522766 (D) R002-1282646JNA-V04-pws-NL - 26-07-2022 compr
Tekst van het document
Voortoets en natuurtoets ontwikkelingen 't Slath 26 juli 2022
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Verantwoording Titel
Voortoets en natuurtoets ontwikkelingen
Opdrachtgever
Gemeente Epe
Projectleider
Tim Vaessen MSc
Auteur(s)
Wendy Liefting, Jeroen Nagtegaal
Tweede lezer
Berto van Dam
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Jeroen Nagtegaal
Projectnummer
1282646
Aantal pagina’s
43
Datum
26 juli 2022
't Slath
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Wettelijk kader .................................................................................................................... 5
1.3
Te beschouwen natuurwet- en regelgeving ....................................................................... 5
1.4
Kwaliteit .............................................................................................................................. 6
Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 7 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 7
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8
Natura 2000-gebieden ............................................................................................................... 9 3.1
Inleiding .............................................................................................................................. 9
3.2
Toetsing Natura 2000-gebieden ......................................................................................... 9
3.3
Wettelijk kader .................................................................................................................. 10
3.4
Natura 2000-gebied Veluwe ............................................................................................. 10
3.4.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels ............................................................................ 10
3.4.2
Habitattypen .............................................................................................................. 11
3.4.3
Habitatrichtlijnsoorten................................................................................................ 11
3.5
Afkadering effecten .......................................................................................................... 12
3.6
Effectbeoordeling ............................................................................................................. 12
3.7
Effecten als gevolg van stikstofdepositie ......................................................................... 14
3.7.1
Niet en naderend overbelaste situaties ..................................................................... 14
3.7.2
Resultaten AERIUS-berekening ............................................................................... 14
3.7.3
Effectbeoordeling ...................................................................................................... 16
3.7.4
Nadere effectbeoordeling stikstofdepositie ............................................................... 21
3.8 4
Conclusie ......................................................................................................................... 24
Soortenbescherming ............................................................................................................... 24 4.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 24
4.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 24
4.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 25
4.4
Werkwijze ......................................................................................................................... 25
4.5
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 26
3/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
4.6
Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 26
4.6.1
Flora .......................................................................................................................... 26
4.6.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 27
4.6.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 28
4.6.4
Vogels ....................................................................................................................... 29
4.6.5
Amfibieën .................................................................................................................. 33
4.6.6
Reptielen ................................................................................................................... 33
4.6.7
Vissen ....................................................................................................................... 34
4.6.8
Vlinders ..................................................................................................................... 34
4.6.9
Libellen ...................................................................................................................... 34
4.6.10
Overige ongewervelden ............................................................................................ 34
5
Haalbaarheidsanalyse ............................................................................................................. 35
6
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 39 6.1
Aanleiding en doel ............................................................................................................ 39
6.2
Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 39
6.3
Conclusies toetsing .......................................................................................................... 39
6.3.1
Natura 2000-gebieden .............................................................................................. 39
6.3.2
Soortenbescherming ................................................................................................. 39
6.4 7
Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 40
Literatuur ................................................................................................................................. 42
Bijlage 1
Stikstofdepositieonderzoek
4/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Gemeente Epe heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de beoogde ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw bij ’t Slath in Epe. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen worden afgegeven en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:
Welke natuurwet- en regelgeving is van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de geldende natuurwet- en regelgeving?
Zijn maatregelen en/of een vergunning/ontheffing/melding nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.2
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’) is het wettelijke stelsel voor bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten (flora en fauna) en houtopstanden. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning of ontheffing. Provinciale Staten (PS) van de provincie Gelderland kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde soorten. Naast de Wnb geldt vanuit provinciale ruimtelijke beleidsregels ook regelgeving met betrekking tot beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).
1.3
Te beschouwen natuurwet- en regelgeving
Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 158 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, beschermd vanuit de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn; van nog eens drie gebieden is de aanwijzing nog in procedure. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ is circa 425 meter. Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring van de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand en kleinschalige aard van de werkzaamheden met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op voor stikstof gevoelige habitattypen (op circa 425 meter afstand) kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten. Hiervoor is een toetsing met AERIUS noodzakelijk.
5/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
Provinciaal beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN. Het NNN omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden met als doel deze beter met elkaar en het omliggende gebied te verbinden. Provincies zijn verantwoordelijk voor het aanwijzen van de gebieden. In Gelderland is het NNN uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Het plangebied maakt geen deel uit van het GNN of GO. Een toetsing van de effecten op het GNN of GO van ontwikkelingen die daarbuiten plaatsvinden (externe werking), is in provincie Gelderland niet van toepassing (Provincie Gelderland, 2017). Een toetsing is daarom niet noodzakelijk. In de provincie Gelderland zijn naast het GNN en GO ook gebieden aangeduid en beschermd als Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden en Natte landnatuur. Het plangebied maakt geen deel uit van Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden en Natte landnatuur. Een toetsing van effecten vanwege externe werking is voor deze gebieden ook niet noodzakelijk. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde. Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden.
Toetsing van eventuele effecten op beschermde houtopstanden is niet aan de orde, omdat er geen bomen worden gekapt. Beschermde soorten Onder de Wnb zijn diverse planten- en diersoorten specifiek beschermd en voor alle soorten geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is een toetsing van eventuele effecten op beschermde soorten noodzakelijk.
1.4
Kwaliteit
TAUW garandeert dat alle relevante beschermde gebieden en houtopstanden bij het ecologisch onderzoek zijn betrokken. Voor soortenbescherming is geen volledige zekerheid te geven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat beschermde soorten soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs afwezig kunnen zijn. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
6/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het gebied ’t Slath in Epe, in de provincie Gelderland. Het gebied wordt globaal begrensd door de Brinkgeverweg, Dijkhuizerweg en Lange Veenteweg. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied bestaat uit een nog relatief kleinschalig agrarisch landschap met verschillende woningen en vrij extensief gebruikte agrarische percelen. In het plangebied zijn enkele bosschages en oude walletjes aanwezig. De agrarische percelen bestaan uit grasland en worden gehooid of worden beweid door onder andere geiten en paarden. In het plangebied zijn enkele greppels aanwezig die niet permanent waterhoudend zijn. Verder is er, buiten een eventuele particuliere vijver, geen oppervlaktewater aanwezig.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)
7/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
Het voornemen bestaat uit de realisatie van woningen. Het exacte aantal woningen dat binnen het plangebied gaat komen is nog niet vastgesteld, maar ligt rond de 200 tot 300 woningen. Het voornemen is om in de wijk veel ruimte te laten voor groen. Voor de aanleg van de nieuwe woonwijk worden in beginsel geen woningen gesloopt en is bomenkap in principe evenmin van toepassing. Mogelijke werkzaamheden zijn het uitbreiden en aanleggen van wegen en andere infrastructuur inclusief nutsvoorzieningen en de bouw van de woningen. Bij de werkzaamheden zal geen sprake zijn van heiwerkzaamheden of bronbemaling.
8/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
3 Natura 2000-gebieden Dit hoofdstuk betreft de Voortoets, de beschrijving en de beoordeling van de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Kunnen deze effecten significant zijn?
3.1
Inleiding
In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Het is verboden een plan vast te stellen dat verslechtering van de kwaliteit van habitats van instandhoudingsdoelstellingen tot gevolg kan hebben (artikel 2.7). Dit geldt ook als het plan een significant verstorend effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.
3.2
Toetsing Natura 2000-gebieden
Figuur 3.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van Natura 2000-gebieden. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ is circa 425 meter. Dit gebied is aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Significante gevolgen zijn vanwege de aard van het voornemen en de afstand tot Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten, waardoor een toetsing van de eventuele effecten op Natura 2000-gebieden noodzakelijk is.
Figuur 3.1 Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
9/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
3.3
Wettelijk kader
De beoogde ontwikkeling moet, in de zin van de Wnb, beschouwd worden als plan. Een plan mag alleen worden vastgesteld wanneer er afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten geen sprake is van significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Dat vloeit voort uit artikel 2.7, eerste lid van de Wnb.
1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.
In deze Voortoets wordt dan ook beoordeeld óf de beoogde ontwikkeling significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja welke gevolgen. Kunnen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied niet worden uitgesloten, dan moet op basis van artikel 2.8, eerste lid, een passende beoordeling worden gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Een plan mag dan uitsluitend worden vastgesteld wanneer uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat er geen sprake is van significante gevolgen. Kunnen significante gevolgen op voorhand worden uitgesloten, dan is het plan ‘uitvoerbaar’ en kan het plan door het bevoegde gezag worden vastgesteld. Een passende beoordeling is in dat geval niet benodigd. Deze Voortoets heeft als doel te bepalen of een passende beoordeling voor de beoogde ontwikkeling noodzakelijk is.
3.4
Natura 2000-gebied Veluwe
3.4.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
In het Natura 2000-gebied Veluwe is voor 10 broedvogels een instandhoudingsdoel geformuleerd. De kwalificerende broedvogels zijn met de betreffende instandhoudingsdoelen in tabel 3.1 weergegeven. Tabel 3.1 Aangewezen broedvogels in Natura 2000-gebied Veluwe (= behouddoelstelling, > uitbreidings- of verbeterdoelstelling) Broedvogels
A072 – Wespendief
Doelstelling
Doelstelling
Omvang
omvang
kwaliteit
populatie
leefgebied
leefgebied
=
=
100
A224 – Nachtzwaluw
=
=
610
A229 – IJsvogel
=
=
30
A233 – Draaihals
>
>
(her)vestiging
10/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Broedvogels
Doelstelling
Doelstelling
Omvang
omvang
kwaliteit
populatie
leefgebied
leefgebied
A236 – Zwarte specht
=
=
400
A246 – Boomleeuwerik
=
=
2.400
A255 – Duinpieper
>
>
(her)vestiging
A276 – Roodborsttapuit
=
=
1.100
A277 – Tapuit
>
>
100
A338 – Grauwe klauwier
>
>
40
3.4.2 Habitattypen Er is in Natura 2000-gebied Veluwe voor 19 habitattypen een instandhoudingsdoel geformuleerd. Het instandhoudingsdoel voor H91D0 Hoogveenbossen betreft op moment van schrijven een ontwerpdoelstelling. In tabel 3.2 zijn de habitattypen met het instandhoudingsdoel weergegeven. Tabel 3.2 Aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebied Veluwe (= behouddoelstelling, > uitbreidings- of verbeterdoelstelling) Habitattype
Doelstelling
Doelstelling
oppervlakte
kwaliteit
H2310 – Stuifzandheiden met struikhei
>
>
H2320 – Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
=
=
H2330 – Zandverstuivingen
>
>
H3130 – Zwakgebufferde vennen
=
=
H3160 – Zure vennen
=
>
H3260A – Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)
>
>
H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden)
>
>
H4030 – Droge heiden
>
>
H5130 – Jeneverbesstruwelen
=
>
H6230 – Heischrale graslanden
>
>
H6410 – Blauwgraslanden
>
>
H7110B * - Actieve hoogvenen (heideveentjes)
>
>
H7140A – Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
=
=
H7150 – Pioniervegetaties met snavelbiezen
>
>
H7230 – Kalkmoerassen
=
=
H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst
>
>
H9190 – Oude eikenbossen
>
>
H91D0* - Hoogveenbossen
=
=
H91E0C* – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
=
>
* betreft een prioritair habitattype
3.4.3 Habitatrichtlijnsoorten Er is voor zeven Habitatrichtlijnsoorten een instandhoudingsdoel geformuleerd in Natura 2000gebied Veluwe. De soorten en instandhoudingsdoelen zijn weergegeven in tabel 3.3.
11/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
Tabel 3.3 Aangewezen habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe (= behouddoelstelling, > uitbreidings- of verbeterdoelstelling) Habitatrichtlijnsoorten
Doelstelling
Doelstelling
Doelstelling
omvang
kwaliteit
populatie
leefgebied
leefgebied
H1042 – Gevlekte witsnuitlibel
>
>
>
H1083 – Vliegend hert
>
>
>
H1096 – Beekprik
>
>
>
H1163 – Rivierdonderpad
>
>
=
H1166 – Kamsalamander
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
=
=
=
H1831 – Drijvende waterweegbree
=
=
=
3.5
Afkadering effecten
De beoogde ontwikkeling kan op verschillende manieren effecten hebben op beschermde natuur in Natura 2000-gebieden. Dit zijn de zogenoemde ‘storingsfactoren’. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende storingsfactoren relevant: Verstoring door geluid
Optische verstoring Stikstofdepositie
Gezien de ontwikkelingen niet plaatsvinden in Natura 2000-gebied Veluwe zijn effecten als gevolg van oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Ook is er hierdoor geen sprake van verontreiniging, gezien er geen gebiedsvreemde stoffen in het Natura 2000-gebied zullen komen/blijven. Aangezien er ook geen sprake is van bemaling of heiwerkzaamheden zijn ook effecten door verdroging en trillingen uitgesloten.
3.6
Effectbeoordeling
Per storingsfactor wordt een omschrijving gemaakt of deze relevant is voor de beoogde ontwikkelingen in ’t Slath. Verstoring door geluid Verstoring door geluid wordt veroorzaakt door onnatuurlijke geluidsbonnen. Dit kan permanent zijn bijvoorbeeld als gevolg van wegverkeer of tijdelijk als gevolg van bouwwerkzaamheden. Zowel tijdelijke als permanente verstoring door geluid als gevolg van het voornemen leidt mogelijk tot effecten op Natura 2000-gebied Veluwe.
12/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Het plangebied is op circa 425 meter van Natura 2000-gebied Veluwe gelegen. Hiertussen zijn wegen, bedrijven en woningen gelegen. Er worden geen heiwerkzaamheden uitgevoerd waardoor de tijdelijke geluidsverstoring beperkt zal zijn. De werkzaamheden zullen in het Natura 2000gebied niet meer hoorbaar zijn. In de aanlegfase is geen sprake van verstoring door geluid. In de permanente situatie is sprake van verstoring door geluid ten gevolge van de toename van verkeersbewegingen en menselijke aanwezigheid. De verkeersbewegingen gaan vanaf de Heerderweg en de Sint Antonieweg op in het heersend verkeersbeeld. Er zal dus geen sprake zijn van wezenlijke veranderingen nabij het Natura 2000-gebied. Effecten als gevolg van verstoring door geluid zijn op voorhand uitgesloten. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Optische verstoring kan optreden in de aanleg- en gebruiksfase. In de aanlegfase kan sprake zijn van optische verstoring als gevolg van de bouwwerkzaamheden. In de gebruiksfase zal dit zijn door een toename van menselijke aanwezigheid en verkeersbewegingen. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn woningen, bedrijven, wegen en bosschages gelegen. De werkzaamheden zijn dus niet zichtbaar vanuit het Natura 2000-gebied.
Effecten als gevolg van optische verstoring zijn op voorhand uitgesloten. Stikstofdepositie Ook zal als gevolg van de aanlegwerkzaamheden en in de gebruiksfase door een toename van verkeersbewegingen sprake van uitstoot van stikstofdepositie. Stikstof is een belangrijke voedselbron in ecosystemen, maar een teveel kan leiden tot schade door eutrofiëring en verzuring. De overmatige aanvoer van deze voedingsstof, onder meer via atmosferische depositie, kan vooral bedreigend zijn voor habitattypen van voedselarme milieus en/of situaties met een zwakke buffering tegen verzuring. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan stikstofdepositie, en dan vooral door ammoniak, leiden tot een daling van de pH van de bodem. Door deze verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen wordt een berekening in AERIUS Calculator opgesteld (zie bijlage 1 voor het stikstofdepositie onderzoek en de AERIUS berekeningen). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie. De effecten hiervan, alsmede de mogelijke invloed hiervan op de haalbaarheid van het plan wordt nader beschouwd in paragraaf 3.7.
13/43
Kenmerk
3.7
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Effecten als gevolg van stikstofdepositie
3.7.1 Niet en naderend overbelaste situaties De beoordeling van effecten (zowel op zichzelf als cumulatief) is ingeval van een nog niet overbelaste situatie alleen relevant indien de achtergronddepositie inclusief het projecteffect (vermeerderd met eventuele cumulatieve effecten van andere vergunde/vastgestelde, maar nog niet gerealiseerde plannen/projecten), alsnog kan leiden tot een overbelaste situatie. Alleen wanneer (al dan niet in cumulatie) sprake is van een overbelaste situatie zijn immers significante effecten van een toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. De omvang van en de locaties waar stikstofdepositie is te verwachten zijn berekend met het rekeninstrumentarium AERIUS (versie 2020)1. AERIUS Calculator maakt onderscheid tussen hexagonen met een (naderende) overbelasting en hexagonen zonder overbelasting. Voor die naderende overbelasting wordt een bandbreedte van 70 mol N/ha/jaar onder de kritische depositiewaarde (KDW) aangehouden. Deze bandbreedte is ruim voldoende om een eventuele verhoging van de achtergronddepositie, de reeds bestaande depositie door andere stikstofemissies, door cumulatie met andere plannen/projecten op te vangen. Dit betekent dat ingeval van een nog niet overbelaste situatie een projecteffect op zichzelf én in cumulatie met andere plannen/projecten niet tot significante gevolgen kan leiden.
Alleen bij overschrijding van de KDW van habitattypen of leefgebieden zijn significante effecten niet uit te sluiten. Als gevolg daarvan is in de beoordeling een effect op een niet overbelaste situatie ook als zodanig beoordeeld. Nadere ecologische onderbouwing is hierbij niet noodzakelijk omdat er geen reële kans is dat de KDW overschreden zou worden. Significante effecten zijn dan dus uitgesloten. Bij een toename op een (naderend) overbelaste situatie zijn (significante) effecten niet op voorhand uitgesloten. Een effect wordt beschouwd als significant wanneer een toename ertoe leidt dat het instandhoudingsdoel niet meer gehaald (kan) worden. Dit is bijvoorbeeld wanneer een habitattype een negatieve trend heeft (mede) door stikstofdepositie en er sprake is van een toename op een overbelaste situatie van dit habitattype. 3.7.2 Resultaten AERIUS-berekening Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen is een AERIUS-berekening opgesteld. Dit betreft een berekening van de aanlegfase en gebruiksfase. Het plangebied is momenteel in agrarisch gebruik. Bij realisatie van het plan is verlies van het agrarisch gebruik onlosmakelijk verbonden met het plan. Het is in dit geval dus mogelijk om intern te salderen met deze emissies. Om die reden is een berekening inclusief referentiesituatie opgesteld. Eventuele resteffecten worden nader beschouwd.
1
Overigens is de verwachting dat berekening in AERIUS versie 2022 niet tot andere uitkomsten zal leiden.
14/43
Kenmerk
3.7.2.1
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Aanlegfase
Bij de aanleg van een woonwijk komen emissies van stikstofverbindingen vrij. Deze emissies leiden tot een depositie van maximaal 0,41 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Veluwe, en lagere deposities op nog vier Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie in de referentiesituatie is op alle relevante locaties hoger dan in de aanlegfase. Inclusief referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Daarmee is de aanlegfase inpasbaar in het kader van stikstofdepositie door intern te salderen. Effecten als gevolg van stikstofdepositie in de aanlegfase zijn uitgesloten. 3.7.2.2
Gebruiksfase
Bij het gebruik van een woonwijk komen emissies van stikstofverbindingen vrij. In de AERIUSberekening is uitgegaan van 300 woningen welke niet op het gasnet worden aangesloten. Wel zijn emissies vanuit sfeerverwarming zoals open haarden en barbecue meegenomen in het onderzoek. Daarnaast is uitgegaan van variant 2A van de verkeersstudie2 voor verkeersbewegingen in de gebruiksfase. Voor het intern salderen wordt gebruik gemaakt van het huidig agrarisch gebruik met de bijbehorende bemesting ter plaatse. Dit betreft 11,2 ha welke uit productie wordt genomen (zie voor de gedetailleerde omschrijving van de uitgangspunten ook het stikstofdepositie onderzoek in bijlage 1). Deze emissies leiden tot een depositie van maximaal 1,12 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Veluwe, en een depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Rijntakken. De stikstofdepositie in de referentiesituatie is bij Rijntakken op alle relevante locaties hoger dan in de aanlegfase. Op het Natura 2000-gebied Veluwe blijft een aantal habitats over waar een positief resteffect ontstaat van maximaal 0,20 mol/ha/jaar. Daarmee is het intern salderen met landbouwgrond nog onvoldoende om alle stikstofeffecten van ’t Slath mee te salderen. In tabel 3.4 en figuur 3.2 zijn de resultaten van de AERIUS-berekening inclusief intern salderen weergegeven op (naderend) overbelaste situaties.
Er is een bijdrage berekend op één habitattype en één zoekgebied leefgebied. Daarnaast kunnen Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten gebruik maken van het habitattype en zoekgebied leefgebied als onderdeel van het (stikstofgevoelig) leefgebied. Deze zijn ook in de tabel weergegeven. Tabel 3.4 Resultaten AERIUS-berekening op (naderend) overbelaste situaties Habitattype
2
Maximale depositie
Relevante VR- en
(mol N/ha/jaar)
HR-soorten
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,20
Draaihals, zwarte specht
ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,07
Draaihals, zwarte specht
C.T. Adema. Variantenstudie verkeersontsluiting ’t Slath Epe. Kenmerk R01-D02-31096213-ksf, 8-11-2021.
15/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 3.2 Resultaten AERIUS-berekening (hexagonen waar sprake is van een toename van stikstofdepositie zijn paars weergegeven)
3.7.3 Effectbeoordeling Uit de resultaten van de AERIUS-berekening blijkt dat er drie instandhoudingsdoelen (mogelijk) worden beïnvloed, H9120 Beuken-eikenbossen met hulst, draaihals en zwarte specht. In deze paragraaf worden de mogelijke effecten nader beoordeeld. H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen bij ’t Slath inclusief intern salderen blijft een effect als gevolg van stikstofdepositie over op één perceel met H9120 Beuken-eikenbossen met hulst. De maximale depositie betreft 0,20 mol N/ha/jaar. Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag, voorkomend op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Tot het habitattype worden alleen gerekend: bossen op bosgroeiplaatsen van voor 1850 en bosopstanden van minstens 100 jaar oud die daaraan grenzen. Van het habitattype komt in totaal 5881,1 ha voor in het Natura 2000-gebied. De trend in oppervlak en verspreiding van de laatste decennia is licht positief door ouder en minder voedselarm worden van bosgroeiplaatsen. De kwaliteit is stabiel, al is een aandachtspunt dat de bodemflora onder druk komt door een combinatie van weinig structuurvariatie en toename dominantie door beuk (Provincie Gelderland, 2017).
16/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 3.3 Locatie waar sprake is van een toename op H9120 Beuken-eikenbossen met hulst (bron: AERIUS Calculator)
Beuken-eikenbossen met hulst zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Stikstofdepositie leidt tot verzuring, ammonium- en aluminiumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Overmatige stikstofdepositie komt in eerste instantie tot uiting door versnelde groei van grassen, blauwe bosbes en beuk. Hierdoor nemen typische soorten af (een van de kwaliteitsindicatoren van een habitattype) (Provincie Gelderland, 2017). Gelet op de permanente toename en gevoeligheid van het habitattype voor stikstofdepositie zijn significante gevolgen door stikstofdepositie niet met zekerheid uit te sluiten. Doordat het hier een zeer lokale toename betreft is een mogelijke vervolgstap om ter plaatste te beoordelen of het habitattype kenmerken vertoont van (overmatige) stikstofdepositie. Deze vervolgstap komt in onderstaande paragraaf 3.7.4 aan de orde. Draaihals De draaihals maakt mogelijk gebruik van H9120 Beuken-eikenbossen met Hulst en ZGLg14 Eiken-beukenbossen van lemige zandgronden als stikstofgevoelige onderdelen van het leefgebied. De maximale (permanente) toename betreft 0,20 mol N/ha/jaar. In figuur 3.4 zijn de stikstofgevoelige onderdelen van het leefgebied weergegeven. In het Natura 2000-gebied is een instandhoudingsdoel gevestigd voor (her)vestiging. Op basis van de SOVON telgegevens zijn van de laatste vijf jaar alleen het aantal broedparen in 2017 en 2019 bekend.
In die jaren zijn 51 (2017) en 42 (2019) broedparen vastgesteld. De soort komt voor op heidevelden of open bossen op schrale zandbodems.
17/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Het broedbiotoop omvat soms ook kapvlakten, afgeplagde heide, zandverstuivingen, vennen, boomheiden of zeer open bos van zomereik en berk met dood hout. In alle gevallen geldt dat de potentiële nestbomen (liefst berken) met veel spechtengaten aanwezig moeten zijn. Voedsel wordt meestal gezocht binnen een straal van 300 meter van het nest (Provincie Gelderland, 2016).
ZGLg14
H9120
Figuur 3.4 Locatie waar sprake is van een toename (paars) op potentieel leefgebied van draaihals (en zwarte specht) (bron: AERIUS Calculator)
Daarnaast zijn in figuur 3.5 de stikstofgevoelige onderdelen van het leefgebied weergegeven ten opzichte van de leefgebiedkaarten zoals opgesteld door Sierdsema et al.(2016). Hieruit blijkt dat de omgeving mogelijk bezet leefgebied betreft.
18/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 3.5 Stikstofgevoelige onderdelen van het leefgebied van draaihals ten opzichte van het leefgebied (Sierdsema et al 2016)
Het ontbreekt in de omgeving waar sprake is van een toename van stikstofdepositie aan open bos en kale zandgronden. Er zijn ook geen waarnemingen van draaihals in de laatste vijf jaar in een straal van 2 kilometer rondom het gebied waar sprake is van een toename van stikstofdepositie (NDFF). Door het ontbreken van geschikt broed en foerageerhabitat zal geen sprake zijn van negatieve effecten op draaihals. Zwarte specht De zwarte specht maakt, net als draaihals, gebruik van H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden als stikstofgevoelige onderdelen van het leefgebied. In figuur 3.5 zijn de stikstofgevoelige onderdelen weergegeven ten opzichte van de leefgebiedkaart (Sierdsema et al., 2016). In het Natura 2000-gebied is een instandhoudingsdoel geformuleerd voor 400 broedparen. Het optimale leefgebied bestaat uit aaneengesloten opgaand bos met kleinere onderbrekingen (open plekken, kaalslagen, jonge aanplant) of randen waar de zon op de bodem kan vallen. Zwarte Spechten hakken hun nestplaatsen doorgaans uit in oude beuken en Amerikaanse eiken, in mindere mate ook in grove dennen, dikke populieren en abelen. In lang door de soort bewoonde gebieden zijn oude nesten vaak in clusters te vinden. De meeste paren gebruiken zulke clusters ook om buiten de broedtijd in te overnachten.
De aanwezigheid van naaldhout is van belang als foerageergebied (Sierdsema, 2015).
19/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 3.6 Stikstofgevoelige onderdelen van het leefgebied van draaihals ten opzichte van het leefgebied (Sierdsema et al 2016)
De soort foerageert bij voorkeur op open bodem, en vermijdt daarbij hoge grassen en een dichte struiklaag. Zwarte Spechten eten (werksters, poppen, larven en eieren van) rode bosmieren en glanzende houtmieren, daarnaast schors- of houtetende keverlarven. De kwaliteit van het leefgebied wordt bepaald door het volume dood hout (vooral staand dood hout en stobben) en daarmee het voedselaanbod. Vergrassing onder invloed van stikstofdepositie kan bosmierpopulaties doen afnemen. Dat wordt wellicht extra nadelig bij een gering volume dood hout (staand en als stobben), waardoor er gebrek is aan keverlarven en de specht op mieren als voedsel is aangewezen. Directe effecten van bewoning of verblijfsrecreatie lijken gering, aangezien nestholen aan zandwegen en fietspaden niet ongewoon zijn. Terreindelen met veel menselijke activiteit, zoals recreatieterrein en concentraties van bebouwing, worden gemeden. Autoverkeer van snelwegen heeft een merkbaar negatief effect op de vestiging (niet bekend waardoor, waarschijnlijk het permanente geraas) (bron: Soortprofiel Zwarte Specht). Doordat het terrein voor een groot deel grenst aan reeds aanwezige bebouwing is het terrein mogelijk aan dusdanige verstoring onderhevig dat het ongeschikt is als leefgebied voor zwarte specht.
Daarnaast betreft het een zeer lokale toename en is een vervolgstap om ter plaatste te beoordelen of het leefgebied potentieel leefgebied is van zwarte specht en of dit leefgebied kenmerken vertoont van (overmatige) stikstofdepositie. Deze vervolgstap komt in paragraaf 3.7.4 aan de orde.
20/43
Kenmerk
3.7.4
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Nadere effectbeoordeling stikstofdepositie
3.7.4.1 Inleiding Omdat effecten als gevolg van stikstofdepositie niet op voorhand zijn uitgesloten, zijn deze nader onderzocht. Hiervoor is onder andere een veldbezoek uitgevoerd om de kwaliteit van de betreffende habitattypen en leefgebieden te bepalen. 3.7.4.1.1 Kartering van leefgebieden Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen bij ’t Slath zijn bijdragen berekend op het ‘zoekgebied leefgebied 14’. De ‘zoekgebieden’ zijn delen van het Natura 2000-gebied waar mogelijk sprake is van het betreffende leefgebied: ‘De afbakening van de PAS-leefgebieden vindt plaats via een combinatie van terreinkenmerken en Natura 2000-leefgebiedenkaarten’. Op basis van terreinkenmerken zijn ‘potentiële PAS-leefgebieden’ afgebakend. Op basis van bezet en mogelijk bezet leefgebied van de relevante soorten, zijn ‘PAS-leefgebieden’ en ‘zoekgebieden voor PASleefgebieden’ afgebakend (Sierdsema et al., 2016). Het ‘zoekgebied leefgebied’ 14 betreft mogelijk leefgebied van draaihals en zwarte specht. Om die reden is gedurende het veldbezoek beoordeeld of er sprake is van leefgebied van de soorten en of er sprake kan zijn van mogelijk negatieve beïnvloeding van dit leefgebied als gevolg van een toename van stikstofdepositie.
3.7.4.2 Noordelijk perceel (ZGLg14) Het deel van het noordelijk perceel waar sprake is van een toename van stikstofdepositie betreft deels wegbeplanting, van hoofdzakelijk beuk maar ook zomereik. Het bos lijkt grotendeels natuurlijk (geen aanplant). Er is vrij weinig braam aanwezig en het terrein is open en laag begroeid langs de weg. In het bos is veel blad van met name beuk. Het bos heeft een open ondergroei van beuk, Amerikaanse vogelkers, fijnspar, hulst, gewone esdoorn, Amerikaanse eik, douglas en taxus. Het terrein is geschikt voor zwarte specht, al zijn geen nestplaatsen of individuen waargenomen gedurende het veldbezoek. Op deze locatie is gezien de verstoring van de weg het voorkomen van draaihals onwaarschijnlijk. De kwaliteit van het terrein als leefgebied is goed en vertoont geen kenmerken van verruiging of verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Gezien er geen nestplaatsen of individuen van zwarte specht zijn waargenomen, voorkomen van draaihals onwaarschijnlijk is, de kwaliteit van het terrein als leefgebied (m.u.v. verstoring) goed is zonder kenmerken van verruiging of verzuring zijn significante effecten als gevolg van stikstofdepositie op het zoekgebied leefgebied uitgesloten.
21/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 3.7 Sfeerimpressie noordelijk deel plangebied
3.7.4.3 Aanwezige habitattypen Naast een projectbijdrage op een leefgebiedtype is ook een projectbijdrage op het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst berekend. Dit betreft het zuidelijk gelegen perceel. Voor dit perceel geldt dat het habitattype beschermd is vanuit het Natura 2000-regime, maar dat dit ook een functie kan hebben als leefgebied. In dit geval is het habitattype ook mogelijk onderdeel van het leefgebied van draaihals en zwarte specht. Het zuidelijk gelegen perceel is zeer rommelig en verrijkt bos, waar veel kleine paden doorheen lopen. De boomlaag betreft voornamelijk zomereik, met her en der (voornamelijk aan de randen) beuk en enkele douglassen. De ondergroei is zeer divers, mede als gevolg van oude en recente dumpingen van tuinafval. Er is met name veel Amerikaanse vogelkers maar ook beuk en hulst worden in de ondergroei aangetroffen. Er zijn ook bramen aanwezig, maar deze zijn uitsluitend lokaal aanwezig en domineren niet.
22/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Figuur 3.8 Sfeerimpressie zuidelijk perceel
Verruiging van het terrein door braam is beperkt. De kwaliteit wordt met name beïnvloed door de illegale dumpingen van tuinafval, verruiging met exoten (Amerikaanse vogelkers) en gebruik als honden uitlaatgebied. In het Natura 2000-beheerplan wordt verruiging door exoten (zoals Amerikaanse vogelkers) als knelpunt benoemd voor het habitattype. Dit wordt versterkt door een overmaat van stikstofdepositie. Voor het habitattype is een instandhoudingsdoel geformuleerd voor uitbreiding in oppervlak en verbetering van kwaliteit. De trend in kwaliteit is stabiel, de trend in oppervlak is licht positief door het ouder en minder voedselarm worden van groeiplaatsen. Gezien de stabiele tot positieve trend, geringe verruiging van het terrein en het kleine oppervlak waar de depositie plaatsvindt zijn significante gevolgen op het habitattype uitgesloten. 3.7.4.4
Draaihals
De draaihals is een kleine spechtachtige vogel. De soort nestelt in boomholten. De draaihals is een soort van open bos met zandige bodems en leeft vaak in de nabijheid van heideterreinen. Zijn voedsel bestaat uit mieren en mierenpoppen. Voor de soort is op de Veluwe een instandhoudingsdoel geformuleerd voor (her)vestiging. Het aantal broedparen van 2020 is onbekend (SOVON). In 2019 waren er 42 broedparen aanwezig. Het instandhoudingsdoel wordt dus gehaald. Beide percelen zijn gedurende het veldbezoek ongeschikt bevonden als broedhabitat voor draaihals. Dit met name als gevolg van de aanwezige verstoring door de weg. Daarnaast ontbreken waarnemingen van de soort. Effecten op draaihals zijn uitgesloten. 3.7.4.5
Zwarte specht
De zwarte specht leeft in oude bossen van minimaal 100 ha. Voedsel zoekt de zwarte specht meestal in oud bos, vooral in bos waar oude grove dennen waarin boomstammen met een ruwe schors overheersen. Voor de soort is een instandhoudingsdoel geformuleerd voor 400 broedparen. Recente teldata van het aantal broedparen ontbreekt. In 2016 waren er 391 broedparen op de Veluwe aanwezig (SOVON) en werd het instandhoudingsdoel dus niet gehaald. Het noordelijk perceel is gedurende het veldbezoek mogelijk geschikt bevonden als leefgebied van zwarte specht. De soort is niet waargenomen en er zijn ook geen nestgaten waargenomen.
23/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Dit perceel is kwalitatief goed met weinig kenmerken van verruiging. Het zuidelijk perceel is gezien de verstoring door recreanten ongeschikt bevonden voor zwarte specht. Ook hier geldt dat geen individuen of nestgaten zijn waargenomen. Effecten op zwarte specht zijn uitgesloten.
3.8
Conclusie
Uit de effectbeoordeling blijkt dat er geen sprake is van negatieve gevolgen op Natura 2000gebieden. Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen is een berekening opgesteld met behulp van AERIUS Calculator. Gezien het huidige agrarische gebruik van het plangebied is gebruik gemaakt van intern salderen. Na intern salderen is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase. In de gebruiksfase is wel sprake van een toename van maximaal 0,20 mol N/ha/jaar. Gezien de zeer lokale toename is een veldbezoek uitgevoerd om te bepalen of er sprake (kan) zijn van effecten als gevolg van stikstofdepositie. Uit de nadere effectbeoordeling blijkt dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten.
4 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.
4.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
Europees beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn Europees beschermd via de Habitatrichtlijn en/of de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Tabel 4.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden zoals benoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding beschermde soorten.
4.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren landelijk beschermd onder de categorie ‘Nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’ van de ontheffingsplicht (provincie Gelderland, 2017).
24/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
Dit betekent dat voor deze soorten geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 4.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen Beschermingsregime
Vogels - VR
Verbodsbepaling
Dieren - HR/
Planten -
Dieren -
Planten -
Bonn/Bern
HR/
nationaal
nationaal
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
Storen/verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.1
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of
3.1.2
wegnemen nesten Beschadigen of vernielen rust-
3.1.2
3.5.4
Vernielen (VR: en beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
3.10.1.b
of voortplantingsplaatsen Eieren:
4.3
Zorgplicht
De zorgplicht (Wnb, artikel 1.11) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. De initiatiefnemer neemt de noodzakelijke maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, binnen en buiten beschermde gebieden.
4.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens:
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H7) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) De Ecoviewer van TAUW
Een oriënterend veldbezoek op maandag 27 september 2021 Een aanvullend oriënterend veldbezoek op woensdag 16 februari 2022
25/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid van beschermde soorten, dit kan door zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten.
4.5
Literatuuronderzoek
Tabel 4.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens en biotoop mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Tabel 4.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven en habitat mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Flora
Geen beschermde soorten bekend
Grondgebonden zoogdieren
Bever, boommarter, das, edelhert, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis, wild zijn, bunzing, wezel, hermelijn
Vleermuizen
Baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis
Vogels - jaarrond beschermde nesten
Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief
Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk
Diverse soorten, zie paragraaf 4.6.4.2
van ecologische factoren Vogels – in gebruik zijnde nesten
Diverse soorten, zie paragraaf 4.6.4.3
Amfibieën
Alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker, rugstreeppad
Reptielen
Adder, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang, zandhagedis
Vissen
Beekprik, elrits, grote modderkruiper
Vlinders
Grote weerschijnvlinder, sleedoornpage
Libellen
Geen beschermde soorten bekend
Overige ongewervelden
Vliegend hert
4.6
Toetsing beschermde soorten
In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 4.2 genoemde soorten beschreven. 4.6.1 Flora Veel van de huidige beschermde planten zijn pas sinds 2017 beschermd. Daardoor zijn globale verspreidingsgegevens niet altijd voldoende om de mogelijk aan- of afwezigheid op te bepalen. De ‘nieuw’ beschermde soorten komen vooral voor in akkers, braakliggende gronden en aan de rand van onverharde wagen. Gezien het vrij kleinschalige en extensieve karakter is het niet geheel uitgesloten dat er een of meer beschermde planten nog voorkomt in het plangebied.
26/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Zodoende wordt aanbevolen om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van beschermde planten. De focus van het onderzoek zal dan voornamelijk moeten liggen op: akkerogentroost, getande veldsla, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, kartuizer anjer, kleine schorseneer, kleine wolfsmelk, korensla, liggende ereprijs, ruw parelzaad en stijve wolfsmelk. Deze soorten zijn in het verleden in de ruime omgeving van het plangebied waargenomen. Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek is het aanvragen van een ontheffing Wnb voor een of meer van deze plantensoorten nodig. 4.6.2 Grondgebonden zoogdieren Bever en waterspitsmuis zijn voor hun voorkomen afhankelijk van oppervlaktewater. Doordat het aan water in en in de omgeving van het plangebied ontbreekt is de aanwezigheid van bever en waterspitsmuis uitgesloten. Eekhoorn is voor zijn voorkomen afhankelijk van bomen. Eekhoorn gebruikt boomholtes en bouwt daarnaast zelf nesten in bomen. Tijdens het aanvullende veldbezoek op 16 februari 2022 is het plangebied en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Hierbij is één nest van eekhoorn aangetroffen ten noorden van het plangebied.
Binnen het plangebied zijn op meerdere locaties naaldbomen aanwezig waarvan geen volledige inspectie mogelijk was, echter zijn er in het gehele plangebied geen sporen of andere indicaties die aanleiding geven om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van eekhoorn te vermoeden. Het incidenteel voorkomen van eekhoorn is wel te verwachten, geadviseerd wordt om tijdens het onderzoek naar bunzing, wezel en hermelijn het onderzoek zo uit te voeren dat eekhoorn ook meegenomen wordt. Boommarter is voor zijn voorkomen afhankelijk van bomen. Boommarter gebruikt als verblijfplaatsen boomholtes en (incidenteel) oude nesten van bijvoorbeeld ekster en zwarte kraai. Tijdens het aanvullende veldbezoek op 16 februari is het plangebied en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen voor boommarter. Er zijn in het plangebied geen (grote) holtes aangetroffen. In het plangebied zijn wel veel nesten aanwezig van voornamelijk ekster en zwarte kraai. Deze nesten kunnen ook gebruikt worden als verblijfplaats voor boommarter. Het is gezien de verbondenheid van het plangebied met de Veluwe niet uit te sluiten dat boommarter gebruik maakt van het plangebied. Om te bepalen of en in welke mate boommarter voorkomt in het plangebied is nader onderzoek noodzakelijk. Bunzing, wezel en hermelijn leven onder andere in kleinschalig agrarisch landschap.
Het extensieve karakter in combinatie met de aanwezige groenstructuren maken dat het plangebied geschikt leefgebied vormt. Doordat het plangebied mogelijk dichter bebouwd raakt, verdwijnen de nu aanwezige graslanden en wordt het leefgebied daardoor (mogelijk) minder geschikt of zelfs ongeschikt voor bunzing, wezel en hermelijn. Om te bepalen of en in welke mate ze voorkomen in het plangebied is nader onderzoek noodzakelijk. Das komt langs de Veluwe op diverse plaatsen voor. Naar zeggen van bewoners is er een oude dassenburcht aanwezig centraal in het plangebied (zie figuur 4.1). Tijdens het veldbezoek is één oude pijp aangetroffen welke ooit gebruikt kan zijn door das. Recent gebruik van deze pijp, door welke soort dan ook, is uitgesloten. Het is echter niet uitgesloten dat deze pijp in de toekomst
27/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
weer gebruikt gaat worden. Daarnaast kan er in de (ruime) omgeving een burcht aanwezig zijn vanwaar dassen naar het plangebied komen om te foerageren, zodoende zijn effecten niet zonder meer uitgesloten. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het plangebied door das.
Figuur 4.1 De locatie van de oude (dassen)pijp
Edelhert en wild zwijn komen vrijwel alleen voor binnen de grenzen van de Veluwe. Buiten het natuurgebied zijn enkel incidentele waarnemingen bekend van zwervende exemplaren welke veelal worden afgeschoten als gevolg van nulstandsbeheer. Het plangebied maakt dan ook geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied. Effecten zijn zodoende uitgesloten en er is evenmin nader onderzoek nodig. Steenmarter komt op tal van plaatsen voor en gezien het habitat in het plangebied is het aannemelijk dat steenmarter(s) ook voorkomen in het plangebied. De mogelijkheid bestaat eveneens dat er meerdere verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bestaande bebouwing en of bosschages. Doordat de bebouwing en bosschages behouden blijven, zorgt het voornemen niet voor de fysieke aantasting van verblijfplaatsen. Te verwachten is, dat met een toename aan bebouwing en menselijke activiteit, het plangebied geschikter wordt. Echter is dit afhankelijk van de daadwerkelijke inrichting van het plangebied. Zodoende wordt aanbevolen nader onderzoek uit te voeren. 4.6.3 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven.
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd.
28/43
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Kenmerk
Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en nietessentiële foerageergebieden en vliegroutes. 4.6.3.1
Verblijfplaatsen
Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. In het plangebied zijn dergelijke verblijfplaatsen aanwezig. Er zijn meerdere (oude) panden waarvan het vrijwel zeker is dat er voor vleermuis toegankelijke delen zijn. Tijdens het aanvullend veldbezoek op 16 februari 2022 is gericht gelet op de aanwezigheid van holtes, er zijn bijzonder weinig holtes of andere geschikte verblijfplaatsen aanwezig in de bomen binnen het plangebied. Doordat bij het voornemen geen bomen gekapt worden of werkzaamheden aan gebouwen worden uitgevoerd zijn directe effecten op verblijfplaatsen uitgesloten mits uitstraling van verlichting naar mogelijk verblijfplaatsen wordt voorkomen. 4.6.3.2 Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen.
In het plangebied zijn dergelijke foerageergebieden aanwezig in de vorm van de talrijke bomenrijen en bosschages. Gezien de mogelijkheden voor verblijfplaatsen in het plangebied én de ligging aan de rand van de bebouwde kom van Epe kunnen er meerdere vliegroutes en foerageergebieden aanwezig zijn. Deze foerageergebieden zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Hoewel de aanwezige groenstructuren niet fysiek worden aangetast, is niet volledig uitgesloten dat een toename van bebouwing een negatief effect heeft. Echter kan door de toename aan bebouwing het plangebied ook geschikter worden als foerageergebied, maar een goede beoordeling is enkel te maken als duidelijk is door welke soorten en in welke mate het plangebied gebruikt wordt als foerageergebied en als vliegroutes. Om aan te tonen of uit te sluiten dat essentiële foerageergebieden aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een ontheffing Wnb noodzakelijk. 4.6.4 4.6.4.1
Vogels Vogels - jaarrond beschermde nesten
De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief broeden uitsluitend in bomen. Indien een of meer van deze soorten broedt in het plangebied is het niet uitgesloten dat het voornemen een negatief effect heeft op de nestlocatie. Tijdens een aanvullend veldbezoek op 16 februari 2022 is gericht gezocht naar nesten in de bomen.
29/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL
Er zijn meerdere nesten aangetroffen die gebouwd kunnen zijn door ekster en zwarte kraai, tevens is een nest dusdanig van formaat dat hier mogelijk buizerd het nest gebouwd heeft (figuur 4.2). Nabij dit nest werd op 16 februari ook een buizerd waargenomen. Verspreid door het plangebied zijn tevens meerdere naaldbomen aanwezig welke niet volledig geïnspecteerd konden worden. Gelet op de aanwezige nesten en bevindingen van het veldbezoek op 16 februari 2022 is de aanwezigheid van een of meer broedlocaties van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer of wespendief niet uitgesloten. Roeken zijn medio februari al druk aanwezig in hun kolonies, mede op basis van de aangetroffen nesten, de spreiding in het plangebied en het ontbreken van roek kan de aanwezigheid van een kolonie worden uitgesloten.
Figuur 4.2 Een overzicht van de in en nabij het plangebied aangetroffen soorten. De genoemde soorten hebben het nest vermoedelijk gebouwd. Dit betekent niet dat de nesten op dit oment ook deze soorten gebruikt worden, een deel van de nesten is oud en vervallen
Hoewel de nesten niet fysiek zullen worden aangetast, zorgt de toename aan bebouwing en menselijke activiteit voor een afname aan geschikt foerageergebied en verstoring waardoor succesvol broeden niet meer vanzelfsprekend is voor boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer of wespendief. Om te bepalen of en in welke mate boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en/of wespendief is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Gierzwaluw broedt in het stedelijk gebied onder dakpannen of dakoverstekken. Vrijstaande bebouwing zoals in het plangebied wordt door gierzwaluw zelden gebruikt, maar een of meerdere broedlocatie zijn niet uitgesloten. Doordat de bebouwing, inclusief omliggende tuinen behouden blijven, is er geen sprake van de aantasting en functionaliteit van eventuele verblijfplaatsen.
30/43
Kenmerk
R002-1282646JNA-V04-pws-NL