200569.01 ROB Hoofdstraat 117 Epe 22 mei 2023
Tekst van het document
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. wonin33
gen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan aan de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Onderhavig project ziet op de realisatie van 22 woningen (appartementen) en een winkelruimte van 98 m2 in het besluitgebied. Het totaal aantal te realiseren woningen is kleiner dan 1.500.
Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan van deze omvang niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Om inzicht te geven in de gevolgen van het project voor het aspect ‘lucht’ is de NIMBtool’ ingevuld:
NIBM-tool project Hoofdstraat 117 Bron: infomil Het besluitgebied ligt daarnaast niet binnen de onderzoekszones van 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg. Volgens de criteria uit de Wet milieubeheer inzake luchtkwaliteitseisen kan er daardoor geen sprake zijn van een gevoelige bestemming langs drukke infrastructuur. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
34
De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere bij een woning sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico’s uit te sluiten, is de lokale luchtkwaliteit onderzocht. De kaarten van de Atlasleefomgeving zijn geraadpleegd om de concentraties fijnstof PM10, PM2,5 en de stikstofdepositie NO2. Hierop is waar te nemen dat de concentraties luchtvervuilende stoffen besluitgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.
Concentraties stikstofdioxide, bron: Atlas Leefomgeving
Concentraties PM10, bron: Atlas Leefomgeving
35
Concentraties PM2,5, bron: Atlas Leefomgeving
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.6
Bodem Algemeen Voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de toevoeging van functies waar langdurig of frequent mensen verblijven, moet aangetoond zijn dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Onderzoek Om aan te tonen dat ter plaatse van het besluitgebied sprake is van een goede bodemkwaliteit heeft Boluwa een bodemonderzoek7 uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geen milieuhygiënische belemmeringen geven voor de herontwikkeling van de locatie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.7
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en rond het besluitgebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via de provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het 7 Boluwa (2020). Verkennend bodemonderzoek (asbest) Hoofdstraat 117. Projectnummer:
20246. 27 november 2020 36
behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijnen/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Toetsing De initiatiefnemer beoogt 22 woningen en een winkelruimte van 98 m2. Soortenbescherming In een quick scan natuur8 is gekeken naar beschermde soorten. Uit het onderzoek blijkt dat er voor de meeste beschermde soorten geen effecten worden verwacht. Wel is mogelijk sprake van de verstoring van vleermuizen en de gierzwaluwen. Hiernaar is nader soortonderzoek 9 uitgevoerd dat in september 2020 werd afgerond. De werkzaamheden en ontwikkelingen leiden mogelijk tot het verstoren van een belangrijke vliegroute en niet-essentieel foerageergebied van vleermuizen. In het te slopen pand bevinden zich geen gierzwaluwen. Op 8 september 2021 is de provinciale ontheffing verleend voor de gewone dwergvleermuis10. Mitigerende maatregelen zijn vereist. De permanente mitigatie is het anbrengen van acht inmetselkasten van het type Vivara IB Vl 06 of 08 in combinatie met IB VL 07 in de spouw van de nieuwbouw. Daarnaast dient geen belemmerende elementen in de in- en uitvliegroute gebouwd te worden zoals bomen, vlaggenmasten en steigers.
Gebiedsbescherming De locatie ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO), hiervoor geldt geen externe werking. Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied de Veluwe op circa 1200 meter afstand van het besluitgebied gelegen is. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat er een toename van stikstofdepositie plaats zal vinden. Dit is nader onderzocht met behulp van een AERIUS-stikstofberekening11. Voor het project is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het project. Deze bestaan uit een berekening voor de aanleg- en gebruiksfase. Om een mogelijk significante stikstofdepositie voor de aanleg- en gebruiksfase te berekenen zijn voor beide fases de onderstaande bronnen (activiteiten) in de AERIUS-calculator ingevoerd: − Aanlegfase − Verkeersgeneratie; − Bouwactiviteiten. − Gebruiksfase − Gasverbruik bebouwing; − Verkeersgeneratie.
8 Ruimte voor Advies (2020) Ecologische quickscan Projectnummer: 20VEM03 Hoofdstraat 117
te Epe 30-6-2020 9 Vleermuis- en gierzwaluwonderzoek Hoofdstraat 117 te Epe Projectnummer: 20VEM03
Hoofdstraat 117 te Epe 21-9-2020 10 Besluit provinciale ontheffing (2021) Hoofdstraat 117 Sloop bestaande woning en nieuwbouw
appartementen Zaaknummer: 2020-013408 8 september 2021 11
BJZ.nu (2022) AERIUS Berekening Hoofdstraat 117, Epe, 17 Mei 2023 37
Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de voorgenomen ontwikkeling tijdens de aanlegfase sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is namelijk in de aanlegfase sprake van een depositie van 0,01 mol/ha/jr. op het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Om deze reden is intern salderen toegepast. Uit de rekenresultaten van de salderingsberekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
4.8
Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1.
een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen; 2. een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatrege-
38
len om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart; 3. een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. klimaatadaptatie; 2. waterveiligheid; 3. zoetwater; 4. grondwater; 5. scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen.
Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem;
39
− watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen; − wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt; − circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven; − energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Deze thema’s worden in het vervolg van het document verfijnd uitgewerkt per deelgebied, waarmee de doelstellingen inzichtelijker worden weergegeven. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeentelijk beleid - Waterplan Epe De gemeente ligt op het overgangsgebied van de stuwwal van de Veluwe naar de IJssel. Het water van de Veluwe komt aan de flanken van de stuwwal aan de oppervlakte en watert af richting de lager gelegen IJssel.
Op de Veluweflank loopt dit watersysteem van west naar oost. In de IJsselvallei loopt het watersysteem van zuid naar noord. Deze twee stroomgebieden hebben een grote invloed op de waterhuishouding in de gemeente Epe. Het Waterplan Epe beschrijft hoe de gemeente Epe de komende jaren wil omgaan met het water in de gemeente. De gemeente stelt dat er op het eigen terrein 25 mm dynamische waterberging geborgen dient te worden. In het voorliggende plan zijn voorzieningen opgenomen zodat het regenwater in eigen grond wordt geïnfiltreerd. Watertoets Voor onderhavig project is de digitale watertoets doorlopen 12. In het besluitgebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het besluitgebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riole-
12
Waterschap Vallei en Veluwe (2022). Digitale Watertoets, Hoofdstraat 117. 24 mei 2022 40
ring of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.
Wij vragen de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van ons waterschap toe te passen. Gebiedsspecifieke aandachtspunten – Grondwaterfluctuatiezone Het besluitgebied ligt binnen de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om daarmee toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Meer informatie over de grondwaterfluctuatiezone kunt u vinden op de website van de Provincie Gelderland. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
41
Toetsing De gemeente Epe heeft in 2012 cultuurhistorisch en archeologisch beleid vastgesteld. Het beleid gaat voor archeologie uit van verschillende verwachtingswaarden. Voor elke waarde is onderscheiden beleid vastgesteld. Bij een ontwikkeling waarbij bodemingrepen plaatsvinden moeten deze worden uitgevoerd als de maximale verstoringsoppervlakte of de verstoringsdiepte in de waarde wordt overschreden. Onderstaand is de waardenkaart voor het centrum van Epe weergegeven.
Uitsnede uit archeologische waardenkaart met globale indicatie besluitgebied in blauw. Het besluitgebied kent de waarde ‘dorpskern en historische erven’ en ‘hoge verwachting’. In het geldende bestemmingsplan is het besluitgebied aangewezen voor ‘Waarde – Archeologie 1’. Bij ingrepen groter dan 100m² en dieper dan 30cm dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Onderzoek Archeologisch bureauonderzoek Ter plaatse van het plangebied is allereerst een archeologisch bureauonderzoek 13 uitgevoerd. Hierin wordt het volgende geconcludeerd. Het plangebied ligt op een stuwwal (formatie van Boxtel, laagpakket van Singraven). Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Op basis
13 Synthegra (2022). Bureauonderzoek, Hoofdstraat 117 te Epe, kenmerk: S220042 29 juli 2022
42
van de bevindingen van onderzoek in de omgeving is de verwachting dat ook binnen de planlocatie een antropogeen eerddek te verwachten is (tussen 80 en 100 cm -mv), met hieronder gefossiliseerde middeleeuwse akkers. De verwachting is hoog voor de Middeleeuwen t/m de Nieuwe Tijd, en vondsten kunnen zich in het eerddek bevinden (tot ca. 80 cm -Mv), terwijl sporen tussen 80 en 100 cm -Mv te verwachten zijn. De verwachting van sporen en vondsten van het neolithicum t/m de vroege middeleeuwen is middelhoog, aangezien de aanwezigheid van vindplaatsen uit het neolithicum en de late bronstijd op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied is aangetoond. De verwachting voor het laat-paleolithicum t/m het mesolithicum is laag vanwege de ligging in het droogdal. Als er sporen of vondsten van deze periodes aanwezig zijn, dan zal dit in de top van het dekzand zijn, direct onder de eerdlaag, naar verwachting tussen 80 en 100 cm -Mv. Op basis van de huidige bebouwing, is de kans groot dat het aanleggen van de kelder onder het gebouw de sporen zal hebben vernietigd. Onder de rest van het pand is een kruipruimte aanwezig van ca. 80 cm. Het is mogelijk dat, als de eerdlaag de verwachte dikte van 80 centimeter heeft, hieronder nog archeologische sporen bevinden.
De garage en parkeerplaats zijn hoogstwaarschijnlijk op zand gestort, dus de kans is groot dat hieronder nog archeologische sporen aanwezig zijn. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied, zoals omschreven in de vergunningsaanvraag, nader archeologisch onderzoek geadviseerd. In eerste instantie wordt een verkennend booronderzoek geadviseerd om de bodemopbouw in kaart te brengen en daarmee het verwachtingsmodel te toetsen. Aangezien de ingrepen voornamelijk op de delen plaats gaat vinden die nu bestraat is en een middelhoge tot hoge verwachting voor archeologische resten vertegenwoordigt dient hier het onderzoek zich op te richten.
43
Verkennend booronderzoek Vervolgens is op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek een archeologisch verkennend booronderzoek14 uitgevoerd. Bij dit onderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van ten minste 6 boringen per hectare. Aangezien het plangebied circa 1.100 m2 groot is, zijn verspreid over het plangebied in totaal 6 boringen gezet. Vanwege het geringe oppervlak en de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De boorlocaties zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.
Boorpuntenkaart (bron: Synthegra archeologie).
In het inventariserend booronderzoek worden de volgende conclusies getrokken: − Op één boring na (boring 1) is in het hele gebied een vrijwel intact bodemprofiel aangetroffen. Het betreft een dik esdek, gevolgd door een dunne bruine ijzerrijke BC laag, gevolgd (in boringen 3, 4 en 5) door daluitspoelingsafzettingen, gevolgd door een laag dekzand. In het gebied ligt een vrij intacte hoge zwarte enkeerdgrond. De bodemhorizonten die bij een oorspronkelijk podzolprofiel horen zijn wel verstoord in alle boringen. − In geen van de boringen zijn vondsten aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Er is een esdek aangetroffen op het dekzand. Dit vertegenwoordigt derhalve een intact profiel (boring 2 en 6, in het oosten en westen van het gebied). − De top van het esdek bevindt zich direct onder de verstoorde bovenlaag en is te vinden tussen een diepte van 10 en 60 centimeter beneden maaiveld. De ver-
14
Synthegra (2022) Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek Hoofdstraat 117 te Epe. Projectnummer: S2200042-B, 12 december 2022. 44
stoorde top van het dekzand bevindt zich tussen een diepte van 1,5 en 1,9 meter beneden maaiveld. − Voor de top van het esdek zal het gaan om bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Direct onder het esdek tot in het dekzand of de daluitspoelingsafzettingen kunnen zich resten bevinden uit de perioden Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. − In het gebied zal er tot 3 meter beneden maaiveld verstoord worden. Hierdoor komen de archeologisch interessante lagen in gevaar. Nader onderzoek is hier dus nodig. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek is het namelijk nog steeds mogelijk dat er een archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig is. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 60 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. Ter plaatse van de huidige bebouwing is dit niveau waarschijnlijk al verstoord en zijn eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen. Naast de huidige bebouwing is de bodem vrijwel intact. Met de geplande werkzaamheden komen eventuele resten in deze lagen in gevaar.
Een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, of een archeologische begeleiding, om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden, worden aangeraden. Voor dit proefsleuvenonderzoek, of een archeologische begeleiding, is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Hierbij hoeft alleen het deel waar de huidige woning niet staat onderzocht te worden. Door de onder de bebouwing aanwezige kelder zullen de archeologisch interessante resten op deze plekken zijn verstoord, gezien de ligging tussen 0,6 en 1,9 meter beneden maaiveld en de minimale verstoringsdiepte van 2 meter door de kelder. Waar deze kelder zich niet in het gebied bevindt zullen deze lagen wel intact zijn. Deze delen zullen nader onderzocht moeten worden. Programma van Eisen Zoals hierboven aangegeven volgt uit het verkennend booronderzoek dat een programma van eisen (PvE) geadviseerd wordt. Dit PvE 15 is opgesteld door Synthegra archeologie. In dit programma zijn randvoorwaarden en aanvullende eisen opgesteld waar rekening mee gehouden dient te worden bij vervolgwerkzaamheden.
Conclusie Indien de vervolgwerkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van de randvoorwaarden en aanvullende eisen uit het PvE vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
15
Synthegra (2023) Programma van Eisen Hoofdstraat 117 te Epe. Projectnummer: S230026. 45
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Toetsing Het besluitgebied ligt in het centrum van Epe. Op historische kaarten is te zien dat ub en rondom het plangebied in ieder geval sinds 1875 bebouwing aanwezig is. De Hoofdstraat hoort samen met de Emmastraat, de Stationsstraat en de Brinklaan bij de historische linten van de kern. Deze wegen waren alle drie rond 1875 al aanwezig en vormden de ontsluitingsstructuur van Epe. Het voorliggende project is niet van invloed op de Hoofdstraat. Het pand in het besluitgebied werd in 1950 gebouwd. Dit pand is niet aangewezen als gemeentelijk- of rijksmonument. Verder zijn er in de directe omgeving van het besluitgebied geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig.
Historische kaarten met het besluitgebied blauw omcirkeld (bron: topotijdreis.nl)
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
46
4.11
Verkeer en parkeren Onderhavig project ziet op de realisatie van 22 woningen (appartementen) en een winkelruimte van 98 m2 in het besluitgebied. Deze ontwikkeling leidt tot een wijziging van het aantal verkeersbewegingen. In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Verkeer Huidige ontsluiting De huidige ontsluiting van het besluitgebied vindt plaats op de Hoofdstraat. Deze ontsluiting van het besluitgebied blijft in de toekomstige situatie behouden. Verkeersgeneratie project De verkeersaantrekkende werking van de toekomstige woningen en van de winkelruimte is berekend op basis van de CROW-notitie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Hierbij is uitgegaan van de ligging in de categorie ‘centrum’ en van een weinig stedelijk gebied. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 16 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Om te kunnen bepalen welk effect de planontwikkeling heeft op de omliggende infrastructuur is de maximale verkeersgeneratie in de toekomstige situatie bepaald.
De verkeersgeneratie is voortgekomen uit de CROW-kencijfers. Voor de toekomstige situatie is uitgegaan van 5 appartementen in het goedkope segment, 6 ‘midden duur’ en 11 ‘duur’. Daarnaast is de categorie ‘Binnenstad of hoofdwinkel(stads)centrum 20.000-30.000 inwoners’ opgenomen in de tabel, voor het berekenen van de toekomstige verkeersgeneratie van de winkelruimte.
16
CROW, ASVV 2021, d.d. oktober 2021 47
Tabel 2: Toekomstige situatie Aantal
kencijfer min max
per
Verkeersgeneratie (per etmaal) min max
Type Koop, appartementen, goedkoop
5
4,8
5,6
woning
24
28
Koop, appartementen, midden
6
5,4
6,2
woning
32,2
37,2
Koop, appartementen, duur
11
6,8
7,2
woning
74,8
79,2
98
28,2
37,4
100 m2 bvo
27,6
36,7
158,6
181,1
Binnenstad of hoofdwinkel(stads)centrum 20.000-30.000 inwoners Totaal
Zoals uit de tabel is af te leiden neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie met maximaal 181,1 verkeersbewegingen per etmaal toe. Aangezien in de huidige situatie ook een winkel en woning in het plangebied aanwezig zijn, zal de daadwerkelijke toename kleiner zijn. Conclusie Gezien de beperkte toename van verkeersbewegingen is het aannemelijk te veronderstellen dat het extra verkeer als gevolg van deze ontwikkeling zonder problemen kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld op de bestaande omliggende wegen, mede gelet op de nabijheid van de Hoofdstraat, de doorgaande weg die het centrum van Epe verbindt met het noordoosten van Epe. Navolgende afbeelding laat zien dat de Hoofdstraat een verkeersintensiteit van 11.532 bewegingen per etmaal kent in het prognosejaar 2030. Deze weg is aan te merken als gebiedsontsluitingsweg. Dit houdt in dat de weg minimaal 15.000 verkeersbewegingen/etmaal op kan vangen. De extra maximaal 181,1 verkeersbewegingen per etmaal kunnen zonder problemen worden opgenomen op de bestaande omliggende wegen.
48
Verkeersintensiteiten prognosejaar 2030 Bron: Akoestisch onderzoek Parkeren Nota parkeernormen Epe Op het besluitgebied is het Parapluplan Parkeren (vastgesteld 8-11-2018) van toepassing. Hierin is voorgeschreven dat bij bouwplannen de parkeernormen dienen te worden gevolgd uit de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Epe. Voor onderhavig besluitgebied geldt dat het besluitgebied is gelegen binnen het centrum (zie navolgende kaart). Dit betekent dat de parkeernormen zoals van toepassing voor het centrum van Epe van toepassing zijn.
49
Ligging besluitgebied (blauwe ster) ten opzichte van bebouwde kom en centrum Epe, bron: Nota parkeernormen Epe
Bestaande situatie De bestaande winkelbestemming omvat 248 m2 winkel en 72 m2 magazijn. Het totale bvo is 320 m2. Ten behoeve van de winkelruimte zijn 3 parkeerplaatsen per 100 m 2 aanwezig in de omgeving. Dit betekent dat in totaal (3 X 3,2) 9,6 parkeerplaatsen aanwezig zijn. De bestaande woning voorziet op eigen terrein in de parkeerbehoefte. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden in het plangebied 22 appartementen en 100 m2 winkelruimte gerealiseerd. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte op basis van de nota parkeernormen berekend.
50
Aantal
kencijfer
Parkeercijfers
Type Koop, etage, goedkoop
per 5
1,3
woning
6,5
Koop, etage, midden
6
1,4
woning
8,4
Koop, etage, duur
11
1,6
woning
17,6
Winkelruimte
98
3
100 m2 bvo
Totaal
2
3 35,5
Om te voorzien in de parkeerbehoefte voor de woningen zijn in totaal 36 parkeerplaatsen nodig. Om te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de woningen wordt onder het appartementengebouw een parkeergarage gerealiseerd met 25 parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er 10 parkeerplaatsen in openbaar gebied reeds beschikbaar in de huidige situatie. Dit betekent dat er per saldo 1 parkeerplaats te weinig wordt gerealiseerd om te voorzien in de berekende behoefte. De gemeente gaat akkoord met deze beperkte afwijking van het parkeerbeleid. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
51
5 5.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Voorliggend project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten die gepaard gaan met het project en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het besluitgebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten zijn geregeld in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Epe en de initiatiefnemer. Ook is er een overeenkomst voor de verrekening van planschade afgesloten tussen beide partijen. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Omwonenden De omwonenden zijn door initiatiefnemer intensief betrokken bij en geïnformeerd over het voorliggende plan. De initiatiefnemer heeft contact gehad met de direct aangrenzende buurman, de eigenaar van de Hoofdstraat 113-115. Bij de planvorming is rekening gehouden met de verschillende wensen (o.a. uitzicht en sedumbegroeiing op de bergingen) van deze buurman. Overleg is geweest met de voorzitter van de Ondernemersverening Epe en de eigenaar van de Jumbo supermarkt. De ondernemersvereniging is enthousiast over de mogelijkheid voor een winkelruimte aan het begin van de Sternpassage: De wens van de ondernemersvereniging om een “vers-straat” te creëren blijft zo mogelijk. Ook is een gesprek geweest met de bewoners aan het plein, hetgeen resulteerde in de toezegging dat de het dak op de 1e verdieping boven de winkelruimte als een sedumdak wordt uitgevoerd. Het geanonimiseerde participatieplan is als bijlage 14 bijgevoegd.
5.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal 6 weken ter visie worden gelegd. In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van de procedure opgenomen.
52
6
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat realisatie van het appartementengebouw met 22 appartementen en een winkelruimte van 98 m2 of twee extra appartementen, overeenkomstig de in de vorige paragrafen gegeven omschrijving van het project en het besluitgebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen.
53