Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Tekst van het document
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Binnen het deel van het plangebied dat binnen het gifwolkaandachtsgebied ligt worden twee woningen gerealiseerd. De derde te realiseren woning ligt er net buiten. In het kader van het groepsrisico treedt daarmee geen verandering op. Dit neemt niet weg dat er sprake moet zijn van een voldoende veilige situatie. De omgevingsdienst heeft informatie aangeleverd over dit onderwerp. Daaruit blijkt dat bij nieuwbouw van woningen als voldoende rekening gehouden wordt met effecten van een eventuele gifwolk waardoor nieuwbouw woningen als veilig genoeg kunnen worden beschouwd. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.8
Spuitzonering
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit en andere gewassen in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten in relatie tot de gezondheid van mensen in de directe omgeving. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel die geldt bij teelten waar veelvuldig sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en deze op hoogte worden gebruikt. Planspecifiek Om de situatie met betrekking tot spuitzonering te beoordelen voor deze specifieke locatie, is gekeken naar de wijze van bewerken van de omliggende percelen. De aangrenzende gronden die een agrarische functie krijgen, zijn onderdeel van de planvorming en daarmee eigendom van de bewoners. Deze strook grond heeft een breedte van 35 m. In de regels is bepaald dat deze gronden bedoeld zijn voor hobbymatig agrarisch gebruik en daar mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.
De daarachter gelegen agrarische gronden worden gebruikt als weiland waar paarden en schapen staan. Er wordt op deze gronden niet geteeld. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit gebruik in de toekomst gaat wijzigen. Er is nu geen sprake van het gebruik van onkruidbestrijding wat betekent dat er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast . Omdat op omliggende gronden eveneens gevoelige functies aanwezig zijn, is er geen sprake van een verslechtering van de gebruiksmogelijkheden van de agrarische percelen.
4.9
M.e.r.-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
31
Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. 1. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'. 2. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.
Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de transformatie van de bestaande bedrijfswoning met bijbehorende opstallen ten behoeve van wonen. De bestaande woning met smederij als bijgebouw blijft daarbij gehandhaafd. De overige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt waarvoor in de plaats drie nieuwe woningen worden gerealiseerd. Dit valt niet onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Staande jurisprudentie geeft namelijk aan dat woningbouw tot en met 11 woningen niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt kan worden. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in de planologische transformatie van één bedrijfswoning naar een reguliere woning en de realisatie van drie nieuwe vrijstaande woningen binnen het buurtschap Zuuk. Uit jurisprudentie blijkt dat pas van een stedelijke ontwikkeling sprake is als woningbouwprojecten voorzien in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend initiatief blijft hier qua aantal onder, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
33
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied is een voormalige smederij aanwezig. Deze karakteristieke bebouwing blijft behouden bij de bestaande woning zodat de gebruiksgeschiedenis van de locatie afleesbaar is. Verder zijn er in de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied met bijbehorende beschermingsregels. Het initiatief heeft geen negatief effect ten aanzien van cultuurhistorie en landschap. Archeologie In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 6'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 2.500 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld.
Voorliggende ontwikkeling blijft onder de grenswaardes waardoor archeologisch onderzoek niet nodig is. Binnenkort stelt de gemeenteraad nieuw Erfgoedbeleid vast waardoor andere waarden gaan gelden en andere maatvoeringen ten aanzien van de onderzoeksverplichting. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van de vast te stellen Erfgoedbeleidskaart. Daarop is het plangebied globaal aangeven. Op grond van het toekomstig vast te stellen beleid is te zien dat binnen het plangebied er een hoge archeologische verwachting geldt op de gronden waar de nieuwe woningen zijn beoogd. En op de gronden waar de bestaande bebouwing is gelegen geldt een middelhoge archeologische verwachting.
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bij Categorie 4 'hoge archeologische verwachting' geldt een onderzoeksverplichting bij grondwerkzaamheden van 250 m2 grootte met een diepte van 35 cm. Bij Categorie 5 'middelhoge archeologische verwachting' geldt een onderzoeksverplichting bij grondwerkzaamheden van 1000 m2 grootte met een diepte van 35 cm. Om deze archeologische verwachtingswaarden en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in de ondergrond veilig te stellen, is in voorliggende wijziging omgevingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Op deze manier wordt voor toekomstige grond- en bouwwerkzaamheden archeologie beschermd. Afhankelijk van de daadwerkelijke grond- en bouwwerkzaamheden is er dan wel of geen archeologisch onderzoek nodig. Het initiatief is, voor zover het cultuurhistorisch en archeologische waarden betreft, haalbaar. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en het Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
35
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen. Soortenbescherming Ten behoeve van het plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 6.
In het onderzoek is aangegeven dat aanvullend onderzoek nodig is om te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor bunzing, wezel en steenmarter (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Ten aanzien van marterachtigen is nader onderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied beoordeeld is als potentieel geschikt leefgebied. De steenmarter maakt gebruik van het plangebied. Dat betekent dat er vanwege de planontwikkeling mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan of tijdens de geplande ingreep er mogelijk essentieel leefgebied verloren gaat. Op grond daarvan is een vergunning voor de flora en fauna-activiteit nodig. Deze is aangevraagd.
Wegens de voorgaande onderzoeken is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast geldt altijd de zorgplicht. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Gelders Natuurnetwerk. Het perceel ligt op circa 480 m afstand tot het Natura 2000-gebied Veluwe. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie bijlage 8. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd is er in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden. Uit de Quickscan blijkt dat andere effecten in het kader van gebiedsbescherming kunnen worden uitgesloten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een toename aan functies zorgt voor extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersaantrekkende werking Met het initiatief wordt de detailhandelsfunctie verwijderd. Deze detailhandelsfunctie had ook een bepaalde verkeersaantrekkende werking. In de toekomstige situatie is er alleen een verkeersaantrekkende werking op de locatie aanwezig vanwege vier woningen. De verkeersaantrekkende werking neemt door het voorliggende initiatief dan ook af. Het plangebied blijft ontsloten door de Ledderweg en de Wippenbeldweg. Deze wegen hebben voldoende capaciteit voor het opvangen van de verkeersbewegingen.
Parkeerbehoefte Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied toe. In de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Epe zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente Epe. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie is op eigen terrein voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
37
Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er in het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe. Echter geldt de toename voor de gehele omgeving. Voorliggend plangebied wordt in de toekomstige situatie minder verhard dan nu het geval is waardoor water in de bodem kan infiltreren. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de nieuwe woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarnaast wordt het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk ingericht wat helpt in verkoeling. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat er in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf.
De kans op natuurbranden blijft bij langdurige droogte in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied op ruime afstand tot het Veluwemeer ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Hoofdstuk 6
Conclusie
De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat daartoe instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en de veiligheid tot doel hebben. Daarnaast kent het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om het omgevingsplan te wijzigen moet worden aangetoond dat er met de wijziging sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf wordt een conclusie getrokken ten aanzien van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (uit hoofdstuk 4) en een goede omgevingskwaliteit (uit hoofdstuk 5) van toepassing. Immers, één omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en/of veiligheid bestaat er niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.
Uit voorgaande hoofstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Enkel ten aanzien van het aspect geluid wordt de standaardwaarde overschreden. Door het toepassen van bouwtechnische maatregelen bestaan er voldoende mogelijkheden om aan de binnenwaarde te kunnen voldoen. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
39
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
7.2
Juridische systematiek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Algemene regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels:
7.3
Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan [een hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan Epe. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze regels gelden in combinatie met het omgevingsplan van de gemeente, zoals beschikbaar is via de landelijke voorziening, waaronder artikel 22.29 waarin de beoordelingsregels voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken staan.
7.4
Beschrijving per functie
Onderhavig initiatief kent de volgende functies: Agrarisch: deze functie is onder meer opgenomen ten behoeve van het behoud van het agrarisch karakter en bescherming van landschappelijke en natuurwaarden. Ter plaatse van de functie 'Agrarisch' zijn enkel bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan. Wonen: deze functie is onder meer opgenomen ten behoeve van het mogelijk maken van de nieuwe woningen. Voor de woningen zijn aanduidingen opgenomen ten aanzien van het maximum aantal wooneenheden en de maatvoering. De woningen zijn enkel mogelijk binnen het bouwvlak. Archeologische dubbelbestemmingen: deze functie is opgenomen ter bescherming van te verwachten archeologische waarden in de ondergrond. De bijbehorende maatvoering komt overeen met het gemeentelijk erfgoedbeleid.
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Daarnaast is in het plan een gebied als 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' aangewezen. Dit ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de locatie.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
41
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
8.1
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht. Dit is onder andere gedaan tijdens een inloopbijeenkomst op 18 januari 2024. Hier is het ontwerp gepresenteerd en konden bezoekers vragen stellen. Bezoekers hebben hun gegevens achtergelaten zodat ze regelmatig door de initiatiefnemers op de hoogte kunnen worden gehouden. Naar aanleiding van de reacties uit de directe omgeving is het schetsontwerp aangepast. De kavels zijn wat breder geworden, zodat er vanuit de Wippenbeldweg meer zicht is naar het achter de woningen gelegen landschap. De meest zuidelijke nieuwe woning is iets verplaatst richting het noorden, zodat er vanuit de woning Ledderweg 66 vrij uitzicht blijft bestaan. Ook het handhaven van de bestaande woning met smederij als bijgebouw leidt tot een minder grote impact van het planvoornemen in de omgeving. Het nieuwe ontwerp is weer gedeeld met de buurtbewoners.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
8.3
Procedure
Het ontwerp voor de wijziging van het omgevingsplanLedderweg 48-50 Epe heeft met ingang van 30 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is er 1 zienswijze naar voren gekomen. Hiervan is verslag gelegd in de Nota van Zienswijze (zie bijlage 9).
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlagen bij de motivering
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
43
44
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 1
Schetsontwerp
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
45
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 2
Beeldkwaliteitskader
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
47
48
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 3
Digitale watertoets
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
49
50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 4
Bodemonderzoek
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
51
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 5
Onderzoek wegverkeerslawaai
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
53
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 6
Quickscan Flora en Fauna
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
55
56
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 7
Nader onderzoek marterachtigen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
57
58
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 8
Voortoets stikstofdepositie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
59
60
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Bijlage 9
Nota van Zienswijzen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
61
62
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Epe. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente Epe. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a]' gelezen worden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
63
64
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Hoofdstuk 1 Artikel 1 a.
b. c.
Inleidende regels Toepassingsbereik
In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan 'Buitengebied Epe', artikel 3 'Agrarisch' en artikel '26' Wonen met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het derde lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0232.BG116TAMLedder4850-VBP1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2
Begripsbepalingen
2.1 Van toepassing verklaring Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen: 2.2 Aanvullende begrippen In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.32 gehanteerd. 2.3 Plan Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe met identificatienummerNL.IMRO.0232.BG116TAMLedder4850- VBP1. van de gemeente Epe bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0232.BG116TAMLedder4850- VBP1 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.4 Locatievlak Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
2.5 aan-huis-verbonden beroep een dienstverlenend beroep en/of ambachtelijk beroep, dat in of bij een woning, bedrijfswoning of plattelandswoning wordt uitgeoefend, waarbij de woning, bedrijfswoning of plattelandswoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 2.6 Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of bebouwen van deze gronden; 2.7 Aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
65
2.8 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerij en een bosbouwbedrijf; 2.9 bed and breakfast het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 2.10 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 2.11 bestaand: met betrekking tot bebouwing: Legale bebouwing die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning; met betrekking tot gebruik: het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, dan wel toegestaan krachtens een omgevingsvergunning; 2.12 bestaande situatie a. de activiteit die is toegestaan op grond van een ten tijde van het vaststellen van dit plan verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 7 lid 5 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming of de rechtsopvolger daarvan, of b.
indien een vergunning of melding als bedoeld onder a ontbreekt: een aan het bedrijf ten tijde van het vaststellen van dit plan reeds verleende omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu, dan wel een melding op grond van het activiteitenbesluit of diens rechtsopvolger(s); 2.13 bijgebouw al dan niet aangebouwd gebouw of een gedeelte van een gebouw dat ten dienste van het wonen wordt gebruikt en waarin niet wordt gewoond; 2.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 2.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 2.16 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.17 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel;
66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
2.18 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.19 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.20 dagrecreatie recreatief gebruik van gronden dat tussen een half uur voor zonsopgang en een half uur na zonsondergang plaatsvindt en waaronder in elk geval niet wordt begrepen het gebruik als georganiseerd sport- dan wel evenemententerrein; 2.21 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of (af-)leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan diegenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 2.22 extensief recreatief medegebruik een vorm van recreatief medegebruik dat in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen, en dat slechts beperkt beslag op de ruimte legt.
Voor het extensieve recreatief medegebruik is geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk, maar kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes. Onder extensief recreatief medegebruik wordt in elk geval niet verstaan intensief recreatief medegebruik en gemotoriseerde sporten; 2.23 functiegrens de grens van een functievlak; 2.24 functievlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie; 2.25 gebouw bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt 2.26 hoofdgebouw gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is 2.27 intensief recreatief medegebruik recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en dat een potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking heeft, zoals paintball, boerengolf en een maïsdoolhof; 2.28 landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde, in verband met
de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
67
2.29 natuurlijke waarden aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomend in dat gebied; 2.30 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het oorspronkelijke aansluitende terrein; 2.31 voorgevel de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan de weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 2.32 woning een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en aangewezen voor de huisvesting van een huishouden, en waarbij alle woonruimtes aan elkaar grenzen;
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 3.1 breedte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren; 3.2 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 3.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, tenzij anders is aangegeven in de regels; 3.4 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.5 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
68
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
Hoofdstuk 2 Artikel 4
Functieregels Agrarisch
4.1 Functieomschrijving Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Agrarisch heeft de volgende functies: a. hobbymatig agrarisch grondgebruik waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan; b. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden in de vorm van een nat karakter (sloten), open grasland, herkenbaar verkavelingspatroon, rechte ontginningsassen, verspreide ligging van bebouwing; c. nevenactiviteiten in de zin van natuur- en landschapsbeheer, natuureducatie en agrarisch verwante bedrijvigheid tot een maximale oppervlakte van 500 m2; d. de waterhuishouding, waaronder sloten, sprengen, beken en andere watergangen; e. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen; f. extensief recreatief medegebruik; met daarbij behorende: g. toegangswegen, -paden en overig verblijfsgebied; h. parkeervoorzieningen; i. groenvoorzieningen. 4.2 Bouwactiviteit 4.2.1 Toegestane bouwwerken buiten het bouwvlak Buiten een agrarisch bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m; b.
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer mag bedragen dan 1,5 m. 4.3 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden van het gebied; b. het straat- en bebouwingsbeeld; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. de sociale veiligheid; g. de omgevingsveiligheid. 4.4 Specifieke beoordelingsregels - gebruik 4.4.1 Bevoegdheid In afwijking van artikel 4.1 kan de omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten die in strijd zijn met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend: a. intensief recreatief medegebruik, mits: 1. er geen sprake is van onevenredige toename van verkeersbewegingen;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
69
2. 3. 4. b.
c.
de landschappelijke inpassing is gewaarborgd; nabijgelegen agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. het gebruik als tuin en/of erf ten behoeve van een nabijgelegen woning, voor gronden die feitelijk niet meer in gebruik zijn ten behoeve van een agrarisch bedrijf, mits: 1. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden niet onevenredig worden aangetast; 2. het gebruik van aangrenzende agrarische gronden niet wordt geschaad; 3. de maximale oppervlakte die als erf en/of tuin in gebruik wordt genomen niet groter is dan 900 m2; 4. hierop uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de woning mogen worden gebouwd; lid 4.1 ten behoeve van het bebossen met snelgroeiend bos, met dien verstande dat de ruimtelijke karakteristiek niet onevenredig mag worden geschaad;
4.4.2 Afwegingskader Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de voorgaande afwijkingen bij een omgevingsvergunning dient mede betrokken te worden: a. de mate waarin de belangen van de gebruikers en/of eigenaren van de aangrenzende gronden en/of nabijgelegen agrarische bedrijven kunnen worden geschaad; b. de mate waarin voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; c. de mate waarin de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurlijk waarden die conform het toepassingsbereik (artikel 1) als opgenomen in artikel 43 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Epe' beoogt te beschermen worden geschaad. Indien de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurlijke waarden onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend. 4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bepaalde in artikel 47 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Epe' is, met inachtneming van het toepassingsbereik in artikel 1. is van toepassing.
Artikel 5
Wonen
5.1 Functieomschrijving Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies: a. woningen; b. praktijk- of studioruimte ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep; c. bostuinen; met daarbij behorende: d. tuinen en erven. 5.2 Bouwactiviteit Op de als Wonen aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de in artikel 5.1 opgenomen functies, met dien verstande dat voor: a. het bouwen van woningen geldt dat: 1. deze vrijstaand worden gebouwd, met dien verstande dat niet meer woningen zijn toegestaan dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven; 2. de inhoud niet meer dan 750 m3 mag bedragen, dan wel de bestaande inhoud zoals die bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan indien deze meer bedraagt;
70
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
3.
b.
c.
de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte (m)', dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte zoals die bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan indien deze meer bedraagt; 4. de breedte niet minder dan 5 m mag bedragen; 5. de dakhelling niet minder dan 40° en niet meer dan 60° mag bedragen; het bouwen van bijgebouwen geldt dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bedraagt niet meer dan: bij een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bouwperceel; bij een bouwperceel groter dan 100 m2, en kleiner dan of gelijk aan 300 m2, 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m 2; en bij een bouwperceel groter dan 300 m2, 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het perceel dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; 2. de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 5 m mogen bedragen; 3. bijgebouwen uitsluitend achter de voorgevel van de woning mogen worden gebouwd; 4. de afstand van bijgebouwen tot de woning niet meer dan 30 m mag bedragen; voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat: 1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde vóór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen; 2.
de bouwhoogte en de oppervlakte van overkappingen niet meer dan respectievelijk 3 m en 20 m 2 mag bedragen; 3. de oppervlakte van een niet-overdekt zwembad mag niet meer dan 75 m2 bedragen; 4. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 5 m bedragen; 5. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 2,5 m mag bedragen.
5.3 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; e. de sociale veiligheid; f. de omgevingsveiligheid; g. de brandveiligheid. 5.4 Specifieke beoordelingsregels - bouwen In afwijking van artikel 5.2 kan een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten die in strijd zijn met de bedoelde regels toch worden verleend: a. lid 5.2 sub b.1 ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke vervanging van meerdere bijgebouwen waarvan de gezamenlijke oppervlakte meer bedraagt dan 100 m2 door één of meerdere bijgebouwen, met dien verstande dat: 1. de vervanging bijdraagt aan een aanmerkelijke verbetering van de landschappelijke situatie ter plaatse; 2. met de vervanging een vermindering (sanering) van de oppervlakte, voor zover die meer bedraagt dan 100 m2 plaatsvindt tot een oppervlakte van ten hoogste 50% van het meerdere tot een oppervlakte van ten hoogste 200 m2; b. lid 5.2 sub b.3 ten behoeve van het bouwen achter de naar de weg(-en) gekeerde gevel(-s) van de woning; c. lid 5.2 sub a.7 ten behoeve van het bouwen van aanbouwen aan de woning zonder dakhelling, mits er sprake is van een aanvaardbaar straat- en bebouwingsbeeld.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
71
5.5 Beoordelingsregels - gebruik 5.5.1 Aan huis verbonden beroep In aanvulling op 5.1 geldt dat een aan huis verbonden beroep is toegestaan, met dien verstande dat: a. ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de woning met de daarbij behorende bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat deze gezamenlijke oppervlakte nimmer meer bedraagt dan 50 m2; b. de uitstraling als woning intact blijft; c. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu; d. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer; e. parkeren op eigen terrein plaatsvindt; f. geen detailhandel is toegestaan. 5.5.2 Bed and breakfast In aanvulling op artikel 5.1 geldt dat een bed and breakfast is toegestaan binnen woningen, mits: a. bed and breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie; b. het aantal slaapplaatsen niet meer bedraagt dan 4. 5.6 Specifieke beoordelingsregels - gebruik In afwijking van artikel 4.1 kan de omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten die in strijd zijn met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend: a. huisvesting van twee huishoudens in één woning, met dien verstande dat: 1. hierdoor het aantal woningen niet wordt vergroot; 2. de uiterlijke verschijningsvorm gehandhaafd blijft; 3.
per huishouden 100 m2 aan bijgebouwen is toegestaan, dan wel de bestaande oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan indien deze meer bedraagt.
Artikel 6
Waarde - Hoge archeologische verwachting
6.1 Voorrangsregeling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 6.2 Functieomschrijving Een locatie die op de verbeelding is aangewezen voor Waarde - Hoge archeologische verwachting heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van gronden. 6.3 Bouwactiviteit 6.3.1 Aanvullende aanvraagvereisten a. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. b. In afwijking van het gestelde onder a hoeft de aanvrager geen rapport als bedoeld onder a te overleggen als: 1. het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 250 m2; 2. de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,35 m onder het bestaande maaiveld.
72
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
6.3.2 Aanvullende vergunningvoorschriften Indien uit het in sublid 6.3.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26: c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; d. de verplichting tot het doen van opgravingen; e. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.4 Aanlegactiviteit 6.4.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten: a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 250 m² of meer bedraagt; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt; d.
het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het inwerkingtreden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 35 centimeter; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 35 centimeter; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 35 centimeter; i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 35 centimeter; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 centimeter, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 250 m2 of meer bedraagt. 6.4.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod uit sublid 6.4.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a.
die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; b. die op het moment van de inwerkingtreding van dit artikel legaal in uitvoering zijn of legaal kunnen worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. 6.5 Vergunningvoorschriften Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe
73
c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.