iemand zijn uit het sociale netwerk of met behulp van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of een aanbieder van gesloten jeugdhulp. De budgethouder: a. Heeft overzicht over zijn of haar eigen situatie en die van de jeugdige; b. Heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag; c. Is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of weet dit zelf (online) te vinden; d. Is in staat om een overzichtelijke administratie bij te houden, die inzicht geeft in de besteding van het pgb; e. Is voldoende vaardig om in het Nederlands te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar/zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverleners. f. Is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen. g. Is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en dit te verantwoorden aan het college; h. Kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

i.

Is in staat om de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg kan doorgaan bij ziekte en verlof; j. Is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; k. Heeft voldoende (juridische) kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet waar deze kennis te vinden is. 2. Een budgethouder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord uit te kunnen voeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; b. er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: schuldenproblematiek, ernstige verslavingsproblematiek, aangetoonde fraude (in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag), een aanmerkelijke verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld, een vastgestelde blijvende cognitieve stoornis, het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift, het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel 7. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.

Het college informeert jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college kan op grond van artikel 8.1.4, eerste lid, Jeugdwet een beslissing intrekken of herzien als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben versterkt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb e. de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan na heronderzoek door het college worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 5. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 6. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) het pgb in die periode anders ten onrechte kunnen inzetten. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken deze termijn te verlengen. 8. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. 9.

Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop Jeugd en de naleving van rechtmatige uitvoering hiervan, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening. Artikel 7.1 Rechtmatigheid en doelmatigheid 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 4. De aangewezen toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid van het inzien van dossiers; b. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; c. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie/dossiers te vorderen bij de (pgb-)aanbieder; d. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de cliënt of de pgb -beheerder; e. het vorderen van inzage in een identificatiebewijs; f. inzage van documenten en toegang tot gegevens; g. het betreden van plaatsen (met uitzondering van privéwoningen); h.

controleren of de (pgb-)aanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de overeenkomst met het college naleeft; i. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de jeugdige en/of ouders of de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

j.

controleren of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd; k. de bevoegdheid om (pgb-)aanbieders te screenen. 5. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. 6. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 7.2 Controle 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

Artikel 8. Verhouding prijs en kwaliteit 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert door derden te leveren individuele maatwerkvoorzieningen, rekening met: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs zoals bedoeld in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.12 Jeugdwet. b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 12.4 Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f.

Cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; g. Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; h. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; i. overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 5. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of Gecertificeerde Instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 6. Het derde en het vijfde lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouder(s)/verzorger(s) en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. Artikel 9. Klachtenregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders stellen een eigen regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en hun ouder(s) en/of verzorger(s) ten aanzien van alle individuele voorzieningen.

Jeugdigen worden tijdens de intake door de aanbieder proactief geïnformeerd over de klachtenprocedure. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek en inzage in de klachten en klachtenafhandeling. Artikel 10. Medezeggenschap bij aanbieders 1. Aanbieders van de individuele voorzieningen stellen een regeling vast voor de medezeggenschap over voorgenomen besluiten die voor de jeugdigen van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 11. Betrekken van ingezetenen bij beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.

Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de

agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel 12. Hardheidsclausule Het college kan in individuele gevallen ten gunste van de jeugdige onderbouwd afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 13. Intrekking en inwerkingtreding 1. Gelijktijdig met het inwerking treden van deze verordening wordt de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 ingetrokken. 2. Een jeugdige houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp 2023 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening jeugdhulp 2026 gemeente Epe. Epe, 9 juli 2026 De raad voornoemd, de voorzitter,

de griffier,

dhr. dr. T.C.M. Horn

mw. J.T.J.J. van Zwam

Bijlage 1 Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Onderstaand levensloopmodel uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJI, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.

Leeftijd

Belangrijkste milieus

Ontwikkelings-taken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

0 – 2 jaar

- Gezin

- Veilige hechting;

- Soepele verzorging;

- Opvang

- Lichaamsbeheer-sing;

- Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind;

- Voedingsproblemen;

- Expolratie & spelen; - Autonomie en individuatie

- Letterlijk beschikbaar zijn; - Structuur bieden; - Ruimte geven voor exploratie;

- Slaap-problemen; - Scheidings-angst; - Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; - Incidenteel huilen.

- Spelen en praten; - Ontwikkeling stimuleren.

2 – 4 jaar

- Gezin - Buurt - Opvang - Media

- Representationele vaardigheid; - Taalvaardigheid en denkontwikkeling; - Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); - Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; - Socialisatie;

- Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren);

- Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties;

- Respect voor autonomie én grenzen stellen;

- Driftbuien;

- Bevorderen zelfsturing (impulscontrole).

- Koppigheid;

- Agressie; - Ongehoorzaamheid; - Druk gedrag;

- Zelfredzaamheid;

- Niet zindelijk zijn;

- Sekserol-identificatie

- Zeuren/

driftbuien om beeldschermgebruik.

4 – 6 jaar

- Gezin - Basisschool - Opvang -Verenigingen - Mediaomgeving

- Schoolse vaardigheden;

- Aanmoedigen sociaal gedrag;

- Niet gegronde angsten;

- Taal- en denkontwikkeling;

- Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes;

- Ruzies met leeftijdgenoten;

- Executieve vaardigheden (zelfsturing); - Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; - Vriendschappen sluiten; - Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamte- gevoelens; - Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen).

6 – 12 jaar

- Gezin - Opvang

- Vergroten zelfstandigheid;

- Peergroep

- Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media);

- Mediaomgeving

- Schoolse vaardigheden;

- School - Verenigingen

- Internet en sociale media vaardigheden; - Acceptatie door leeftijdgenoten; - Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen.

- Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;

- Zindelijkheid; - School-weigering; - Gebrek zelfsturing.

- Mediaopvoeding; - Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); - Loslaten en vertrouwen geven.

- Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); - Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); - Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; - Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; - Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties.

- Ruzies, pesten; - Concentratie problemen; - Laag prestatieniveau; - Niet naar school willen; - Incidenteel stelen of vandalisme; - Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; - Cyberpesten.

12 – 16 jaar

- Gezin - School - Verenigingen - Peergroep - Mediaomgeving - Werkkring

- Emotionele en praktische zelfstandigheid; - Ontwikkeling waardensysteem; - Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; - Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden;

- Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; - Toezicht houden; - Emotionele beschikbaarheid; - Tolerantie voor experimenten;

- Seksualiteit;

- leeftijds-adequaat structuur bieden en grenzen stellen;

- Omgang met sociale media en gevaren onderkennen;

- Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.

- Onderwijs en beroepsvoorbereiding.

16 – 23 jaar

- Gezin - School - Verenigingen - Peergroep - Internet-groep - Werkkring

- Overgang van jeugd naar volwassenheid; - Loskomen van ouderlijk gezag; - Ontwikkeling eigen waarden en normen; - Onafhankelijk-heid; - Duurzame relaties aangaan.

- Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; - Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; - Wisselend humeur; - Incidenteel spijbelen; - Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; - Twijfels over identiteit of toekomst; - Problemen met autoriteiten; - Overmatig gamen/mediagebruik , cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).

- Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; - Emotionele, financiële en praktische steun; - Eigen keuzes en beslissingen laten maken; - Accepteren seksuele keuzes.

- Stemmingswisselingen; - Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; - Twijfels over identiteit of toekomst; - Problemen met autoriteiten.

Toelichting Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Het doel van het jeugdhulpstelsel is dat jeugdigen en ouder(s)/verzorger(s) waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp krijgen, met als beoogd doel de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: 1. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp) voorzieningen; 2. met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; 3. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; 4. over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; 5. voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; 6. over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en; 7.

ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een informele hulp, bijvoorbeeld een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Het persoonsgebonden budget wordt nader uitgewerkt in artikel 3 en 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17068597/1