CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

746374 Epe- Hoofdstraat 90-94 Bijlagen Bijlage 4 Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek

Gemeenteraad 20 april 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Hoofdstraat 90-94 Epe15.617 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 7 maart 2022 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 11 maart 2022. Het gehele plangebied was toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet, waarbij één boring buiten het pand geplaatst is en vier boringen binnen het pand. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) en guts (diameter 3 cm) 5 boringen tot maximaal 2,8 m -mv gezet (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). De inpandige boringen zijn voorgeboord met een betonboor. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 46 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Van de vijf boringen konden er twee niet doorgezet worden tot in de natuurlijke ondergrond, door de aanwezigheid van, met de hand, ondoordringbare puin- en grindlagen.

Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of 46

Bosch, 2005.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 17 van 23

cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven. De natuurlijke ondergrond bestaat uit matig grof, zwak tot matig siltig, grindhoudend, lichtgrijs zand. Dit betreft vermoedelijk een pakket sneeuwsmeltwaterafzettingen. De top van dit pakket bevindt zich op 1,8 à 2,7 m -mv (10,2 à 10,7 m NAP). In boring 1 en 2 is boven de C-horizont een gevlekte laag bruingrijs, zwak humeus zand met hierboven een gevlekte laag matig humeus, donkergrijsbruin zand. De bovenkant van dit traject bevindt zich op 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP). Dit betreft een omgewerkte laag, hoewel niet zeker is of dit een recente verstoring betreft of een oudere laag. In boring 3 is boven de C-horizont een 85 cm dikke laag matig fijn, matig humeus, donkergrijsbruin zand met veel lichtgrijze vlekken en enkele baksteen en -houtskoolspikkels aangetroffen. De top van deze laag bevindt zich op 1,8 m -mv (11,0 m NAP). Gezien de aanwezigheid van baksteenspikkels en houtskool, en de afwezigheid van recent puin/mortel, is hier mogelijk sprake van een antropogene laag met een relatief oude datering (Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd).

Boven deze lagen bevindt zich in de boringen 1-3 een dik pakket sterk humeus, donkergrijs, zand met grijze vlekken, recent puin en mortel. Dit betreft vermoedelijk een (sub-)recent verstoord pakket. De top van dit pakket bevindt zich op 0,5 à 1,1 m -mv (11,7 à 12,1 m NAP). Hierboven bevindt zich in de boringen 1 en 2 een matig tot sterk puinhoudende laag matig tot sterk humeus, donkergrijs zand, waarvan de top zich op 0,3 à 0,5 cm -mv (12,2 à 12,3 m NAP) bevindt. Boven deze laag is een enkele decimeters dikke laag lichtgrijs bouwzand aangetroffen, afgedekt door klinkerverharding (boring 1) of een betonvloer (boring 2). In boring 3 bevindt zich boven de sterk humeuze zandlaag een 15 cm dikke laag matig humeus, donkergrijs zand met veel puin en grind. De top van deze laag bevindt zich op 0,6 m -mv (12,2 m NAP). In de boringen 4 en 5 is deze laag ook aanwezig, maar was deze vanwege het hoge gehalte aan puin en grind niet doordringbaar. Deze boringen zijn op 0,4 à 0,5 m -mv (12,3 m NAP) gestuit. De laag bevat relatief veel harde mortel, dat hoogstwaarschijnlijk een (sub-)recente datering heeft. Boven deze laag is een pakket lichtbruin tot bruingrijs zand met veel grijze vlekken aangetroffen, wat geïnterpreteerd wordt als ophoogzand. In de boringen 2-5 is het geheel afgedekt door een 15 tot 20 cm dikke betonvloer.

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn eenduidige archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 18 van 23

Wel zijn in boring 3 vanaf 1,8 m -mv (11 m NAP) baksteenspikkels en houtskoolspikkels waargenomen. Mogelijk is hier sprake van een antropogene laag uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek kunnen onder de huidige bebouwing nog resten van bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Resten van voor de Middeleeuwen zullen door als gevolg van diverse bebouwingsfasen reeds vrijwel geheel verstoord zijn. Bovendien gold hiervoor een lage verwachting vanwege de ligging in een laaggelegen gebied. Gezien deze archeologische verwachting is verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek zijn in de boringen 1-3 tot 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) humeuze, gevlekte lagen met hierin recent puin en mortel waargenomen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de bodem tot deze uit (sub-)recent verstoorde lagen bestaat. Mogelijk betreffen dit deels een pakket dat is opgebracht om een laagte langs de Dorpse Beek op te vullen. Hieronder bevinden zich eveneens antropogeen verstoorde lagen, maar hier kan sprake zijn van een oudere datering. In boring 3 zijn binnen dit traject baksteen- en houtskoolspikkels aangetroffen. Mogelijk betreffen dit ophogingslagen uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. De natuurlijke afzettingen bestaan uit matig grof, grindhoudend zand, geïnterpreteerd als smeltwaterafzettingen, waarin alleen een lichtgrijze Chorizont aanwezig is.

Vermoed is dat het plangebied van oorsprong relatief laaggelegen was, als gevolg van de ligging in het beekdal van de Dorpse Beek. Ter bescherming tegen overstroming en ter versteviging van het maaiveld zal in meerdere fasen een zandpakket zijn opgebracht. Op basis van het booronderzoek kunnen vanaf 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd voorkomen. Bij bodemingrepen tot in dit niveau wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren. Gezien de grote diepte van het relevante niveau en hiermee gepaard gaande overlast van het grondwater, zal een proefsleuvenonderzoek hier naar verwachting lastig uitvoerbaar zijn. Vandaar dat wordt geadviseerd om tijdens de graafwerkzaamheden in een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding te voorzien. Geadviseerd wordt om een bufferzone van 30 cm boven het mogelijke archeologische niveau te hanteren en de graafwerkzaamheden dieper dan 11,3 m NAP (1,2 à 1,5 m -mv) te begeleiden. Tijdens een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, wordt direct doorgestart naar een opgraving – variant archeologische begeleiding, waarbij de vondsten en sporen direct gedocumenteerd en geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden.

Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Epe), die vervolgens een besluit neemt.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 19 van 23

LITERATUUR Amerongen, Y.F. van & A.W.E. Wilbers, 2017: Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Noordwijk (IDDS Archeologie rapport 1987). Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berghe, K.J. van den & H.N. de Koning, 2019: Rapportage Opgraving – variant Archeologische begeleiding Martinusplein (ong.) te Epe in de gemeente Epe. Zwolle (Econsultancy Rapport 4215.002). Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Diependaal, S., E.M. ten Broeke & P.J.L. Wemerman, 2014: Archeologische opgraving Markt te Epe in de gemeente Epe. Doetinchem (Econsultancy Rapport 13065728). Druijff, F., 2009: Cultuurhistorische Profielschets gemeente Epe. Samenvattend inventarisatiedocument. Utrecht (Tauw Projectnummer 4605785). Eilander, D.A., J.L. Kloosterhuis, F.H. de Jong & J. Koning, 1982: Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000; Toelichting bij de kaartbladen 26 Oost Harderwijk en 27 West Heerde. Wageningen. Hesseling, I., 2013: Markt/Verbindingsweg te Epe, gemeente Epe; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven).

Weesp (RAAP-Notitie 4429). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Lohuizen, G.S. van, 1978: De Dorpsbeek. In: Mededelingenblad “Ampt Epe”, nr. 44, pp. 2-4. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Pape-Luijten, H.,2019: Handreiking archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Gemeentes Brummen, Epe, Lochem en Voorst. Apeldoorn. Ringenier, H., 2011: Plangebied Markt/Verbindingsweg te Epe, gemeente Epe; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Weesp (RAAPNotitie 3912). Rotary Club Epe / Ampt Epe, 2011: De Eper Canon, Geschiedenis van een gemeente. Epe.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 20 van 23

Satinover, R.I., 2020: Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw winkelpand met bovenliggend appartementen, Hoofdstraat 90-92 te Epe. De Meren (Van Dijk Geo- en Milieutechniek Opdrachtnummer 153063). Spanjaard, G.W.J., 2015a: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Infiltratieriool Centrum te Epe in de gemeente Epe. Doetinchem (Econsultancy Rapport 15025169). Spanjaard, G.W.J., 2015b: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Doorsteek Brinklaan te Epe in de gemeente Epe. Doetinchem (Econsultancy Rapport 15025168). Spanjaard, G.W.J., 2015c: Archeologisch verkennend booronderzoek Sint Martinusplein 8 te Epe in de gemeente Epe. Doetinchem (Econsultancy Rapport 15015023). TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Vanderhoeven, T., K. Grothe, M. Hendriksen, E. Kars, J. Kreuning, J. van der Laan, E. Mittendorff, J. de Moor, K. Olaya & P.T.A. de Rijk, 2020: Een erf uit de Volle Middeleeuwen. Archeologisch onderzoek in de Hoofdstraat/Korte Kuipersweg te Epe door middel van een proefsleuvenonderzoek en een definitief archeologisch onderzoek. Amersfoort (EARTH Integrated Archaeology Rapporten 135). Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Werff, M.M. van der, 1999: De bodemgesteldheid van het landinrichtingsgebied Epe-Vaassen.

Resultaten van een bodemgeografisch onderzoek. Wageningen (Staring Centrum Rapport 669). Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 21 van 23

BRONNEN AHN; internetsite, november 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, november 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, november 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, november 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, november 2021. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, november 2021. http://www.bodemloket.nl Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, november 2021. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, november 2021. http://www.dinoloket.nl/ Gelders Archief; internetsite, november 2021. https://www.geldersarchief.nl/ Gemeentelijke Monumenten Epe; internetsite, november 2021. https://www.epe.nl/document.php?m=10&fileid=71049&f=c0e5ad1c428b28fabb8823251c23e37f&atta chment=0&c=17717 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie; internetsite, november 2021. https://www.epe.nl/in-epe/archeologie-en-cultuurhistorie_43009/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, november 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, november 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, november 2021.

http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Provincie Gelderland, Bodemverontreinigingen; internetsite, november 2021.. https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers/Bodemverontreinigingen.html

Provincie Gelderland; Cultuurhistorie, internetsite, november 2021.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 22 van 23

http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=2cc6fb09cfc24a8d8a923867ecf 57d7c Provincie Gelderland; Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie, internetsite, november 2021. http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=06b30b3eff92405b9f97773b62d 9c375 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, november 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, november 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, november 2021. https://www.sikb.nl Streekarchief Hattem, Heerde, Epe; internetsite, november 2021. https://www.streekarchiefepe.nl/ VEO Bommenkaart; internetsite, november 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 23 van 23

Figuur 1. Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000). 47

47

Publieke Dienstverlening Op de Kaart.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart.48

48

Publieke Dienstverlening Op de Kaart.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto uit 2021.49

49

Publieke Dienstverlening Op de Kaart.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart.50

50

Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 5. Het plangebied op de geomorfologische kaart.51

51

Wageningen Environmental Research, 2019.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 6. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3). 52

52

AHN.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 7. Het plangebied op de bodemkaart.53

53

Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 8. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. 54

54

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 9. Het plangebied op historische kaarten.

Rapport 17234.002 versie 1

Figuur 10. Het plangebied op historische kaarten.

Rapport 17234.002 versie 1

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 17234.002 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 17234.002 versie 1

Bijlage 2

Onderzoeksmeldingen

Zaaknummer (OMnummer) 2476149100 (65733)

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

60 meter ten noordoosten van het plangebied Infiltratieriool Centrum te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195812/484698

2476157100 (65734)

60 meter ten noordoosten van het plangebied Infiltratieriool Centrum te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195813/484698

2330291100 (46851)

70 meter ten noordoosten van het plangebied Markt/Verbindingsweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195753/484657

2384546100 (54148)

70 meter ten noordoosten van het plangebied Markt/Verbindingsweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195753/484657

2413916100 (57799)

70 meter ten noordoosten van het plangebied Markt/Verbindingsweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195751/484651

2475874100 (65698)

100 meter ten oosten van het plangebied Doorsteek Brinklaan te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195765/484576

Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 20-3-2015 Resultaat: Plangebied ligt op hooggelegen deel van een daluitspoelingswaaier, ten noorden van een droog dal. Op basis hiervan heeft het plangebied vanaf het Laat-Paleolithicum een gunstige verblijfsplaats gevormd. Binnen het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum – Mesolithicum, Romeinse tijd en Vroege-Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de perioden Neolithicum – IJzertijd en Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Aandachtslocaties zijn enkele zones nabij de Markt, waar eerder sporen uit de LateBronstijd zijn aangetroffen. Mogelijk zijn hier resten van een erf aanwezig. Ter plaatse van de Markt kunnen resten van voorlopers van deze weg en resten van historische bewoning verwacht worden.55 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 23-3-2015 Resultaat: De bodem bestaat uit een plaggendek op fluvioperiglaciale afzettingen. Archeologische begeleiding geadviseerd.56 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 26-5-2011 Resultaat: De bodem bestaat uit een verstoorde laag van circa 0,5 m dik met hieronder in enkele boringen een restant van een plaggendek. Vanaf 0,9 à 1,0 m -mv bevindt zich grindhoudend zand (daluitspoelingswaaierafzettingen).

Gezien de intacte bodem en ligging in het historische centrum van Epe is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.57 Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 1-11-2012 Resultaat: Plangebied bleek deels tot begin 20e eeuw in agrarisch gebruik te zijn geweest. Het vondstmateriaal dateert uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vermoedelijk is het terrein van de Late-Middeleeuwen in gebruik genomen, mogelijk voor akkerbouw, maar enkele nietgedateerde sporen kunnen ook op bewoning wijzen. Tevens is een kelder en waterput aangetroffen van een gebouw dat op een foto uit 1928 in het plangebied stond. Ook zijn diverse (paal)kuilen gevonden met een niet-recente datering, die mogelijk prehistorisch kunnen zijn. Opgraving geadviseerd.58 Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 1-9-2013 Resultaat: Tijdens de voorafgaand aan de opgraving uitgevoerde sloopbegeleiding bleek de bodem ter plaatse van de bestaande bebouwing geheel verstoord. In de overige zone was een laag cunetzand van 50 à 60 cm aanwezig met hieronder een restant van een plaggendek. Hieronder bevindt zich een gebioturbeerde overgangslaag van circa 20 cm (tussen 21,4 en 21,6 m NAP), met hieronder een C-horizont van slecht gesorteerde, grindhoudende smeltwaterafzettingen.

Tijdens het onderzoek zijn sporen uit de Late-Bronstijd aangetroffen, vermoedelijk behorende bij de rand of off-site van één of meerdere erven. Deze bestaan uit kuilen, en paalsporen van een klein bijgebouw, spieker of platform. Verder zijn nog vier sporenclusters met onbekende, maar niet-recente datering aangetroffen. Tenslotte zijn twee perceelsgreppels en hekwerken uit de periode 18e-20e eeuw en uitbraaksporen uit de 20e eeuw aangetroffen.59 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 18-3-2015 Resultaat: Plangebied ligt op hooggelegen deel van een daluitspoelingswaaier, ten noorden van een droog dal. Op basis hiervan heeft het plangebied vanaf het Laat-Paleolithicum een gunstige verblijfsplaats gevormd. Binnen het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor de

55

Spanjaard, 2015a. Ibid. 57 Ringenier, 2011. 58 Hesseling, 2013. 59 Diependaal et al., 2014. 56

Rapport 17234.002 versie 1

2475882100 (65699)

100 meter ten oosten van het plangebied Doorsteek Brinklaan te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195765/484577

2468584100 (64786)

180 meter ten noordoosten van het plangebied Sint Martinusplein 8 te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195769/484741

4544824100

180 meter ten zuiden van het plangebied Korte Kuipersweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195675/484323

4643669100

200 meter ten zuiden van het plangebied Hoofdstraat / Korte Kuipersweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195685/484320

4571002100

210 meter ten noorden van het plangebied Martinusplein te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195743/484843

60

Spanjaard, 2015b. Ibid. 62 Spanjaard, 2015c. 63 Van Amerongen & Wilbers, 2017. 64 Vanderhoeven et al., 2020. 65 Van den Berghe & De Koning, 2019. 61

Rapport 17234.002 versie 1

perioden Laat-Paleolithicum – Mesolithicum, Romeinse tijd en Vroege-Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de perioden Neolithicum – IJzertijd en Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd.60 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 23-3-2015 Resultaat: Uit het booronderzoek blijkt dat sprake is van een antropogeen eerddek op een fossiele akkerlaag. Hieronder is nog een restant van een podzolprofiel aanwezig. In de fossiele akkerlaag is een fragment steengoed aangetroffen (Siegburg) en in het antropogene eerddek zijn aardewerkfragmenten en bouwpuin aangetroffen, daterend uit de Nieuwe tijd. De hoge verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd is door deze resultaten bevestigd. De middelhoge tot hoge verwachting voor oudere resten blijft gehandhaafd, vanwege de grotendeels intacte bodemopbouw. Proefsleuvenonderzoek geadviseerd. 61 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 24-1-2014 Resultaat: Bodem bestaat uit een verharding met hieronder cunetzand. Hieronder bevindt zich een donkerbruingrijze akkerlaag met hieronder plaatselijk een BC-horizont of direct de Chorizont, bestaande uit smeltwaterafzettingen.62 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 26-5-2017 Resultaat: De bodem bestaat uit grofzandige daluitspoelingswaaierafzettingen met hierin een Bhorizont, afgedekt door een plaggendek.

Proefsleuvenonderzoek geadviseerd.63 Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving Uitvoerder: EARTH Integrated Archaeology BV Datum: 23-10-2018 Resultaat: Betreft twee deelgebieden. In het deelgebied aan de Hoofdstraat zijn nauwelijks archeologische resten aangetroffen. In het deelgebied aan de Korte Kuipersweg zijn de resten van een erf uit de 11e/12e eeuw aangetroffen met de sporen van een woonstalhuis en resten van erfgreppels, waterputten en waterkuilen. Op basis van het vondstmateriaal hebben mogelijk al activiteiten vanaf de 10e eeuw plaatsgevonden. Het woonstalhuis was waarschijnlijk halverwege de 12e eeuw bewoond.64 Type onderzoek: archeologische begeleiding Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 1-12-2017 Resultaat: Bodem bestaat uit Oud Dekzand en smeltwaterafzettingen met in de top soms een B- of BChorizont. De top hiervan bevindt zich op 13 m NAP. Hierboven bevindt zich een 50 cm dik plaggendek. Tijdens het onderzoek zijn paalkuilen met aardewerk uit de Midden-Bronstijd aangetroffen, evenals muurwerk uit de late 18e of 19e eeuw.65

Bijlage 3

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3139871100 (40484)

Locatie

Omschrijving

20 meter ten noordwesten van het plangebied te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195600/484600 70 meter ten noorden van het plangebied te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195610/484650

Neolithicum : - fragment van een diabaas/gabbro/doleriet/dioriet hamerbijl

2942182100 (42170)

2475882100

2384546100 (436268)

120 meter ten oosten van het plangebied Doorsteek Brinklaan te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195765/484575

130 meter ten noordoosten van het plangebied Markt/Verbindingsweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195752/484656

Vondstlocatie onbekend (‘omgeving Epe’), gevonden aan maaiveld Late-Middeleeuwen : - muurrestanten - fragmenten van tufsteen bouwmateriaal gevonden tijdens restauratie van de Grote Kerk Late-Middeleeuwen : - fragment van steengoed Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - fragmenten van dakpannen - bakstenen gevonden tijdens booronderzoek IJzertijd – Vroege-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk IJzertijd - Nieuwe tijd : - 24 paalgaten Vroege-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 58 fragmenten van gedraaid aardewerk Late-Middeleeuwen : - fragment van een tufsteen object, Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 4 fragmenten van leisteen objecten, - 5 bakstenen Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van loden objecten, - 5 kuilen, - 3 fragmenten van keramische kleipijpen - glazen afval - 4 greppels/sloten - waterput

4643669100

190 meter ten zuiden van het plangebied Hoofdstraat, Korte Kuipersweg te Epe Gemeente Epe Coördinaat: 195659/484340

gevonden tijdens proefsleuvenonderzoek Vroege-Middeleeuwen – Late-Middeleeuwen : - 227 fragmenten van gedraaid aardewerk - 66 fragmenten van plantaardig, hout tonnen/vaten/kuipen - 38 fragmenten van huttenleem objecten, - 44 fragmenten van metalen slakken Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 114 fragmenten van STX objecten, Late-Middeleeuwen : - fragment van een ijzeren paardentuig Nieuwe tijd : - fragment van een tegel - 13 bakstenen gevonden tijdens proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving

Rapport 17234.002 versie 1

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 17234.002 versie 1

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers, voorheen bekend als celtic fields).

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 17234.002 versie 1

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 17234.002 versie 1

Bijlage 5

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 17234.002 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 17234.002 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 17234.002 versie 1

Bijlage 6

Rapport 17234.002 versie 1

Planontwerp

Rapport 17234.002 versie 1

Rapport 17234.002 versie 1

Rapport 17234.002 versie 1

Bijlage 7

Rapport 17234.002 versie 1

Boorkolommen

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Rapport 17234.002 versie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12536283/1