Bijlage 1 - Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Epe 2026 definitief
Tekst van het document
Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor maatschappelijke opvang Dit artikel beschrijft de voorwaarden waaronder een inwoner in aanmerking kan komen voor maatschappelijke opvang. Maatschappelijke opvang is bedoeld voor inwoners die feitelijk dakloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Naast feitelijke dakloosheid moet sprake zijn van beperkte zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden, zoals wonen, financiën, psychisch functioneren of sociaal functioneren. Tevens mag de inwoner niet beschikken over reële alternatieven om de dakloosheid op te heffen. Het college draagt zorg voor algemene voorzieningen in de vorm van dag- en nachtopvang. Daarbij wordt uitvoering gegeven aan het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang, zodat opvang toegankelijk is ongeacht de herkomstgemeente. Na toelating tot de maatschappelijke opvang wordt van de deelnemer verwacht dat deze zo spoedig mogelijk deelneemt aan een begeleidingstraject dat gericht is op zelfredzaamheid,
participatie en uitstroom uit de opvang. Indien de deelnemer zonder gegronde reden weigert mee te werken aan dit traject, kan het college de toegang tot maatschappelijke opvang weigeren. Hiermee wordt benadrukt dat opvang niet vrijblijvend is, maar gericht op herstel en doorstroom.
Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor beschermd wonen Dit artikel regelt de toegang tot voorzieningen voor beschermd wonen en beschermd thuis. Het college sluit hierbij aan bij het vastgestelde beleid en de verordening van de aangewezen centrumgemeente, aangezien beschermd wonen regionaal is georganiseerd. Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners met complexe psychosociale en/of psychiatrische problematiek die niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving en voor wie ambulante ondersteuning onvoldoende is. De voorziening is gericht op het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of gevaar voor de inwoner of zijn omgeving. Het artikel maakt onderscheid tussen verschillende vormen van beschermd wonen, waaronder klassiek beschermd wonen, beschermd thuis (scheiden van wonen en ondersteuning) en tussenvormen. Deze varianten sluiten aan bij landelijke ontwikkelingen en bieden ruimte voor maatwerk. Daarnaast kan tijdelijk intramuraal verblijf worden ingezet wanneer ambulante ondersteuning vanuit een beschermde woonomgeving onvoldoende is en de leefsituatie instabiel is geworden. Van inwoners wordt verwacht dat zij meewerken aan het ondersteuningstraject. Ernstige misdragingen of het structureel weigeren van medewerking kunnen leiden tot weigering of intrekking van de voorziening.
Artikel 3.7 Aanvullende criteria voor woningaanpassing Dit artikel bevat aanvullende voorwaarden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing. Uitgangspunt is dat de inwoner aantoonbare beperkingen ervaart bij het normale gebruik van de woning en dat eerst is onderzocht of verhuizen mogelijk of goedkoper is. Een woningaanpassing wordt alleen verstrekt indien de inwoner vooraf toestemming heeft gekregen van het college en alle benodigde vergunningen zijn verleend. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf voorzieningen moeten worden beoordeeld die al zijn gerealiseerd. Daarnaast moet het gaan om een woning voor permanente bewoning waarin de inwoner zijn of haar hoofdverblijf heeft. De bepalingen dragen bij aan een zorgvuldige beoordeling en doelmatige inzet van publieke middelen. Dit artikel bevat ook aanvullende voorwaarden voor het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning.
Een financiële tegemoetkoming wordt alleen verstrekt indien de bezoeker in een Wlz instelling woont, de aan te passen woning regelmatig bezoekt en in de gemeente Epe staat en er niet eerder een woning bezoekbaar is gemaakt voor de bezoeker. De bepalingen dragen bij aan de participatie van de betrokkene en zorgen voor een zorgvuldige beoordeling en doelmatige inzet van publieke middelen.
Artikel 3.8 Aanvullende criteria voor lokaal verplaatsen Dit artikel geeft nadere invulling aan de vervoersvoorzieningen binnen de Wmo. De vervoersbehoefte wordt beperkt tot verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, passend bij het leven van alledag, met een maximum aantal kilometers per jaar. De gemeente kan een individuele vervoersvoorziening verstrekken wanneer deze noodzakelijk is ter vervanging van de loop- of fietsfunctie. Daarbij gelden voorwaarden ten aanzien van veiligheid, zelfstandigheid en de beschikbaarheid van een brandveilige stalling. Het artikel regelt tevens de verhouding tussen individuele vervoersvoorzieningen en collectief vervoer. Wanneer een inwoner naast een hulpmiddel ook gebruik kan maken van collectief vervoer, wordt het aantal kilometers hierop afgestemd. In bijzondere situaties kan gemotiveerd worden afgeweken van de standaardkilometers.
Artikel 3.8.1 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer De Wet maatschappelijke ondersteuning gaat er vanuit dat inwoners in eerste instantie zelf zaken in gang zet om in de verplaatsingsbehoefte te kunnen voorzien. Dat kunnen oplossingen zijn die een cliënt daadwerkelijk zelf kan uitvoeren (auto, fiets, lopen), of een andere oplossing tot welke een cliënt zich kan melden of zelf kan activeren. Denk bijvoorbeeld aan het openbaar vervoer, vrijwilligersinitiatieven of buren, vrienden en familie. Indien dit niet of niet altijd lukt als gevolg van een beperking of handicap, kunnen cliënten met een Wmo indicatie aanspraak maken op Wmo vervoer. We maken hier een onderscheid tussen enerzijds reizen op afroep (Wmo-taxi) en anderzijds collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer). Reizen op afroep -
Het reizen op afroep is alleen bedoeld voor cliënten die hun eigen vervoer niet meer zelfstandig of met hulp van familie of vrienden kunnen organiseren. Daar is bijvoorbeeld sprake van als iemand vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer kan reizen met het openbaar vervoer. Daarom kunnen cliënten alleen gebruik maken van reizen op afroep met een door de gemeente geïndiceerde Wmo-vervoerspas.
-
-
-
Het reizen op afroep is bedoeld voor sociaalrecreatief vervoer, zoals het bezoek van familie/vrienden, winkelen of het reizen naar een vereniging. Reizen naar werk, school, het bezoek van een huisarts of ziekenhuis (anders dan ziekenbezoek) zijn niet toegestaan. Voor reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd dat bestaat uit een opstaptarief en een kilometerbijdrage. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het lokale vervoer en het bovenlokale vervoer. In dit artikel worden hiervan de kaders weergegeven met daarbij de uitzonderingssituaties. In bijlage 2 staan de tarieven vermeld. Jaarlijks indexeert het college de tarieven voor het reizen op afroep op basis van de landelijke tarieven index (LTA) en publiceert deze op de gemeentelijke website en in het gemeentenieuws. Cliënten met een Wmo-vervoerspas kunnen vanaf 2022 maximaal 1500 kilometer per jaar met korting reizen. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat in beginsel 1500 kilometer op jaarbasis voldoende toereikend wordt geacht om Wmo pashouders in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. In uitzonderlijke gevallen kan het college na onderzoek verricht te hebben dit kilometerbudget verhogen. Collectief trajectvervoer
-
Van het collectief trajectvervoer wordt gebruik gemaakt wanneer cliënten niet zelfstandig kunnen reizen naar geïndiceerde maatwerkvoorzieningen en als gevolg hiervan een indicatie hebben toegewezen voor vervoer van en naar een zorginstelling of behandelingslocatie. Het betreft hier bijvoorbeeld dagbesteding en vervoer vanuit de Jeugdwet. Cliënten met een gemeentelijke indicatie voor vervoer van en naar een maatwerkvoorziening betalen geen ritbijdrage en kunnen reizen zonder Wmo-vervoerspas.
Artikel 3.8.2 Aanvullende criteria rolstoel Dit artikel bevat aanvullende criteria voor het in aanmerking komen voor een rolstoel als maatwerkvoorziening. Deze criteria verduidelijken wanneer sprake is van een zodanige beperking in de mobiliteit dat een rolstoel noodzakelijk kan zijn. De criteria zijn gericht op inwoners die op medische gronden beperkt zijn in het zich verplaatsen in en om de woning en die onvoldoende gebruik kunnen maken van een loophulpmiddel, zoals een wandelstok of rollator. Daarbij wordt gekeken naar zowel de duur als de ernst van de beperkingen. Door te werken met concrete maatstaven, zoals de maximale loopafstand en de tijd dat iemand zich met een loophulpmiddel kan verplaatsen, wordt het college in staat gesteld om de ondersteuningsvraag objectief en consistent te beoordelen. Daarnaast is vastgelegd dat de beperkingen langdurend van aard moeten zijn. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een rolstoel wordt verstrekt bij tijdelijke beperkingen, waarvoor andere oplossingen meer passend zijn.
Deze aanvullende criteria laten onverlet dat het college steeds een individuele beoordeling maakt, waarbij ook andere relevante omstandigheden van de inwoner worden betrokken en wordt bezien of de rolstoel een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie.
Artikel 3.9 Aanvullende criteria voor begeleiding Dit artikel beschrijft wanneer een inwoner in aanmerking kan komen voor begeleiding individueel. Begeleiding is bedoeld voor inwoners die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en participatie in het dagelijks leven. Er moet sprake zijn van een ondersteuningsbehoefte die professionele inzet vereist, bijvoorbeeld vanwege psychosociale, psychiatrische of lichamelijke problematiek. De ondersteuning kan gericht zijn op het aanleren, behouden of vergroten van vaardigheden, of op het monitoren van resultaten.
Artikel 3.9.1 Aanvullende criteria voor begeleidng groep en dagbesteding Dit artikel regelt de toegang tot begeleiding in groepsverband en dagbesteding. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor inwoners met een beperking die niet in staat zijn zelfstandig deel te nemen aan arbeid, vrijwilligerswerk of buurtvoorzieningen. Begeleiding groep en dagbesteding vinden plaats in groepsverband op een locatie buiten de woning en zijn gericht op onder meer het bieden van structuur, het bevorderen van zelfredzaamheid, het ontlasten van mantelzorgers en het tegengaan van eenzaamheid.
Artikel 3.10 Primaat van verhuizing Dit artikel beschrijft dat de ‘Toekomstbestendig Wonen Lening’ de ‘Toekomstbestendig Wonen Verzilverlening’ en de ‘Toekomstbestendig Wonen Maatwerklening’ als bedoeld in de Verordening Toekomstbestendig Wonen Gelderland 2022, gemeente Epe aangemerkt worden als voorliggende voorzieningen. Verder beschrijft dit artikel het primaat van verhuizing bij woonvoorzieningen. Wanneer de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000,-, wordt in beginsel onderzocht of verhuizen naar een geschikte woning een adequatere en doelmatigere oplossing is. Indien de kosten lager zijn, kan het primaat van verhuizing buiten toepassing blijven, mits de aanpassing naar verwachting voor meerdere jaren een passende oplossing biedt. Bij de afweging worden diverse persoonlijke, sociale en financiële factoren betrokken, waaronder mantelzorg, woonlasten, beschikbaarheid van geschikte woningen en de wens van de inwoner.
Wanneer het primaat van verhuizing wordt toegepast, kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.
Hoofdstuk 4: Kwaliteit Artikel 4.1 Kwaliteitseisen Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. De gemeente Epe stelt eisen aan de aanbieders. Deze worden in de verordening beschreven evenals in de raamovereenkomst (contract voor inkoop van zorg bij aanbieders).
De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit Het college kan de uitvoering, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich meebrengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd.
In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken.
Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag. Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het
college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden.
Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Vierde lid Dit lid is opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Vijfde lid Dit lid is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde een overeenkomst wordt aangegaan. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een individuele maatwerkvoorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college.
NB Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is in werking getreden per 1 juni 2017. Het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 8 van de verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningbeslissing). Op bestaande overeenkomsten is het oude recht van toepassing, tenzij die overeenkomst eenzijdig wordt verlengd. Dit zal met name spelen bij een in de overeenkomst opgenomen beding tot eenzijdige en ongewijzigde verlenging. Na de inwerkingtreding van het besluit kunnen deze bestaande overeenkomsten alleen worden voortgezet indien zij passen binnen het kader van artikel 5.4.
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming Artikel 5.1 Regels voor een pgb Eerste lid Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b Wmo). Met behoud van de motivering wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).
Artikel 5.2 Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst Eerste t/m vierde lid De gemeente maakt onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert, te weten formele en informele hulp. Beide vormen worden hier uitgelegd. Tevens wordt in het vijfde lid aangeven wanneer de mogelijkheid bestaat om informele hulp in te zetten. Vijfde lid Het zesde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen
van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo). De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod in natura. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen individuele maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend.
De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op 85% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequaat compenserende door het college ingekochte individuele maatwerkvoorziening in natura.
Artikel 5.3 Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst Dit artikel geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor maatwerkvoozieningen niet zijnde een dienst.
Artikel 5.4 Pgb-vaardigheden budgethouder De inwoner moet in staat zijn tot redelijke waardering van belangen en moet instaat zijn de taken die aan het pgb verbonden zijn te kunnen uitvoeren. Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de inwoner vast te stellen.
Artikel 5.5 Financiële tegemoetkoming rolstoel Dit artikel gaat over een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf en het onderhoud van een rolstoel. Voor handbewogen en elektrische rolstoelen wordt uitgegaan van de laagste prijs van een rolstoel die passend is bij de situatie van de inwoner. Het college bepaalt deze prijs op basis van een vastgestelde offerte. Voor incidentele rolstoelen geldt een maximumbedrag. Het maximumbedrag is een maximum en geen vast recht. Als een passende rolstoel goedkoper is dan dit bedrag, krijgt de inwoner een tegemoetkoming ter hoogte van de lagere kosten. Met deze regeling zorgt de gemeente voor een passende en doelmatige ondersteuning.
Artikel 5.6 Financiële tegemoetkoming sportrolstoel Dit artikel regelt de verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel als hulpmiddel om maatschappelijke participatie via sport mogelijk te maken. De sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt wanneer de inwoner door een beperking niet in staat is om zonder dit hulpmiddel te sporten of op een andere wijze op een aanvaardbaar niveau te participeren. De inwoner moet aantonen dat sprake is van actieve sportbeoefening en dat het niet gaat om topsport of sport op hoog niveau. De tegemoetkoming is bedoeld voor sportbeoefening in recreatief of competitief verband en ziet uitsluitend op de meerkosten die voortvloeien uit de beperking. Voor zowel een handbewogen als een elektrische sportrolstoel geldt een maximale tegemoetkoming, zoals opgenomen in bijlage 2. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode kunnen onderhoudskosten worden vergoed, mits de voorziening technisch is gekeurd en goedgekeurd door of namens het college. Hiermee wordt geborgd dat de voorziening veilig en doelmatig wordt gebruikt. Artikel 5.7 Financiële tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten Dit artikel regelt de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als onderdeel van het primaat van verhuizen.
De tegemoetkoming wordt verstrekt wanneer verhuizen de goedkoopst adequaat compenserende voorziening is om de beperkingen van de inwoner op te heffen of te verminderen. De tegemoetkoming bestaat uit een vast bedrag dat is opgenomen in bijlage 2. Door te werken met een vast bedrag wordt uitvoeringstechnisch eenvoud geboden en is vooraf duidelijk welke bijdrage de inwoner kan verwachten. In het tweede lid zijn situaties opgenomen waarin de tegemoetkoming wordt geweigerd. Deze weigeringsgronden zijn bedoeld om te voorkomen dat de tegemoetkoming wordt ingezet in
situaties waarin de verhuizing niet bijdraagt aan het verminderen van de beperkingen, waarin sprake is van een niet-passende woning of waarin de kosten als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook is uitgesloten dat een tegemoetkoming wordt verstrekt bij verhuizing naar een Wlz-instelling of vanuit een reeds geschikte woning. Hiermee wordt geborgd dat publieke middelen doelmatig en rechtmatig worden ingezet.
Hoofdstuk 6: Bijdragen en tarieven maatwerkvoorzieningen Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen De Wmo maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en individuele maatwerkvoorzieningen. In dit onderdeel wordt geregeld dat wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen, de hoogte van de eigen bijdrage wordt geregeld in de desbetreffende wetsbepalingen (artikel 2.1.4, 3e lid Wmo 2015 (algemene voorzieningen) en 2.1.4a, 4e lid, Wmo 2015 (maatwerkvoorzieningen). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening. De wet maakt een uitzondering voor het collectief vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. Het collectief vervoer valt niet onder het abonnementstarief, maar de gemeente kan ervoor kiezen het wel onder te brengen onder het abonnementstarief. De gemeente kan ervoor kiezen om bepaalde maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen vrij te stellen van een eigen bijdrage. Voorts kan de gemeente ervoor kiezen om bepaalde inkomenscategorieën vrij te stellen van een eigen bijdrage.
Ook kan de gemeente ervoor kiezen om de eigen bijdrage voor alle inwoners neerwaarts bij te stellen. De eigen bijdrage geldt niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor die groep is de eigen bijdrage op nihil vastgesteld (zie het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Uitgezonderd van het abonnementstarief zijn de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiervoor blijven de inkomensafhankelijke eigen bijdragen gelden die door het CAK worden vastgesteld. Sinds 1 januari 2019 is de vermogensinkomensbijtelling naar beneden bijgesteld van 8% naar 4%. Artikel 4 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef, van de Wmo geboden mogelijk om de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend vast te stellen (eerste lid). Ook wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet geboden mogelijk om te bepalen dat voor bepaalde groepen een korting op de bijdrage van toepassing is (tweede lid). De hoogte van de bijdragen wordt jaarlijks geïndexeerd
op basis van de Prijsontwikkeling BBP en prijsmutatie overheidsconsumptie lonen en salarissen die gepubliceerd worden door het Centraal Plan Bureau. Verder ligt het voor de hand dat daarnaast met de aanbieders afgesproken wordt dat inwoners, voordat zij gebruik maken van een algemene voorziening, op de hoogte worden gesteld van de bijdrage die zij daarvoor verschuldigd zullen zijn. Artikel 4 geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo.
Artikel 6.2 Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De gemeente moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening opnemen. De gemeente kan er ook voor kiezen om bepaalde algemene voorzieningen wel onder het abonnementstarief te laten vallen. Daarbij zal de afweging moeten worden gemaakt of de kosten van het abonnementstarief niet te hoog zijn als de inwoner alleen gebruik maakt van de algemene voorziening. Ook bij algemene voorzieningen kan de gemeente ervoor kiezen om voor bepaalde inkomensgroepen een lagere eigen bijdrage te bepalen. Het is van belang dat voor het gebruik van algemene voorzieningen zo min mogelijk financiële drempels worden opgeworpen. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in artikel 6.3 van de verordening.
In artikel 6.3 lid 2 van de verordening is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom. Het is van belang dat de eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de inwoner van de voorziening gebruik maakt.
Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs De hoogte van de bijdragen wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. Het college draagt er zorg voor dat de nieuwe bedragen voor iedereen kenbaar kunnen zijn. De wijze waarop is vrij, als de kenbaarheid maar in redelijkheid verzekerd is. Gedacht kan worden aan publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad, op de gemeentelijke website en/of in een lokaal dagblad, via redactionele aanpassing van de verordening in de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (onderdeel van www.overheid.nl) en/of door het beschikbaar stellen van een flyer.
Artikel 6.4 Waardering mantelzorger Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De verordening moet in ieder geval voorzien in een procedure die waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. Het gaat om mantelzorgers van cliënten in de gemeente Epe. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een inwoner als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, individuele maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de inwoner bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Eerste lid Het komt erop neer dat – met inachtneming van het bovenstaande – mantelzorgers van inwoners in de gemeente via een melding bij het college in aanmerking kunnen worden gebracht voor de jaarlijkse blijk van waardering. Derde lid Ten aanzien van de meldingsprocedure kan het college nadere regels stellen.
Hoofdstuk 7: Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Eerste lid Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen individuele maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de inwoner en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Derde lid Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte individuele maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om individuele maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten individuele maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten individuele maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ Zesde lid Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de bevoegdheden van de toezichthoudend ambtenaar. Zevende lid Dit gaat over situaties waarin een voorziening is toegekend op basis van onjuiste of onvolledige informatie van de inwoner. Als achteraf blijkt dat de gemeente een andere beslissing zou hebben genomen wanneer de juiste gegevens bekend waren geweest, kan het besluit tot verstrekking van de voorziening worden herzien of ingetrokken. Dit voorkomt misbruik of oneigenlijk gebruik. Achtste lid Wanneer een voorziening is ingetrokken of herzien, kan de gemeente de al verstrekte voorziening of de daaraan verbonden kosten terugvorderen. Dit betekent dat de inwoner (of diens vertegenwoordiger) verplicht is de waarde of kosten van de ten onrechte ontvangen voorziening terug te betalen. Hiermee wordt zorgvuldig omgegaan met publieke middelen en wordt rechtsgelijkheid geborgd.
Negende lid Als de inwoner de terugbetaling volledig heeft voldaan, moet het college dit doorgeven aan het CAK (Centraal Administratie Kantoor), voor zover dit van toepassing is. Het CAK is verantwoordelijk voor het innen van de eigen bijdragen die cliënten moeten betalen. Zodra de terugvordering is afgerond, kan het CAK de berekening van de eigen bijdrage corrigeren, zodat de inwoner niet langer te veel betaalt.
Artikel 7.2 Rechtmatigheid en doelmatigheid Dit artikel geeft invulling aan de verantwoordelijkheid van het college om te zorgen voor een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende inzet van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen en tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude. Het college treft hiertoe passende maatregelen gedurende de gehele keten van besluitvorming en uitvoering: bij de toegang tot voorzieningen, tijdens de looptijd van indicaties en bij de verantwoording en betaling. Deze maatregelen zijn erop gericht om te waarborgen dat ondersteuning daadwerkelijk wordt ingezet voor het doel waarvoor deze is verstrekt en dat publieke middelen zorgvuldig worden besteed. Het artikel benoemt een niet-limitatieve opsomming van maatregelen die het college kan inzetten. Zo wordt waar mogelijk samengewerkt met andere organisaties die actief zijn op het terrein van fraudepreventie en handhaving in de zorg. Door deze samenwerking kan kennis worden gedeeld en kunnen signalen van oneigenlijk gebruik tijdig worden opgepakt. Daarnaast kan het college onderzoek verrichten bij aanbieders met wie een subsidie- of contractrelatie bestaat. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd door het college zelf of door derden en is gericht op het toetsen van rechtmatigheid, doelmatigheid en naleving van gemaakte afspraken.
Met aanbieders worden afspraken gemaakt over facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles. Deze afspraken dragen eraan bij dat declaraties en betalingen aansluiten bij de overeengekomen prestaties en de daadwerkelijk geleverde ondersteuning. Verder kan het college de looptijd van indicaties beperken en periodiek controleren of de indicatie nog passend is. Ook kunnen huisbezoeken en locatiebezoeken plaatsvinden, waarbij door middel van een schouw feitelijk wordt onderzocht hoe de ondersteuning wordt uitgevoerd en hoe deze door inwoners wordt ervaren. Ten aanzien van pgb’s wordt expliciet aandacht besteed aan monitoring van het gebruik en de behaalde resultaten in relatie tot de doelen uit het pgb-plan. Daarbij wordt zowel gekeken naar de besteding van het budget als naar de effectiviteit van de ondersteuning.
Tot slot regelt het artikel dat bij de verstrekking van een pgb een grondige toets aan de voorkant plaatsvindt. Deze toets ziet onder meer op de regiemogelijkheden van de inwoner of diens vertegenwoordiger, de kwaliteit en uitvoerbaarheid van het pgb-plan en de kwaliteit van de in te schakelen hulpverlener. Hiermee wordt beoogd om risico’s op oneigenlijk gebruik en onvoldoende passende ondersteuning zoveel mogelijk vooraf te beperken.
Artikel 7.3 Toezichthouders Dit artikel is gebaseerd op artikel 6.1 Wmo 2015 en artikel 5:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college moet toezichthouders aanwijzen om naleving van de wet en verordening te waarborgen. De genoemde bevoegdheden, zoals het opvragen van dossiers en het betreden van plaatsen (niet zijnde woningen), zijn noodzakelijk voor effectief toezicht en sluiten aan bij de Awb. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden gelden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit: de toezichthouder mag alleen gegevens opvragen of inzage vorderen als dit strikt noodzakelijk is en niet op een minder ingrijpende manier kan worden bereikt. Gegevens moeten zorgvuldig en vertrouwelijk worden behandeld. Op grond van artikel 5:20 Awb is eenieder verplicht medewerking te verlenen, tenzij een wettelijke geheimhoudingsplicht zich daartegen verzet.
Hoofdstuk 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 8.1 Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. Eerste lid In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan.
De gemeente Epe heeft hiervoor een algemene Klachtenregeling Epe 2015 vastgesteld.
Tweede lid In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. In de memorie van toelichting Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).
Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Derde lid In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 8.2 Medezeggenschap bij aanbieders Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
Eerste lid In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van Wmo). Tweede lid In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 8.3 Betrekken van ingezetenen bij beleid In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Tweede en derde lid Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Vierde lid Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Hoofdstuk 9: Overige bepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Dit artikel zal slechts in uitzonderlijke situaties worden getoetst, omdat de verordening het leveren van maatwerk als uitgangspunt heeft.