CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

522766 (D) R002-1282646JNA-V04-pws-NL - 26-07-2022 compr

Gemeenteraad 13 oktober 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Haalbaarheid woningbouw in 't Slath21.055 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de toekomstige situatie kan het plangebied daarnaast beter gaan fungeren als broedlocatie, mits er voldoende broedgelegenheid wordt aangeboden. Hierdoor heeft het voornemen geen negatief, maar mogelijk een positief effect op gierzwaluw. Grote gele kwikstaart komt in het plangebied hoogstens op doortrek voor. Door het gebrek aan (stromend) water is er geen geschikt leefgebied aanwezig en is de aanwezigheid van een nestlocatie uitgesloten. Huismus is tijdens het oriënterende veldbezoek waargenomen maar leek niet direct een binding te hebben met één van de percelen. Het veldbezoek is echter uitgevoerd buiten het broedseizoen, waardoor hier geen conclusies aan verbonden mogen worden. De aanwezige woningen en bijbehorende tuinen zullen niet veranderen als gevolg van het voornemen. Eventueel aanwezige verblijfplaatsen worden dan ook geenszins aangetast. In de toekomstige situatie kan het plangebied echter wel gaan fungeren als broedlocatie, mits er voldoende broedgelegenheid en foerageergebied wordt aangeboden. Hierdoor heeft het voornemen geen negatief, maar mogelijk een positief effect op huismus. Kerkuil en steenuil broeden veelal in nestkasten welke speciaal voor ze worden opgehangen. Steenuil kan zowel broeden in gebouwen als in nestkasten aan gebouwen en in bomen. Kerkuil broedt vrijwel uitsluitend in nestkasten in schuren, onder overkappingen of in loodsen.

Van steenuil zijn twee nestkasten bekend in het plangebied (zie figuur 4.3) waarvan de noordelijke nestkast volgens de bewoners ook in gebruik is. Tot op circa 300 meter afstand van die nestkast zijn tijdens het veldbezoek op 27 september 2021 poepsporen aangetroffen in het plangebied welke waarschijnlijk behoren tot dit territorium. De aanwezigheid van kerkuil kan niet worden uitgesloten doordat de mogelijke broedlocaties zich op particulier terrein bevinden. Voor zowel kerk- als steenuil kan het voorkomen van en een negatief effect op niet met zekerheid worden uitgesloten. Bij het realiseren van meer bebouwing zal essentieel foerageergebied verloren gaan waardoor indirect (eventueel) aanwezige nestlocaties ongeschikt worden. Middels nader onderzoek zal moeten worden vastgesteld of, en waar, kerk- en/of steenuil voorkomt in het plangebied én in de directe omgeving.

31/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Figuur 4.3 De locatie van de steenuilenkasten

Nesten van ooievaar kunnen zich bevinden op daken, in bomen of op speciale ooievaarspalen. In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen nesten van ooievaar aanwezig. De aanwezigheid van een broedlocatie van ooievaar is uitgesloten. Slechtvalk broedt vrijwel uitsluitend op hoge gebouwen of in hoogspanningsmasten. Veelal ook nog in speciaal voor deze soort opgehangen nestkasten. Binnen het plangebied zijn dergelijke hoge kunstwerken waar slechtvalk tot broeden zou kunnen komen afwezig. De aanwezigheid van een broedlocatie van slechtvalk is uitgesloten. 4.6.4.2

Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren

Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding (die voortkomt uit o.a. verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het plangebied aanwezige populatie en alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol.

32/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, zeearend, zwarte kraai en zwarte roodstaart hebben allemaal een gunstige staat van instandhouding (SOVON, 2021). Maatregelen ten gunste van deze soorten worden daarom niet nodig geacht. Nesten van deze vogels zijn wel beschermd tijdens het broedseizoen. Blauwe reiger, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, hop, huiszwaluw, spreeuw, torenvalk en zwarte specht hebben allemaal een matig ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2020). Draaihals, eider, ekster en tapuit hebben een ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2021). Hoewel van enkele van deze soorten mogelijk in het plangebied nestlocaties aanwezig zijn, heeft het voornemen geen wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, spreeuw en ekster kunnen voorkomen als broedvogel met één of enkele paren. Het gaat in alle gevallen om soorten die broeden in bomen of gebouwen welke niet worden aangetast bij het voornemen. Door de voorgenomen ruime opzet van de toekomstige wijk blijft er binnen het plangebied voldoende broedgebied beschikbaar.

Afhankelijk van de inrichting kan voor een soort als spreeuw het plangebied zelfs veel geschikter worden. Het voorkomen van broedlocaties van blauwe reiger, hop, huiszwaluw, torenvalk, zwarte specht, draaihals, eider en tapuit is uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikte nestlocaties. 4.6.4.3

Vogels - in gebruik zijnde nesten

De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels beschermd. Het is noodzakelijk om in elk geval tijdens het broedseizoen voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. 4.6.5

Amfibieën

Alle soorten amfibieën zijn afhankelijk van water voor de voortplanting. Door het ontbreken van water in het plangebied en de directe omgeving zijn effecten op beschermde amfibieën uitgesloten. 4.6.6 Reptielen Adder en zandhagedis komen uitsluitend voor in natuurgebieden met heide, duingebieden en/of hoogveen(restanten). Dergelijk habitat ontbreekt in het plangebied, waardoor de aanwezigheid van adder en zandhagedis in het plangebied is uitgesloten.

33/43

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Kenmerk

Levendbarende hagedis komt voor in halfopen tot open landschappen, dit kunnen zowel natuurterreinen met heide zijn, maar ook zeer extensieve agrarische landschappen. Hazelwormen komen voor in halfopen tot besloten gebieden zoals heidegebieden of structuurrijke bossen. Voor beide soorten geldt dat deze gebieden goed ontsloten dienen te zijn via bijvoorbeeld spoorlijnen of andere extensieve gebieden. Het plangebied ligt te afgesloten door de aanwezigheid van bebouwing aan de noord en (zuid)westzijde. Aan (zuid)oostzijde heeft het landschap een intensief agrarisch karakter. Door het gebrek aan ontsluiting en verbintenis is het plangebied op zichzelf te klein om als leefgebied te kunnen fungeren en is de aanwezigheid van beide soorten uitgesloten. Ringslang komt voor nabij beken en in laagveengebieden. Deze soort is afhankelijk van water voor de voedselvoorziening en vanwege de broedhopen. Door het ontbreken van water is de aanwezigheid van ringslang uitgesloten. 4.6.7

Vissen

Alle soorten vissen zijn afhankelijk van water voor de voortplanting. Door het ontbreken van water in het plangebied en de directe omgeving zijn effecten op beschermde vissen uitgesloten. 4.6.8 Vlinders Sleedoornpage komt voor in de zuidrand van Epe en elders langs de Veluwerand. Aan de westzijde van het plangebied, langs de Brinkgreverweg staat een gemengde haag met sleedoorn. Deze haag wordt echter meerdere malen per jaar geschoren waardoor deze ongeschikt is als voortplantingsplaats voor sleedoornpage. Voor sleedoornpage zijn met name tweejarige takken van belang en door het snoeien is er een gebrek aan dergelijke takken. Grote weerschijnvlinder komt voor op verschillende loofbomen, maar altijd in de nattere biotopen. Het plangebied is te droog en bevat te weinig geschikte loofbomen voor de voortplanting en het voorkomen. Doordat in de bossen aan de oostzijde van de IJssel de soort vaker gemeld wordt en er mogelijk ook populaties heeft, worden incidenteel zwervend exemplaren waargenomen nabij het plangebied. Dit betreft zwervende exemplaren waarop het voornemen geen negatief effect heeft. 4.6.9

Libellen

Alle soorten libellen zijn afhankelijk van water voor de voortplanting. Door het ontbreken van water in het plangebied en de directe omgeving zijn effecten op beschermde libellen uitgesloten. 4.6.10 Overige ongewervelden Vliegend hert komt voor in de omgeving van het plangebied. De larven groeien op en in het hout van dode of stervende eiken. Hoewel er waarnemingen binnen de bebouwde kom bekend zijn van volwassen kevers, is de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen binnen het plangebied uitgesloten. De aanwezige eiken zijn (te) vitaal om als voortplantingslocatie te kunnen dienen. Eventueel aanwezige kevers betreft zwervende exemplaren vanuit de omliggende bossen. Door het ontbreken van geschikte voortplantingslocatie zijn negatieve effecten uitgesloten.

34/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

5 Haalbaarheidsanalyse In deze rapportage wordt inzichtelijk gemaakt welke beschermde soorten en gebieden mogelijk negatieve effecten onder vinden van het voornemen. Het voornemen heeft met grote waarschijnlijkheid een negatief effect op één of meerdere diersoorten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is daarom zeer waarschijnlijk nodig, voordat het plan uitgevoerd kan worden. Voor de ontheffingsaanvraag zal ook aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om vast te stellen of en welke soorten daadwerkelijk gebruik maken van het plangebied. Momenteel is het plan in het stadium van een haalbaarheidsanalyse. Voor de haalbaarheidsanalyse is ecologie relevant vanuit twee zaken:  Kan een ontheffing soortenbescherming van de Wet natuurbescherming, die nodig is voor het uitvoeren van het voornemen, redelijkerwijs worden verkregen?  

Wat zijn ruimtelijke consequenties vanuit ecologie voor het voornemen (welke zich financieel door vertalen)? Kan een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming, indien noodzakelijk voor het voornemen, redelijkerwijs worden verkregen?

Kan een ontheffing soortenbescherming van de Wet natuurbescherming, die nodig is voor het uitvoeren van het voornemen, redelijkerwijs worden verkregen? Op basis van de bevindingen in onderliggende rapportage is het aannemelijk dat één of meer beschermde soorten voorkomen in het plangebied. De beschermde soorten kunnen verspreid door het plangebied voorkomen en zijn in sommige gevallen mogelijk afhankelijk van (vrijwel) het volledige plangebied voor hun voorkomen. Het is redelijkerwijs onmogelijk om alle soorten in te passen in het plan met behoud van de huidige verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dat het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voordat het plan kan worden uitgevoerd, is zeer aannemelijk. Bij een aanvraag van een ontheffing is het van belang welke soorten voorkomen en negatieve effecten ondervinden van het plan en welke verbodsbepalingen (artikel 3.1, 3.5 of 3.10) van de Wnb worden overtreden. Het gaat in dit geval mogelijk om:  Boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ransuil, sperwer, steenuil en wespendief (allen Wnb, 

artikel 3.1) Boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn en planten (Wnb, artikel 3.10)

Verschillende soorten vleermuizen (Wnb, artikel 3.5)

35/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Voor het verkrijgen van een ontheffing is het noodzakelijk om alle (beschermde) natuurwaarden te onderzoeken volgens geldende protocollen. Daarnaast moet bij een eventuele overtreding voldaan worden aan drie voorwaarden, welke in de Wnb genoemd staan (a en c gelden voor elke beschermde soort, b is hier weergegeven voor de meest strikt beschermde soorten, namelijk vogels): a. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing b. Het voornemen is nodig: 1. In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid 2. In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer 3. Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren 4. Ter bescherming van flora of fauna 5. Voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. Om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan c.

De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort

Om te voldoen aan voorwaarde a is een degelijke alternatievenstudie noodzakelijk waarom er geen andere bevredigende oplossing is voor het plan. Hierin moet worden onderbouwd waarom er redelijkerwijs geen andere geschikte locatie is voor woningbouw die gunstiger uitpakt voor ecologie. Ook moet onderbouwd worden waarom er geen alternatieve inrichting mogelijk is. Om te voldoen aan voorwaarde b moet een wettelijk belang worden aangedragen. De wettelijke belangen zijn het meest strikt voor vogelsoorten, beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Wanneer voor vogels een wettelijk belang kan worden aangedragen, dan voldoet dit ook voor beschermde soorten onder artikel 3.5 en 3.10. Het realiseren van een woonwijk voldoet niet aan belang 2, 3, 4, 5 of 6. Wel is het voornemen in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid (belang 1). De behoefte aan extra woningen is voor de komende jaren in heel Nederland bijzonder groot en noodzakelijk vanwege de (mentale) volksgezondheid. Om te voldoen aan voorwaarde c moet worden aangetoond dat voor alle, in de huidige situatie aanwezige, beschermde soorten het leefgebied er niet op achteruit gaat. Verblijfplaatsen moeten daarom gecompenseerd worden of ingepast in het plan. Ook moet er ruim voldoende hoogwaardig foerageergebied ingepast of gecompenseerd worden binnen of in de directe omgeving van het voornemen.

Een aandachtspunt hierbij is dat er zowel tijdelijk als permanent voldoende leefgebied voor de soorten aanwezig moet zijn. Het is daarom voor de uitvoerbaarheid van het plan aan te bevelen (of zelfs noodzakelijk) het alternatief en/of te optimaliseren leefgebied in te richten vóór het bouwrijp maken van de overige delen. Als het gaat om compensatie en mitigatie lijkt de meest kritische soort op dit moment steenuil te zijn. Om in beeld te brengen of en in welke mate compensatie en mitigatie mogelijk is, is de directe omgeving ten oosten van het plangebied beoordeeld op de geschiktheid tijdens een

36/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

veldbezoek op 16 februari 2022. De omgeving bestaat uit een afwisseling van landbouwgronden, (natte) natuurlijke hooilanden, houtsingels en enigszins geclusterde bebouwing. Bij een deel van de erven zijn rommelhoekjes en kleine fruitboomgaarden met begrazing aanwezig. Rondom de bebouwing aan de oostkant van de Dijkhuizerweg zijn zowel voor kerk- als steenuil meerdere kasten en mogelijke toegangen gezien. De agrarische gronden lijken enigszins extensief gebruikt te worden voor wisselende teelten. Het gaat dan onder andere om graslanden, mais, (kerst)bomenteelt en kolen. Plaatselijk gaat het om ogenschijnlijk geschikt leefgebied, maar ontbreekt het aan nestplaatsen, dekking of voldoende uitkijkposten. Voedselbeschikbaarheid lijkt in eerste instantie niet een probleem, maar er is wel ruimte voor verbeteringen. Op meerdere delen is optimalisatie van het leefgebied mogelijk. Met aanvullende maatregelen kan voor veel andere soorten waarvoor effecten niet met zekerheid zijn uitgesloten ook een inpassing gerealiseerd worden. Het is wel van belang dat er bereidwilligheid is van de grondgebruikers en eigenaren. Wanneer aan eerdergenoemde 3 voorwaarden voldaan wordt, is het mogelijk dat een ontheffing voor beschermde soorten wordt verkregen. Provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van de ontheffing. Zij beoordelen daarom of het plan voldoet aan de voorwaarden.

Wat zijn ruimtelijke consequenties vanuit ecologie voor het voornemen (welke zich financieel door vertalen)? In de haalbaarheidsstudie kunnen de voorwaarden financiële consequenties hebben. De volgende aspecten hebben (mogelijk) invloed op de financiën: 

Er moet vóór het aanvragen van de ontheffing nader soortgericht onderzoek worden uitgevoerd volgens geldende protocollen naar beschermde soorten in het plangebied, dit onderzoek mag niet ouder dan 3 jaar zijn

Er moet een activiteitenplan worden opgesteld als basis voor de ontheffingsaanvraag. Aan de ontheffingsaanvraag zijn leges verbonden Het opstellen van ecologische werkprotocollen en ecologische begeleiding tijdens de

 

uitvoering van de werkzaamheden Een deel van de beschikbare grond moet (mogelijk) ingericht worden als bufferzone en natuur. De daadwerkelijk benodigde oppervlakte is afhankelijk van welke soorten daadwerkelijk gebruik maken van het plangebied én in hoeverre er in de directe omgeving mogelijkheden zijn tot de optimalisatie van leefgebied. Hoe meer ruimte in het plan wordt opgenomen voor compensatie en mitigatie, des te groter de kans is dat de ontheffing

verkregen wordt Voorwaarden stellen bij de uitgave van kavels. Denk aan groene of bruine daken met zonnepanelen, inrichting van een deel van de kavels als groen, inbouwen van kasten et cetera

Kan een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming, indien noodzakelijk voor het voornemen, redelijkerwijs worden verkregen? Uit de voortoets blijkt dat er geen sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie. Gezien het huidige agrarische gebruik van het plangebied is gebruik gemaakt van intern salderen. Na intern salderen is er geen sprake van een toename van

37/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

stikstofdepositie in de aanlegfase. In de gebruiksfase is wel sprake van een toename van maximaal 0,20 mol N/ha/jaar. Effecten op H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en zwarte specht zijn niet met zekerheid uit te sluiten. Doordat het hier een zeer lokale toename betreft is een mogelijke vervolgstap om ter plaatste te beoordelen of het habitattype kenmerken vertoont van (overmatige) stikstofdepositie en of de locatie mogelijk geschikt leefgebied betreft voor zwarte specht en draaihals. Uit de nadere effectbeoordeling blijkt dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. Om die reden is een vergunning niet benodigd. Vervolgstappen zijn niet benodigd. Het plan is redelijkerwijs uitvoerbaar.

38/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

6 Conclusies en aanbevelingen 6.1

Aanleiding en doel

In opdracht van Gemeente Epe heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de beoogde ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw bij ’t Slath in Epe. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen worden afgegeven en/of ontheffingen kunnen worden verleend.

6.2

Relevante natuurwet- en regelgeving

Voor de toetsing van het voornemen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing: Wet natuurbescherming - onderdelen:  

Gebiedsbescherming - Natura 2000 Soortenbescherming

Het onderdeel houtopstanden van de Wnb is niet van toepassing bij het voornemen. Er worden bij het voornemen geen bomen of bosschages verwijderd. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen een planologisch beschermd gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland. Aangezien externe werking daarbij ook niet van toepassing is, is een nadere toetsing daarvan ook niet benodigd.

6.3

Conclusies toetsing

6.3.1

Natura 2000-gebieden

Uit de effectbeoordeling blijkt dat er geen sprake is van negatieve gevolgen op Natura 2000gebieden. Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen is een berekening opgesteld met behulp van AERIUS Calculator. Gezien het huidige agrarische gebruik van het plangebied is gebruik gemaakt van intern salderen. Na intern salderen is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase. In de gebruiksfase is wel sprake van een toename van maximaal 0,20 mol N/ha/jaar. Gezien de zeer lokale toename is een veldbezoek uitgevoerd om te bepalen of er sprake (kan) zijn van effecten als gevolg van stikstofdepositie. Uit de nadere effectbeoordeling blijkt dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. 6.3.2 Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk:  

Boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ransuil, sperwer, steenuil en wespendief (allen Wnb, artikel 3.1) Boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn en vaatplanten (Wnb,

artikel 3.10) Verschillende soorten vleermuizen (Wnb, artikel 3.5)

39/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Voor deze soorten is het noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soortspecifieke protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Daarnaast dient bij de uitvoering van het voornemen én bij aanvullende onderzoeken (bodem, NGE, archeologie et cetera) rekening gehouden te worden met algemene broedvogels. Dit betekent dat er in beginsel geen werkzaamheden plaats vinden in de periode maart tot en met augustus of enkel in overleg en/of onder begeleiding van een ecoloog.

6.4

Consequenties planvorming en uitvoering

Zoals uit de haalbaarheidsanalyse blijkt is het voornemen uitvoerbaar voor het onderdeel soortenbescherming, maar zijn er wel enkele aandachtspunten. Het gaat hierbij om de onderbouwing van de alternatieven en het realiseren van voldoende mitigatie en compensatie. Hoewel dit met name voor steenuil (en andere jaarrond beschermde vogels) van belang is, vragen de andere beschermde soorten die (mogelijk) voorkomen in het plangebied ook aandacht. Welke beschermde soorten daadwerkelijk voorkomen in het plangebied kan inzichtelijk gemaakt worden door nader onderzoek uit te voeren. Zoals ook uit paragraaf 4.6.2 blijkt kunnen boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn en verschillende vaatplanten voorkomen in het plangebied. Deze soorten zijn minder streng beschermd dan vogels met een jaarrond beschermde nestlocatie. Voor de meeste van deze soorten is het redelijkerwijs mogelijk om middels maatregelen leefgebied in te passen in het plan of op een andere wijze zorg te dragen voor voldoende mitigatie en compensatie. Bij de aanwezigheid van das zal de situatie iets complexer van aard zijn omdat deze meer eisen stelt aan het leefgebied. Hoewel het er nu niet op lijkt dat das in het plangebied aanwezig is, bestaat er wel de kans dat das zich op termijn vestigt in het plangebied.

Indien das zich weet te vestigingen in het plangebied vraagt dit bij de uitvoering van het voornemen een mitigatie en compensatieopgave waarbij het realiseren van een alternatieve burcht inclusief bijbehorend leefgebied noodzakelijk kan zijn. De verwachting is dat met het realiseren van alternatief leefgebied voor steenuil, er ook alternatieven gerealiseerd (kunnen) worden voor bovengenoemde soorten, inclusief das. Voor de verschillende soorten vleermuizen is het aannemelijk dat middels planaanpassing voldoende alternatieven te realiseren zijn binnen het plangebied. Hierbij kan gedacht worden aan het nemen van maatregelen om uitstraling van verlichting te voorkomen en het aanleggen van extra (natte) groenstructuren zoals opgaande bomenrijen en bosschages. Daarnaast is het altijd verstandig om bij nieuwbouw extra verblijfplaatsen in te passen in de ontwerpen. Voor de uitvoering van het aanvullend onderzoek, naar alle eerder genoemde soorten, dient rekening gehouden te worden met een onderzoeksperiode die één volledig kalenderjaar beslaat. De procedure voor het verkrijgen van een ontheffing duurt circa 6 maanden maar kan gezien de complexiteit van het voornemen en drukte bij de provincie Gelderland ook oplopen.

Aanvullend op het nader onderzoek en de ontheffingsprocedure dient rekening gehouden te worden met de benodigde tijd voor het ongeschikt maken van bestaande verblijfplaatsen en de gewenningsperiodes en de tijd die nodig is voor de inrichting en realisatie van alternatief leefgebied. Het is verstandig om hiervoor rekening te houden met minstens één volledig

40/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

kalenderjaar. Bovenstaand tijdspad is nog zonder rekening te houden met eventuele vertragingen als gevolg van bezwaren of rechterlijke procedures. Indien men voornemens is om het plan tot uitvoer te brengen wordt aanbevolen de noodzakelijke onderzoeken zo spoedig mogelijk uit te voeren. Het later aanvangen van het nader onderzoek kan leiden tot minimaal één jaar vertraging omdat niet alle soorten in elke maand te onderzoeken zijn. Voor het onderdeel gebiedenbescherming is het voornemen redelijkerwijs uitvoerbaar. Uit de nadere effectbeoordeling blijkt dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. Een vergunning is niet benodigd.

41/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

7 Literatuur AERIUS Calculator. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Provincie Gelderland, 2017. Wijziging omgevingsverordening vanwege vaststelling natuurparagraaf. PRB, publicatienr. 435.

Provincie Gelderland, 2017. PAS gebiedsanalyse 057 Veluwe. Sierdsema, H., 2015. Toelichting abundatiekaart en aantalsschatting Zwarte Specht Veluwe. Sierdsema, H., A. van Kleunen, L. van den Bremen, L. Sparrius, J. Smit, A. Gmelig Meyling, T. Termaat, J. Kranenbarg, H. Hollander, R. Zollinger & J. Stahl. Leefgebiedenkaarten van de Natura 2000-gebieden en PAS-gebieden. Sovon-rapport 2016/21. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2020.

42/43

Kenmerk

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Geraadpleegde internetwebsites:   

www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl

  

www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net

 

www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl

43/43

Kenmerk

Bijlage 1

R002-1282646JNA-V04-pws-NL

Stikstofdepositieonderzoek

Stikstofdepositie-onderzoek ’t Slath 26 juli 2022

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Verantwoording Titel

Stikstofdepositie-onderzoek ’t Slath

Opdrachtgever

Gemeente Epe

Projectleider

Monica Martens

Auteur(s)

Thomas Hofman

Tweede lezer

Albert Brouwer

Projectnummer

1282646

Aantal pagina’s

16

Datum

26 juli 2022

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/16

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Kenmerk

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 4

2

Wettelijk kader ........................................................................................................................... 6

3

Opzet onderzoek ....................................................................................................................... 7

4

Uitgangspunten aanlegfase ....................................................................................................... 8

5

6

7

4.1

Mobiele werktuigen ............................................................................................................ 8

4.2

Vrachtverkeer en personenvervoer .................................................................................... 9

Uitgangspunten gebruiksfase .................................................................................................. 11 5.1

Woningen ......................................................................................................................... 11

5.2

Verkeersgeneratie ............................................................................................................ 11

Uitgangspunten referentiesituatie ............................................................................................ 13 6.1

Verkeersgeneratie ............................................................................................................ 13

6.2

Agrarische emissies ......................................................................................................... 13

Resultaten en conclusie .......................................................................................................... 16 7.1

Referentiesituatie. ............................................................................................................ 16

7.2

Aanlegfase ....................................................................................................................... 16

7.3

Gebruiksfase .................................................................................................................... 16

Bijlage 1

Kentallen en emissieberekening mobiele werktuigen

Bijlage 2

AERIUS verschilberekening aanlegfase

Bijlage 3

AERIUS verschilberekening gebruiksfase

3/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

1 Inleiding De gemeente Epe heeft ingenieursbureau TAUW gevraagd het stikstofdepositie-onderzoek uit te voeren voor bestemmingsplan ’t Slath. De gemeente Epe is voornemens om 300 nieuwe woningen te bouwen aan de oostkant van Epe. Zowel tijdens de realisatie (de aanlegfase) als na realisatie (de gebruiksfase) van activiteiten of projecten kunnen er bronnen zijn die stikstofoxiden (NOx) en eventueel ammoniak (NH3) emitteren. De stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. Wanneer blijkt dat het plan meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op (naderend) overbelaste1 stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden is er sprake van een in potentie significant effect en kan het plan niet zondermeer worden vastgesteld. Figuur 1.1 toont de ligging van plangebied en de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De meest nabije stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten zijn gelegen op 0,4 km van het plangebied in Natura 2000-gebied de Veluwe.

1

Indien de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) dan bevindt de natuur (habitats of leefgebieden van soorten) zich in een overbelaste situatie.

4/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Figuur 1.1 Planlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden (groen) en stikstofgevoelige habitats en leefgebieden (licht en donkerpaars)

Hoofdstukken 2 en 3 beschrijven kort het wettelijk kader en de onderzoeksopzet. In hoofdstuk 4, 5 en 6 worden alle emissieberekeningen en uitgangspunten voor de modellering gegeven, voor respectievelijk de aanlegfase, de gebruiksfase en de referentiesituatie. Hoofdstuk 7 tot slot geeft de resultaten en de conclusie.

5/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

2 Wettelijk kader In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Een bestuursorgaan stelt een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, uitsluitend vast, indien de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een plan dat netto meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een (naderend) overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect. Een plan kan alleen worden vastgesteld als de stikstofdepositie op geen enkel relevant en voor stikstofdepositie gevoelig hexagoon2 toeneemt. Bij (wijziging van) plannen wordt het planeffect bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bij plannen is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van vaststelling van het nieuwe plan.

Wanneer er sprake is van een toename in stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets of passende beoordeling onderzocht worden of effecten daadwerkelijk op gaan treden als gevolg van het plan en of deze de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten.

2

AERIUS berekent de depositiebijdrage op een hexagoon (een zeshoek met een oppervlak van 1 hectare). Een relevant hexagoon is een hexagoon welke (deels) overlapt met (naderend) overbelaste stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden.

6/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

3 Opzet onderzoek Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2020. In de berekeningen zijn de emissies van NOx en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om:   

Agrarische emissies tijdens de referentiesituatie Mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase Verkeersgeneratie van en naar de locatie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase

De emissies ten gevolge van sfeerverwarming tijdens de gebruiksfase

Er zijn in dit onderzoek drie berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen: 1. 2. 3.

Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de referentiesituatie Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de gebruiksfase (de beoogde situatie)

De referentiesituatie voor plannen is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van de (beoogde) vaststelling van het nieuwe plan.

7/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

4 Uitgangspunten aanlegfase De werkzaamheden in de aanlegfase bestaan uit:  Sloop van bestaande bebouwing  

Bouwrijp maken van kavels, ~16 ha Bouw van 300 woningen

De fasering van de bouwperiode is momenteel nog onbekend vanwege de vroege fase waar de plannen zich in bevinden. In het voorliggende rapport is gerekend met een bouwsnelheid van 100 woningen per jaar, waardoor het gehele bouwproject 3 jaar zou duren. Al het in te zetten materieel met een verbrandingsmotor (diesel-, benzine- of LPG aangedreven) zorgt voor de emissie van stikstofoxiden (NOx) en daarmee voor een bepaalde bijdrage aan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Naast de inzet van mobiele werktuigen worden vrachtwagens ingezet voor de aan- en afvoer van materiaal en personenauto’s en busjes voor de arbeiders / personeel.

4.1

Mobiele werktuigen

Aangezien de ontwikkeling zich nog in de planfase bevindt en nog geen aannemer(s) bekend zijn, is nog niet bekend welke diesel-, benzine of lpg aangedreven (mobiele) werktuigen in de aanlegfase ingezet zullen worden. Daarmee is ook over bedrijfstijden, bouwjaar en vermogen van de werktuigen geen specifieke informatie beschikbaar. De benodigde informatie voor het uitvoeren van de AERIUS berekening is een inschatting door specialisten van TAUW, op basis van verzamelde informatie van soortgelijke stikstofdepositie-onderzoeken. Het aantal bedrijfsuren en het vermogen is een conservatieve inschatting. Er is voor de berekening uit gegaan van moderne STAGE IV klasse werktuigen (bouwjaar vanaf 2014), dit omdat de uitvoering van het project op het vroegst op rond 2023 kan starten. Tabel 4.1 geeft de emissies die in haar totaliteit verwacht worden bij het bouwproject. De uitwerking van deze berekening is bijgevoegd in bijlage 1. Het gehele project zal niet binnen 1 jaar gerealiseerd worden. Gerekend is met een bouwsnelheid van 100 woningen per jaar en dus een bouwtijd van zo’n 3 jaar.

8/16

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Kenmerk

Tabel 4.1 Bepaling totale emissie door inzet (mobiele) werktuigen

Activiteit / werktuig

Tijdens belasting (70 % uren)

Stationair draaien (30 % uren)

TOTAAL

Vracht NOx

Vracht NH3

Vracht NOx

Vracht NH3

Vracht

Vracht

[kg/jaar]

[kg/jaar]

[kg/jaar]

[kg/jaar]

NOx

NH3

[kg/jaar]

[kg/jaar]

Kavel bouwrijp maken Tractor met hulpstuk

33,3

0,09

14,4

0,00

47,7

0,09

Shovel/laadschop

66,5

0,21

28,8

0,01

95,3

0,22

Shovel/laadschop

83,2

0,26

36,0

0,01

119,2

0,27

Graafmachine

185,5

0,56

72,0

0,02

257,5

0,58

Heistelling/hijskraan

465,6

1,29

144,0

0,05

609,6

1,33

Betonstorter

58,2

0,16

18,0

0,01

76,2

0,17

Kraan

276,7

0,73

108,0

0,03

384,7

0,76

Heftruck

50,5

0,14

14,4

0,00

64,9

0,14

Hoogwerker

16,6

0,05

7,2

0,00

23,8

0,05

1.678,9

3,61

Bouwwerkzaamheden

TOTAAL

De mobiele werktuigen zullen actief zijn op de bouwlocatie en daar rondrijden. Daarom zijn de emissies gemodelleerd als vlakbron gelijk aan de planlocatie. Daarbij is gekozen voor de sector ‘Mobiele werktuigen’, subsector ‘Bouw en Industrie’. De emissiehoogte is 4 meter en de warmteinhoud 0 MW. Dit zijn de default waarden in AERIUS voor mobiele werktuigen. De Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator geeft het advies om de default spreiding (4 meter) aan te passen naar de helft van de uitstoothoogte. De ingevoerde spreiding is daarmee 2 meter.

4.2

Vrachtverkeer en personenvervoer

De emissies afkomstig van verkeer worden door AERIUS berekend en zijn afhankelijk van het voertuigtype3 (personenauto’s, middelzwaar vrachtverkeer, zwaar vrachtverkeer of bussen), het aantal bewegingen per etmaal, het wegtype, de rijafstand en de mate van stagnatie. Het aantal ritten van vrachtwagens en personenauto’s/bestelbusjes is een inschatting door specialisten van TAUW, op basis van informatie van soortgelijke stikstofdepositie-onderzoeken. Tabel 4.2 geeft het aantal voertuigen en voertuigbewegingen.

3

In AERIUS zijn steeds de meest recente emissiekentallen voor wegverkeer geïmplementeerd, voor de zichtjaren 2014 t/m 2030.

9/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Tabel 4.2 Aantal vervoertuigbewegingen gedurende de aanlegfase Activiteit / type voertuig

Totaal aantal

Totaal aantal

voertuigen

vervoersbewegingen

Personenauto's/bestelbusjes

480

960

Middelzwaar vrachtverkeer

240

480

Zwaar vrachtverkeer

160

320

Personenauto's/bestelbusjes

16500

33.000

Zwaar vrachtverkeer

6.300

12.600

Kavel bouwrijp maken

Bouwwerkzaamheden

Vervoer van personeel van en naar de locatie vindt plaats met bestelbusjes en/of personenauto’s. Deze bewegingen zijn in AERIUS gemodelleerd als ‘licht verkeer’. Het vrachtverkeer bij de aanlegfase is gemodelleerd als ‘zwaar vrachtverkeer’. Al het verkeer wordt vanaf de bouwplaats meegenomen tot aan de oprit van de A50. Deze weg is gemodelleerd als ‘buitenweg’.

10/16

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Kenmerk

5 Uitgangspunten gebruiksfase De gebruiksfase is in AERIUS berekend voor het jaar 2023.

5.1

Woningen

De te realiseren nieuwbouw wordt niet op het gasnet aangesloten. Dat betekent dat de grootste bron van NOx emissies uit woningen (CV-ketels) uitgesloten kan worden. Overige NOx emissies zijn mogelijk vanuit sfeerverwarming, zoals open haarden en barbecue. Deze emissies zijn meegerekend in het onderzoek. Er is gebruik gemaakt van kentallen opgesteld in opdracht van BIJ124, deze resulteren in een NOx emissie van 0,44 kg/jaar per woning. Bij 300 woningen geeft dit 132 kg NOx per jaar. Deze emissies zijn gemodelleerd als vlakbron op de locatie van het plan, met een emissiehoogte van 6 meter. Dat is representatief voor emissies op dakhoogte, en het is een worst-case keuze voor emissies door barbecue. Emissies van ammoniak kunnen optreden door ademhaling (menselijke emissies), mest van huisdieren en uitdamping van schoonmaakmiddelen. Gemiddeld per woning leidt dit tot een emissie van 0,5 kg ammoniak per jaar. Het is een emissie die niet zozeer samenhangt met woningen, maar meer met aanwezigheid van mensen in het algemeen. Per 2016 is deze uitstoot opgenomen in de berekening van de achtergronddepositie zoals deze voor AERIUS Monitor wordt berekend door het RIVM. Daarom is het onnodig om deze uitstoot ook op planniveau mee te nemen, dat zou resulteren in een dubbeltelling.

5.2

Verkeersgeneratie

De relevante stikstofemissies in de beoogde situatie zijn de emissies van het verkeer. De verkeersstroom in het plangebied wijzigt, wat ook gevolgen heeft voor de emissies van NOx en NH3. De gemeente Epe heeft een verkeersstudie5 aangeleverd voor de autonome situatie en meerdere varianten van de plansituatie. Voor de AERIUS berekening van de beoogde situatie is aangesloten bij scenario 2A uit de verkeersstudie, dat is namelijk het scenario waarbij het meeste verkeer aan de noord-west kan van het plangebied (en dus nabij de Veluwe) ontsluit. Conform de aanwijzingen in de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020 (versie januari 2021, 3.0) is het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Praktisch is in deze situatie gekozen om de verkeersstroom mee te nemen tot aan de aansluitingen op de A50 of N309. Daarmee ontstaat het verkeersnetwerk zoals weergegeven in figuur 5.1. Op basis van de verkeersinformatie uit het model berekent AERIUS de emissies van NOx en NH3.

4

TAUW in opdracht van BIJ12, Emissiekentallen NOx en NH3 voor PAS / AERIUS, R001-1265226BWH-V01-aqb-NL,

31 augustus 2018. 5

C.T. Adema, Variantenstudie verkeersontsluiting ’t Slath Epe, kenmerk R01-D02-31096213-ksf, 8-11-2021.

11/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Figuur 5.1 Verkeersmodel zoals toegepast in de AERIUS berekeningen

12/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

6 Uitgangspunten referentiesituatie NOx en NH3 bronnen die aanwezig zijn op de locatie in de referentiesituatie, alsmede de verkeersgeneratie in de referentiesituatie, kunnen worden ingezet voor intern salderen; emissiebronnen binnen de plangrens vallen weg en hiervoor komen (eventueel) andere bronnen in de plaats. Netto mag bij het toepassen van salderen op geen enkele stikstofgevoelige locatie in Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie ten gevolge van de bronnen in de beoogde situatie toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. Op het terrein waar ‘t Slath wordt ontwikkeld is in de referentiesituatie landbouwgrond en verkeer aanwezig. In onderstaande paragrafen worden de kenmerken en emissies van de aanwezige emissiebronnen in de referentiesituatie verder uitgewerkt.

6.1

Verkeersgeneratie

Voor de referentiesituatie wordt voor de bepaling van de emissies en de modellering van de verkeersgeneratie dezelfde werkwijze aangehouden als voor de gebruiksfase. De gebruikte cijfers gelden voor de autonome situatie, ofwel de situatie zoals het verkeer zou zijn als het plan niet wordt gerealiseerd, in het jaar 2040.

6.2

Agrarische emissies

Wanneer een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht en de gronden in het plangebied thans feitelijk planologisch legaal in gebruik zijn voor bemesting, mag het verdwijnen daarvan in de ecologische (plan)toets worden betrokken. De woonwijk ‘t Slath (voor zover daarvoor de agrarische bestemming wordt gewijzigd) kan ook alleen maar worden gerealiseerd, wanneer het huidige agrarisch gebruik met de bijbehorende bemesting ter plaatse wordt beëindigd. De beëindiging van het agrarisch gebruik is in dat geval het rechtstreeks, positief onlosmakelijk gevolg van de uitvoering van het plan. Nu de feitelijke bemesting bij dit agrarische gebruik planologisch legaal is, maakt dit gebruik onderdeel uit van de referentiesituatie die moet worden gehanteerd in de plantoets uit artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming.6 Volgens rechtspraak betreft dit een maatregel waarmee in de voortoets rekening mag worden gehouden.7 Wanneer volstaan kan worden met interne saldering hoeft er vanwege stikstofdepositie geen passende beoordeling te worden verricht en hoeft er uit hoofde van art. 7.2a lid 1 Wm geen planMER te worden gemaakt. Door de realisatie van ‘t Slath wordt 11,2 hectare landbouwgrond op zand uit productie genomen. Het betreft 11,2 hectare grasland (bron: boerenbunder). Deze gronden hebben een agrarische bestemming en worden bemest.

Het verdwijnen van deze 11,2 hectare aan landbouwgronden is het rechtstreekse, onlosmakelijke gevolg van de realisatie van ‘t Slath.

6

Zie ABRS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439, r.o. 106.5.

7

Zie ABRS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4672, r.o. 9.10.

13/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Figuur 6.1 Ligging van de gronden die uit agrarisch gebruik worden genomen

Algemeen hanteerbare emissiekentallen voor bemesten en beweiden zijn momenteel niet beschikbaar. Daarom is een methode gevolgd welke (oorspronkelijk) is opgesteld door de provincie Utrecht en nadien door veel andere partijen in min of meer dezelfde vorm wordt gehanteerd om de NH3-emissie vanuit bemesting vast te stellen gelet op het bestaande gebruik. Voor het bemesten wordt als uitgangpunt gebruikt dat in Nederland jaarlijks maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare mag worden opgebracht8. Als de stikstofgebruiksnorm voor een gewas hoger is dan dat, dan moet de resterende hoeveelheid stikstof met kunstmest worden toegediend. Niet alle toegediende stikstof zal emitteren naar de lucht. Dit is afhankelijk van de totale hoeveelheid ammoniakale stikstof (TAN) in de mest. Vervolgens moet rekening worden gehouden met een vervluchtigings-percentage om uiteindelijk tot een emissie door bemesting en beweiding te komen. In tabel 6.1 wordt de berekening gegeven voor de NH3 emissie ten gevolge van bemesten.

8

Zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mestbeleid/mest/gebruiksnormen/dierlijke-mest.

14/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Tabel 6.1 Berekening NH3-emissie ten gevolge van bemesting Parameter

Eenheid

Kental grasland

A

Kg N/ha uit dierlijke mest

170

B

% ammoniakale N uit te rijden mest (TAN)

48 %

formule

(WUR: Velthof) C

Kg NH3/ha/jr door bemesting

99,1

A * B * (17/14)

(omrekening van N naar NH3) D

Vervluchtigingspercentage grasland

17 % (zodebemester)

E

Totaal kg NH3/ha/jr door dierlijke mest

16,8

F

Oppervlak in hectare

11,2

G

NH3 emissie kg/jaar dierlijke mest

188,7

Totaal NH3 in kg/jaar

188,7

C*D

E*F

Ten aanzien van parameter D: Er is uitgegaan van het meest behoudende uitgangspunt dat het vervluchtigingspercentage 17 % bedraagt, op basis van de zodebemesting. Bovengronds uitrijden van de mest zou leiden tot een veel hogere emissie.

15/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

7 Resultaten en conclusie De bijdrage aan de stikstofdepositie van plan ‘t Slath is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2020). In de bijlagen 2 en 3 worden de AERIUS pdf uitvoerbestanden gegeven voor de aanlegfase en de gebruiksfase.

7.1

Referentiesituatie.

In de referentiesituatie is er sprake van agrarische emissies. Deze leiden tot een stikstofdepositie van maximaal 0,92 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Veluwe en lagere depositie op nog vier Natura 2000-gebieden.

7.2

Aanlegfase

Bij de aanleg van een woonwijk komen emissies van stikstofverbindingen vrij. Deze emissies leiden tot een depositie van maximaal 0,41 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Veluwe, en lagere deposities op nog vier Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie in de referentiesituatie is op alle relevante locaties hoger dan in de aanlegfase. Daarmee is de aanlegfase inpasbaar in het kader van stikstofdepositie door intern te salderen.

7.3

Gebruiksfase

Bij het gebruik van een woonwijk komen emissies van stikstofverbindingen vrij. Deze emissies leiden tot een depositie van maximaal 1,12 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Veluwe, en een depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Rijntakken. De stikstofdepositie in de referentiesituatie is bij Rijntakken op alle relevante locaties hoger dan in de aanlegfase. Op het Natura 2000-gebied Veluwe blijft een aantal habitats over waar een positief resteffect ontstaat van maximaal 0,20 mol/ha/jaar. Daarmee is het intern salderen met landbouwgrond nog onvoldoende om alle stikstofeffecten van ’t Slath mee te salderen. Om te komen tot een inpasbaar bestemmingsplan is het noodzakelijk dat er geen netto toename is in stikstofdepositie. Het plan kan op meerdere wijzen aangepast worden om toch te komen tot een netto afname van stikstofdepositie. Dit kan in een vervolgonderzoek onderzocht worden. Enkele mogelijke denkrichtingen voor dit vervolgonderzoek zijn: 

Onderzoek naar andere varianten van de verkeersstudie. Voor het modelleren van de verkeerseffecten van ’t Slath is nu gebruikgemaakt van de variant die het meest verkeer noord-westelijk laat rijden, ofwel langs de Veluwe (variant 2A). Wellicht volgt uit nader

onderzoek dat een andere verkeersvariant niet leidt tot teveel depositie op de Veluwe In de berekening van de beoogde situatie is nog rekening gehouden met emissies door sfeerverwarming. Mogelijk kunnen deze emissies vermeden worden als in het plangebied een

verbod wordt ingesteld op sfeerhaarden De uitstoot in de referentiesituatie is conservatief ingeschat door enkel rekening te houden met bemesting met dierlijke mest. Als ook de (planologisch toegestane) bemesting met kunstmest wordt meegenomen, zijn de stikstofemissies in de referentiesituatie hoger

16/16

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Bijlage 1

Kentallen en emissieberekening mobiele werktuigen

De emissie- en deellastfactoren9 die nodig zijn om de emissies door mobiele werktuigen te berekenen, zijn afkomstig uit TNO-rapport 2020 R11528 (Ligterink et al., 2020) en het bijbehorende Excel-bestand10. De laatste kolom in tabel B1.1 geeft aan welke werktuigen in het Excel bestand van TNO het best overeenkomen met de door TAUW aangehouden werktuigen. In de berekeningen wordt onderscheid gemaakt tussen ‘typische inzet’ (zie tabel B1.2) en het stationair draaien (zie tabel B1.3) van werktuigen. Aangehouden is dat mobiele werktuigen gemiddeld 70 % van de tijd dat ze in bedrijf zijn reguliere belast worden (typische inzet) en de overige 30 % van de tijd stationair draaien (ook wel ‘idle’). Tabel B1.1 Werktuigen met bijhorende kenmerken werktuig

werktuig uit lijst TNO

Vermogen [kW]

Stage-klasse

Tractor met hulpstuk

Landbouwtrekker

100

IV

Shovel/laadschop

Laadschop op banden

100

IV

Kavel bouwrijp maken

Bouwwerkzaamheden Shovel/laadschop

Laadschop op banden

100

IV

Graafmachine

Graafmachine

200

IV

Heistelling/hijskraan

Hijskranen

400

IV

Betonstorter

Betonstorters

200

IV

Ttelekraan/mobiele kraan

Mobiele kranen

200

IV

Heftruck

Vorkheftruck

50

IV

Hoogwerker

Hoogwerkers

50

IV

De emissie in kilogram bij ‘typische inzet’ van de werktuigen wordt als volgt berekend:  bedrijfsuren x vermogen x (deellast[%]/100) x (emissiefactor/1000) Tabel B1.2 geeft het vermogen, het aantal bedrijfsuren met typische inzet, de deellastfactor en de emissiefactoren (EF) voor NOx en NH3.

9 De emissiefactoren zijn inclusief TAF-factor die corrigeert voor de wisselende belasting van de werktuigen in praktijkomstandigheden. 10 Rapport titel ‘Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart’ met bijbehorend Excel bestand TNO_getallen_voor_AERIUS_2020v3_mobiele_werktuigen.xslx.

Kenmerk

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

Tabel B1.2 Bepaling emissievracht tijdens typische inzet werktuigen (70 % van aantal bedrijfsuren, zie tabel B1.1) Activiteit / werktuig

Uren

Vermoge

Deellast

n [kW]

Emissie

Emissie

Vracht

Vracht NH3

factor NOx

factor NH3

NOx

[kg/jaar]

[g/kWh]

[g/kWh]

[kg/jaar]

Kavel bouwrijp Tractor met

672

100

0,55

0,90

0,002

33,3

0,09

1.344

100

0,55

0,90

0,003

66,5

0,21

Shovel/laadschop

1.680

100

0,55

0,90

0,003

83,2

0,26

Graafmachine

1.680

200

0,69

0,80

0,002

185,5

0,56

Heistelling

1.680

400

0,69

1,00

0,003

465,6

1,29

Betonstorter

420

200

0,69

1,00

0,003

58,2

0,16

Kraan

2.520

200

0,61

0,90

0,002

276,7

0,73

Heftruck

1.344

100

0,84

0,90

0,002

50,5

0,14

672

80

0,55

0,90

0,002

16,6

0,05

1.236,1

3,47

Hulpstuk Shovel/laadschop Bouw

Hoogwerker TOTAAL

De emissie in kilogram bij stationair draaien wordt als volgt berekend:  bedrijfsuren x cilinderinhoud x (emissiefactor per liter cilinderinhoud/1000) In tabel B1.3 wordt het aantal stationaire bedrijfsuren gegeven alsmede de cilinderhoud en de bijbehorende emissiefactoren (EF) voor NOx en NH3. Voor de cilinderinhoud is aangehouden: cilinderinhoud [l] = vermogen [kW] / 20 Tabel B1.3 Bepaling emissievracht tijdens lage belasting werktuigen (30 % van aantal bedrijfsuren, zie tabel B1.1) Activiteit / werktuig

Tijd stationair

Cilinder-

Emissiefactor

Emissiefactor

Vracht

Vracht

draaien

inhoud

NOx [g/l/uur]

NH3 [g/l/uur]

NOx

NH3

[uur/jaar]

[liter]

[kg/jaar]

[kg/jaar]

Tractor met hulpstuk

288

5

10,0

0,003

14,4

0,00

Shovel/laadschop

576

5

10,0

0,003

28,8

0,01

Kavel bouwrijp

Bouw Shovel/laadschop

720

5

10,0

0,003

36,0

0,01

Graafmachine

720

10

10,0

0,003

72,0

0,02

Heistelling

720

20

10,0

0,003

144,0

0,05

Betonstorter

180

10

10,0

0,003

18,0

0,01

Kraan

1.080

10

10,0

0,003

108,0

0,03

Heftruck

576

10

10,0

0,003

14,4

0,00

Hoogwerker

288

10

10,0

0,003

7,2

0,00

442,8

0,14

TOTAAL

Kenmerk

Bijlage 2

R001-1282646BRA-V02-pws-NL

AERIUS verschilberekening aanlegfase

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Referentie dierlijke mest en Aanlegfase 1 jaar Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 1/14

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Gemeente Epe

Divers, Divers Epe

Omschrijving

AERIUS kenmerk

't Slath aanlegfase

RtfHmiU1H7Qx

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

13 december 2021, 16:44

2023

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

NOx

-

620,27 kg/j

620,27 kg/j

NH3

188,70 kg/j

3,50 kg/j

-185,20 kg/j

Resultaten

Natuurgebied

Verschil

Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)

Veluwe

0,00

Toelichting

Aanlegfase 't Slath. 300 woningen verdeeld over 3 jaar.

Resultaten

Referentie dierlijke mest Aanlegfase 1 jaar

RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 2/14

Resultaten

Locatie Referentie dierlijke mest

Emissie Referentie dierlijke mest

Resultaten

Bron Sector

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 1 Landbouw | Landbouwgrond

131,40 kg/j

-

Bron 2 Landbouw | Landbouwgrond

13,50 kg/j

-

Bron 3 Landbouw | Landbouwgrond

15,20 kg/j

-

Bron 4 Landbouw | Landbouwgrond

18,50 kg/j

-

Bron 5 Landbouw | Landbouwgrond

10,10 kg/j

-

Referentie dierlijke mest Aanlegfase 1 jaar

RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 3/14

Resultaten

Locatie Aanlegfase 1 jaar

Emissie Aanlegfase 1 jaar

Resultaten

Bron Sector

Emissie NH3

Emissie NOx

Bouwverkeer Wegverkeer | Buitenwegen

2,30 kg/j

60,67 kg/j

Aanlegfase 1 jaar Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

1,20 kg/j

559,60 kg/j

Referentie dierlijke mest Aanlegfase 1 jaar

RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 4/14

Resultaten

Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden

Natuurgebied

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Veluwe

0,02

0,02

0,00

Rijntakken

0,01

0,00

0,00

Boetelerveld

0,01

0,00

0,00

Vecht- en Beneden-Reggegebied

0,01

0,00

0,00

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

0,01

0,00

0,00

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

(mol/ha/j)

*

Resultaten

Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.

Referentie dierlijke mest Aanlegfase 1 jaar

RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 5/14

Resultaten

Resultaten per habitattype

Veluwe Habitattype

(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

Lg01 Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop

0,02

0,02

0,00

-0,00

ZGLg01 Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop

0,02

0,02

0,00

-0,00

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

0,01

0,01

0,00

-0,00

H4030 Droge heiden

0,01

0,01

0,00

Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

0,01

0,01

0,00

H6230 Heischrale graslanden

0,01

0,01

0,00

L4030 Droge heiden

0,01

0,01

0,00

Lg13 Bos van arme zandgronden

0,01

0,01

0,00

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,01

0,01

0,00

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,01

0,00

0,00

ZGL4030 Droge heiden

0,01

0,01

0,00

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,01

0,00

0,00

H2330 Zandverstuivingen

0,01

0,01

0,00

Lg09 Droog struisgrasland

0,01

0,01

0,00

H9190 Oude eikenbossen

0,01

0,01

0,00

ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

0,02

0,02

0,00

H5130 Jeneverbesstruwelen

0,01

0,00

0,00

H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

0,01

0,00

0,00

Referentie dierlijke mest Aanlegfase 1 jaar

RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 6/14

Resultaten

Veluwe Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

ZGLg13 Bos van arme zandgronden

0,01

0,01

0,00

ZGH4030 Droge heiden

0,01

0,00

0,00

H3130 Zwakgebufferde vennen

0,01

0,01

0,00

H3160 Zure vennen

0,01

0,00

0,00

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

0,01

0,00

0,00

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

0,01

0,00

ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,01

0,00

0,00

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

0,01

0,00

0,00

ZGLg09 Droog struisgrasland

0,01

0,00

0,00

ZGH9190 Oude eikenbossen

0,01

0,01

0,00

Referentie dierlijke mest Aanlegfase 1 jaar

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

RtfHmiU1H7Qx (13 december 2021) pagina 7/14

Resultaten

Rijntakken Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland

0,01

0,00

0,00

Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

0,01

0,00

0,00

ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

0,01

0,00

0,00

ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland

0,01

0,00

0,00

ZGLg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei

0,01

0,00

0,00

Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei

0,01

0,00

0,00

ZGLg02 Geïsoleerde meander en petgat

0,01

0,00

0,00

H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, 0,01 buiten afgesloten zeearmen

0,00

0,00

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,01

0,00

0,00

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat

0,01

0,00

0,00

H6120 Stroomdalgraslanden

0,01

0,00

- 0,01

H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

0,01

0,00

- 0,01

H91F0 Droge hardhoutooibossen

0,01

0,00

- 0,01

H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11830399/1