Bijlage 1 - Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Epe 2026 definitief
Tekst van het document
https://zorgregiomijov.nl/aanbieders/documenten-en-downloads/2026
ondersteuning, zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan en werken conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een geldende methodiek onderdeel is. b. Tevens dient de ZZP’er te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag en over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wmo 2015. c. de zorgverlener die met het pgb wordt ingekocht voor het leveren van de ondersteuning behoort niet tot het sociaal netwerk van de inwoner. Indien een partner, familielid in de eerste of tweedegraads of een ander persoon uit het sociale netwerk zorg of ondersteuning verleent, geldt dit als ondersteuning uit het eigen netwerk. In dat geval wordt het informele pgb-tarief toegepast, ongeacht of die persoon beschikt over een opleiding, diploma of andere beroepskwalificatie. 3. Er is sprake van informele hulp wanneer niet voldaan wordt aan de criteria voor formele hulp zoals hierboven beschreven. 4. Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp middels een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: a. de informele hulp is in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is; b. de belastbaarheid van de informele hulp; er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting; c.
de inwoner en of diens vertegenwoordiger, niet zijnde de aanbieder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; d. het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit; e. de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten. 5. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld tijdens het onderzoek. b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten die tot de individuele maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; de benodigde ondersteuning moet tenminste bij één aanbieder in te kopen zijn; c. wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate compenserende voorziening voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura3; d. wordt voor de informele hulp voor huishoudelijke ondersteuning (schoon huis en regie op een gestructureerd huishouden) een uurtarief van maximaal € 17,50,vergoed.
3
https://zorgregiomijov.nl/aanbieders/documenten-en-downloads/2026
e. wordt voor de informele hulp voor begeleiding en persoonlijke verzorging een uurtarief van maximaal € 20,- vergoed. In afwijking van het gestelde in het vijfde lid, onder b, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate compenserende voorziening vergoed als uit het onderzoek is gebleken dat de inwoner een andere vorm van ondersteuning nodig heeft dan het college in natura heeft ingekocht. f. Indien werkgeverlasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd. Artikel 5.3 Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst 1. De maximale hoogte van een pgb voor maatwerkvoorzieningen niet zijnde een dienst wordt
vastgesteld op basis van de aanschafprijs van de goedkoopst adequaat compenserende voorziening die het college in natura zou verstrekken. 2. Het bedrijf waar de inwoner de maatwerkvoorziening koopt moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en aangesloten zijn bij het Nationaal Keurmerk Hulpmiddelen. 3. De maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst kan niet van een particulier gekocht worden. 4. De hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst wordt vastgesteld voor: a. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van de -op het moment van aanvraag geldende gangbare kilometervergoeding of het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de inwoner gelegen passende dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die belemmerend zijn voor inwoner bij het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer.; b. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief; c. een vervoershulpmiddel (niet zijnde een rolstoel): op basis van de laagste kostprijs van het voor de inwoner noodzakelijke en passend geachte vervoershulpmiddel, zoals dit in natura zou worden verstrekt; d. een rolstoel: op basis van de laagste kostprijs van de door de inwoner noodzakelijke en passend geachte rolstoel, zoals deze zou worden verstrekt in natura; e.
een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassing, blijkend uit een door het college geaccepteerde offerte. f. een woonvoorziening: op basis van goedkoopst adequaat compenserende voorziening van een door het college geaccepteerde offerte of een bouwkundig calculatiebureau; g. onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingkosten) van materiële voorzieningen: hiervoor dient de inwoner een onderhoudscontract af te sluiten voor de duur van 7 jaar. Het maximale jaarlijkse bedrag voor onderhoud voor niet elektrische voorzieningen bedraagt niet meer dan 5% van de aanschafwaarde en voor elektrische voorzieningen niet meer dan 7% van de aanschafwaarde. Het maximale bedrag voor verzekering bedraagt niet meer dan de goedkoopste passende WA-verzekering. De gemeente kan voor de beoordeling een tegenofferte opvragen.
4. Indien de inwoner een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is: a. wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb; b. wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb, het pgb voor onderhoud, reparatie en indien verplicht een WA-verzekering voor de nog niet verstreken termijn verrekend met het nieuw toe te kennen bedrag. Artikel 5.4 Pgb-vaardigheden budgethouder Om aan de voorwaarden van een pgb te voldoen, moet de inwoner een beoogd budgethouder hebben of zelf in staat zijn tot het beheren van het budget. Dit kan iemand zijn uit het sociale netwerk of met behulp van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde. De budgethouder: 1. Heeft overzicht over zijn of haar eigen situatie en die van de zorgvrager; 2. Heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag; 3. Is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of weet dit zelf (online) te vinden; 4. Ziet erop toe dat de persoon die met het pgb wordt betaald beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). De VOG is bij aanvang van de zorgovereenkomst niet ouder dan drie maanden en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, en toont aan dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van de betreffende werkzaamheden. Voor ouder(s) geldt deze verplichting niet. 5.
Is in staat om zelf een overzichtelijke administratie bij te houden, die inzicht geeft in de besteding van het pgb; 6. Is voldoende vaardig om in het Nederlands te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar/zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverleners. 7. Is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen. 8. Is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en dit te verantwoorden aan het college; 9. Kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; 10. Is in staat om de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg kan doorgaan bij ziekte en verlof; 11. Is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; 12. Heeft voldoende (juridische) kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet waar deze kennis te vinden is.
Artikel 5.5 Financiële tegemoetkoming incidentele rolstoel 1. Voor de aanschaf en onderhoud van een rolstoel voor incidenteel gebruik geldt een maximumbedrag in de vorm van een financiële tegemoetkoming zoals is opgenomen in bijlage 2.
Artikel 5.6 Financiële tegemoetkoming sportrolstoel 1. Het hulpmiddel wordt alleen verstrekt als: a. de inwoner door een beperking niet op een andere wijze of op een aanvaardbaar niveau kan participeren en daarnaast niet kan sporten zonder een (aangepaste) sportrolstoel; b. de inwoner in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel op een verplaatsingsmiddel; c. het beoefenen van de sport uitsluitend mogelijk is met een aan de beperking aangepaste/aanpasbare sportrolstoel, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. de inwoner moet aantonen dat sprake is van een actieve sportbeoefening. Hiervan is sprake wanneer de inwoner wekelijks minimaal 1 keer sport; e. het niet om topsport gaat, geldt alleen voor recreatieve doeleinden f. er sprake is van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. 2. Voor de verstrekking van een handbewogen sportrolstoel geldt een financiële tegemoetkoming waarbij een maximumbedrag wordt gehanteerd zoals is opgenomen in bijlage 2. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode worden onderhoudskosten vergoed indien de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd. 3. Voor de verstrekking van een elektrische sportrolstoel geldt een financiële tegemoetkoming waarbij een maximumbedrag wordt gehanteerd zoals is opgenomen in bijlage 2.
De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud van een sporthulpmiddel voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode worden onderhoudskosten vergoed, indien de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd. 4. Indien de goedkoopst adequaat compenserende oplossing lager ligt dan het maximumbedrag als opgenomen in bijlage 2, wordt volstaan met een tegemoetkoming ter hoogte van de lagere kosten. Artikel 5.7 Financiële tegemoetkoming verhuis- en richtingskosten 1. Er wordt een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend indien dit de goedkoopst adequaat compenserende voorziening is. De tegemoetkoming bestaat uit een vast bedrag, zoals opgenomen in bijlage 2. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.9 wordt een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten geweigerd indien:
a. inwoner verhuist naar een woning die niet bestemd is voor permanente bewoning; b. inwoner niet is verhuisd naar de voor hem op dat moment meest geschikte en beschikbare woning; c. de verhuizing niet bijdraagt aan het opheffen of verminderen van de beperkingen; d. inwoner verhuist naar een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg. Voor het bezoekbaar maken van een woning bij verblijf in een Wlz instelling kan wel een financiële tegemoetkoming verstrekt worden. Deze wordt vastgesteld op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college geaccepteerde offerte en rekening houdend met de keuze van de inwoner om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Hierbij geldt een maximum bedrag zoals is opgenomen in bijlage 2); e. inwoner verhuist vanuit een geschikte woning naar een niet geschikte woning; f. de kosten voor het aanpassen van de woning lager zijn dan de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; g. de kosten voor verhuizing en herinrichting voor de inwoner als algemeen gebruikelijk worden beschouwd; h. indien de goedkoopst adequaat compenserende oplossing lager ligt dan het maximum bedrag zoals opgenomen in bijlage 2, wordt volstaan met een tegemoetkoming ter hoogte van de lagere kosten.
Hoofdstuk 6: Bijdragen en tarieven maatwerkvoorzieningen Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening te weten: a. De was- en strijkservice, ter hoogte van € 2,25 per kg was en € 2,10 per stuk strijken tot maximaal € 45,- per huishouden per maand; b. Voor cliënten met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm is de eigen bijdrage voor de was- en strijkservice maximaal € 15,- voor een eenpersoonshuishouden en € 25,- voor een twee- of meerpersoonshuishouden per maand; c. De onder a en b genoemde bedragen in dit artikel zijn uitgedrukt in het meest actuele prijspeil en kan ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd worden aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20. d. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de meest recente bedragen; e. Eventuele onkosten voor het nuttigen van consumptieve goederen en het gebruik van materiaal. Deze kosten mogen niet hoger zijn dan de redelijkerwijs vastgestelde kostprijs van het desbetreffende product.
Daarnaast mag afname van deze producten niet verplicht worden gesteld aan de inwoner die van een desbetreffende algemene voorziening gebruik maakt om zo gedwongen winkelnering te voorkomen.
Artikel 6.2 Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner ouder dan 18 jaar, die een voorziening toegewezen heeft gekregen op basis van de Wmo, is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel pgb. 2. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zolang de inwoner gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de inwoner van deze voorziening gebruik maakt. Deze zijn benoemd in artikel 6.1. 4. De totale bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of verstrekte pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs. Voor deze voorzieningen is de maximale hoogte van de eigen bijdrage te vinden in de desbetreffende wetsbepalingen (artikel 2.1.4, 3e lid Wmo 2015 (algemene voorzieningen) en 2.1.4a, 4e lid, Wmo2015 (maatwerkvoorzieningen). De eigen bijdrage is verschuldigd door de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoners tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of
hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 5. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de eigen bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 6. Indien een individuele maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner en er een eigen bijdrage wordt opgelegd, dan is deze verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijkwetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige/ of minderjarige inwoner. 7. In afwijking van het tweede lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen: a. voor een rolstoel of sportrolstoel; b. voor maatschappelijke opvang; c. voor cliëntondersteuning.
Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs 1. De eigen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 2. De kostprijs voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. Voor de bepaling van de kostprijs van een materiële voorziening wordt bij een gebruikte materiële voorziening rekening gehouden met de afschrijving conform de schema’s in bijlage 2.
Artikel 6.4 Waardering mantelzorger 1. Mantelzorgers van inwoners in de gemeente Epe kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking komen. 2. De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 100,- per inwoner. 3. Het college kan bij nadere regeling vaststellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.
Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd de informatie- en medewerkingsplicht zoals genoemd in artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van: a. een beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 van de wet dan wel; b. een beslissing tot toekenning van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet. 3. Het college kan op grond van artikel 2.3.10 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een beslissing intrekken of herzien. 4. Een beslissing tot verstrekking van een pgb kan na heronderzoek door het college worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. 5.
Het college kan een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken, indien blijkt dat de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt die bij bekendmaking zou hebben geleid tot een andere uitkomst. 6. Als het college een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk heeft ingetrokken of herzien, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 7. Zodra de inwoner aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de terugvordering heeft voldaan, meldt het college dit, wanneer dit van toepassing is, bij het CAK, zodat deze de grondslag van de verschuldigde eigen bijdrage kan corrigeren. 8. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening zonder formele opzegging van de bruikleenovereenkomst worden teruggehaald. 9. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten, als duidelijk is dat de inwoner het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken deze termijn te verlengen.
Artikel 7.2 Rechtmatigheid en doelmatigheid 1. Het college treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
a. Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. Het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Epe onderhouden; c. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; d. Het college beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties; e. Het college bezoekt inwoners en locaties, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning; f. Het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen; g. Het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op: i. de regiemogelijkheden van de inwoner of degene die de inwoner als vertegenwoordiger wenst in te schakelen; ii.
de kwaliteit van de invulling van het door de inwoner te overleggen pgb-plan, mede met het oog op de te bereiken resultaten; iii. de kwaliteit van de door de inwoner in te schakelen hulpverlener. 2. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en rechten doelmatigheid daarvan.
Artikel 7.3 Toezichthouders 1. Het college wijst toezichthouder(s) aan die belast zijn met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen, conform artikel 6.1 Wmo, en de naleving van rechtmatige uitvoering hiervan, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. 3. De aangewezen toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid van het inzien van dossiers; b. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; c. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie/dossiers te vorderen bij de (pgb-)aanbieder;
d. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de inwoner of de vertegenwoordiger van het pgb; e. het vorderen van inzage in een identificatiebewijs; f. inzage van documenten en toegang tot gegevens; g. het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); h. controleren of de (pgb-)aanbieder de verplichtingen uit de beschikking, de inkoopovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft; i. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de inwoner of de vertegenwoordiger van het pgb heeft gesloten of deze voldoen aan de bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; j. controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt uitgevoerd; k. de bevoegdheid om (pgb-)aanbieder te screenen. 4. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Hoofdstuk 8 Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 8.1 Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van inwoners die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders stellen een eigen regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van alle individuele maatwerkvoorzieningen. Inwoners worden tijdens de intake door de aanbieder proactief geïnformeerd over de klachtenprocedure. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek en inzage in de klachten en klachtenafhandeling.
Artikel 8.2 Medezeggenschap bij aanbieders 1. Aanbieders van de maatwerkvoorzieningen stellen een regeling vast voor de medezeggenschap over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 8.3 Betrekken van ingezetenen bij beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 9 Overige bepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Het college kan in individuele gevallen ten gunste van de inwoner onderbouwd afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 9.2 Intrekking en inwerkingtreding 1. Gelijktijdig met het inwerking treden van deze verordening wordt de Verordening Maatschappelijk Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 ingetrokken. 2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
Artikel 9.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Epe 2026.
Epe, 9 juli 2026
De raad voornoemd, de voorzitter,
de griffier,
dhr. dr. T.C.M. Horn
mw. J.T.J.J. van Zwam
Bijlage 1
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Veel algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn te koop in de bouwmarkt of supermarkt. Als algemeen gebruikelijke voorzieningen worden in ieder geval aangemerkt: a. hendelmeng-/thermostaatkranen; b. eenvoudig verkrijgbare badkamer aanpassingen zoals losse toiletverhogers, verhoogde toiletpotten, toiletstoelen, wandbeugels, pakpalen, douchekrukken en douchestoelen; c. zonwering, al dan niet elektrisch; d. airconditioning; e. gebruikskosten van een personenauto/bus; f. automatische transmissie (automaat)/airconditioning/stuurbekrachtiging in de auto; g. inductie- of keramische kookplaat; h. afwasmachine; i. fiets met lage instap; een snor-/bromfiets, brommobiel, een basis rollator, twee en driewielscooter dan wel een fiets met hulpmotor zoals een Spartamet en een fiets met trapondersteuning, inclusief gebruikskosten; j. wasmachine; k. wasdroger; l. centrale verwarming en thermostatische radiatorkranen; m. drempelvoorzieningen tot 10 cm; n. regenkleding/schoot kleed; o. aanpassingen ter vergroting van de veiligheid zoals bijzondere sloten; p. (extra) energiekosten; q. Verhoger voor wasmachine, meubelverhogers of ‘olifantspoten’ (om makkelijk uit de stoel te komen) en een pakpaal; r. Halogeenverlichting voor slechtzienden; s. Mobiele telefoon, computer of tablet.
Bijlage 2
Tarieven Wmo en gemaximeerde bedragen
Algemene voorziening Was en strijkservice
zie hoogte eigen bijdrage in verordening
PGB dienst formeel
Maximaal 85% van de voorziening in zorg in natura
PGB dienst informeel Huishoudelijke ondersteuning
Een uurtarief van maximaal € 17,50,-
Persoonlijke verzorging
Een uurtarief van maximaal € 20,-
Regie op een gestructureerd huishouden
Een uurtarief van maximaal € 17,50,-
Individuele begeleiding (licht en basis)
Een uurtarief van maximaal € 20,-
Logeeropvang/respijtopvang incl. hulpverlening
€ 30,00 per dag
Overige maatwerkvoorzieningen Vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen
Gebaseerd op de goedkoopst adequaat compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing WA verzekering. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaar.
Kindvoorzieningen
Gebaseerd op de goedkoopst adequaat compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing WA verzekering. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 5 jaar. Gebaseerd op het bedrag in de door het college geaccepteerde offerte,
Woningaanpassingen en woonvoorzieningen
indien nodig verhoogd met instandhoudingskosten, kosten van depotbeheer en indien van toepassing verzekering. De gemeente kan een offerte voor een woningaanpassing opvragen bij een onafhankelijk bureau of bedrijf. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaar. Autoaanpassing
Gebaseerd op het bedrag in de door het college geaccepteerde offerte. De gemeente kan een offerte voor een autoaanpassing opvragen bij een onafhankelijk bureau of bedrijf. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaar.
Gemaximeerde bedragen Handbewogen sportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie
€ 2.500,- voor een periode van 3 jaar
Elektrische sportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie
€ 5.000,- voor een periode van 5 jaar
Tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten
€ 2.500,- eenmalig
Bezoekbaar maken woning
€ 5.000,- eenmalig
Rolstoel voor incidenteel gebruik t.b.v. aanschaf, onderhoud en reparatie
€ 300,- voor 5 jaar
Bijlage 3
10 punten pgb-vaardigheid
Toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en is een integratie van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2025 gemeente Epe 2015. De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en zijn/haar sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig het college in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een individuele maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn/haar mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de inwoner, zijn/haar behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn/haar sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn/haar zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een individuele maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Indien de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen individuele maatwerkvoorziening verstrekt of dat deze voorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn/haar bezwaar. De rechter zal toetsen of het college zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het
college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: 1. op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; 2. op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; 3. welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; 4. ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners vereist is; 5. ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; 6.
op welke wijze ingezeten, waaronder inwoners of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; 7. op welke wijze de kostprijs van een individuele maatwerkvoorziening wordt berekend; en 8. op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: • •
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Daarnaast kan het college op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: •
bepalen dat inwoners voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en individuele maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;
•
• •
•
•
de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de inwoner de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de inwoner en zijn/haar echtgenoot/echtgenote; bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; bepalen dat in geval van een minderjarige inwoner die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de inwoner uitoefent; bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie; bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Wmo 2015 al een flink aantal definities kennen die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening, behalve in geval van nieuwe voorzieningen en/of diensten. Algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner, draait het om het beantwoorden van de vraag of de inwoner ook over de voorziening kon beschikken als deze geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kan, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals omschreven bij het begrip ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ in de begripsbepalingen.
Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de inwoner, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de aanvrager.
Hoofdstuk 2: Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een inwoner in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Er is gekozen voor variant B uit de VNG model verordening Wmo In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet Wmo 2015 wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan.
Een hulpvraag kan door of namens de inwoner zowel schriftelijk of mondeling bij het college worden gemeld. Dit kan via de website van de gemeente Epe, bij een organisatie aan wie het college deze taak heeft opgedragen, bij een publieksbalie van de gemeente Epe of via het algemeen telefoonnummer van de gemeente Epe. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Dit is dus het geval in de gemeente Epe. De melding kan ‘door of namens de inwoner’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het tweede lid is met gebruik van het in artikel 1 gedefinieerde begrip ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet en de Participatiewet. In het derde lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook
elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. In Epe is ervoor gekozen om de melding schriftelijk of digitaal te bevestigen. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet Wmo 2015 een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Spoedeisende gevallen zijn situaties waarbij de hulp voor ondersteuning niet uitstelbaar is en veelal noodzakelijk is binnen een zo kort mogelijke termijn (binnen 24 uur). Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke individuele maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon In de begripsbepaling van de Wet Wmo 2015 staat cliëntondersteuning als volgt gedefinieerd: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. In dit artikel wordt benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de inwoner kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort-cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo is bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 2.3 Vooronderzoek Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en de inwoner en diens vertegenwoordiger goed te informeren. Eerste lid In het eerste lid is de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de inwoner om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te
overhandigen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de inwoner bekende gegevens in kaart worden gebracht en inwoners niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Tevens maakt het een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de inwoner worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de inwoner of diens vertegenwoordiger vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek. Het persoonlijk plan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden.
Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat dit plan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een persoonlijk plan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten. Zie verder de toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen. Tweede lid In lid 2 staat dat het college het persoonlijk plan betrekt in het vooronderzoek. Uiteindelijk zal altijd het college moeten oordelen welke ondersteuning zij nodig acht en in welke mate de inwoner en vertegenwoordigers, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde problemen (deels) kunnen oplossen. Een deugdelijk plan, al dan niet opgesteld met ondersteuning van de gemeente, kan deze stap in het proces vergemakkelijken. Het college dient een persoonlijk plan als eerste te betrekken bij het onderzoek; het kan een deugdelijk persoonlijk plan niet zomaar naast zich neerleggen.
Artikel 2.4 Gesprek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen.
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de inwoner of zijn/haar vertegenwoordigers wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de inwoner en diens systeem te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de inwoner thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het gesprek vindt zo mogelijk bij de inwoner thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. Eerste lid Dit lid beschrijft dat het college het onderzoek uitvoert aan de hand van het stappenplan zoals ontwikkeld in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit stappenplan zorgt voor een zorgvuldige en gestructureerde beoordeling van de ondersteuningsvraag. Eerst wordt vastgesteld wat de hulpvraag is en welke beperkingen de inwoner ervaart.
Vervolgens wordt beoordeeld welke ondersteuning nodig is en of deze (gedeeltelijk) kan worden geboden door eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk of voorliggende voorzieningen. Pas als na deze stappen blijkt dat ondersteuning resteert, kan het college een maatwerkvoorziening inzetten. Indien nodig wordt daarbij specifieke deskundigheid betrokken. Tweede lid Dit lid regelt dat het college, wanneer dit nodig is voor een zorgvuldig onderzoek, een onafhankelijke adviesinstantie kan inschakelen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer medische, ergonomische of andere specialistische kennis vereist is om de ondersteuningsvraag goed te kunnen beoordelen. Derde lid Dit lid biedt het college de mogelijkheid om in overleg met de inwoner of diens vertegenwoordiger af te zien van een gesprek. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de situatie voldoende duidelijk is op basis van beschikbare informatie en een gesprek geen toegevoegde waarde heeft. Vierde lid Dit lid geeft aan welke aspecten het college betrekt bij het onderzoek. Het gaat daarbij onder meer om de persoonlijke situatie, behoeften en voorkeuren van de inwoner, de mogelijkheden om op eigen kracht of met hulp van het sociale netwerk zelfredzaam te blijven, de inzet en ondersteuning van mantelzorgers en de beschikbaarheid van algemene of andere voorliggende voorzieningen.
Ook samenwerking met andere domeinen en instanties wordt meegewogen om tot een zo goed mogelijk afgestemde ondersteuning te komen.
Vijfde lid Dit lid bepaalt wat het onderzoek moet opleveren. Het college legt vast wat het doel is van de gevraagde ondersteuning en maakt inzichtelijk of en welke eigen bijdrage de inwoner verschuldigd is op grond van artikel 2.1.4 van de wet. Zesde lid Dit lid regelt de medewerkingsplicht van de inwoner. De inwoner of diens vertegenwoordiger verstrekt de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het onderzoek en waarover deze redelijkerwijs kan beschikken. Daaronder valt in ieder geval het tonen van een geldig identiteitsdocument. Deze verplichting is noodzakelijk om het onderzoek zorgvuldig en rechtmatig te kunnen uitvoeren. Zevende lid Dit lid bepaalt dat het college de inwoner tijdens het gesprek in begrijpelijke bewoordingen informeert over de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en over de gevolgen van deze keuze. Zo kan de inwoner een weloverwogen beslissing nemen. Achtste lid Dit lid verplicht het college om de inwoner te informeren over het verloop van het gesprek, zijn rechten en plichten en de verdere procedure. Dit draagt bij aan transparantie en rechtszekerheid. Negende lid Dit lid regelt dat het college de zorgverlener kan weigeren bij een gesprek, om de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van het onderzoek te waarborgen.
Artikel 2.5 Verslag Dit artikel regelt dat het college de uitkomsten van het onderzoek vastlegt in een schriftelijk verslag, het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan geeft inzicht in de ondersteuningsvraag, de gemaakte afwegingen en de eventueel benodigde ondersteuning. De inwoner ontvangt dit plan zo spoedig mogelijk na het gesprek. De inwoner wordt in de gelegenheid gesteld om het ondersteuningsplan te ondertekenen voor akkoord of voor gezien. Indien de inwoner het niet eens is met (onderdelen van) het plan, kan hij/zij dit gemotiveerd aangeven. Ook kan de inwoner in het ondersteuningsplan kenbaar maken dat hij/zij van mening is in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening. Door het stellen van een termijn voor het retourneren van het ondersteuningsplan wordt geborgd dat het proces voortgang houdt. Indien het ondersteuningsplan niet binnen de gestelde termijn wordt teruggestuurd, kan het college besluiten de melding niet verder in behandeling te nemen.
Artikel 2.6 Aanvraag Dit artikel regelt het moment en de wijze waarop een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden ingediend. Uitgangspunt is dat eerst een zorgvuldig onderzoek plaatsvindt voordat een aanvraag wordt gedaan. Hiermee wordt geborgd dat de aanvraag is gebaseerd op een volledig beeld van de situatie van de inwoner. Indien het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is afgerond, kan de inwoner alsnog een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk worden ingediend door de inwoner zelf of door een gemachtigde of vertegenwoordiger. Om de procedure laagdrempelig te houden, wordt het ondertekende ondersteuningsplan aangemerkt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening, indien daarin een maatwerkvoorziening is opgenomen of de inwoner expliciet heeft aangegeven hiervoor in aanmerking te willen komen. Hierdoor is het niet nodig om een afzonderlijke aanvraag in te dienen.
Artikel 2.7 Beschikking Indien de inwoner een formele aanvraag bij het college indient of een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb kan worden ingediend. Uitgangspunt van de wet is dat de inwoner een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Vijfde lid Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de inwoner. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. De ouderbijdrage is begin 2017 definitief uit de Jeugdwet geschrapt. Voor een individuele voorziening die in het kader van de Jeugdwet wordt verstrekt, wordt dus geen meer ouderbijdrage geheven.
Artikel 2.8 Passend beschikken Met passend beschikken bedoelt het college dat de maatwerkvoorziening die aan een inwoner wordt toegekend goed past bij zijn of haar hulpvraag en situatie. Dat betekent dat bij het vaststellen van een beschikking niet alleen wordt gekeken naar de soort hulp, maar ook naar hoe lang en op welke manier die hulp nodig is. Door hier meer flexibiliteit in te geven, kan onnodige belasting voor zowel de inwoner als de gemeente worden voorkomen, zoals herhaalde herindicaties als er geen verandering in de situatie is.
Hoofdstuk 3: Criteria maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria (ook wel voorwaarden voor toekenning) het college kan vaststellen of een inwoner voor een individuele maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting Wmo op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een individuele maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke individuele maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een individuele maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Voorbeelden (niet limitatief) van wettelijk voorliggende voorzieningen zijn de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz).
Artikel 3.2 Weigeringsgronden Dit artikel bevat de algemene en specifieke gronden waarop het college een maatwerkvoorziening kan weigeren. Deze gronden vloeien voort uit de Wmo 2015 en vaste jurisprudentie en dienen ter afbakening van de compensatieplicht. De weigeringsgronden maken duidelijk dat geen voorziening wordt verstrekt indien de beperking kan worden opgelost met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, algemene voorzieningen of indien sprake is van voorliggende wetgeving. Ook wordt voorkomen dat voorzieningen worden verstrekt die onveilig zijn, therapeutisch van aard zijn of reeds zijn gerealiseerd zonder toestemming.
Vijfde lid Voor woonvoorzieningen zijn aanvullende weigeringsgronden opgenomen, onder meer bij achterstallig onderhoud, niet-permanente bewoning of situaties waarin de inwoner zelf een ongeschikte woning heeft gekozen. Hiermee wordt een zorgvuldige en doelmatige inzet van publieke middelen gewaarborgd. Met de bepaling van onderdeel a wordt bedoeld dat het college geen woonvoorziening verstrekt wanneer de noodzaak voor aanpassing voortkomt uit de staat van onderhoud van de woning of uit de keuze voor bepaalde materialen in de woning. Het gaat hierbij om situaties die tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner behoren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand klachten ervaart door het gebruik van bepaalde materialen in de woning, zoals tapijt, en om die reden een andere vloerafwerking wenst, zoals laminaat of een andere vloerbedekking. Dergelijke aanpassingen worden beschouwd als algemeen gebruikelijk en vallen niet onder de compensatieplicht van de Wmo.
Artikel 3.3 Gebruikelijke hulp Dit artikel beschrijft wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan en welke uitgangspunten gelden bij de beoordeling of ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk is. Gebruikelijke hulp betreft de hulp en ondersteuning die redelijkerwijs verwacht mag worden van personen die deel uitmaken van dezelfde leefeenheid als de inwoner. Uitgangspunt van de Wmo is dat inwoners en hun directe omgeving eerst zelf verantwoordelijkheid dragen voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie van de leden van de leefeenheid. Pas wanneer deze eigen mogelijkheden en die van het sociale netwerk ontoereikend zijn, kan ondersteuning vanuit de Wmo aan de orde zijn. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit betekent dat van personen binnen de leefeenheid wordt verwacht dat zij deze hulp bieden. Het artikel maakt daarbij duidelijk dat gebruikelijke hulp niet per se door henzelf hoeft te worden uitgevoerd; zij kunnen er ook voor kiezen deze hulp met eigen middelen in te kopen of door derden te laten uitvoeren. Voor gebruikelijke hulp wordt echter geen ondersteuning vanuit de Wmo verstrekt. Bij uitval van een lid van de leefeenheid wordt verwacht dat andere leden de taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten zo nodig herverdelen en overnemen.
Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het hebben van werk, opleiding of andere maatschappelijke activiteiten. Van volwassenen mag worden verwacht dat zij huishoudelijke taken en zorg kunnen combineren met een volledige baan of opleiding. Ook fysieke afwezigheid vanwege werk of school staat het bieden van gebruikelijke hulp in beginsel niet in de weg; wel kan dit betekenen dat taken op andere momenten worden uitgevoerd.
De bijdrage die van kinderen en volwassenen wordt verwacht, is afhankelijk van de leeftijd. Van jongeren van 18 jaar wordt verwacht dat zij een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van volwassenen van 23 jaar en ouder wordt verwacht dat zij naast werk of opleiding ook bijdragen aan het functioneren van een meerpersoonshuishouden. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp, en in welke mate, wordt altijd gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij worden onder meer de aard, de frequentie, de planbaarheid en de duur van de benodigde ondersteuning betrokken. Ook wordt beoordeeld of sprake is van een tijdelijke situatie met uitzicht op herstel of van een langdurige of chronische situatie.
Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor huishoudelijke hulp Dit artikel bevat nadere criteria voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Het artikel bouwt voort op de algemene bepalingen van artikel 3.1 en concretiseert wanneer en in welke omvang professionele inzet wordt ingezet. Voor het vaststellen van het benodigde aantal uren professionele ondersteuning wordt gebruikgemaakt van het meest recente Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van Bureau HHM. Dit normenkader biedt een objectieve en uniforme basis voor de indicatiestelling en draagt bij aan rechtsgelijkheid en transparantie en terug te vinden in bijlage 2. Het doel van huishoudelijke ondersteuning is het kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis. Dit ziet op de essentiële woonruimten in de woning, zoals de woonkamer, slaapkamer(s), keuken, sanitaire ruimten en gang of trap. Huishoudelijke ondersteuning heeft uitsluitend betrekking op ruimten binnen de woning. Het schoonmaken of onderhouden van buitenruimten, zoals ramen aan de buitenzijde, tuin, balkon of erf, valt hier niet onder.