660706 NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1 toelichting
Tekst van het document
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •
5.7.2
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
Onderzoek
Het voorgenomen initiatief bestaat uit de realisatie van zorgappartementen voor maximaal 20 cliënten. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die in de regeling NIBM is opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 27 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
luchtkwaliteit. Tevens zijn de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN & GDN) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat ten aanzien van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht, geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het besluitgebied (peiljaar 2020). Derhalve kan worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied voor wat betreft de luchtkwaliteit.
5.7.3
Conclusie
Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.8
Watertoets
Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. In het kader van onderhavige ontwikkeling is onder andere de digitale watertoets doorlopen. De watertoets is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen.
5.8.1
Beleid
5.8.1.1 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. 5.8.1.2 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Gelderland wordt aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.8.1.3 Waterschap Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. Het BOP is een gebiedsgericht programma dat door een uitgebreide participatieaanpak is ontwikkeld en vormgegeven en vormt de uitwerking van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050).
5.8.2
Watertoets
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is op 21 maart 2022 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de ingevoerde gegevens blijkt dat het planvoornemen geen waterschapsbelangen raakt en daardoor de ‘geen belang procedure’ van toepassing is. Onderstaande conclusie volgt uit de digitale watertoets: ‘De initiatiefnemer heeft Waterschap Vallei en Veluwe geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met het waterschap is niet nodig. Het Waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 28 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
Vasthouden – bergen – afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden – scheiden – schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.
Dit kan door nadere eisen/randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken.
5.8.3
Conclusie
Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Flora en fauna
5.9.1
Beoordelingskader
Juridisch kader Wet natuurbescherming (Wnb) Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Soortenbescherming Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Gebiedsbescherming
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 29 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000- gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
5.9.2
Toetsing
Het planvoornemen bestaat uit een inpandige transformatie van de bestaande villa en het koetshuis. Ten behoeve van de realisatie van een brancardlift vinden er beperkte werkzaamheden aan het dak en aan spouwmuren plaats. Hiertoe is door Gras Advies een quickscan flora & fauna uitgevoerd naar mogelijk aanwezige beschermde planten- en diersoorten. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 30 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn als volgt: 1. De aanwezigheid van beschermde soorten kan worden uitgesloten. 2. Het plangebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels, waaronder de spreeuw. Een spreeuw is gaan broeden in een boomholte tegenover de oostgevel van het hoofdgebouw. Een ontheffing is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat deze niet wordt verstoord of er buiten de broedperiode van de spreeuw om gewerkt wordt. De broedperiode van de spreeuw loopt van april tot in juni. Wanneer er binnen de broedperiode gewerkt wordt moet de ruimte rondom de boom vrijgehouden blijven en het verstoren van de vogel voorkomen worden. 3. De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a? voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.” Aanvullend op bovenstaande bevindingen mag er geen felle lichtuitstraling plaatsvinden richting het groen. Borging vindt plaats middels de Zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.
5.9.3
Stikstofdepositie
Ruimtelijke ontwikkelingen resulteren mogelijk in een toename van stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Derhalve dient nagegaan te worden of de voorgenomen ontwikkeling ene risico vormt voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor de bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten. Dit betekent dat in het vergunningentraject voor het aspect stikstof alleen nog de depositie in de gebruiksfase een rol speelt. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Gras Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd naar het effect van de plannen op de stikstofemissie en -depositie in Natura 2000-gebieden. Hierbij is uitgegaan van het maximale volume aan jaarlijks gasgebruik dat in de toekomstige situatie mogelijk is zonder dat hierbij negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden optreden. In deze berekening is gebruik gemaakt van intern salderen op basis van het huidig gebruik van deze locatie. De uitkomsten zijn in deze paragraaf beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.
Verschilberekening Er is geen significiant verschil in depositiewaartden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden tussen het huidige en toekomstige gebruik wanneer in het toekomstige gebruik maximaal 661 m 2 oppervlak met gas per jaar wordt verwarmd. Wet natuurbescherming Het toekomstige gebruik vormt met betrekking tot het aspect stikstof een bedreiging voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Conclusie Er is voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd indien tot maximaal 661 m2 aan oppervlakte met gas wordt gestookt. Voor het overige woonoppervlak dient gebruik te worden gemaakt van alternatieve energiebronnen en installaties.
5.9.4
Conclusie
Het aspect ‘flora en fauna’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 31 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
5.10 Archeologie en cultuurhistorie 5.10.1 Beoordelingskader Algemeen In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Daarnaast heeft de gemeente Boekel haar eigen archeologisch beleid vastgelegd in de Nota archeologie Boekel. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
5.10.2 Archeologie Het planvoornemen ziet toe op een inpandige functiewijziging van de bestaande villa en bijbehorend koetshuis. Hiertoe vinden er geen bodemroerende werkzaamheden plaats binnen het plangebied. Een onderzoek naar mogelijke archeologische waarden in de bodem is derhalve niet noodzakelijk. 5.10.2.1 Conclusie Archeologie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10.3 Cultuurhistorie Sinds de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om naast archeologisch bodemonderzoek ook cultuurhistorische waarden mee te wegen in het bestemmingsplan. 5.10.3.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden Het landgoed Kolthoven, bestaande uit de villa en het koetshuis, is aangewezen als gemeentelijk monument. Voor monumenten geldt in het algemeen bescherming van de bestaande situatie en een streven naar herstel in gevallen waar sprake is van verval. Veranderingen en uitbreidingen mogen uitsluitend van ondergeschikte aard zijn. Gemeentelijke monumenten worden beschermd via de gemeentelijke erfgoedverordening.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 32 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
Volgens deze verordening is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. De beperkte geplande wijziging in de gevels van het hoofdhuis en koetshuis ten behoeve van het geschikt maken van de panden voor bewoning door zorgbehoevenden (o.a. realisatie van brancardlift en vluchttrap) zullen middels een aanvraag omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. De Monumentencommissie dient hierover, in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen, een advies af te geven op basis van het nog uit te werken concrete bouwplan. Verder zullen de bestaande bebouwing en het omringende groen van het landgoed in stand worden gehouden en behouden blijven in de huidige staat.
5.10.4 Conclusie Met inachtneming van het genoemde in voorgaande paragraaf wordt geconcludeerd dat het aspect ‘cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11 Externe veiligheid 5.11.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Besluit externe veiligheid transportroutes; Regeling basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).
Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstande en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi.
Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar.
5.11.2 Toetsing Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: •
risicovolle inrichtingen;
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 33 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
• • •
transport over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; bovengrondse hoogspanningslijnen.
Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd) (bron: www.risicokaart.nl) Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Transport gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een weg, vaarweg of spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hogedruk aardgasleidingen Er bevinden zich geen hogedruk aardgasleidingen in de omgeving van het plangebied. Tot slot zijn er in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen gesitueerd.
5.11.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-) m.e.r.-plicht; c.
het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 34 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: • • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
5.12.1 Toetsing Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 ([D 11.2] de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de toevoeging van maximaal 20 zorgappartementen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 35 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
5.13 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, vormen de relevante milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 36 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
6 Toelichting op de regels 6.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan ‘Kolthoven’ vindt een planologische wijziging plaats, waarbij het bestaande landgoed wordt getransformeerd tot zorglocatie middels de realisatie van maximaal 20 zorgappartementen in de bestaande villa en het bijbehorende koetshuis.
Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op bestemmingsplan ‘Buitengebied Epe’ en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplanen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • Hoofdstuk 1 Inleidende regels; • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; • Hoofdstuk 3 Algemene regels; • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
6.2
Opzet regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
6.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •
artikel 1 Begrippen: in dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 37 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
6.2.2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • •
6.2.3
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bestemmingen en bouwregels;
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
• • • • • •
6.2.4
artikel 4 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom – nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel – wordt betrokken; artikel 5 Algemene bouwregels: dit artikel bevat een regeling met voorwaarden voor ondergronds bouwen ter plekke van gebouwen; artikel 6 Algemene gebruiksregels: dit artikel bevat regels ten aanzien van algemeen strijdig gebruik; artikel 7 Algemene afwijkingsregels: in dit artikel zijn bepalingen opgenomen die voorzien in situaties waarin middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het gestelde in de bestemmingsregels; artikel 8 Algemene wijzigingsregels: in dit artikel zijn de wijzigingsbevoegdheden voor het bevoegd gezag opgenomen; artikel 9 Algemene procedureregels: dit artikel bevat bepalingen over de te volgen procedure bij het stellen van nadere eisen; artikel 10 Overige regels: in dit artikel is een regeling opgenomen welke voorziet in de borging van voldoende ruimte voor parkeren en laden en lossen binnen het plangebied.
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 11 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 12 is de officiële benaming van dit bestemmingsplan opgenomen.
6.3
Nadere toelichting op de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Binnen dit bestemmingsplan wordt aan het gehele plangebied de bestemming ‘Maatschappelijk’ toegewezen. Hiermee wordt de vestiging van zorgfuncties op het landgoed mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de huidige maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal woningen: 2’ verruimd naar ‘maximum aantal woningen: 20’ zodat wordt toegestaan dat in de bestaande bebouwing ten hoogste 20 zorgappartementen gerealiseerd kunnen worden. Voor het overige blijft de bestaande bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – villa’ behouden,
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 38 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
waarmee de maximale inhoud van het gebouw is geborgd. Voor de regels van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de regels uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Epe’.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 39 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
7 Uitvoerbaarheid 7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.
7.2
Financiële haalbaarheid
De voorgenomen ontwikkeling wordt door de initiatiefnemer geïnitieerd en gefinancierd.
7.3
Kostenverhaal
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling en eventuele succesvolle planschadeclaims zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente zal hiertoe een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer sluiten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 40 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1
Inleiding
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).
8.2
Participatietraject
In het kader van de omgevingsdialoog is met de omwonenden van het plangebied het initiatief besproken. De bewoners zijn allemaal afzonderlijk op de hoogte gesteld van de plannen middels een persoonlijk gesprek met de initiatiefnemers. In onderstaande tabel is aangegeven van welke adressen de bewoners zijn gesproken en of er sprake is van bezwaar tegen de plannen bij de betreffende omwonenden. Adres Paalbeekweg 2, Epe Tongerenseweg 126, Epe Tongerenseweg 116, Epe Kolthovenweg 112, Epe Schotweg 50, Epe
8.3
Opmerkingen op plan Geen bezwaar tegen de plannen, wil graag op de hoogte gehouden worden van het vervolg. Geen bezwaar tegen de plannen, verzoek niet te vroeg te starten met lawaaimakende werkzaamheden i.v.m. gebruikers campingpark. Geen bezwaar tegen de plannen, wil graag betrokken worden bij het initiatief middels participatie in de moestuin. Geen bezwaar tegen de plannen, willen graag op de hoogte gehouden worden van de voortgang. Geen bezwaar tegen de plannen, willen graag op de hoogte gehouden worden van de voortgang.
Zienswijzen
Het ontwerp van dit bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website (www.deventer.nl) en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het plaatselijke weekblad en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerp van het ruimtelijke besluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit ruimtelijke plan.
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp
Pagina 41 van 41
Bestemmingsplan ‘Kolthoven’ NL.IMRO.0232.EPE044Kolthoven-OBP1
Bijlagen: Bijlage 1: Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Digitale watertoets Bijlage 4: Quickscan flora & fauna Bijlage 5: Rapportage intern salderen stikstof
Datum: 16 juni 2022 Versie: Ontwerp