Bijlage 0.4 - Omgevingsplan gemeente Epe (geconsolideerd) - Wijziging omgevingsplan gemeente Epe 003 'Kerkenland'
Tekst van het document
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Concept
d.
niet hoger dan 3 meter dan wel niet hoger dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,3 meter.
4.
Bij gestapelde woningen worden geen bijgebouwen gebouwd.
5.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in artikel 5.47, wordt niet geweigerd als: a. afgeweken wordt van de minimale afstand tot de voorgevelrooilijn in het eerste lid en gebouwd wordt tot aan de voorgevelrooilijn; b. de maximale bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk tot maximaal 7 meter is; of c. afgeweken wordt van de minimale afstand tot de voorgevelrooilijn in het eerste lid voor het bouwen van (hoek)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1,50 meter.
6.
Het vijfde lid is niet van toepassing als de afwijking een onevenredige afbreuk veroorzaakt aan het straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.
Artikel 21.13 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1.
De maximale bouwhoogte van overkappingen, voor zover sprake is van een bouwwerk geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.
2.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover niet geregeld in het eerste lid of in paragraaf 5.2.9.2, is maximaal: a. 1,5 meter voor agrarische activiteiten; b. 2 meter voor woonactiviteiten; c. 15 meter voor lichtmasten ten behoeve van sportactiviteiten; d. 8 meter voor ballenvangers ten behoeve van sportactiviteiten; e. 3 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van sportactiviteiten; f. 3 meter voor overige in deze titel toegestane activiteiten.
Artikel 21.14 Specifieke beoordelingsregels omgevingskwaliteit De beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 5.47, vindt plaats met toepassing van de criteria in het Beeldkwaliteitsplan Kerkenland.
Artikel 21.15 Specifieke beoordelingsregels geluid 1.
Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, gebruiken en in stand houden van een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 5.47 en voor zover sprake is van een woning, wordt alleen verleend als: a. wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de vereiste binnenwaarde, als bedoeld in artikel 4.103 Bbl, voor geluid vanwege de weg; b. in afwijking van artikel 5.78t Bkl, gelet op artikel 5.78u Bkl, het maximale gezamenlijke geluid op de gevels maximaal de in "bijlage IV - Kerkenland - maximale geluidswaarden" aangegeven waarde is. c. wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 5.78ab Bkl.
Artikel 21.16 Vergunningvoorschriften 1.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden aan de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke
d. e. f. g.
41
waarden; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
2.
Aan de omgevingsvergunning kunnen met het oog op het voorkomen van risico’s voor de gezondheid voorschriften worden verbonden als de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Subparagraaf 21.2.3.1.2 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Artikel 21.17 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in een woning of bedrijfswoning.
Concept
Artikel 21.18 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het ruimte bieden aan kleinschalige economische activiteiten; b. het waarborgen van een gezonde en veilige woonsituatie; c. het voorkomen van onaanvaardbare geluid-, geur en trillinghinder; d. het voorkomen van een overbelasting van de parkeervoorzieningen; en e. het waarborgen van een aanvaardbare verkeersdrukte in woongebieden.
Artikel 21.19 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis uitoefenen 1.
Een beroep of bedrijf aan huis wordt door de hoofdbewoner van de woning zelf uitgeoefend.
2.
De oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 50 m2 met een maximum van 40% van het gezamenlijk vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken.
3.
De uitstraling als woning blijft in tact.
4.
Het gebruik heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefmilieu.
5.
Het gebruik heeft geen nadelige gevolgen op de normale ontwikkeling van het verkeer en heeft geen nadelig effect op de parkeerbehoefte.
6.
Er worden geen detailhandelsactiviteiten verricht.
Paragraaf 21.2.3.2 Gebiedsgerichte activiteiten Subparagraaf 21.2.3.2.1 Algemene bepalingen Artikel 21.20 Toepassingsbereik De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gebiedsgerichte activiteiten
Artikel 21.21 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, bedoeld in artikel 21.11 en 21.12 worden alleen gebruikt als wordt voldaan aan het Beeldkwaliteitsplan Kerkenland.
Artikel 21.22 Strijdig gebruik Het is verboden om een activiteit te verrichten in strijd met de aan de locatie toebedeelde gebiedsgerichte activiteit in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Subparagraaf 21.2.3.2.2 Agrarische activiteiten Artikel 21.23 Toepassingsbereik
42
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitoefenen van een agrarisch bedrijf.
2.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook: a. bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen;
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
c.
d.
Concept
e. f. g. h.
i. j.
nevenactiviteiten in de zin van natuur- en landschapsbeheer, natuureducatie en agrarisch verwante bedrijvigheid; het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden in de vorm van besloten openheid, laanbeplanting, bebouwingslinten met doorzichten, oude wegen en paden, bolle ligging, grote open percelen met randbeplantingen en steilranden; toegangswegen, paden en overig verblijfsgebied; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen; sloten, sprengen, beken en andere watergangen; en extensief recreatief medegebruik.
Artikel 21.24 Algemene regels agrarische activiteiten 1.
Agrarische activiteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied agrarisch Kerkenland.
Artikel 21.25 Aanwijzing vergunningplicht intensief recreatief medegebruik Het is verboden zonder omgevingsvergunning intensief recreatief medegebruik te exploiteren.
Artikel 21.26 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning intensief recreatief medegebruik Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 21.25 wordt een onderbouwing verstrekt waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 21.27 genoemde criteria.
Artikel 21.27 Beoordelingsregels omgevingsvergunning intensief recreatief medegebruik De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 21.25 wordt verleend als: a. er geen sprake is van onevenredige toename van verkeersbewegingen; b. de landschappelijke inpassing is gewaarborgd; c. nabijgelegen agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; e. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; en f. de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 21.28 Verboden 1.
Het is verboden: a. binnen het werkingsgebied gewasbeschermingsmiddelen verboden Kerkenland gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. b. een nieuw grondgebonden veehouderijbedrijf te vestigen; c. een nieuw niet-grondgebonden veehouderijbedrijf te vestigen; d. overkappingen te gebruiken ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf; e. voorwerpen, stoffen en materialen te storten of op te slaan, met uitzondering van opslag ten behoeve van de normale agrarische bedrijfsvoering.
2.
Artikel 14.6 is niet van toepassing op de activiteiten bedoeld in het eerste lid.
Subparagraaf 21.2.3.2.3 Groenactiviteiten Artikel 21.29 Toepassingsbereik
43
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op groenactiviteiten.
2.
Onder groenactiviteiten als bedoeld in deze afdeling wordt verstaan: a. de aanleg en het onderhoud van groenvoorzieningen; b. de aanleg en het onderhoud van bermen en (aanwezige) beplanting; en
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
c. 3.
de aanleg, onderhoud en gebruik van parken en plantsoenen;
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. in- en uitritten ten behoeve van aangrenzende woningen; c. het onderhoud en gebruik van speelvoorzieningen; d. voorzieningen voor de waterhuishouding; e. voet- en fietspaden; en f. nutsvoorzieningen.
Artikel 21.30 Algemene regels groenactiviteiten
Concept
1.
Groenactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied groen Kerkenland.
Subparagraaf 21.2.3.2.4 Sportactiviteiten Artikel 21.31 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid tot tennissportbeoefening, al dan niet in competitie-/verenigingsverband.
2.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. wegen en paden; c. water; en d. groenvoorzieningen.
Artikel 21.32 Algemene regels sportactiviteiten 1.
Gelegenheid tot tennissportbeoefening wordt alleen geboden in het werkingsgebied sport-buitenaccommodatie Kerkenland.
Artikel 21.33 Verbod sportactiviteiten De volgende sportactiviteiten zijn in ieder geval verboden: a. het bieden van gelegenheid tot beoefening van padel.
Subparagraaf 21.2.3.2.5 Verkeersactiviteiten Artikel 21.34 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is van toepassing op verkeersactiviteiten.
2.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren: a. het verkeersgerelateerd gebruik van wegen en straten; b. het verkeersgerelateerd gebruik van fiets- en voetpaden; c. het verkeersgerelateerd gebruik van civieltechnische (kunst)werken; d. wegen, straten en paden; e. voet- en fietspaden; f. parkeervoorzieningen; g. de aanleg, het onderhoud en gebruik van overige voorzieningen, h. nutsvoorzieningen; i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; j. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en bergbezinkbassins; en k. groenvoorzieningen.
Artikel 21.35 Algemene regels verkeersactiviteiten 1.
Verkeersactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied verkeer Kerkenland.
Subparagraaf 21.2.3.2.6 Wateractiviteiten Artikel 21.36 Toepassingsbereik 1.
44
Deze subparagraaf is van toepassing op wateractiviteiten.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
2.
Onder wateractiviteiten wordt verstaan: activiteiten die verband houden met waterberging en de waterhuishouding.
3.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bruggen, dammen en duikers; b. waterlopen, waterwegen en vijvers; en c. onderhoud en gebruik van speelvoorzieningen.
Artikel 21.37 Algemene regels wateractiviteiten 1.
Wateractiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied water Kerkenland.
Concept
Subparagraaf 21.2.3.2.7 Woonactiviteiten Artikel 21.38 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is van toepassing op woonactiviteiten.
2.
Tot een gebruik dat in overeenstemming is met de activiteit, bedoeld in het eerste lid, behoren ook: a. gebouwen; b. bijbehorende bouwwerken, c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d. parkeervoorzieningen bij vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen; e. tuinen, erven en terreinen; en f. nutsvoorzieningen.
Artikel 21.39 Algemene regels woonactiviteiten 1.
Woonactiviteiten worden alleen verricht in het werkingsgebied wonen Kerkenland.
2.
In het werkingsgebied verzorgd wonen Kerkenland wordt alleen gewoond in een woning waarin sprake is van verzorgd wonen.
3.
In het werkingsgebied maximum aantal woningen Kerkenland is het aantal woningen niet meer dan de betreffende waarde.
4.
In het werkingsgebied maximum aantal zorgwoningen Kerkenland is het aantal woningen niet meer dan de betreffende waarde.
Artikel 21.40 Aanwijzing vergunningplicht bewonen woning door twee huishoudens Het is verboden zonder omgevingsvergunning om twee huishoudens in een woning te huisvesten.
Artikel 21.41 Aanvraagvereisten bewonen woning door twee huishoudens Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 21.40 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. plattegronden van de bestaande woningindeling en plattegronden van de nieuwe woningindeling; b. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 van de bestaande woning; en d. een onderbouwing verstrekt waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 21.42 genoemde criteria.
Artikel 21.42 Beoordelingsregels bewonen woning door twee huishoudens De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. het aantal woningen niet wordt vergroot; b. de inhoud van de woning is minimaal 500 m3; c. de uiterlijke verschijningsvorm blijft gehandhaafd; d. er is geen onevenredige aantasting van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. de milieusituatie; 3. de verkeersveiligheid; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 5. de sociale veiligheid; en
45
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
6.
de externe veiligheid.
Paragraaf 21.2.3.3 Gebieden met beperkingen en inperkingen Subparagraaf 21.2.3.3.1 Activiteiten in een gebied met archeologische waarden verrichten Subsubparagraaf 21.2.3.3.1.1 Algemene bepalingen
Concept
Artikel 21.43 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het bouwen van bouwwerken waarvoor werkzaamheden beneden het maaiveld plaatsvinden, dan wel beneden de waterbodem; b. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; c. het uitvoeren van grondbewerkingen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen of het rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen waarbij stobben worden verwijderd; e. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; f. het verlagen en verhogen van het waterpeil; en g. het slopen van bouwwerken waarvoor werkzaamheden beneden het maaiveld plaatsvinden, dan wel beneden de waterbodem.
Artikel 21.44 Oogmerken De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en behouden van archeologische waarden die in de grond behouden blijven; en b. het beschermen en behouden van archeologische waarden welke opgegraven en geconserveerd worden.
Subsubparagraaf 21.2.3.3.1.2 Activiteiten in een zone met hoge archeologische verwachting Artikel 21.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met hoge archeologische verwachting Kerkenland de activiteiten als bedoeld in artikel 21.43 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 250 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud; b. op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of d. als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.
Artikel 21.46 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.47 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 21.49, te verbinden aan de omgevingsvergunning.
Artikel 21.48 Advies deskundige archeologie Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 21.47.
46
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Artikel 21.49 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
Concept
Subsubparagraaf 21.2.3.3.1.3 Activiteiten in een zone met middelhoge archeologische verwachting Artikel 21.50 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met middelhoge archeologische verwachting Kerkenland de activiteiten als bedoeld in artikel 21.43 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 1.000 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud; b. op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of d. als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.
Artikel 21.51 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 21.54, te verbinden aan de omgevingsvergunning.
Artikel 21.53 Advies deskundige archeologie Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 21.52.
Artikel 21.54 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
Subsubparagraaf 21.2.3.3.1.4 Activiteiten in een zone met lage archeologische verwachting Artikel 21.55 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.
47
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met lage archeologische verwachting Kerkenland de activiteiten als bedoeld in artikel 21.43 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 2.500 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden het maaiveld.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud; b. op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of d. als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.
Artikel 21.56 Aanvraagvereisten
Concept
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.57 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 21.59, te verbinden aan de omgevingsvergunning.
Artikel 21.58 Advies deskundige archeologie Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 21.57.
Artikel 21.59 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
Subsubparagraaf 21.2.3.3.1.5 Activiteiten in een zone met onbekende archeologische verwachting Artikel 21.60 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied zone met onbekende archeologische verwachting Kerkenland de activiteiten als bedoeld in artikel 21.43 te verrichten op een plangebied dat groter is dan 10.000 m2 en de activiteit verricht wordt dieper dan 35 cm beneden de waterbodem.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud; b. op activiteiten die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of d. als uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden.
Artikel 21.61 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.62 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn;
48
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
b. c.
het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig wordt geschaad; of de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften, bedoeld in artikel 21.64, te verbinden aan de omgevingsvergunning.
Artikel 21.63 Advies deskundige archeologie Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 21.62.
Concept
Artikel 21.64 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
Subparagraaf 21.2.3.3.2 Activiteiten in een gebied met dekzandruggen en oude bouwlanden Artikel 21.65 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het werkingsgebied dekzandruggen en oude bouwlanden Kerkenland: a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. verlagen van de bodem en afgraven van gronden; c. ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder het aanbrengen van kaden en dijken d. aanleggen en dempen van watergangen en andere waterpartijen en werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals diepen of draineren; e. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, het ingraven of indrijven van voorwerpen dieper dan 3 meter; f. diepploegen, zijnde het meer dan 40 centimeter diep omploegen, en het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering; g. bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters; h. het vellen of rooien van houtsingels of houtwallen; i. het verrichten van exploratieboringen en seismologisch onderzoek.
Artikel 21.66 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op bescherming en behoud van de volgende landschaps- en natuurwaarden a. besloten openheid; b. laanbeplantingen; c. bebouwingslinten met doorzichten; d. oude wegen en paden; e. bolle ligging; f. grote open percelen met randbeplantingen; en g. steilranden.
Artikel 21.67 Aanwijziging vergunningplichtige gevallen
49
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het werkingsgebied dekzandruggen en oude bouwlanden Kerkenland de activiteiten als bedoeld in artikel 21.65 te verrichten.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor activiteiten die betrekking hebben op normaal gebruik, beheer en onderhoud; en b. reeds rechtmatig in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning of een vastgesteld beheerplan reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit besluit.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
3.
Het eerste lid geldt niet voor het verlagen van de bodem en afgraven van gronden. Hiervoor geldt artikel 21.71.
Artikel 21.68 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten in een gebied met dekzandruggen en oude bouwlanden Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd, waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 21.69 genoemde criteria.
Concept
Artikel 21.69 Beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten in een gebied met dekzandruggen en oude bouwlanden De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. de activiteiten als bedoeld in artikel 21.65 of de directe of indirecte gevolgen van deze activiteiten niet blijvend leiden tot een onevenredige afbreuk aan de waarden van het gebied, bedoeld in artikel 21.66; of b. de waarden van het gebied, bedoeld in artikel 21.66, kunnen worden behouden of niet onevenredig worden aangetast door voorschriften, bedoeld in artikel 21.70, te verbinden aan de omgevingsvergunning.
Artikel 21.70 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden om de waarden bedoeld in artikel 21.66 te behouden of niet onevenredig aan te tasten.
Artikel 21.71 Verboden Het is verboden in het werkingsgebied dekzandruggen en oude bouwlanden Kerkenland de bodem te verlagen en gronden af te graven.
Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN ['BRUIDSSCHAT' VAN HET RIJK] Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten [Vervallen]
Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten [Vervallen]
Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen
50
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil [Vervallen]
Concept
Artikel 22.6 Vervallen
51
[Vervallen]
Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand [Vervallen]
Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater [Vervallen]
Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater [Vervallen]
Artikel 22.13 Bluswatervoorziening [Vervallen]
Concept
Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten [Vervallen]
Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen [Vervallen]
Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte [Vervallen]
Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk [Vervallen]
Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk [Vervallen]
Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken [Vervallen]
Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen [Vervallen]
Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk [Vervallen]
Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek [Vervallen]
Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen [Vervallen]
Artikel 22.24 Meetbepalingen [Vervallen]
52
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Artikel 22.25 Mantelzorg [Vervallen]
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [Vervallen]
Concept
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing [Vervallen]
Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed [Vervallen]
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. vervallen; b. vervallen; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Vervallen.
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht [Vervallen]
53
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht [Vervallen]
Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [Vervallen]
Concept
Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. vervallen; b. vervallen; c. vervallen; d. vervallen; e. vervallen; f. vervallen; g. vervallen; h. vervallen; i. vervallen; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. vervallen;
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan [Vervallen]
Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen [Vervallen]
Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed [Vervallen]
Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid [Vervallen]
Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
54
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen
Concept
Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
55
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
4.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.
Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht 1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
e. f. g. h. i.
Concept
j.
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat 1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
56
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval 1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Concept
Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval 1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Vervallen [Gereserveerd]
Artikel 22.52 Vervallen [Gereserveerd]
Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Paragraaf 22.3.4 Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen Artikel 22.54 Toepassingsbereik
57
1.
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
2.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
4.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
Concept
Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 1.
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3.
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:
58
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
a.
b.
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Concept
Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
59
1.
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1.
in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
2.
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
3.
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
4.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek 1.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
3.
Het zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit: a. op een gezoneerd industrieterrein; en b. op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
4.
Het zesde en zevende lid van dit artikel zijn niet van toepassing op een activiteit waar:
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
a.
b.
Concept
c. d. e. f. g. h. i.
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2.
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
5.
Het zesde en zevende lid van dit artikel zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
6.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit op een gezoneerd industrieterrein, zoals bedoeld in het derde lid wijzigt, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
7.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een gezoneerd industrieterrein, zoals bedoeld in het derde lid, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 22.62 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen 1.
60
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
Concept
2.
07.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2. Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluitbedrijventerrein
3.
07.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten