955272 Toelichting BP Duisterestraat Epe ontwerp
Tekst van het document
Om ook deze inwoners in de gemeente Epe te kunnen blijven huisvesten en voor hen nieuwbouwwoningen te realiseren, is het wenselijk daar vanuit het gemeentelijk beleid meer de focus op te leggen. Toets aan initiatief Voorliggend plan betreft een inbreidingslocatie. Met voorliggend plan wordt voor de goedkope en middeldure (voornamelijk oudere) woningzoekende woonruimte geboden. Dat draagt bij aan de doorstroming vanuit woningen die geschikt zijn voor de modale of anderhalf modale doelgroep.
4.5.4 Conclusie gemeentelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zowel kwalitatief als kwantitatief.
29
5. Ruimtelijke en milieukundige aspecten 5.1 Algemeen Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat de wijziging van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In het volgende hoofdstuk vindt deze toets plaats voor aspecten die voor onderliggend initiatief relevant zijn.
5.2 Archeologie 5.2.1 Archeologie Beleidskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Daarnaast dient aangetoond te worden dat het voorziene plan geen afbreuk doet aan bestaande cultuurhistorische waarden. Analyse Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Epe geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.
Uitsnede uit de archeologische verwachtingenkaart.
Op basis van deze verwachtingswaarde heeft een archeologisch bureau- en booronderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit archeologische onderzoek zijn als bijlage 3 opgenomen en luiden samengevat als volgt. In het onderzoek is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand dat door verspoeling vermengd is geraakt met grover hellingmateriaal. Dunne restanten van een oorspronkelijke podzolbodem zijn nog aangetroffen in de vorm van (een restant van) een B- of BC-horizont in boringen 2, 3, 5, 6, 7 en 9. De oudste aanwijzingen voor landbewerking zijn gevonden in boringen 1, 4 en 12 in de vorm van een bruingrijze homogene laag die als oude akkerlaag kan worden beschreven. Vanaf de Late Middeleeuwen is door plaggenbemesting een afdekkend plaggendek is ontstaan. In het onderzoeksgebied is de basis van het plaggendek aangetroffen op 65-115 cm onder maaiveld.
30
Hoewel niet het primaire doel van het onderzoek, is in boring 11 wel de aanwezigheid van een archeologische vindplaats vastgesteld. Het gaat hier om (minimaal) één spoor dat reikt tot 195 cm onder maaiveld, ofwel 100 cm onder de basis van het plaggendek. Op basis van twee aardewerkfragmenten kan deze vindplaats voorlopig geplaatst worden in de periode Vroege Middeleeuwen D-Late Middeleeuwen A. Op basis van de bodemopbouw en het vastgestelde archeologisch spoor in boring 11 blijft de hoge verwachting op het aantreffen van sporen en resten van bewoning uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen gehandhaafd, en wordt de gematigde verwachting op het aantreffen van sporen en resten van bewoning uit de Late Middeleeuwen A bijgesteld naar hoog. Op basis van deze bevindingen wordt geadviseerd de dubbelbestemming met betrekking tot archeologie in het nieuwe bestemmingsplan te behouden. Er kunnen wel nadere uitspraken gedaan worden over de dieptegrens tot waar werkzaamheden zouden kunnen worden uitgevoerd zonder dat ze een bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische sporen en resten. Als werkzaamheden beperkt blijven tot 30 cm (als bufferzone) boven het potentiële archeologische niveau, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische sporen en resten in situ bewaard blijven en zal archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn.
Een kaartweergave van deze geadviseerde vrijstellingsgrens is opgenomen in bijlage 13 van het onderzoek. Indien werkzaamheden dieper worden uitgevoerd dan de geadviseerde vrijstellingsgrens zoals gespecificeerd hierboven en in bijlage 13 van het onderzoek, wordt archeologisch vervolgonderzoek als zinvol en noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt om in dat geval vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Vertaling naar het plan Ten behoeve van het voorziene plan moeten funderingen gegraven worden die tenminste op 1 meter diepte worden gelegd. Daarom is er op basis van voorgaand advies een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Deze verplichting is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
5.2.2 Cultuurhistorie In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden. Analyse De gemeente kent een cultuurhistorische kaart. Daarop zijn de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente aangegeven. Op de volgende afbeelding is een uitsnede uit deze kaart opgenomen, met daarbinnen het plangebied. Op de afbeelding is zichtbaar dat zich binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden bevinden, maar dat de aangrenzende wegen wel van waarde zijn. Het betreft wegen van voor 1832. Deze blijven in voorliggend plan behouden.
31
Uitsnede cultuurhistorische waa rdenkaart.
Conclusie Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is op basis van onderzoek een aantal aanbevelingen gedaan voor de uitvoering van de plannen. In het kader van het vervolgtraject wordt in samenspraak met de gemeente (en/of de regioarcheoloog) bepaald op welke wijze wordt omgegaan met deze aanbevelingen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.
5.3 Flora en fauna Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Analyse Voorafgaand aan de wijziging van het bestemmingsplan dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. Deze eerste stap om de aanwezigheid van beschermde soorten en/of gebieden te bepalen, is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. De quickscan is als bijlage 4 opgenomen. De quickscan bestaat uit een onderzoek naar soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt.
Soortenbescherming De geplande sloop van het gebouw heeft mogelijk effect op gebouw-bewonende vleermuizen, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Er wordt geadviseerd onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van gebouw-bewonende vleermuizen 32
conform het vleermuisprotocol 2021. In het kader van voorliggend bestemmingsplan worden deze onderzoeken uitgevoerd. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden de onderzoeksresultaten aan het plan toegevoegd. Op advies van de ecoloog is het onderzoek uitgebreid met onderzoek naar huismus en gierzwaluw, omdat er toch een kans is dat die een plekje in het oude gebouw hebben gevonden. Ook deze resultaten worden bij het vast te stellen bestemmingsplan bij de toelichting gevoegd. Het bouwrijp maken voor de geplande nieuwbouw heeft mogelijk effect op beschermde rust- en verblijfplaatsen van boom-bewonende vleermuizen, kleine marterachtigen, hazelworm, vliegend hert, roofvogels of eekhoorn. Er wordt geadviseerd onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. In het kader van het bestemmingsplan wordt dat onderzoek uitgevoerd. Onderzoek naar de aanwezigheid van het vliegend hert kan komen te vervallen als alle aanwezige stobben van eik worden gehandhaafd met in achtneming van een beschermingszone van 2 meter. Onderzoek naar de eekhoorn kan komen te vervallen als alle bomen worden gehandhaafd of de bomen die worden verwijderd zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten vlak voor het moment van vellen. Op het terrein kunnen algemene broedvogels broeden. Nesten van broedende vogels mogen niet verstoord worden.
Er wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten potentiële nestplaatsen voor het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden óf moet voor aanvang van de werkzaamheden een controle uitgevoerd worden door een ecoloog. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is gekeken of de toekomstige ontwikkelingen leiden tot negatieve effecten op natuurgebieden en op gebieden die beschermd zijn middels de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het projectgebied ligt op 0.7 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe (tabel 5). Effecten zoals trillingen, licht en geluid zijn op voorhand uitgesloten. Er zijn geen effecten van de werkzaamheden op de natuurwaarden van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Ontwikkelingszone. Een mogelijk effect door stikstofdepositie is niet uit te sluiten. Een berekening in Aerius Calculator kan duidelijk maken of er sprake is van een toename van stikstof uitstoot en of het uitvoeren van de werkzaamheden vergunningplichtig is. Deze AERIUS-berekening is uitgevoerd (zie bijlage 5).
Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat verkeer in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.
33
Houtopstanden In het projectgebied zijn geen bomen aanwezig die voldoen aan de definitie van ‘houtopstanden’. Toetsing aan de verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden is niet aan de orde. Wel is er in de gemeente Epe een kapvergunning nodig voor bomen in bosrijke wijken. Het onderzoeksgebied valt binnen de begrenzing van deze bosrijke wijken. Conclusie In het kader van het bestemmingsplan dient vervolgonderzoek te worden ingesteld naar de in de quickscan benoemde soorten. De resultaten van dit vervolgonderzoek worden verwerkt in de toelichting van het vast te stellen bestemmingsplan.
5.4 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse Bodem In het kader van voorliggend initiatief heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden op basis van NEN 5740. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de grond (inclusief PFAS) en het grondwater. Het onderzoek is als bijlage 6 opgenomen, de resultaten van het onderzoek zijn als volgt. In de bovengrond van de onderzoekslocatie zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan PCB en zink gemeten. De licht verhoogd gemeten gehalten overschrijden de waarden voor nader onderzoek niet. De bovengrond is tevens geanalyseerd op PFAS.
Uit de analyseresultaten blijkt dat de gemeten gehalten de maximale toepassingswaarden voor de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur niet overschrijden. In de ondergrond van de onderzoekslocatie zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters gemeten. In het grondwater van de onderzoekslocatie zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties aan zink en/of cadmium gemeten. De gemeten gehalten geven echter geen aanleiding tot nader onderzoek. Conclusie Voor wat betreft de overschrijdingen van de achtergrondwaarden c.q. streefwaarden in de grond en in het grondwater zijn er, ten aanzien van de kwaliteit van de bodem, op basis van de Wet Bodembescherming geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Het aspect bodem heeft geen beperkende invloed op voorliggend plan. 34
5.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Analyse In het kader van voorliggend plan is een akoestisch onderzoek naar de invloed van wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het plangebied ligt niet binnen andere akoestische invloedssferen. Het onderzoek, dat als bijlage 7 is opgenomen, leidt tot de volgende bevindingen.
De te verwachten geluidsbelastingen (Lden) vanwege het wegverkeer op de gevels van de binnen het plangebied geprojecteerde woonbestemmingen, bedraagt 47 dB of minder. Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de nabijgelegen zone plichtige wegen niet wordt overschreden. Deze wegen vormen daarom overeenkomstig het gestelde in de Wet geluidhinder geen belemmering voor de realisatie van het voorliggende bouwplan. Voor een goede ruimtelijke inpassing (beoordeling van een goed woon- en leefklimaat) van de voor bewoning bestemde bebouwing in haar directe omgeving, zijn naast de zone plichtige wegen ook de niet-zone plichtige wegen [30 km/uur wegen] in het akoestisch onderzoek betrokken. De optredende geluidsbelastingen als gevolg van deze secundaire wegen behoeven volgens de Wet geluidhinder niet te worden getoetst aan de gestelde grenswaarde, maar zouden wel kunnen leiden tot (aanvullende) geluidoverlast. Om na te kunnen gaan of er als gevolg van het wegverkeer over alle in de directe omgeving van het plangebied aanwezige wegen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat, zijn de optredende geluidbelastingen afkomstig van zowel de gezoneerde als van de niet-gezoneerde wegen in kaart gebracht. De gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van alle wegen gezamenlijk, zonder aftrek ex.
artikel 110g van de Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 51 dB. Ook als gevolg van de cumulatie van de gezamenlijke wegen, inclusief de niet-gezoneerde 30 kilometer wegen dus, zijn er geen aanvullende voorzieningen noodzakelijk. De optredende geluidbelasting van 35
de gecumuleerde wegen, zonder aftrek ex. artikel 110-g van de Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 51 dB. Dit is minder dan 53 dB waarmee rekening dient te worden gehouden op grond van het gestelde in het Bouwbesluit. Hierin is namelijk opgenomen dat de schilconstructie in ieder geval 20 dB buitengeluid dient te weren. Hierdoor is een binnen niveau van 33 dB gegarandeerd. Conclusie Het plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar.
5.6 Water Beleid Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het ‘hoe’ volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken ‘beschermen tegen overstroming’, ‘schoon en voldoende oppervlaktewater’ en ‘zuiveren van afvalwater’ blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn: -
We beschermen ons gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners.
Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Waterplan Epe De gemeente ligt op het overgangsgebied van de stuwwal van de Veluwe naar de IJssel. Het water van de Veluwe komt aan de flanken van de stuwwal aan de oppervlakte en watert af richting de lager gelegen IJssel. Op de Veluweflank loopt dit watersysteem van west naar oost. In de IJsselvallei loopt het watersysteem van zuid naar noord. Deze twee stroomgebieden hebben een grote invloed op de waterhuishouding in de gemeente Epe. Het Waterplan Epe beschrijft hoe de gemeente Epe de
36
komende jaren wil omgaan met het water in de gemeente. De gemeente stelt dat er op het eigen terrein 25 mm dynamische waterberging geborgen dient te worden.
Analyse Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. De watertoets is als bijlage 8 opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat met het plangebied waterschapsbelangen worden geraakt. Het verhard oppervlak in het plangebied neemt toe. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. Bij een substantiële toename van verhard oppervlak stelt het waterschap eisen aan de berging. Wanneer er meer dan 1500 m2 toename van verhard oppervlak wordt gerealiseerd, wil het waterschap graag in gesprek met de initiatiefnemer van het plan over de waterberging. Deze gesprekken vinden plaats in het kader van de uitvoering van het plan. Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald.
Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. In het gebied ligt infiltratieriool. Uitgangspunt is zodoende het bergen van hemelwater op eigen terrein en deze laten overlopen naar het infiltratieriool. Ten aanzien van het droogweerafvoer-riool (Dwa riool) moet nader bekeken worden waar deze aangesloten kan worden op het bestaande stelsel. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.
Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen
37
van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Daar wordt in voorliggend plan rekening mee gehouden. Conclusie Omdat waterschapsbelangen worden geraakt vindt in het vervolgtraject afstemming plaats met het waterschap.
5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Onderliggend plan voorziet in een milieugevoelige functie (wonen).
Ter plaatse geldt deze bestemming al, maar desondanks moet overwogen worden of de herontwikkeling van het plangebied leidt tot beperkingen voor omliggende functies of voor de woningen zelf. Vrijwel het gehele plangebied wordt omringd door woonfuncties. Deze functies hebben geen beperkende werking op het plan omdat woningen geen externe milieukundige werking hebben. Uitzondering op de omliggende woonfuncties is een perceel aan de Duisterestraat 6. Op het perceel zijn bedrijven met een maximale bedrijfscategorie 2 toegestaan. Ter plaatse is een loonwerkbedrijf gevestigd. Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is de richtafstand tussen de grens van het bouwvlak van het loonwerkbedrijf en de grens van de vergunningsvrije bebouwingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde woning binnen het plangebied (op basis van milieucategorie 2) 30 meter. In gemengd gebied 10 meter. Op basis van voorliggend plan is de afstand groter dan 30 meter.
38
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft geen beperkende invloed op voorliggend initiatief.
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: -
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: -
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
39
Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: -
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
Analyse Het plan voorziet in de realisatie van 31 woningen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 (woningbouwlocatie) overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het plan is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
5.9 Parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. De gemeente Epe heeft parkeerbeleid vastgesteld dat is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren' en de Nota parkeernormen 2018, die onderdeel is van het parapluplan. De Nota parkeernormen 2018 is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Analyse Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 31 woningen mogelijk. Gezien de ligging in de bebouwde kom wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald aan de hand van de parkeernorm die geldt voor het gebied 'overige zone - parkeernormen rest bebouwde kom' uit de Nota parkeernormen 2018. In de parkeerbalans wordt per ruimtelijke functie de parkeervraag berekend door de oppervlakte van de ruimtelijke functie of aantal woningen te vermenigvuldigen met de parkeernorm. Het totaal hiervan vormt de totale parkeerbehoefte. Bij het bepalen van woningentype gelden de volgende oppervlaktematen voor het gebruiksvloeroppervlak (NEN2580):
40
In voorliggend plan worden 11 appartementen onder de 100 m2 en 20 middeldure huurwoningen gerealiseerd van minder dan 110 m2. Dat leidt tot de volgende parkeeropgave: Woningtype
Huur etage midden/goedkoop Huurhuis, sociale huur
Aantal woningen
Norm, rest bebouwde kom
11 20
Aantal pp
1,4 2
15,4 40 55,4
Totaal
Op basis van voorgaande moeten in het plangebied 56 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De doelgroep van de woningen heeft naar verwachting een laag autobezit (doelgroep ouderen/senioren). Het aanleggen van 56 parkeerplaatsen lijkt daarom op voorhand niet nodig. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt van het plan dat sprake is van een groen karakter. Omdat er sprake is van een doelgroep met een laag autobezit en het uitgangspunt is om het plangebied een groen karakter te geven, wordt ervoor gekozen niet alle 56 parkeerplaatsen direct aan te leggen, maar is er voor gekozen om 46 parkeerplaatsen te realiseren. In het inrichtingsplan dat is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting en als voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de regels van het bestemmingsplan, zijn 46 parkeerplaatsen opgenomen die direct worden aangelegd. Daarnaast zijn 10 parkeerplaatsen ‘gereserveerd’ in het inrichtingsplan, zodat juridisch geborgd en aangetoond is dat aan de parkeeropgave van 56 parkeerplaatsen kan worden voldaan. Mocht er behoefte ontstaan aan 10 extra parkeerplaatsen, dan kunnen ze worden aangelegd. Conclusie Het bestemmingsplan is op basis van het aspect ‘parkeren’ uitvoerbaar.
5.10 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Circulaire effectafstanden
41
In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter van LPG stations toegestaan. Vervoer gevaarlijke stoffen Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Analyse Voorliggend plan maakt een milieugevoelige functie mogelijk. Daarom is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is een uitsnede uit de risicokaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied niet binnen de invloedssfeer van risicobronnen ligt.
Uitsnede risicokaart. Bron: www.risicokaart.nl.
Conclusie Het voorziene plan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.
42
5.11 Bomeneffect analyse Kenmerkend voor het plangebied is het groene karakter. Uitgangspunt van de planvorming is om rekening te houden met het behoud van dit groene karakter. Om hier bij de ontwerpopgave rekening mee te kunnen houden, is een bomeneffect analyse (BEA) opgesteld. De BEA is als bijlage 9 van deze toelichting toegevoegd. De BEA is een gestandaardiseerde beoordeling van de mogelijke effecten van bouw of reconstructie op bomen ten gevolge van het plan. Door de gestandaardiseerde beoordeling kan kwaliteit van de beoordeling worden gewaarborgd en voorkomen worden dat essentiële onderdelen onvoldoende of niet worden belicht. Het uitgangspunt is beoordelen of bouw of reconstructie mogelijk is met duurzaam behoud van de boom. Daarom dient een BEA altijd antwoord te geven op volgende vraag: Kan de boom (Kunnen de bomen) in het perspectief van de voorgenomen werkzaamheden, in zijn huidige verschijningsvorm en op deze plantplaats, duurzaam behouden blijven? De BEA is uitgevoerd op basis van het voorziene plan. Uit de gekregen gegevens blijkt dat de meest waardevolle bomen goed ingepast zijn in het ontwerp. Voor een aantal overige bomen dient een omgevings-/kapvergunning aangevraagd te worden. Hierbij kan in een terreinontwerp de compensatie aangegeven worden voor de te kappen bomen. Opgemerkt wordt dat een aantal bomen eind 2022 is gekapt vanwege de veiligheid.
Herplant met meer diversiteit kan voor een boost in de biodiversiteit van de omgeving zorgen. Op de tekeningen van de voorgenomen situatie zijn de lijnen van beplantingsvakken al ingetekend. Door de parkeervakken te voorzien van waterdoorlatende verharding kan dit water weer opgenomen worden door de omgevingsbeplanting (bomen). Een boombeschermingsplan is een must om de bomen tijdens sloop-, bouw- en terrein inrichtingswerkzaamheden te beschermen.
5.12 Besluit M.e.r. Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit
43
m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft met 31 wooneenheden onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen is een Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. opgesteld (bijlage 10). In de Aanmeldnotitie zijn de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis hiervan is in de Aanmeldnotitie geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij het ontwerpbestemmingsplan wordt een concept m.e.r.-beoordeling opgenomen. Vóór de vaststelling een definitieve beoordeling.
44
6. Toelichting op de regels 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, de voorziene situatie en het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
6.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).
6.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -
bestemmingsomschrijving 45
-
bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid
In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.
6.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.
6.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.
6.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In voorliggend plan zijn hoofdzakelijk de bestemmingen ‘wonen’ en ‘Groen’ van toepassing. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, andere-werken, tuinen en erven. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd. Daar is in voorliggend plan sprake van, wat er toe leidt dat alleen een appartementengebouw (binnen het aangeduide bouwvlak) kan worden gebouwd. Het maximum aantal woningen bedraagt 31.
Naast de bestemming ‘wonen’ is ook de bestemming ‘Groen’ van toepassing op een deel van het plangebied. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en beplantingen, paden, speelvoorzieningen, parkeerstroken, waterhuishoudkundige voorzieningen met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. Ten slotte is de bestemming ‘Verkeer’ van toepassing. Binnen deze bestemming zijn onder andere wegen, paden en parkeervoorzieningen mogelijk.
46
7. Uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
7.2 Economische uitvoerbaarheid Voorliggend plan wordt uitgevoerd op risico van een stichting. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer. Deze afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst die is gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Algemeen De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure). Participatie In het kader van voorliggend plan heeft diverse keren afstemming met omwonenden/belanghebbenden plaatsgevonden. Dit is verwerkt in een participatielogboek. Dit participatielogboek is als bijlage 11 van deze toelichting opgenomen. Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is dit bestemmingsplan toegestuurd aan bevoegde instanties. Eventuele reacties worden in deze paragraaf opgenomen.
7.4 Zienswijzen Op het moment dat de plannen als ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd, wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op de plannen in te dienen.
47
Bijlagen Bijlage 1. Beeldkwaliteitplan Bijlage 2. Inrichtingsplan Bijlage 3. Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 4. Ecologische quickscan Bijlage 5. Stikstofberekening Bijlage 6. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7. Akoestisch onderzoek Bijlage 8. Digitale watertoets Bijlage 9. Bomeneffect analyse Bijlage 10. Aanmeldnotitie MER Bijlage 11. Participatielogboek
48
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl