CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

746374 Epe- Hoofdstraat 90-94 Bijlagen Bijlage 4 Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek

Gemeenteraad 20 april 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Hoofdstraat 90-94 Epe15.617 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN VERKENNEND BOORONDERZOEK HOOFDSTRAAT 90-94 TE EPE

archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Hoofdstraat 90-94 te Epe Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Keizerstraat 21 7411 HD Deventer

Rapportnummer

17234.002

Versienummer1

1

Datum

16 maart 2022

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

De heer drs. J. Holl

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

17234.002

Toponiem

Hoofdstraat 90-94

Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte

Gemeente

Epe

Plaats

Epe

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

gemeente Epe en Oene, sectie U, nummers 6882, 6883, 6885, 6886 & 7737

Omvang plangebied

circa 1.250 m2

Kaartblad

27 D (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 195.625/Y: 484.565

Bevoegde overheid

Gemeente Epe Postbus 600 8160 AP Epe

T. 14-0578 E. gemeente@epe.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Regioarcheoloog Stedendriehoek dhr. H.G. Pape-Luijten MA Postbus 9033 7300 ES Apeldoorn

T. 06-11707200 E. h.pape@apeldoorn.nl

ARCHIS3

5132098100 (bureauonderzoek) / 5180406100 (booronderzoek)

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland

Uitvoerder

Econsultancy, De heer drs. J. Holl

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Hoofdstraat 90-94 te Epe in de gemeente Epe. De initiatiefnemer heeft het plan de bestaande bebouwing te slopen en een nieuw gebouw te realiseren. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Archeologische verwachting bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek kunnen onder de huidige bebouwing nog resten van bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Resten van voor de Middeleeuwen zullen als gevolg van diverse bebouwingsfasen reeds vrijwel geheel verstoord zijn. Bovendien gold hiervoor een lage verwachting vanwege de ligging in een laaggelegen gebied. Gezien deze archeologische verwachting is verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Resultaten booronderzoek Tijdens het booronderzoek zijn in de boringen 1-3 tot 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) humeuze, gevlekte lagen met hierin recent puin en mortel waargenomen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de bodem tot deze uit (sub-)recent verstoorde lagen bestaat. Mogelijk betreffen dit deels een pakket dat is opgebracht om een laagte langs de Dorpse Beek op te vullen. Hieronder bevinden zich eveneens antropogeen verstoorde lagen, maar hier kan sprake zijn van een oudere datering. In boring 3 zijn binnen dit traject baksteen- en houtskoolspikkels aangetroffen. Mogelijk betreffen dit ophogingslagen uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. De natuurlijke afzettingen bestaan uit matig grof, grindhoudend zand, geïnterpreteerd als smeltwaterafzettingen, waarin alleen een lichtgrijze Chorizont aanwezig is. Vermoed is dat het plangebied van oorsprong relatief laaggelegen was, als gevolg van de ligging in het beekdal van de Dorpse Beek. Ter bescherming tegen overstroming en ter versteviging van het maaiveld zal in meerdere fasen een zandpakket zijn opgebracht. Conclusie en advies Op basis van het booronderzoek kunnen vanaf 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd voorkomen. Bij bodemingrepen tot in dit niveau wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren.

Gezien de grote diepte van het relevante niveau en hiermee gepaard gaande overlast van het grondwater, zal een proefsleuvenonderzoek hier naar verwachting lastig uitvoerbaar zijn. Vandaar dat wordt geadviseerd om tijdens de graafwerkzaamheden in een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding te voorzien. Geadviseerd wordt om een bufferzone van 30 cm boven het mogelijke archeologische niveau te hanteren en de graafwerkzaamheden dieper dan 11,3 m NAP (1,2 à 1,5 m -mv) te begeleiden. Tijdens een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, wordt direct doorgestart naar een opgraving – variant archeologische begeleiding, waarbij de vondsten en sporen direct gedocumenteerd en geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Rapport 17234.002 versie 1

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Epe), die vervolgens een besluit neemt.

Rapport 17234.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 17 3.1 3.2 3.3

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 17

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 17 Methoden ........................................................................................................................ 17 Resultaten ....................................................................................................................... 18

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 19

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 22

Rapport 17234.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000). Het plangebied op de kadastrale kaart. Het plangebied op een luchtfoto uit 2021. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart. Het plangebied op de geomorfologische kaart. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3). Het plangebied op de bodemkaart. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Het plangebied op historische kaarten. Het plangebied op historische kaarten.

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorkolommen

Rapport 17234.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Hoofdstraat 90-94 te Epe in de gemeente Epe (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft het plan de bestaande bebouwing te slopen en een nieuw gebouw te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in november 2021 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector) en het veldonderzoek is uitgevoerd in maart 2022 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Tevens is het onderzoek uitgevoerd conform de gemeentelijke handreiking voor bureau- en booronderzoek.2 Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: 

2 3

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01);

Pape-Luijten, 2019. SIKB.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 1 van 23

   

beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Epe; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 1.250 m2, ligt aan de Hoofdstraat 90-94, in het centrum van Epe in de gemeente Epe (zie figuur 1 en figuur 2). Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Epe en Oene, sectie U, nummers 6882, 6883, 6885, 6886 & 7737. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 27 D (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 195.625/Y: 484.565. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel vrijwel geheel bebouwd met een winkelpand (Hema) met hierboven appartementen en een kantoor. Een klein deel in het zuidoosten is verhard met klinkers (zie figuur 3).

4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 2 van 23

Onder het bestaande winkelpand is geen kruipruimte of kelder aanwezig. De bestaande betonvloer rust op zand. Ter plaatse van de draagmuren zijn funderingsstroken aanwezig die tot maximaal 1 m mv zijn ingegraven.5 Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Centrum Epe’, vastgesteld op 20 juni 2013. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’.

Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.6 Binnen de gemeente Epe wordt wat betreft het archeologiebeleid uitgegaan van de recente archeologische verwachtingskaart.7 Volgens deze kaart (zie Figuur 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten, met een conserverend dek van 30 cm of minder. De vrijstellingsgrenzen bij deze kaart zijn nog niet vastgesteld, maar in deze zones zal archeologisch onderzoek verplicht worden bij bodemingrepen groter dan 250 m 2 en dieper dan 35 cm -mv.8 Bodemverontreinigingen De overheid wil middels het Bodemloket inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Op basis van het bodemloket is direct ten zuiden van de huidige bebouwing in de jaren ’90 een sanering van een beek uitgevoerd, waarbij grond is afgegraven en schone grond is opgebracht.

De reden van deze sanering was een verontreiniging als gevolg van een benzinepomp die hier vanaf 1930 gestaan heeft.9 Op de provinciale kaart Bodemverontreinigingen is geen aanvullende informatie gevonden.10 Binnen het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij is tussen 0,15 en 0,8 m -mv een metselpuinhoudende laag aangetroffen, die licht verontreinigd is met kwik, zink, lood, PAK en PFOS. Verder is de boven- en onderlaag licht verontreinigd met PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en dichlooretheen. Gezien de lichte verontreinigingen is geconcludeerd dat geen beperkingen gelden voor de toekomstige nieuwbouw. Wel moet na de sloop van de huidige

5

Informatie verstrekt door de opdrachtgever. Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 7 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie. 8 Informatie verstrekt door dhr H.G. Pape-Luijten MA, regioarcheoloog Stedendriehoek. 9 Bodemloket. 10 Provincie Gelderland: Bodemverontreinigingen. 6

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 3 van 23

bebouwing ter plaatse aanvullend onderzoek plaatsvinden, aangezien de bebouwde zone niet onderzocht kon worden.11

11

Satinover, 2020.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 4 van 23

2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de sloop van de huidige bebouwing (totaal 1.180 m 2) gepland. Hierna wordt een nieuw gebouw gerealiseerd met een iets kleiner vloeroppervlak (980 m 2), geheel overlappend met de huidige bebouwing. Op de begane grond komt een winkelpand (Hema), met hierboven twee woonlagen met appartementen. Het gebouw wordt voorzien van een parkeerkelder over de noordelijke helft van de begane grond. De onderkant van de betonvloer in de parkeerkelder zal op een diepte van circa 3,2 m onder peil komen te liggen (circa 9,6 m NAP). In de zuidelijke helft van het plangebied zal een kruipruimte aangelegd worden, waarvan de vloer op 1,3 m onder peil komt te liggen (11,5 m NAP). Hieronder komen betonnen funderingsstroken en -poeren waarvan de onderkant vermoedelijk op circa 1,8 m onder peil (11,0 m NAP) komt te liggen. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie12

Fm. v. Boxtel met een dek van het Lp. v. Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek

Geomorfologie (landelijke kaart)13

Ongekarteerd (bebouwd)

Geomorfologie (gemeentelijke kaart)14

Vlakke erosiewaaier in de bebouwde kom

Bodemkunde15

Ongekarteerd (bebouwd)

Grondwatertrap

Ongekarteerd (bebouwd)

Landschappelijke ontwikkeling 16 Het plangebied ligt op de overgang van het ten westen gelegen stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe naar het ten oosten gelegen Pleistocene IJsselbekken (een groot preglaciaal bekken). Tijdens het Saalien (ca. 250.000 - 130.000 jaar geleden) lag een groot gedeelte van Nederland onder een vanuit Scandinavië naar het zuiden opgeschoven ijskap. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen, zo ook ter plaatse van het huidige IJsseldal. Aan weerszijden van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd, waaronder het stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe. De stuwwallen werden aan het eind van het Saalien sterk geërodeerd door afstromend smeltwater van het 12

TNO, 2010. Wageningen Environmental Research, 2017. 14 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie. 15 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland. 16 De Mulder et al., 2013 / Berendsen, 2008. 13

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 5 van 23

gletsjerijs. Tijdens en na het afsmelten van de ijslob aan het einde van het Saalien raakte het overgangsgebied tussen de stuwwal en het IJsseldal grotendeels opgevuld met afzettingen die hoofdzakelijk afkomstig zijn van de stuwwal zelf en zijn aangevoerd door het (sneeuw)smeltwater. Met het terugtrekken van het landijs hervatte de Rijn zijn loop door het Pleistocene IJsselbekken ten oosten van het plangebied. Na het Saalien brak een lange en vrij warme periode aan (een zogenaamd interglaciaal): het Eemien (ca. 130.000 - 115.000 jaar geleden). Het klimaat in het Noordzeegebied was bijna subtropisch (vergelijkbaar met het huidige klimaat in Midden-Frankrijk) en een groot deel van West-Europa liep door het smelten van het landijs en de stijgende zeespiegel onder water. Uiteindelijk werd een zeespiegelniveau bereikt dat wellicht 1 tot 2 m hoger lag dan tegenwoordig. Afzettingen van deze Eem-zee komen onder andere voor in de ondergrond van het IJsseldal en de Gelderse Vallei. De Rijn stroomde door het glaciale IJsseldal en had een meanderend karakter, waarbij vooral zandige kleien en komkleien werden afgezet. Ter plaatse van het plangebied vond nauwelijks erosie of sedimentatie plaats, omdat het buiten het bereik van de zee of grote rivieren lag. Vanaf circa 115.000 jaar geleden brak er weer een koude periode aan (glaciaal).

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 tot 11.500 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Wel was er toen gedurende langere periodes sprake van een zeer koud en droog klimaat. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Van belang voor het plangebied is dat het stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe weer verder erodeerde. Erosie vond vooral plaats doordat een geconcentreerde afstroming van sneeuwsmeltwater zich insneed in de permafrost. Hierdoor ontstonden sneeuwsmeltwaterdalen, die tegenwoordig worden aangeduid als droge dalen, omdat ze vandaag de dag niet meer actief watervoerend zijn. In de permanent bevroren hellingen van de stuwwal ontstonden door het afstromende water brede, trechtervormige (smeltwater)dalen. In de lente en zomer voerde het smeltwater grote hoeveelheden zand en grind mee. Voorbij de monding van deze dalen langs de randen van de stuwwallen vormden zich grote daluitspoelingswaaiers. De sneeuwsmeltwaterafzettingen, waaruit deze daluitspoelingswaaiers zijn opgebouwd, bestaan uit materiaal van Vroeg- en Midden-Pleistocene ouderdom dat zowel door de Rijn en in mindere mate door de Maas en door rivieren uit Noordoost-Duitsland (Eridanos systeem) is afgezet (in elkaar vertande afzettingen).

Het materiaal dat is afgezet door de Rijn en de Maas bestaat overwegend uit mineralogisch rijkere ‘bruine’ zanden, terwijl het materiaal afgezet door de Eridanos voornamelijk bestaat uit mineralogisch arme ‘witte’ zanden bestaat. De sneeuwsmeltwaterafzettingen vormden op hun beurt een bron voor lokale windafzettingen. In het Midden- en Laat-Weichselien (tussen 70.000 en 11.600 jaar geleden) veranderde het klimaat van koud en nat naar koud en droog. In eerste instantie werd onder de nat-eolische omstandigheden een laag Oud Dekzand afgezet dat zich kenmerkt door een relatief hoog leemgehalte en een horizontale gelaagdheid. Aan het einde van het Laat-Weichselien, tijdens het Laat-Glaciaal (tussen 12.500 en 10.000 jaar geleden) werd het dekzand onder droog-eolische omstandigheden afgezet in de vorm van langgerekte of paraboolvormige ruggen. Hierin is gelaagdheid meestal niet aanwezig, er komen geen leemlagen in voor en het betreft vaak goed gesorteerde zanden. Deze dekzanden worden ook wel aangeduid als de Jonge Dekzanden. Het Holoceen begon ongeveer 11.600 jaar geleden en duurt nog steeds voort. Door de temperatuursstijging aan het eind van de Weichselien smolten de ijskappen op het noordelijk halfrond waardoor de zeespiegel sterk steeg en er een vegetatieontwikkeling van vooral warmteminnende (boom)soorten plaatsvond.

Het dekzand werd grotendeels vastgelegd door de vegetatie, maar lokaal zijn stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 6 van 23

Daarnaast zijn in de beekdalen, zoals de Dorpse Beek die direct ten zuiden van het plangebied liep, afzettingen gevormd die bestaan uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel. Vaak zijn deze beekdalen ontstaan in de laatste ijstijd gevormde sneeuwsmeltwaterdalen (droge dalen). Of dergelijke beekdalen nog watervoerend zijn, is afhankelijk van de omvang van het stroomgebied en de opbouw van de ondergrond (doorlatendheid). De Dorpse Beek, die direct ten zuiden van het plangebied liep, is ontstaan doordat vanuit het dal van het Tongerense Veen bij het Landgoed Kolthoven de bedding door een hoge rug gegraven is. Hiervandaan stroomt hij door een ander, ondiep dal. Het is niet duidelijk waarom en wanneer deze omlegging is aangelegd. De beek voedde de gracht van huis De Quickborn in de 17e eeuw. De beek is in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw verlegd om zo enkele vijvers te voeden. Tot de jaren ’50 van de vorige eeuw is de beek altijd watervoerend geweest. In de jaren ’50 werd in de bovenloop meer water richting Wissel geleid en minder naar de Dorpse Beek. Daardoor kwam de beek grote delen van het jaar droog te staan.

In de jaren ’30 is het stuk beek langs de Hoofdstraat deels overkluisd en in het begin van de jaren ’50 werd ook het deel vanaf het Emmapark tot aan de Emmastraat overkluisd.17 DINO18 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Circa 400 m ten zuidoosten van het plangebied is vanaf 40 cm -mv grindhoudend zand aangetroffen, vermoedelijk smeltwaterafzettingen. Hierboven bevindt zich een laag zand die mogelijk dekzand betreft. Aangezien geen nadere lithostratigrafie van deze laag gegeven is, is dit echter niet zeker.19 Dit beeld komt overeen met een boring circa 300 m ten noordoosten van het plangebied. Hier is een 50 cm dikke zandlaag aangetroffen (nadere lithostratigrafie onbekend) met hieronder zeer grof, grindhoudend zand (smeltwaterafzettingen).

20 Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Epe bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd op de landelijke geomorfologische kaart.21 Wel is te zien dat Dorpse Beek buiten de bebouwde kom door een droogdal al dan niet bedekt met dekzand loopt (zie figuur 5). Gezien de relatief lage ligging in vergelijking met de gebieden ten noorden en zuiden van het plangebied, wordt vermoed dat het plangebied eveneens in een droogdal gelegen is. Op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart ligt het plangebied op een vlakke erosiewaaier. 22

17

Van Lohuizen, 1978. Dinoloket. 19 DINO-boring B27D0011. 20 DINO-boring B27D0008. 21 Wageningen Environmental Research, 2019. 22 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie. 18

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 7 van 23

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)23 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Aangezien het plangebied grotendeels bebouwd is, is de hoogte in vrijwel het hele plangebied niet weergegeven op het AHN (zie figuur 6). Direct buiten de bebouwing ligt het maaiveld tussen 12,0 m NAP in het zuiden en 12,5 m NAP in het noorden. Het plangebied ligt in een relatief laaggelegen zone tussen twee hogere delen. Ten noorden van het plangebied loopt het maaiveld omhoog tot meer dan 14 m NAP en ten zuiden van de Emmastraat loopt het langzaam omhoog tot circa 14 m NAP. Het plangebied lijkt hiermee op de flank van het beekdal te liggen. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Epe bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 7). Rondom de bebouwde kom bevinden zich enkeerdgronden in lemig fijn zand of leemarm een zwak lemig fijn zand, laarpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand of grof zand en beekeerdgronden in lemig fijn zand. Gezien de ligging langs de Dorpse Beek en extrapolatie van nabijgelegen eenheden wordt verwacht dat beekeerdgronden in lemig fijn zand aanwezig zijn. De beekeerdgronden in lemig fijn zand komen veel voor in beekdalen.

De middendelen hiervan zijn vaak zeer nat (grondwatertrap II), terwijl de hogere delen grondwatertrap III, III* of IV hebben. Op de lage delen is vaak een 15 à 20 cm dikke, zeer humeuze tot humusrijke of venige en zeer sterk lemige bovengrond aanwezig. Plaatselijk komen dunne lagen beekleem voor. Op de hogere delen is de bovengrond vaak iets dikker (25 à 35 cm), matig humeus en zwak tot sterk lemig. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van een verkennend bodemonderzoek reeds boringen uitgevoerd rondom de huidige bebouwing. In de twee diepere boringen (direct ten zuiden en westen van de bebouwing) zijn baksteen- en puinhoudende lagen aangetroffen tot 100 à 125 cm -mv. Hieronder bevindt zich bruin, zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand (mogelijk dekzand), op 170 à 230 cm -mv overgaand in matig grof en/of grindig zand, vermoedelijk smeltwaterafzettingen. In de overige boringen is puin tot de maximale boordiepte van 60 à 70 cm -mv aangetroffen.24 Op basis hiervan lijkt de bodem rondom de huidige bebouwing antropogeen verstoord tot minstens 1 m -mv. Het is echter niet duidelijk of dit een recente verstoring betreft of restanten van historische bewoning. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan.

De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Epe bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. 2.6

23 24

Archeologische waarden

AHN. Satinover, 2020.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 8 van 23

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).25 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 250 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Gelderland 26 De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland geeft inzicht in de archeologische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart ligt het plangebied binnen de zone ‘bebouwde kom of sterk veranderd gebied’. Direct ten zuiden van het plangebied loopt de Dorpse Beek (kluist).

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied27 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 28 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie figuur 8). Deze worden meer gedetailleerd beschreven in bijlage 2. Tijdens de booronderzoek in de omgeving is over het algemeen een plaggendek aangetroffen met hieronder daluitspoelingswaaierafzettingen.29 Op de Markt, circa 70 m ten noordoosten van het plangebied, is een proefsleuvenonderzoek gevolgd door een opgraving uitgevoerd.

Hierbij zijn sporen van de rand van een één of meerdere erven uit de Late-Bronstijd gevonden (kuilen en paalsporen van een klein bijgebouw, spieker of platform), evenals sporen uit de Nieuwe tijd en vier clusters sporen met onbekende, maar niet-recente datering.30 Aan de Korte Kuipersweg, circa 200 m ten zuiden van het plangebied, zijn tijdens een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving sporen van een erf uit de 11 e/12e eeuw aangetroffen (woon-

25

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Provincie Gelderland: Cultuurhistorie / Provincie Gelderland: Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie 27 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 28 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 29 Archis zaakidentificaties 2476157100, 2330291100, 2475882100, 2468584100 & 4544824100. 30 Archis zaakidentificaties 2384546100 & 2413916100. 26

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 9 van 23

stalhuis, erfgreppels, waterputten en waterkuilen), evenals vondstmateriaal duidend op activiteiten vanaf de 10e eeuw.31 Aan het Martinusplein, circa 210 m ten noorden van het plangebied, is zijn tijdens een archeologische begeleiding paalkuilen uit de Midden-Bronstijd aangetroffen, evenals muurwerk uit de late 18e of 19e eeuw.32 Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied33 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vijf vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 8). Dit betreffen grotendeels vondsten gedaan bij de hierboven beschreven onderzoeken. 34 Een andere vondst betreft een hamerbijl uit het Neolithicum die ergens in de omgeving van Epe gevonden is, maar administratief nabij het plangebied geregistreerd is. 35 Ook zijn tijdens restauratiewerkzaamheden in de Grote Kerk tufstenen muurresten van de voorganger van deze kerk gevonden. 36 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Epe37 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. Uit het Paleolithicum en Mesolithicum is slecht weinig bekend binnen de gemeente Epe. Gezien de aanwezigheid van een beekdal met nabijgelegen hogere gronden was het gebied vermoedelijk gunstig voor jagers en verzamelaars. De eerste landbouwers in de gemeente Epe bedreven zogenaamde rooflandbouw, waarbij bomen omgehakt werden en struiken verbrand om op het vrijgemaakte stuk landbouwgewassen te verbouwen. Na een paar jaar was de akker niet meer vruchtbaar en werd een nieuw stuk bos gekapt. De akkers lagen dicht bij de nederzetting. Uit deze periode (Neolithicum – Bronstijd) zijn veel grafheuvels bewaard gebleven.

De bewoning vond vooral plaats in de zone tussen 10 en 30 m NAP. In de IJzertijd nam de bevolking toe en werd de landbouw intensiever. Hierbij ontstond het systeem van raatakkers (voorheen bekend als celtic fields), waarbij velden van 35 bij 35 m tot 50 bij 50 m werden aangelegd, omgeven door een aarden wal. Eerst werd een groot rechthoekig gebied ontgonnen, 31

Archis zaakidentificatie 4643669100. Archis zaakidentificatie 4571002100. 33 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 34 Archis zaakidentificaties 2475882100, 2384546100 & 4643669100. 35 Archis zaakidentificatie 3139871100. 36 Archis zaakidentificatie 2942182100. 37 Van der Werff, 1999 / Druiff, 2009 / Rotary Club Epe / Ampt Epe, 2011. 32

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 10 van 23

dat vervolgens in kleinere percelen werd opgedeeld. Dergelijke raatakkers zijn onder andere ten noorden van Vaassen en bij Schaveren aanwezig. Wanneer de bodem onvruchtbaar raakt werd de bovenlaag opzij geschoven en werd vruchtbare grond van elders aangevoerd. Hierdoor werden de percelen steeds hoger. De raatakkers zijn in gebruik geweest tot het begin van de Romeinse tijd. Vermoedelijk vanwege uitputting van de grond of politieke onrusten werden deze verlaten. Vanaf de Romeinse tijd en VroegeMiddeleeuwen werd de ijzeren keerploeg gebruikt. De akkers kregen een meer langwerpige vorm, om zo weinig mogelijk te hoeven keren. Na periodes met toe- en afnemende bevolking nam in de tweede helft van de 8e eeuw de ontginning van bossen verder toe. De nederzettingen werden gesticht op een hoogte tussen 10 en 30 m NAP op de flank van de stuwwal. Zo ontstond een landschap van kleine afzonderlijke ontginningsplekken omringd door bos. In het bos weidde men het vee en op de akkers werden gewassen geteeld, voornamelijk voor eigen gebruik. Behalve Epe en Vaassen ontstonden in de Vroege-Middeleeuwen ook op andere plaatsen nederzettingen, soms bestaande uit één boerderij en soms uit een kleine groep boerderijen. Elke boerderij had eigen grond (huiskamp) waarop akkerbouw werd bedreven. De mest werd geleverd door schapen een runderen en werd op de akkers opgebracht.

De kerk van Epe is vermoedelijk rond 800 gesticht. In deze periode zal dit een eenvoudige houten kapel geweest zijn. Pas na het jaar 1000 werden kerken met tufsteen gebouwd. Het oudste gedeelte van de toren van de huidige Grote Kerk was reeds aanwezig rond 1125. Rond 1415 had de kerk zijn huidige omvang. Op basis van een akte uit 1176 was Epe destijds uitgegroeid tot de belangrijkste nederzetting van de Noordoost-Veluwe. Vanwege de toegenomen bevolking werd het kerspel Epe opgesplitst, waarbij de nieuwe kerspels Heerde en Hattem ontstonden. Tot die tijd moesten alle doden uit de Noordoost Veluwe in Epe begraven worden, maar na 1176 mocht dit ook in Hattem, Heerde en Vorchten. In de Late-Middeleeuwen nam de bevolking verder toe. Naast gewassen voor eigen gebruik, ging men ook voor de markt telen. Het akkerareaal nam steeds verder toe. Vanaf de 12 e en 13e eeuw vond tevens een verschuiving plaats van de hogere gebieden richting de nattere, laaggelegen gebieden. De bemesting bleef intensief. Door begrazing degradeerde het bos en ontstonden meer open grasheide vegetaties. Uit deze periode stammen de ‘laarnamen’, jonge ontginningen ontstaan dichtbij een moerasbos (laar). Onder andere de ten zuiden van Epe gelegen nederzettingen Laarstraat is vermoedelijk in deze periode ontstaan.

De broeknamen zoals Nijbroek verwijzen naar moerasbossen en zijn eveneens in de Late-Middeleeuwen ontstaan. Vanaf het eind van de 14e eeuw en in de 15e eeuw werd plaggenbemesting toegepast, waarbij bosstrooisel en heideplaggen vermengd met potstalmest op de akkers werd gebracht. Hierdoor ontstond in de loop der eeuwen een dik plaggendek, waardoor hoog en droog gelegen enk- en kampgronden ontstonden, vaak met scherpe steilwanden gemarkeerd door houtwallen. De teelt van voornamelijk rogge werd meer continu en er was veel mest nodig. Voor het weiden van schapen en het steken van heideplaggen waren grote oppervlakten woeste grond nodig. Dit bevond zich grotendeels beneden 30 m NAP. De toename van de bevolking leidde tot het oprichten van marken. Deze zorgen ervoor dat de ontginningsdruk zich meer verplaatste naar de hogere delen. Veel hoger gelegen nederzettingen werden verplaatst naar de flanken van de enken of kampen. Hierbij ontstonden nederzettingen zoals Wenum, Emst, Niersen, Wiesel, Wissel en Gortel. Op plaatsen waar boerderijen bij elkaar stonden, ontstonden dorpsenken.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 11 van 23

Rond 1600 kwamen naast landbouw ook andere nijverheden tot ontwikkeling. Er werden veel watermolens gebouwd, vaak achter elkaar langs dezelfde beek. Deze werden voor papierproductie of bij het malen van meel gebruikt. Hiertoe is een uitgebreid netwerk van sprengen en beken gegraven. Waar de watertoevoer te klein was zijn molenvijvers aangelegd. Langs de Dorpse Beek zijn naar verwachting nooit molens gebouwd, aangezien de watertoevoer hier te gering was. Door achteruitgang van de heidevegetatie als gevolg van plaggenwinning en overbeweiding ontstonden zandverstuivingen. In het begin van de 19e eeuw is ter bescherming hiertegen een hoge zandwal (Zandhegge) opgeworpen. Ter bevordering van de afwatering is de Grift gekanaliseerd en is het Apeldoorns Kanaal gegraven. Ook zijn in de 19e eeuw veel heidegronden omgevormd tot grasland. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel II.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut38

1811-1832

1:2.500

In het noordoosten woning van een metselaar, in het noordwesten de bijbehorende tuin, het zuiden ligt in de tuin van de burgemeester van Epe (Gustaaf Willem van der Feltz), de Dorpse Beek loopt door de zuidwestpunt van het plangebied

De bewoning concentreerde zich langs de Hoofdstraat, Beekstraat, Markt, Stationsstraat en Brinkstraat. Hierbuiten lag vooral bouwland en langs de Dorpse Beek veel weiland. De woning van de burgemeester lag ten westen van het plangebied, langs de Beekstraat.

Militaire topografische kaart39 (nettekening)

1830-1850

1:50.000

Bebouwing in oosten, overige deel: tuin

Geen noemenswaardige veranderingen

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1866-1899

1:50.000

Idem

Idem

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1915

1:50.000

Bebouwing in oosten, overige deel tuin en bos

De Dorpse Beek is iets verlegd waardoor deze gelijk loopt met de zuidelijke grens van het plangebied

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1935

1:50.000

In het oosten twee woningen, overige deel: tuin met bomen

Geen noemenswaardige veranderingen

Topografische kaart

1962-1975

1:25.000

Plangebied grotendeels bebouwd met twee gebouwen, overige deel: erf

Bebouwing in omgeving is toegenomen

Topografische kaart

1970

1:25.000

Gebouw in midden plangebied, beek is niet meer ten zuiden van het plangebied aanwezig.

Ten westen van het plangebied is een park ingericht

Topografische kaart

1975

1:25.000

Plangebied grotendeels bebouwd met enkele gebouwen

Idem

Topografische kaart

1988-2015

1:25.000

Huidige bebouwing is aanwezig

Idem

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied in ieder geval reeds vanaf het begin van de 19e eeuw bebouwd (zie figuur 9). In deze periode was sprake van enkele woningen direct langs de Hoofdstraat en tuinen ten westen hiervan. Het zuiden van het plangebied, direct langs de Dorpse Beek, behoorde bij de tuin van de burgemeester. In de tweede helft 38 39

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 12 van 23

van de 20e eeuw nam de bebouwing steeds verder toe totdat vrijwel het gehele plangebied bebouwd raakte. De Dorpse Beek is op de kaarten vanaf 1970 niet meer te zien en deze zal in deze periode ingekluisd zijn geraakt. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Tot 2012 moest een monument 50 jaar of langer geleden zijn vervaardigd om in het kader van de Monumentenwet voor bescherming in aanmerking te komen. Per 1 januari 2012 is dit criterium vervallen. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografisch, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Deze beschrijvingen zijn samengesteld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP).

Dit project was een initiatief van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur om een landelijk overzicht te krijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940. Het MIP werd in de periode 1987-1994 uitgevoerd door de provincies en de vier grote steden, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Binnen de 50 m attentiezone liggen geen rijksmonumenten, één gemeentelijk monument en vier MIP objecten (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). De MIP-objecten betreffen de Beekstraat 5 (bouwjaar 1997), Markt 1 / Hoofdstraat 97 (de Posthoorn, bouwjaar 1959) en Hoofdstraat 98 (De Overtuin, bouwjaar 1992). Het gemeentelijk monument betreft het Herenhuis "Vijvervreugd" (Beekstraat 1, bouwjaar 1880).40 Bouwhistorische gegevens Bij het Streekarchief Hattem, Epe, Heerde zijn diverse bouwvergunning bekend. Deze staan in onderstaande tabel weergegeven. Bij het archief is een aanvraag gedaan tot inzage van de bouwdossiers voor deze bebouwing. Binnen het tijdsbestek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen. Tabel III geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied.41 Tabel III.

Jaartal

Omschrijving

Hoofdstraat 90

1948

verbouw woning

1955

verbouw woon-winkelhuis

1928

verbouw achterzijde woning / verbouw woning

1930

verbouw woon-winkelhuis

1936

verbouw woning

1941

bouw pakhuis

Hoofdstraat 92

40 41

Verleende bouwvergunningen

Adres

Publieke Dienstverlening Op de Kaart / Gemeentelijke monumenten Epe / Basisregistraties Adressen en Gebouwen. Streekarchief Hattem, Epe, Heerde.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 13 van 23

Adres

Hoofdstraat 94

Jaartal

Omschrijving

1950

verbouw woon-winkelhuis

1951

herbouw schuur

1955

aanbouw magazijn met bovenwoning

1957

verbouw woon-winkelhuis

1959

verbouw winkel

1966

verbouw winkel

1968

uitbreiding winkel

1972

uitbreiding verkoopruimte / bouw 2 garages

1973

verbouw magazijn

1976

verbouw winkel

1979-1980

verbouw winkel

1984

wijzigen puibetimmering winkel

1990

verbouw winkel en magazijn

1935

verbouw woning

1940

afbreken en herbouw schuur

1957

aanbouw winkel

Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat deze dateert uit 1930.42 Uit bovenstaande tabel blijkt echter dat na deze periode diverse verbouwingen en uitbreidingen hebben plaatsgevonden. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.43 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 18 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 18, (november 2021), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

42

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 43

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 14 van 23

2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Neolithicum

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Bronstijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

IJzertijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Romeinse tijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Vroege-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Op basis van het bureauonderzoek is het plangebied gelegen in een droogdal waar vanaf de LateMiddeleeuwen of het begin van de Nieuwe tijd de Dorpse Beek doorheen liep. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 15 van 23

gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.44 De ligging in een droogdal maakte het vermoedelijk een weinig gunstige locatie voor jagers en verzamelaars. Bovendien kenmerken dergelijke vindplaatsen zich door afwezigheid van een sporenniveau en is over het algemeen alleen een vondstniveau aanwezig. Dit niveau zal hoogstwaarschijnlijk reeds verdwenen zijn als gevolg van de huidige en voorgaande bebouwing. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.45 Het droogdal zal ook in deze periode weinig gunstig geweest zijn voor bewoning. Akkers en erven zullen op de hogere gronden ten noorden en ten zuiden van het plangebied gelegen hebben. De lagere gronden zullen in gebruik geweest zijn als grasland. Hoewel circa 70 m ten noordoosten van het plangebied sporen uit de Bronstijd en Middeleeuwen zijn gevonden, blijkt dat de archeologische sporen zijn aangetroffen rond 21 m NAP, terwijl in het plangebied het maaiveld zich tussen 12 en 12,5 m NAP bevindt.

Op basis hiervan geldt een lage verwachting voor archeologische resten vanaf het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Het dorp Epe kent zijn oorsprong hoogstwaarschijnlijk in de Vroege-Middeleeuwen. Vermoedelijk was toen nog sprake van een nederzetting met enkele boerderijen. Het is echter niet duidelijk of het plangebied in deze periode bij het dorp hoorde en bebouwd was. Vandaar dat een middelhoge verwachting geldt voor de Vroege-Middeleeuwen. In de Late-Middeleeuwen was Epe reeds een belangrijk dorp. Vermoedelijk hoorde het plangebied reeds bij de dorpskern en het lag direct langs een doorgaande weg. Op de oudst geraadpleegde kaart uit het begin van de 19e eeuw was reeds bebouwing aanwezig in het oosten van het plangebied. Op basis hiervan geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vooral in het oosten van het plangebied worden bewoningsresten verwacht. In het overige deel zullen dit vooral resten van erfinrichting en perceelsgrenzen zijn. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld.

Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden direct beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is vrijwel geheel bebouwd, met uitzondering van een doodlopende steeg in het zuiden van het plangebied (circa 70 m 2). Hoewel gegevens over de huidige fundering niet bekend zijn, wordt ervan uitgegaan dat de bodem tot minstens 80 cm -mv (vorstvrije diepte) verstoord is. Verwacht wordt dat eventuele resten tot aan de Middeleeuwen vrijwel geheel verstoord zullen zijn. Wel kunnen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd nog resten van funderingen of diepe (water-)putten voorkomen. 44 45

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 16 van 23

2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek kunnen onder de huidige bebouwing nog resten van bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Resten van voor de Middeleeuwen zullen door als gevolg van diverse bebouwingsfasen reeds vrijwel geheel verstoord zijn. Bovendien geldt hiervoor een lage verwachting vanwege de ligging in een laaggelegen gebied. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Het belangrijkste doel van dit onderzoek is het vaststellen van de diepte van recente bodemverstoringen, evenals het opsporen van eventuele archeologisch relevante lagen. Dit onderzoek kan het best worden uitgevoerd voorafgaand aan de sloop van de huidige bebouwing, door middel van inpandige boringen.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12536283/1