786238 Toelichting bestemmingsplan Vaassen
Tekst van het document
28
Gebiedsbescherming Gezien de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en tussengelegen afstand, worden geen directe negatieve effecten anders dan die van stikstof verwacht. De ontwikkelingen voortvloeiend uit de bestemmingsplanwijziging leiden niet tot effecten op doelstellingen of kwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland). Nadere toetsing naar effecten op aangewezen doelsoorten voor Natura 2000-gebieden en het opstellen van een landschapsontwikkelingsplan voor NNN zijn niet aan de orde. Het voornemen leidt mogelijk tot een toename van stikstofuitstoot. Op 29 mei 2019 oordeelde de Raad van State dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet voldoet. Sindsdien is iedere toename van stikstof op gevoelige habitattypen vergunningplichtig. Een berekening in Aerius Calculator kan duidelijk maken of er sprake is van een toename van stikstof uitstoot en of het uitvoeren van de werkzaamheden vergunningplichtig is. Deze AERIUS-berekening is uitgevoerd (zie bijlage 3). De Raad van State heeft in november 2022 bepaald dat de aanlegfase van een project niet meer vrijgesteld mag worden van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector op grond van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in de aanlegfase.
Dat betekent dat aangetoond moet worden dat de aanlegfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename. Conclusie Het aspect ecologie heeft geen beperkende invloed op voorliggend plan.
5.4 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse Bodem In het kader van voorliggend initiatief heeft een verkennend bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden op basis van NEN 5740. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van 29
de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de grond (inclusief PFAS) en het grondwater. Het onderzoek is als bijlage 4 opgenomen, de resultaten van het onderzoek zijn als volgt. In de grond is maximaal een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. De herkomst van dit licht verhoogde gehalte is onbekend doordat er geen antropogene bijmengingen zijn waargenomen die dit kunnen verklaren. De gehalten PFOS en PFOA blijven binnen de toepassingsnorm voor de bodemfunctieklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond die naar alle waarschijnlijkheid van nature aanwezig is. Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek zijn, ten aanzien van de kwaliteit van de bodem, op grond van de Wet Bodembescherming geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Er is geen asbestonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen in de grond en op het maaiveld. Gezien de bevindingen tijdens de uitvoering van het onderzoek is het niet vereist dat een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 wordt uitgevoerd. Conclusie Het aspect bodem heeft geen beperkende invloed op voorliggend plan.
5.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Analyse Wegverkeerslawaai Het plangebied grenst aan de Wetstraat en de Woestijnweg. Beide wegen zijn niet voorzien van een zone conform artikel 74 Wgh, en derhalve gelden ook geen wettelijke grenswaarden. Desondanks is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Het onderzoek is als bijlage 5 opgenomen.
30
Er is berekend dat de geluidbelastingen ten gevolge van de Woestijnweg ten hoogste 52 dB(A) is en dit hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A). Dit is echter niet hoger dan de ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is een karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van minimaal 24 dB ter plaatse van de hoogst belaste woningen noodzakelijk. Voor het behalen van een gevelwering van 24 dB zijn geen ingrijpende maatregelen nodig en zijn er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid. Door de Wetstraat zal het geluid vanwege het wegverkeer de voorkeursgrenswaarde niet overschrijden. Een goed woon- en leefklimaat wordt ten aanzien van deze weg gewaarborgd. Moskee, voetbalveld en speeltuin Binnen 50 meter van het appartementencomplex is een voetbalvereniging, een moskee en de speeltuin gelegen. Vanwege de afstand van het appartementencomplex naar de voetbalvereniging, de moskee en de speeltuin is een akoestisch onderzoek benodigd naar de geluidbelasting op de appartementen van de hiervoor genoemde activiteiten. Doel van het onderzoek is het bepalen van de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus ter plaatse van de gevels van het geprojecteerde appartementencomplex teneinde een goed woon- en leefklimaat te waarborgen, ter voorkoming van het optreden van geluidhinder.
De beoordeling van de rekenresultaten heeft plaatsgevonden aan de hand van de voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het onderzoek is uitgevoerd conform de ‘Handleiding meten- en rekenen industrielawaai 1999’, zijnde de rekenmethode ex artikel 110d Wgh jo. hoofdstuk 2 van het ‘Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012’ (Stcrt. 2012, 11810). Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 opgenomen. Uit de berekeningen blijkt het volgende: -
-
Tijdens trainingen en wedstrijden worden de grenswaarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit milieubeheer in acht genomen. Tijdens trainingen en wedstrijden in de dagperiode worden de grenswaarden van het maximaal geluidniveau uit Activiteitenbesluit milieubeheer in acht genomen. Tijdens trainingen in de avondperiode worden de grenswaarden van het maximaal geluidniveau uit Activiteitenbesluit milieubeheer overschreden. De overschrijdingen treden op ter plaatse aan de zuidgevel van het te ontwikkelen appartementencomplex en worden veroorzaakt door het schreeuwen van spelers. Verlaging van de geluidemissie van de het schreeuwen is niet mogelijk. Teneinde ter plaatse van de verdiepingen van de nieuwe woningen te voldoen aan de grenswaarde van het maximaal geluidniveau van 65 dB(A) in de avondperiode moet in de groenstrook een scherm aangebracht worden van 4,5 meter hoog, met een lengte van 45 meter. De totale kosten van een dergelijk scherm bedraagt derhalve € 92.250 exclusief BTW. Op grond van argumenten, zoals verwoord in paragraaf 6.2 van het akoestisch onderzoek (bijlage 6), wordt een dergelijk scherm niet doelmatig geacht. Op grond van een bestuurlijke afweging zal de raad van de gemeente Epe moeten afwegen of de berekende maximale geluidniveaus (2 db(A) overschrijding) alsnog aanvaardbaar zijn. Deze afweging wordt hierna gemaakt.
31
Afweging Op basis van onderzoek blijkt dat op enkele momenten in de avondperiode de geluidbelasting op de voorziene woningen met 2 db(A) wordt overschreden. in de rapportage is afgewogen of fysieke maatregelen getroffen kunnen worden om het akoestische niveau terug te dringen. De kosten daarvoor (€92.250 exclusief BTW) zijn niet proportioneel en redelijk. De afweging daarvoor is: -
-
-
Maatregelen ter verlaging van de maximale geluidniveaus zijn niet doeltreffend en evenmin doelmatig gelet op de kosten daarvan. Een scherm met een voormelde omvang doet afbreuk aan de gewenste ruimtelijke kwaliteit van de herontwikkeling. De overschrijdingen van het maximaal geluidniveau in de avondperiode worden mede veroorzaakt door het schreeuwen van de trainer/spelers. Hierbij gaat het om het schreeuwen van spelers in de hoek van het veld nabij het te ontwikkelen appartementencomplex. Aangezien het spel grotendeels in het midden van het veld speelt is de tijd en het aantal keer dat in deze hoek geschreeuwd wordt zeer gering en aanvaardbaar. Volgens het Activiteitenbesluit kunnen maximale geluidniveaus ten gevolge van sport- en recreatieactiviteiten tevens buiten beschouwing worden gelaten. De activiteiten van de voetbalvereniging worden hierdoor niet geschaad. Het maximaal geluidniveau bedraagt 67 dB(A) in de avondperiode ter plaatse van de gevel van de woningen. Conform Bouwbesluit dient een uitwendige scheidingsconstructie (de gevel) een karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB te hebben. Het inpandig geluidniveau is na aftrek van de karakteristieke geluidwering 47 dB(A) in de avondperiode en voldoet dan aan de inpandige geluideisen uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer van 50 dB(A) in de avondperiode in een geluidgevoelig gebouw.
Gelet op het voormelde worden maatregelen ter verlaging van de maximale geluidniveaus in de avondperiode niet opportuun geacht. Geluidhinder installaties In het kader van voorliggend plan is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar installaties. Aanleiding van het onderzoek is het installatiegeluid afkomstig van de installaties voor de warmte- of koudeopwekking van het beoogde appartementencomplex. Het akoestisch onderzoek heeft als doel het geluidniveau ten gevolge van de installaties voor klimaatvoorziening ter plaatse van de woningen in de omgeving en de appartementen van het te realiseren appartementencomplex inzichtelijk te maken. Het onderzoek is als bijlage 7 opgenomen. Voor het appartementencomplex wordt gebruik gemaakt van een brine/water warmtepomp. Hierbij wordt de warmte door middel van water met een antivriestoevoeging (brine) die in een leidingstelsel in de grond stroomt (externe omgeving) afgegeven of gewonnen. In het gebouw wordt de warmte afgegeven of gewonnen met water. De warmtepomp wordt binnen opgesteld en heeft geen installaties aan de buitenzijde van het gebouw waardoor de geluidsafstraling van deze bron niet relevant is voor de woningen in de omgeving en de appartementen van het appartementencomplex. Hierdoor wordt een goed woon- en leefklimaat ook voor de appartementen gewaarborgd.
Aanbeveling voor de ontwikkelaar is wel dat in de volgende fase rekening gehouden dient te worden dat voor het geluidniveau in de appartementen moet voldaan worden aan de eis uit het Bouw besluit
32
2012. Uit artikel 3.8 van het Bouwbesluit blijkt dat het installatiegeluidniveau van een installatie op hetzelfde perceel niet hoger mag zijn dan 30 dB in een verblijfsgebied. Uit voorgaande beschrijving van het systeem blijkt dat geen significante geluidemissies richting de woningen in de omgeving en de appartementen aanwezig zijn. Een berekening voor geluid kan derhalve ook achterwege blijven. Conclusie Het project is op basis van het aspect ‘akoestiek’ uitvoerbaar.
5.6 Water Beleid Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het ‘hoe’ volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken ‘beschermen tegen overstroming’, ‘schoon en voldoende oppervlaktewater’ en ‘zuiveren van afvalwater’ blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn: -
We beschermen ons gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners.
Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Waterplan Epe De gemeente ligt op het overgangsgebied van de stuwwal van de Veluwe naar de IJssel. Het water van de Veluwe komt aan de flanken van de stuwwal aan de oppervlakte en watert af richting de lager gelegen IJssel. Op de Veluweflank loopt dit watersysteem van west naar oost. In de IJsselvallei loopt het watersysteem van zuid naar noord. Deze twee stroomgebieden hebben een grote invloed op de waterhuishouding in de gemeente Epe. Het Waterplan Epe beschrijft hoe de gemeente Epe de 33
komende jaren wil omgaan met het water in de gemeente. De gemeente stelt dat er op het eigen terrein 25 mm dynamische waterberging geborgen dient te worden. Analyse Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. De watertoets is als bijlage 8 opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat het plangebied in de grondwaterfluctuatiezone ligt, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Hierover dient afstemming plaats te vinden met de provincie.
Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. In het gebied ligt infiltratieriool. Uitgangspunt is zodoende het bergen van hemelwater op eigen terrein en deze laten overlopen naar het infiltratieriool. Het betreft hier een inbreidingslocatie en er vindt geen toename van het verhard oppervlak plaatst, er wordt dan volstaan met 20-25mm berging en een overloop naar het bestaande infiltratie riool. Ten aanzien van het droogweerafvoer-riool (Dwa – riool) moet nader bekeken worden waar deze aangesloten kan worden, aan de Woestijnweg of de Wetstraat. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG.
Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden
34
te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Daar wordt in voorliggend plan rekening mee gehouden. Conclusie Omdat het plan in de grondwaterfluctuatiezone ligt, dient contact opgenomen te worden met de provincie. In de kader van de verdere planuitwerking wordt dit contact gelegd.
5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Onderliggend plan maakt een nieuwe milieugevoelige functie in de vorm van woningen mogelijk.
Gezien de differentiatie in functies in de directe omgeving kan het gebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Bij de beoordeling van milieukundige aspecten kan een trede terug worden gedaan op de ladder van de VNG. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, een moskee, sportvelden, een speeltuin en een maatschappelijke bestemming. In paragraaf 5.5 is reeds onderbouwd dat het plan op basis van de moskee, het voetbalveld en de speeltuin uitvoerbaar is op basis van het maatgevende aspect ‘geluid’. Overige milieukundige aspecten in relatie tot deze functies (stof en geur) zijn niet relevant. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een voor maatschappelijke doeleinde bestemde locatie. Hier bevindt zich een gezondheidscentrum/kantoor. Op basis van deze functie geldt in gemengd gebied geen richtafstand. Hierdoor wordt de maatschappelijke functie niet in de bedrijfsmogelijkheden beperkt. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft geen beperkende invloed op voorliggend initiatief.
35
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: -
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: -
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen:
36
-
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
Analyse Het plan voorziet in de realisatie van 29 woningen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 (woningbouwlocatie) overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
5.9 Parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. De gemeente Epe heeft parkeerbeleid vastgesteld dat is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren' en de Nota parkeernormen 2018, die onderdeel is van het parapluplan. De Nota parkeernormen 2018 is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. In het bestemmingsplan is het plangebied aangeduid als 'overige zone - parkeernormen rest bebouwde kom'. Analyse Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 29 appartementen mogelijk. Gezien de ligging in de bebouwde kom wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald aan de hand van de parkeernorm die geldt voor het gebied 'overige zone - parkeernormen rest bebouwde kom' uit de Nota parkeernormen 2018. Conform de Nota geldt per woningtype een parkeernorm. In onderstaande tabel is de parkeerbalans voor het plan uitgewerkt. Woningtype
Appartementen, koop etage
Aantal woningen
Norm, rest bebouwde kom
Aantal pp
25
1,6
40
4
1,9
7,6
goedkoop (<100 m2) Appartementen, koop etage midden (100 - 125 m2) Totaal
47,6
Op het buitenterrein worden 38 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt niet voldaan aan het parkeren op eigen terrein (tekort van tien parkeerplaatsen). De huidige kinderopvang heeft de 37
parkeeropgave echter in het openbaar gebied opgelost. Volgens de norm wordt er hier 1,4 pp per 100 m2 BVO gerekend. De kinderopvang heeft een totale oppervlakte van 833 m2 BVO, hierdoor komen er 12 parkeerplaatsen vrij in het openbaar gebied. Met deze extra parkeerplekken wordt voldaan aan de parkeeropgave. Om aan te tonen dat de 12 benodigde parkeerplaatsen beschikbaar zijn in openbaar gebeid, heeft een parkeerdrukmeting plaatsgevonden. Uit deze parkeerdrukmeting, die is opgenomen als bijlage 9 van deze toelichting, komt naar voren dat het gebruik van 12 parkeerplaatsen in openbaar gebied niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘parkeren’ uitvoerbaar.
5.10 Licht Toetsingskader Binnen 50 meter van het appartementencomplex is een voetbalvereniging gelegen. Vanwege de afstand van het appartementencomplex naar de voetbalvereniging is lichthinderonderzoek uitgevoerd naar de lichteffecten van de voetbalvereniging op de appartementen. Het onderzoek is als bijlage 10 opgenomen. Analyse Doel van het onderzoek is het bepalen van de optredende verticale verlichtingssterkte alsmede de lichtsterkte ter plaatse van een vensteropening in een gevel van de geprojecteerd bebouwing teneinde een goed woon- en leefklimaat te waarborgen, ter voorkoming van het optreden van lichthinder. De beoordeling van de rekenresultaten heeft plaatsgevonden aan de hand van de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. De resultaten zijn voorts getoetst aan de grenswaarden van de lichtimmissie van en verlichtingsinstallatie voor sportaccommodaties uit de NSVV Richtlijn Lichthinder. Uit de rekenresultaten blijkt dat de verlichtingssterkte ter plaatse van de lichtdoorlatende openingen van de geprojecteerde woningen lager zijn dan 10 lux. Er wordt daarom voldaan aan de grenswaarden. Uit de toetsing van de rekenresultaten van de lichtsterkte blijkt dat de gehanteerde grenswaarden van 10.000 cd op alle beoordelingspunten ter plaatse van het geprojecteerde woningbouwplan in acht worden genomen.
Conclusie Gelet op de resultaten van het uitgevoerde onderzoek is ten aanzien van het onderdeel lichthinder sprake van een aanvaard woon- en leefklimaat.
5.11 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse 38
aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Circulaire effectafstanden In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter van LPG stations toegestaan. Vervoer gevaarlijke stoffen Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Analyse Voorliggend plan maakt een kwetsbaar object mogelijk. Daarom is beoordeeld of in de omgeving van het plangebied functies aanwezig zijn of activiteiten worden uitgevoerd die vanuit het oogpunt van externe veiligheid van invloed zijn op het plan. In het kader van voorliggend plan is daarom de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is een uitsnede weergegeven. Op basis van de risicokaart blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven, instellingen, leidingen of transportroutes bevinden die vanuit het oogpunt van externe veiligheid van invloed zijn op het plangebied. Het plan voorziet ook niet in activiteiten die in het kader van externe veiligheid enig effect op de omgeving kunnen hebben. De groene driehoekjes op de kaart betreffen onderwijsinstellingen.
39
Uitsnede risicokaart. Bron: www.risicokaart.nl.
Conclusie Het voorziene bouwplan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.
5.12 Besluit M.e.r. Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke
40
ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft met 29 wooneenheden onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen is een Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. opgesteld (bijlage 11). In de Aanmeldnotitie zijn de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis hiervan is in de Aanmeldnotitie geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij het ontwerpbestemmingsplan wordt een concept m.e.r.-beoordeling opgenomen. Vóór de vaststelling een definitieve beoordeling.
41
6. Toelichting op de regels 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, de voorziene situatie en het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
6.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).
6.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -
bestemmingsomschrijving 42
-
bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid
In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.
6.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.
6.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.
6.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In voorliggend plan is hoofdzakelijk de bestemming ‘wonen’ van toepassing. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aanhuis-verbonden beroep, met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, andere-werken, tuinen en erven. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd. Daar is in voorliggend plan sprake van, wat er toe leidt dat alleen een appartementengebouw (binnen het aangeduide bouwvlak) kan worden gebouwd. Het maximum aantal woningen bedraagt 29.
Naast de bestemming ‘wonen’ is ook de bestemming ‘groen’ van toepassing op een deel van het plangebied. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en beplantingen, paden, speelvoorzieningen, parkeerstroken, waterhuishoudkundige voorzieningen met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.
43
7. Economische uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
7.2 Economische uitvoerbaarheid Voorliggend plan wordt uitgevoerd op risico van een commerciële partij. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer. Deze afspraken zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst die is gesloten tussen de gemeente en de ontwikkelaar van de locatie.
7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Algemeen De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure). Participatie In de voorbereiding tot het opstellen van het plan en het bestemmingsplan heeft diverse keren overleg plaatsgevonden tussen omwonenden en de initiatiefnemer. Tijdens de inloopavond waren de omwonenden positief over het plan. Mede op basis van dit participatietraject is het plan tot stand gekomen. De wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden is weergegeven in het participatielogboek die is opgenomen als bijlage 12 van deze toelichting. Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is dit bestemmingsplan toegestuurd aan bevoegde instanties. Naar aanleiding hiervan zijn geen reacties ingediend die hebben geleid tot planwijzigingen.
7.4 Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
44
Bijlagen Bijlage 1. Archeologisch onderzoek Bijlage 1a. Programma van Eisen archeologie Bijlage 2. Ecologische quickscan Bijlage 2a. Ecologisch vervolgonderzoek Bijlage 3. AERIUS onderzoek Bijlage 4. Bodemonderzoek Bijlage 5. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6. Akoestisch onderzoek omliggende functies Bijlage 7. Akoestisch onderzoek installaties Bijlage 8. Digitale watertoets Bijlage 9. Parkeerdrukmeting Bijlage 10. Lichtonderzoek Bijlage 11. M.e.r. beoordeling Bijlage 12. Participatielogboek
45
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl