CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

1356803 Programmabegroting 2026-2029 Gemeente Epe

Gemeenteraad 10 november 2025, gemeente EpeBij agendapunt: Programmabegroting 2026 – 202934.751 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

-2.740 -

Netto lasten taakveld(en)

-2.740

Overhead incl. (omslag)rente

-148

BCF-btw

-495

Storting voorziening

-290

Totale lasten (A)

-3.674

Opbrengst heffingen

3.699

Kwijtschelding Onttrekking reserve riolering Onttrekking voorziening riolering

-25 -

Totale baten (B)

3.674

Kostendekkendheid (B: A)

100%

Forensenbelasting Mensen met een gemeubileerde woning die niet in de gemeente wonen betalen deze belasting. De WOZ-waarde is daarvoor de grondslag. Het tarief is een percentage van de waarde. Als de waarde stijgt, verlagen we het tarief. Zo zorgen we dat de totale opbrengst niet meer stijgt dan de index. Er is een minimumtarief en een maximumtarief. Het minimumtarief stijgt met de indexatie. Het maximumtarief blijft gelijk. Precariobelasting Bedrijven met bijvoorbeeld terrassen of winkeluitstallingen op gemeentegrond betalen deze belasting. Dat geldt ook voor marktkooplieden en mensen met een standplaats op gemeentegrond. De tarieven stijgen met de index. Toeristenbelasting Toerisme is belangrijk voor de gemeente Epe. Mensen die hier niet wonen, maar wel overnachten betalen deze belasting. Dat gaat via de campings, hotels, B&B's en andere aanbieders. Als je in een eigen kampeermiddel overnacht, hoef je minder toeristenbelasting te betalen dan als je overnacht in een hotel of in een huurtent bijvoorbeeld. Op het aantal overnachtingen heeft de gemeente geen

57

invloed. Als die stijgt, stijgt ook de opbrengst. De gemeente heeft wel invloed op het tarief. De raad heeft de tarieven voor 2026 al vastgesteld: € 1,00 voor het lage tarief en € 1,50 (2025: € 1,45) voor het reguliere (hoge) tarief. Aangezien het reguliere (hoge) tarief de € 1,50 heeft bereikt, zullen we in 2025/ 2026 volgens afspraak in gesprek gaan met de ondernemers. Voor vaste standplaatsen op een camping gelden vaste tarieven. Zo hoeven ondernemers van die gasten niet bij te houden wanneer ze er waren en wanneer niet. Voor 1 januari 2026 staat de invoering van de btw-verhoging voor overnachtingen van 9% naar 21% gepland. Het gaat om overnachtingen in hotels en vakantieparken, terwijl campings grotendeels zijn uitgezonderd. Deze btw-verhoging kan gevolgen hebben voor de inkomsten toeristenbelasting. Begraafrechten Nabestaanden willen hun overleden dierbaren op een waardige manier kunnen begraven. De begraafplaats moet er verzorgd uitzien. De gemeente zorgt voor begraafplaatsen en het onderhoud daarvan. Om de kosten daarvan te dekken is er deze heffing. Nabestaanden betalen voor het begraven, voor het graf, het onderhoud enzovoort. Van tevoren betalen zij voor de hele periode waarvoor het graf blijft bestaan. Daarom is er een egalisatievoorziening. Daaruit betalen we de onderhoudskosten die in het verleden zijn afgekocht.

De gemeente moet nog onderzoeken hoe groot die voorziening moet zijn om ook in de toekomst alle kosten te kunnen blijven betalen. De tarieven stijgen met de index (2,8%). De kosten van het maken van beleid zijn niet meegenomen. Bij de opbrengst uit heffingen gaat het om de afkoopsommen onderhoud en de overige eenmalige en jaarlijkse begraafrechten. De lasten zijn inclusief btw. De kostendekkendheid van deze taak staat onder druk. Voor 2026 wordt een tekort van € 98.000 verwacht. Dit tekort wordt opgevangen door een onttrekking uit de voorziening. Volgens de prognose zal deze voorziening binnen enkele jaren echter niet meer toereikend zijn om de jaarlijkse tekorten te dekken. In lijn met het nieuwe beleidsplan Begraven, begraafplaatsen en gedenken zal onderzocht worden hoe de kostendekkendheid verbeterd kan worden. bedragen x € 1.000 Kostendekkingsoverzicht begraafrechten Lasten taakveld(en) incl. (omslag)rente

-918

Baten taakveld(en), excl. heffingen

56

Netto lasten taakveld(en)

-862

Overhead

-95

Storting voorziening begraven

-

Totale lasten (A)

-957

Opbrengst heffingen

859

Onttrekking voorziening begraven

98

Totale baten (B)

957

Kostendekkendheid (B: A)

100%

Leges Vraag je een vergunning aan, wil je een paspoort of ga je trouwen? Dan betaal je daarvoor leges. Je betaalt voor de dienst die je van de gemeente vraagt. De meeste tarieven stijgen met de index. Soms gelden er wettelijk voorgeschreven (maximum) tarieven. We streven niet naar 100% kostendekking bij de leges. Bij de leges voor bouwactiviteiten is het tarief afhankelijk van de bouwkosten. Het maximumtarief is vanaf 01-01-2025 weer naar het oorspronkelijk niveau verhoogd (€ 152.000; het niveau van 2022). In 2023 was het maximumtarief van bouwleges verlaagd (€ 72.000), omdat toen de kostendekkendheid boven de 100% uitkwam. Aangezien de kostendekkendheid voor 2025 fors onder de 100% uitkwam, is het maximumtarief weer naar het oorspronkelijk niveau verhoogd. Het maximumtarief is het bedrag wat maximaal aan leges betaald moet worden bij een aanvraag. Gemiddeld genomen betalen dure bouwwerken mee aan de kosten van de gemeente voor goedkope bouwwerken. Dat heet kruissubsidiëring. Voor 2025 en ook voor 2026 is de verwachting dat er geen sprake is van kruissubsidiëring. Dit wordt veroorzaakt door het achterblijven van grote bouwprojecten door de stikstof problematiek. In onderstaand overzicht staat hoe dit uitpakt voor 2026. Bouwkosten

% van totale lasten

% van totale opbrengst

< € 100.000

60%

45%

58

€ 100.000 - € 500.000

25%

40%

> € 500.000

15%

15%

De personeelslasten zijn op basis van een jaarlijkse uitvraag over de taakvelden verdeeld. Om de inkomsten voor 2026 in te schatten, kijken we hoeveel aanvragen er in de afgelopen jaren voor kleinere bouwprojecten zijn geweest. De grote projecten (bouwkosten meer dan € 500.000) brengen we per project in beeld. We maken een inschatting van de bouwkosten. Het blijft natuurlijk onzeker of de aanvraag ook daadwerkelijk in 2026 binnenkomt. Hieronder staat de kostendekking per clustering van producten. Zo ontstaat ook een beeld van de kruissubsidiëring. De kostendekking voor de totale legesverordening is voor 2026 geraamd op 58%, lager dan de geraamde kostendekking over 2025 (75%). Oorzaak is met name de achterblijvende leges omgevingsvergunning. Er is een onderzoek naar de kostendekkendheid uitgevoerd waarin inzichtelijk wordt welke mogelijkheden er zijn om kostendekking te verhogen. Dit onderzoek is aan de raad aangeboden. Hieronder staat de kostendekking per clustering van producten. Zo ontstaat ook een beeld van de kruissubsidiëring. bedragen x € 1.000 lasten totale opbrengst overhead BTW kostendekkendheid taakvelden lasten heffingen Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening Burgerlijke stand

-44

-26

-1

-71

37

52%

Reisdocumenten

-344

-90

-

-434

474

109%

Rijbewijzen

-123

-73

-

-195

169

87%

BRP-verstrekkingen

-63

-9

-9

-81

35

43%

Bijzondere wetten

-4

-5

-

-9

76

861%

-578

-203

-10

-791

792

100%

subtotaal H 1

Hoofdstuk 2 Fysieke leefomgeving Kapvergunningen

-73

-61

-3

-138

30

22%

Bestemmingsplannen/ omgevingsplannen

-11

-12

-

-23

25

107%

Omgevingsvergunningen

-832

-718

-28 -1.579

632

40%

subtotaal H 2

-917

-791

-31 -1.740

687

39%

-43

15

36%

-42 -2.573

1.495

58%

Hoofdstuk 3 Europese Dienstenrichtlijn Europese Dienstenrichtlijn

-21

-22

Totaal leges

-1.516

-1.016

-

N.B. Door afronding is de optelsom van de opbrengst niet gelijk aan het totaal van de legesinkomsten. De inkomsten leges die onder hoofdstuk 3 vallen, zijn zo laag dat deze niet verder zijn uitgesplitst. Bedragen x € 1.000 Kostendekkingsoverzicht leges Lasten taakveld(en) incl. (omslag)rente Baten taakveld(en), excl. heffingen

-1.516 -

Netto lasten taakvelden

-1.516

Overhead

-1.016

BCF-btw

-42

Totale lasten (A)

-2.573

Opbrengst heffingen (B)

1.495

Kostendekkendheid (B: A)

58%

59

1.4

Kostendekking

Naast de lasten die direct uit de taakvelden zijn af te leiden, rekenen we ook overheadkosten mee. Hoe we dat doen, is vastgelegd in de Financiële verordening gemeente Epe 2023. Over de kosten van derden (dus niet het eigen personeel) rekenen we btw. Op investeringen moeten we afschrijven. Over het deel van de afschrijving dat gaat over de kosten van derden rekenen we dus ook btw toe aan de heffing. 1.5

Kwijtschelding

Mensen met een inkomen op ongeveer bijstandsniveau en met bijna geen vermogen kunnen de gemeentelijke belasting eigenlijk niet betalen. Zij komen voor kwijtschelding in aanmerking. Dat geldt alleen voor de rioolheffing van gebruikers en voor het vastrecht afvalstoffenheffing. Voor het variabele tarief afvalstoffenheffing is kwijtschelding mogelijk tot maximaal € 91,68. De inkomsten die de gemeente daardoor misloopt, worden betaald door de mensen die geen kwijtschelding krijgen. Gemeenten mogen beperkt eigen beleid voeren. De raad van Epe heeft een zo ruim mogelijk beleid vastgesteld. Als iemand vorig jaar kwijtschelding heeft ontvangen, kan meestal automatische kwijtschelding plaatsvinden. Mensen hoeven dan geen aanvraag in te dienen. 1.6

Woonlasten

We willen dat de woonlasten onder het landelijk gemiddelde blijven. Dit gaat om de OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In de grafiek hieronder staat de verwachting voor een gemiddeld meerpersoonshuishouden. Als die verwachting klopt, blijft Epe dus onder het landelijk gemiddelde. De gegevens tot en met 2025 komen uit de COELO-atlas. Voor het bepalen van het gemiddelde verbruik bij diftar hanteert COELO andere uitgangspunten dan de gemeente. Voor de begrotingsjaren (2026-2029) is voor Epe uitgegaan van de eigen uitgangspunten. Dit zorgt voor een stijging ten opzichte van 2025. Die is namelijk gebaseerd op de COELO-atlas. We verwachten dat landelijk de woonlasten met 5% stijgen. Dat is het gemiddelde van de afgelopen jaren. Voor Epe houden we rekening met de verwachte tariefswijzigingen en de verwachte toename van het aantal panden.

60

2 | Weerstandsvermogen en Risicobeheersing 2.1

Inleiding

Algemeen Risicobeheersing wordt in de gemeente Epe procesmatig uitgevoerd in een risicomanagement proces. Het risicomanagement proces is een systematisch en cyclisch proces om risico’s te identificeren, te analyseren en te beoordelen, op basis hiervan maatregelen te nemen (beheersing) en die te evalueren. Door de gekozen manier van beheersen van een bepaald risico kan er een restrisico voor de organisatie overblijven. We verstaan onder een restrisico een risico dat aanwezig blijft ná getroffen beheersmaatregelen of specifieke risicobuffers. Die specifieke risicobuffers kunnen een bestemmingsreserve of stelpost zijn. De restrisico's moeten vervolgens door de algemene weerstandscapaciteit worden opgevangen zodat deze geen invloed hebben op de taakuitvoering van de gemeente. De relatie tussen de beschikbare middelen (ook wel weerstandscapaciteit genoemd) en de restrisico’s wordt het weerstandsvermogen genoemd. Nader uitgewerkt is het weerstandsvermogen de relatie tussen: 1. Weerstandscapaciteit: Dit zijn de middelen en mogelijkheden die de gemeente in staat stelt om financiële tegenvallers op te vangen. 2. Risico’s: Dit zijn de restrisico’s die van materiële betekenis zijn in relatie tot de financiële positie van de gemeente. Schematisch ziet dat er als volgt uit:

Actualisatie van het risicomanagement Een actualisatie van de wijze waarop het risicomanagement is ingericht en wordt uitgevoerd, is onderdeel van het project "doorlichting financieel beleid". In de consultatie over dit onderwerp is in de commissie Omgeving & Financiën de voorkeur uitgesproken om naar een meer integraal systeem van risicomanagement over te gaan waarbij (1) risico's in een algemene buffer worden opgevangen en (2) de paragraaf weerstandsvermogen een volledig inzicht gaat geven in de risico's (en niet alleen de restrisico's). Keuzes en besluitvorming hierover vindt volgens afspraak plaats aan het begin van de nieuwe bestuursperiode. Dat betekent dat de opzet in de begroting 2026-2029 nog ongewijzigd is. 2.2

Beleidskaders

In 2018 heeft de gemeenteraad van Epe de nota risicomanagement en weerstandsvermogen vastgesteld. In deze nota is het risicomanagementproces vastgelegd en de kaders aangegeven voor de uitvoering van het risicomanagement en voor het weerstandsvermogen. De volgende randvoorwaarden zijn vastgelegd: a. Het risicomanagement wordt procesmatig en conform de standaarden in de nota risicomanagement en weerstandsvermogen uitgevoerd.

61

b. Voor de risico’s waarbij het financiële effect op de bedrijfsvoering Groot tot Zeer groot is en de kans daarop ook Groot tot Zeer groot is, worden (in de regel) financiële maatregelen getroffen voor het restrisico in de vorm van een voorziening, bestemmingsreserves of (structurele) stelpost(en) in de begroting. c. De weerstandscapaciteit wordt gevormd uit het saldo van de algemene reserve, de begrotingsruimte of het rekeningresultaat en het bedrag voor onvoorzien. d. De ratio voor het weerstandsvermogen is minimaal voldoende (groter dan 1). e. De verhouding algemene reserve in relatie tot de benodigde weerstandscapaciteit is minimaal voldoende (groter dan 1). De herijking en actualisatie van deze nota is onderdeel van het eerdergenoemde project "doorlichting financieel beleid". 2.3

Weerstandscapaciteit

De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen die de gemeente in staat stelt om financiële tegenvallers op te vangen. Onder deze middelen worden opgenomen de algemene reserve, de begrotingsruimte (of het rekeningresultaat) en het bedrag voor onvoorzien. De onderdelen van de weerstandscapaciteit kunnen een structureel of een incidenteel karakter hebben. Incidentele weerstandscapaciteit is opgebouwd uit eenmalig beschikbare middelen, structurele weerstandscapaciteit is opgebouwd uit structureel beschikbare middelen. In de onderstaande tabel wordt de weerstandscapaciteit aangegeven. Bedragen * € 1.000 Weerstandscapaciteit

2026

karakter

Algemene reserve

2.549

incidenteel

23

incidenteel

122

incidenteel

Begrotingsruimte 2026 Onvoorzien 2026 Totaal

2.694

De verwachte stand van de algemene reserve op 1 januari 2026 bedraagt € 2,5 miljoen nadat een bedrag van € 9,6 miljoen is vrijgevallen en ingezet als dekking voor beleidsinitiatieven. 2.4

Risico’s

Een risico voor een organisatie is een onzekere gebeurtenis die, als die zou plaatsvinden, vertragend of belemmerend werkt om de doelstellingen te bereiken. De gevolgen van het zich werkelijk voordoen van deze gebeurtenissen vertalen zich vaak in financiële schade maar ook in niet-financiële schade. De inventarisatie van risico’s heeft als doel om de, op het moment van het opstellen van de begroting en jaarrekening, bekende risico’s te benoemen en toe te lichten. Voor zover risico’s als concrete toekomstige financiële verplichtingen te kwantificeren zijn, zijn daarvoor (financiële) voorzieningen gevormd. Het kwantificeren van risico’s is lastig en in veel gevallen zullen de gemaakte keuzes arbitrair zijn. Bij de kwantificering van risico's wordt gebruik gemaakt van het onderscheid tussen het inherente risico en het restrisico. Het inherente risico is het risico zonder dat er rekening gehouden is met het effect van een beheersmaatregel die getroffen is om het risico in te perken. Door het nemen van beheersmaatregelen wordt de omvang van het risico minder. Het risico dat overblijft na het nemen van beheersmaatregelen wordt het restrisico genoemd. De grootste risico’s zijn in een risicokaart weergegeven waarbij het effect na maatregelen (het restrisico) van de gebeurtenis op de financiële positie van de gemeente, is afgezet tegen de kans dat de gebeurtenis zich voordoet.

Onder de tabel wordt een omschrijving van het risico gegeven en de risicokenmerken benoemd.

62

Risicokaart (op basis van restrisico's)

Toelichting risico’s Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de in de risicokaart opgenomen risico's en enkele kenmerken daarvan benoemd. Sociaal domein De middelen voor de uitvoering van de taken in het sociaal domein (Wmo en Jeugdzorg) verstrekt het Rijk via de algemene uitkering. De gemeente kan dat geld naar eigen inzicht besteden, verantwoording aan het Rijk is niet nodig. De gemeente loopt met de uitvoering van deze taken financiële risico’s. Dit wordt mede veroorzaakt door het 'open einde' karakter van deze taken. De kosten stijgen de afgelopen jaren aanzienlijk en de verwachting is, als we het tij niet kunnen keren, dat dit zal blijven stijgen. We zien namelijk toenemende kosten (door indexatie/CAO stijgingen), meer instroom en toenemende complexiteit van casuïstiek. Bij de begroting wordt rekening gehouden met indexering van de tarieven. Regionaal kopen we maatwerkvoorzieningen jeugdzorg en Wmo in. Sinds 1 januari 2025 is voor de indexering aangesloten op de landelijke contractstandaard, waarbij voor 10% de ontwikkeling van de materiële kosten (PPC) wordt meegenomen en voor 90% de personele kosten (OVA). Per 1-12026 is er sprake van een nieuwe en gescheide inkoop binnen de Jeugdzorg en Wmo (regionale maatwerkvoorzieningen). De inkoopdocumenten zijn opgesteld op basis van de landelijke contractstandaarden.

Voor Wmo geldt dat HHM in 2025 een aanvullend onderzoek heeft gedaan naar de cao- en functiemix voor de Wmo-producten. Hierdoor konden de tarieven van bepaalde producten naar beneden worden bijgesteld. Jeugdzorg In 2023 is de Hervormingsagenda Jeugdzorg vastgesteld. Zowel het Rijk, gemeenten als zorgaanbieders hebben een opgave om de jeugdzorg te hervormen. Hiervoor zouden gemeenten tot en met 2025 extra middelen middelen van het Rijk krijgen. Uiteindelijk worden deze tijdelijke extra middelen vervangen door verwachte opbrengsten van de maatregelen uit de Hervormingsagenda. Naar aanleiding van het rapport van de Commissie van Ark (deskundigencommissie) krijgen gemeenten ook in 2026 en 2027 extra middelen. Daarbij blijft de commissie van Ark kanttekeningen plaatsen bij de verwachte opbrengsten uit de Hervormingsagenda. De maatregelen uit de Hervormingsagenda richten zich vooral op het versterken van het voorliggend veld. Bijkomende risico voor Epe is hier dat voor Koppel-Swoe de uitkomsten van de cao-onderhandelingen nog onduidelijk zijn waardoor mogelijk nog hogere kosten ontstaan. Daarnaast wordt gekeken naar een ander financieringsmodel voor de jeugdzorg. Verwachting is dat die op zijn vroegst in 2028 kan worden ingevoerd. Met de val van het kabinet is een aantal ontwikkelingen van de Hervormingsagenda "bevroren".

Wmo De voorgenomen afschaffing van het abonnementstarief is met één jaar doorgeschoven naar 1 januari 2027. Daarnaast is door de val van het kabinet dit

Risicokenmerken Kansklasse: Groot Effectklasse na maatregel: Zeer klein door risicoreserve Restrisico: Geen Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Structureel Beslag op weerstandscapaciteit: Geen

63

onderwerp controversieel verklaard. Naar verwachting kan invoering daardoor niet eerder dan 1 januari 2028 plaatsvinden. Dit leidt tot aanvullende onzekerheid. Beheersing risico Om de risico’s te beheersen is een monitoring systematiek opgezet waardoor tijdig signalen worden ontvangen zodat bijgestuurd kan worden zowel beleidsmatig als in de uitvoering en/of op het financiële vlak. Tegenvallers (incidenteel) kunnen worden opgevangen door de reserve risico’s sociaal domein. Omdat de begroting inmiddels redelijk goed kan worden opgebouwd vanuit de ervaringscijfers (reële raming), is de norm voor de hoogte van de reserve in de begroting 2021 bijgesteld naar 5% van de begrotingsomvang voor 3 jaar. Grondexploitatie De gemeente Epe voert een facilitair grondbeleid. Daarbij is de gemeente bij ontwikkelingen eerder volgend dan initiërend. Hiermee worden de risico's voor de gemeente sterk beperkt. Voor een verdere uitwerking wordt verwezen naar Paragraaf 7 Grondbeleid. Uit deze paragraaf blijkt dat de risico’s binnen het grondbedrijf en regionale woningbouwprogrammering voldoende afgedekt worden met een bestemmingsreserve.

Verbonden partijen De gemeente heeft (zeer uiteenlopende) relaties en verbindingen met instellingen en vennootschappen. In paragraaf 6: Verbonden Partijen wordt uitgebreid ingegaan op relaties en verbindingen van de gemeente met deze verbonden partijen. Kenmerkend voor verbonden partijen is dat zij op afstand van het college en de gemeenteraad functioneren. Elk van de verbonden partijen hebben hun eigen risicoprofiel met een daarbij behorend pakket aan maatregelen om de bestuurlijke en financiële risico's te beheersen. Bij verbonden partijen wordt ernaar gestreefd dat de eigen vermogenspositie van de verbonden partij een solide omvang heeft zodat in eerste instantie financiële tegenvallers door de verbonden partij zelf opgevangen kunnen worden. Het risico van de gemeente in vennootschappen bedraagt formeel niet meer dan de waarde van de aandelen die de gemeente bezit. In de praktijk zal het echter zo zijn dat in financieel slechte tijden (insolvabiliteit) de gemeente bestuurlijk zal worden aangesproken om bij te dragen in mogelijke oplossingen. Voor het afdekken van de risico’s in de privaat-publieke samenwerking zijn middelen opgenomen in de reserve bouwgrondexploitatie.

Juridische risico's en aansprakelijkheid De gemeente loopt juridische risico’s, omdat veel primaire processen binnen de gemeente van juridische aard zijn en bij het onrechtmatig handelen van de gemeente kan een schadeclaim worden ingediend. Juridische procedures kunnen zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk van aard zijn. 1. Bestuursrechtelijke risico’s worden -voor zover het om beschikkingen gaat- beperkt doordat in bezwarenprocedures een toetsing plaatsvindt door een onafhankelijke commissie. 2. Civielrechtelijke procedures betreffen zowel gevallen waarin de gemeente door derden in een juridische procedure wordt betrokken (dagvaarding, aansprakelijkheidstelling, derdenbeslag etc.) als gevallen waarbij de gemeente zelf tegenover derden een juridische procedure start (aansprakelijkheidstelling, dagvaarding etc.). Het financiële risico is vaak moeilijk van tevoren in te schatten. De kosten voor (verplichte) externe juridische bijstand, alsmede proceskosten, zijn de laatste jaren opgelopen, maar lijken zich te stabiliseren. Het claimen van proceskosten en het toewijzen daarvan door de rechter is standaard geworden. Tegen civielrechtelijke claims, voortvloeiend uit onrechtmatige daad en onrechtmatige besluiten (bijv. vernietigde besluiten) heeft de gemeente zich verzekerd.

Voor juridische bijstand, veroordelingen in proceskosten/griffiekosten, eigen risico’s en eigen bijdragen heeft de gemeente regulier budgetten opgenomen. Naarmate de gemeente meer optreedt als regievoerder en opdrachtgever, wordt de kans dat in de uitvoering verschillen van inzicht optreden over gemaakte afspraken groter. Dit kan ook leiden tot procedures wanneer partijen er niet in slagen hun verschillen van inzicht in onderling overleg op te lossen. Borg en garantstellingen De gemeente heeft diverse waarborgen verstrekt voor geldleningen. Dit betekent dat de gemeente als achtervang borg staat op het moment dat de instantie of persoon waaraan de lening verstrekt is, niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. De grootste waarborgen die de gemeente heeft verstrekt zijn (1)

Risico kenmerken Kansklasse: Klein Effectklasse na maatregel: Zeer klein door risicoreserve Restrisico: Geen Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Incidenteel Beslag op weerstandscapaciteit: Geen Risico kenmerken Kansklasse: Klein Effectklasse na maatregel: Groot Restrisico: € 711.000 Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Incidenteel Beslag op weerstandscapaciteit: €142.000

Risico kenmerken Kansklasse: Klein Effectklasse na maatregel: Groot Restrisico: € 450.000 Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risicokarakter: Incidenteel Beslag op weerstandscapaciteit: € 90.000

Risico kenmerken Kansklasse: Klein Effectklasse na maatregel: Zeer groot Restrisico: € 30.000 Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren

64

Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) voor woningstichtingen en (2) Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). Het risico bij de WSW en de WEW is klein door de structuur. Voordat de waarborgfondsen een beroep doen op de achtervang wordt eerst het vermogen van het Waarborgfonds zelf aangesproken. Is het daarna noodzakelijk om de achtervang aan te spreken dan bestaat er een garantieverdeling van 50% Rijk/ 50% gemeenten, in de vorm van een lening. Daarbij vervult het Rijk voor het WEW een volledige achtervang positie voor garantstellingen afgegeven vanaf 1 januari 2011. Door de totale omvang van de achtervang posities (ruim € 100 mln.) kunnen de financiële gevolgen voor de gemeente groot zijn. Het risico dat achtervang-gemeenten renteloze leningen aan WSW moeten verstrekken als de andere buffers onvoldoende zijn, is zeer klein - zelfs theoretisch. Dat is de conclusie op basis van risicomodellen en stresstesten vanuit het WSW. Hierop is de nieuwe risico inschatting bij de jaarrekening gebaseerd en deze wordt in de begroting 2026 gevolgd. Algemene uitkering De ontwikkeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds (verreweg de grootste inkomstenbron van gemeenten) is doorgaans een onzekere factor in de begroting. Enkele jaren geleden zijn bij een ‘herijking’ de maatstaven herijkt op basis waarvan de uitkering wordt bepaald.

Deze herijking is nog niet definitief afgerond, de uitkomsten en effecten van een aantal aanvullende onderzoeken zijn nog niet bekend. De herijking volgt in tranches, de eerstvolgende tranche in de herverdeling vindt plaats in 2027, dus we hebben de risicostelpost "herverdeling gemeentefonds" ad € 100.000 die we in 2025 structureel hadden opgenomen in 2026 laten vervallen. De stelpost gaat nu in 2027 in. Daarnaast kent de meicirculaire gemeentefonds 2025 nog enkele onzekerheden, met name door nog niet geactualiseerde gegevens voor de verdeling. Verwachting is dat hiervoor in de septembercirculaire nog een bijstelling plaatsvindt. Hiervoor is een extra risicoreservering toegepast van afgerond € 0,4 miljoen structureel. Door een andere normeringsystematiek zouden gemeenten m.i.v. 2026 een fors lagere algemene uitkering krijgen (landelijk ging het om € 2,3 miljard). Hiermee stond het jaar 2026 ook wel bekend als het “ravijnjaar". Deze terugval in inkomsten raakte ook de gemeente Epe. Na intensief bestuurlijk overleg tussen de VNG en het Rijk besloot het Rijk om voor de jaren 2026 en 2027 het ravijn gedeeltelijk te dempen. Voor de jaren daarna krijgen de gemeenten een structureel hogere compensatie voor de jeugdzorgkosten. Hiermee is een eerste stap richting een oplossing gezet maar de financiële terugval in de algemene uitkering is voor de gemeenten nog altijd groot.

Omdat al een aantal jaren blijkt dat de ruimte onder het plafond van het btwcompensatiefonds achteraf in de algemene uitkering wordt ‘terugontvangen’, is ook in de begroting 2026 ervoor gekozen om deze op voorhand voor 70% op te nemen. De provincie staat dit ook toe (ramen van 100% is toegestaan). Hierin zit een risico, omdat moet blijken of deze ruimte onder het plafond ook de komende jaren ontstaat.

Risico karakter: Incidenteel Beslag op weerstandscapaciteit: € 6.000

Risico kenmerken Kansklasse: Midden Effectklasse na maatregel: Zeer klein door risicostelposten Restrisico: geen Ontwikkeling risico: Toegenomen Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Structureel Beslag op weerstandscapaciteit: geen

Enerzijds komt het Rijk gemeenten tegemoet door de algemene uitkering structureel te verhogen. Het rijk neemt de helft van de tekorten jeugdzorg voor zijn rekening en verzacht het ingroeipad van de maatregelen van de Hervormingsagenda Jeugdzorg. Anderzijds zet het Rijk in op extra maatregelen om de kosten van het jeugdzorgstelsel te beheersen. De opbrengsten die het Rijk hiervoor op voorhand raamt, worden vervolgens op de algemene uitkering gekort. Per saldo wordt de compensatie in de algemene uitkering hiermee grotendeels ongedaan gemaakt. De VNG heeft grote vraagtekens bij de haalbaarheid van de besparingen die het Rijk inboekt. Dit alles maakt het onzeker wat de inkomsten voor gemeenten de komende jaren zal zijn. Uitkering inkomensvoorziening Gemeenten ontvangen van het Rijk een gebundelde uitkering (BUIG) voor het bekostigen van de uitkeringen in het kader van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (levensonderhoud startende ondernemers) en voor de inzet van loonkostensubsidie. In hoeverre de gemeente uitkomt met deze middelen is afhankelijk van o.a. de economische ontwikkelingen binnen de regio en de ontwikkelingen van de verdeelmaatstaven waarop het Rijk de beschikbare middelen verdeelt. Hier zitten de grootste onzekerheden. In de afgelopen jaren zien we een stijging van ons uitkeringsbestand in het kader van de Participatiewet.

Zo is in het afgelopen jaar het bestand gestegen met circa 5 % (over 2024). Deze stijging is voornamelijk het gevolg van een toename van het aantal statushouders in de gemeente Epe. Ook is het aantal inwoners met een uitkering verblijvend in een instelling gestegen. Daartegenover zien we een daling van het aantal uitkeringen op basis van de IOAW (eind 2024, 8 uitkeringen) en IOAZ (eind 2024 1 uitkering) gezien deze regelingen niet meer aan te vragen zijn waardoor er alleen nog uitstroom plaatsvindt en geen nieuwe instroom. We zien onder andere dat de inwoners die een uitkering ontvangen over het algemeen een langere afstand tot de arbeidsmarkt hebben, vaak al lang een

Risico kenmerken Kansklasse: Midden Effectklasse na maatregel: Zeer klein door risicoreserve Restrisico: geen Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Structureel Beslag op weerstandscapaciteit: geen

65

uitkering ontvangen en veelal ouder zijn dan 50 jaar. De krapte op de arbeidsmarkt heeft er namelijk voor gezorgd dat de uitkeringsgerechtigden met een kortere afstand tot de arbeidsmarkt al zijn uitgestroomd naar werk. Met de (risico)reserve BUIG worden financiële risico’s (van voornamelijk fluctuerende Rijksinkomsten) opgevangen. Onduidelijk is nog in hoeverre het BUIG budget anticipeert op deze eerder geschetste ontwikkeling. Daarom is het risico verhoogd van 5% naar 10% van de begrotingsomvang voor 3 jaar. Organisatie - Personeel De risico’s op dit gebied doen zich voor op meerdere vlakken. Een risico dat altijd aanwezig is, is het onverwacht wegvallen van personeel op kritische functies door langdurige ziekte, (gedwongen) vertrek van medewerkers en bovenformatief personeel. Het is niet vooraf te voorzien wanneer en in welke mate dit zich zal voordoen in het personeelsbestand van de gemeente. De financiële consequenties van dit risico kunnen groot zijn. Voor het opvangen van dit risico is een reserve aanwezig, waaruit de lasten gedekt kunnen worden. Jaarlijks worden in de begroting de uitgaven opgenomen en gedekt uit de reserve, op basis van op dat moment bekende informatie. In de meerjarenbegroting is ingaande 2023 een structureel bedrag (toevoeging aan de reserve) opgenomen waarmee (een deel van) het risico kan worden opgevangen.

Het risico kan niet worden opgeheven, want de uitgaven blijven afhankelijk van de mate waarin zich situaties van langdurige ziekte en (gedwongen) vertrek van medewerkers voordoen. De komende jaren zal moeten blijken in hoeverre het structurele bedrag bijstelling behoeft. Een andere ontwikkeling waarin risico’s aanwezig zijn, is de veranderende vraag vanuit de samenleving, die van invloed is op de uitvoering van het toenemend aantal taken van de gemeente en de daaraan gekoppelde dienstverlening aan de inwoners (zie de paragraaf Bedrijfsvoering). De gehele organisatie moet hierin meegaan. Dat gaat niet vanzelf. Daarom zijn in de begroting middelen opgenomen om hierop te kunnen inspelen en de medewerkers te kunnen faciliteren in deze ontwikkeling. Tenslotte is een aanzienlijk risico de huidige situatie op de (krappe) arbeidsmarkt. Het blijkt momenteel een grote uitdaging om medewerkers voor de organisatie te behouden en om goede nieuwe medewerkers te werven. In een groot aantal gevallen moet op dit moment een beroep worden gedaan op tijdelijke medewerkers door middel van inhuur bij externe bureaus. Dit maakt de organisatie kwetsbaar en brengt hoge kosten met zich mee. We investeren in het binden en boeien van medewerkers (opleiding, talentontwikkeling, arbeidsvoorwaarden), waardoor Gemeente Epe als werkgever aantrekkelijker wordt.

Daarnaast zetten we in op strategische personeelsplanning. Dat is een methode om huidige en toekomstige personeelsbehoeften te analyseren en afstemmen op de strategische doelstellingen van de gemeente. Onderhoud Openbare Ruimte Het beheer van de Openbare Ruimte is in de gemeente sinds 2015 uitbesteed aan een aannemer op basis van een UAV-GC contract (Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen). Deze voert het onderhoud uit op basis van door de gemeente opgestelde specificaties. In de loop der tijd zien we dat de oorspronkelijke inzichten op het gebied van het beheer en onderhoud aan verandering onderhevig zijn. Naast de veranderde wensen van de inwoners ten aanzien van onderhoudsniveaus en veroudering van het areaal (denk bijvoorbeeld aan het ouder worden van de bomen waardoor meer onderhoud nodig is, maar ook slijtage van plantvakken) hebben we ook te maken met de gevolgen van de klimaatverandering. De verschillen tussen droge en natte periodes hebben tot gevolg dat we anders om moeten gaan met water en door meer te doen met biodiversiteit ontstaat er meer evenwicht in de natuur. Na de coronaperiode is er door wereldwijde prijsverhogingen op energie en grondstoffen en door de recente salarisverhogingen sprake van een hogere prijsindexatie dan in het contract is voorzien.

Het contract met de aannemer eindigt uiterlijk eind 2028 en zal opnieuw moeten worden aanbesteed of op andere wijze moeten worden voortgezet. In 2025 zijn de opties verkend en is een keuze gemaakt voor het vervolg. De uitwerking volgt in 2026/2027. Dit leidt tot het risico dat bij een nieuwe opdracht de kosten van dezelfde werkzaamheden structureel veel hoger komen te liggen. Al met al zien we dat ook bij een gelijkblijvend niveau van onderhoud van de openbare ruimte de kosten zullen gaan stijgen. In de komende jaren zal in de reguliere periodieke actualisatie van beheerplannen, financiële voorzieningen en reserves rekening gehouden moeten worden met deze ontwikkelingen. Informatievoorziening op orde We zijn volledig afhankelijk van digitale middelen en data voor de kwaliteit van ons dagelijks werk en onze dienstverlening. Zonder een professionele en veilige informatiehuishouding kunnen we als gemeente weinig, sterker nog, wetgeving maakt dat we verplicht zijn onze dienstverlening in ieder geval digitaal aan te bieden. En de digitale ontwikkelingen staan niet stil. Technologische

Risico kenmerken Kansklasse: Midden Effectklasse na maatregel: Zeer klein door risicoreserve Restrisico: geen Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Incidenteel Beslag op weerstandscapaciteit: geen

Risicokenmerken

Kansklasse: Groot Effectklasse na maatregel: Midden Restrisico: € 215.000 Ontwikkeling risico: Gelijk gebleven Risico sturing: Reduceren Risico karakter: Structureel Beslag op weerstandscapaciteit: € 129.000

Risicokenmerken Kansklasse: Midden Effectklasse na maatregel: Zeer groot Restrisico: € 1,5 mln. Ontwikkeling risico: Nieuw Risico sturing: Reduceren

66

ontwikkelingen met name op het gebied van AI, bieden kansen maar brengen ook allerlei risico`s met zich mee op het gebied van informatieveiligheid, ethiek en privacy. Tegelijkertijd zijn ze onvermijdelijk. De samenleving heeft andere verwachtingen, ketenpartners en leveranciers gaan anders werken en stellen andere eisen en ook de nieuwe generatie medewerkers vragen om moderne ondersteuning van het dagelijks werk. De steeds groter wordende afhankelijkheid van digitale middelen zorgt voor een grotere afhankelijkheid van IT-leveranciers en daarmee een afhankelijkheid van internationale IT-concerns, onderhandelingstactieken van wereldleiders en internationale wetgeving. Hierdoor worden de potentiële risico's m.b.t. bedrijfscontinuïteit en dienstverlening exponentieel groter. Er worden dan ook al organisatorische en technische maatregelen getroffen op basis van de Baseline Informatieveiligheid (BIO) om deze risico's te verlagen. Uitbreiding van EUrichtlijnen stelt strengere eisen aan de cyberbeveiliging van essentiële en belangrijke diensten waaronder gemeenten. Echter 100% veiligheid is niet mogelijk. Praktijkvoorbeelden (de gemeenten Lochem, Hof van Twente, Buren etc. etc.) geven aan dat de risico's serieus zijn en de impact bestuurlijk en financieel groot zijn.

2.5

Risico karakter: Incidenteel Beslag op weerstandscapaciteit: € 600.000

Conclusie weerstandsvermogen

De gekwantificeerde risico’s afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit laat het volgende beeld zien: Weerstandsvermogen

2026

Weerstandscapaciteit

2.694

Rest risico's

967 Weerstandsvermogen

1.727

Gerekend in ratio’s wordt de weerstandscapaciteit 2026 als volgt weergegeven: 1. Weerstandscapaciteit in relatie tot rest risico’s: 2,8 De ratio weerstandscapaciteit in relatie tot de rest risico’s (2,8) is uitstekend. 2.6 Kengetallen De gemeente is op basis van de regelgeving (BBV) verplicht een vijftal kengetallen in de begroting op te nemen. Deze geven een inzicht in de financiële positie van de gemeente. In de onderstaande tabel worden deze kengetallen weergegeven. Kengetal

Verslag 2024

Begroting 2025

Begroting 2026

Begroting 2027

Begroting 2028

Begroting 2029

1a. Netto schuldquote

-18,2%

15,6%

3,61%

11,40%

20,44%

27,16%

1b. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

-24,0%

9,4%

-2,5%

5,2%

14,4%

21,3%

2. Solvabiliteitsratio

74%

64%

66%

69%

65%

61%

3. Grondexploitatie

-0,1%

-0,4%

-0,1%

-0,1%

-0,1%

-0,1%

4. Structurele exploitatieruimte

7,1%

2,4%

2,1%

2,1%

0,7%

0,5%

5. Belastingcapaciteit

94%

101%

101%

103%

106%

108%

2.6.1 Netto schuldquote De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Omdat er bij de door de gemeente verstrekte leningen onzekerheid kan bestaan over of ze allemaal worden terugbetaald wordt bij de berekening van de netto schuldquote onderscheid gemaakt door het kengetal te berekenen zowel inclusief als exclusief de doorgeleende gelden. Duiding Al een aantal jaren zijn de financiële bezittingen van de gemeente hoger dan de totale schulden.

67

Echter in de begroting 2024 zagen we al dat dit beeld zich niet doorzet en dat de financiële bezittingen van de gemeente lager uitvallen dan de schulden. Dit blijft ook zo in de begroting 2026 en het meerjarig perspectief daarin. Dit wordt met name veroorzaakt doordat de vaste schulden (langlopende leningen) die in de jaarrekening 2024 nog nul waren, oplopen als gevolg van het investeringsvolume in de komende jaren. In hoeverre de gemeente werkelijk langlopende leningen moet aantrekken is afhankelijk van de liquiditeitspositie in de komende jaren en de ruimte die er dan is om kortlopende schulden aan te trekken in plaats van langlopende. 2.6.2 Solvabiliteit De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Onder de ratio wordt verstaan het eigen vermogen (algemene en bestemmingsreserves en het gerealiseerde resultaat) als percentage van het balanstotaal. Duiding Het solvabiliteitspercentage van de gemeente lag de afgelopen jaren rond gemiddeld 75% (jaarrekening 2024: 74%). In de komende jaren zien we op basis van de meerjarenbegroting dat de solvabiliteit daalt en in het meerjarenperspectief op 61% uitkomt.

De oorzaak hiervan is de stijging van het vreemd vermogen (aantrekken van langlopende leningen, zie ook 2.6.1.) waardoor het balanstotaal van de gemeente toeneemt en het licht dalen van het eigen vermogen (dalende (bestemmings)reserves). 2.6.3 Grondexploitatie Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale baten. De boekwaarde van de gronden is van belang omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. Voor de risico’s in de grondexploitatie heeft de gemeente op haar balans een risicoreserve gevormd. De accountant beoordeelt ieder jaar de waardering van de gronden op de balans en de hoogte van de gevormde reserve. 2.6.4 Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te beoordelen welke structurele ruimte de gemeente heeft om de eigen lasten te dragen of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Duiding De structurele lasten (exclusief de structurele onttrekkingen aan reserves) zijn in 2026 en 2027 lager dan de structurele baten. In 2028 en 2029 zijn de structurele baten hoger. Als we hier de structurele toevoegingen en onttrekkingen aan reserves bij betrekken, worden ook in 2028 en 2029 de structurele baten hoger dan de structurele lasten. Daarmee is er een structureel sluitende begroting.

2.6.5 Belastingcapaciteit De belastingcapaciteit geeft inzicht hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Duiding Dit kengetal laat zien dat de woonlasten in de gemeente stijgen. Deze kengetallen wijken af van de presentatie van de woonlasten (grafiek) in de paragraaf lokale heffingen. Daar blijven de woonlasten in Epe onder het landelijk gemiddelde, omdat daar uitgegaan wordt van een verwachte stijging van de landelijke woonlasten. Hier wordt, op basis van de regelgeving voor alle jaren, een vergelijking gemaakt met het landelijk gemiddelde van 2025.

68

69

3 | Onderhoud kapitaalgoederen 3.1

Inleiding

In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen wordt het beleidskader over het onderhoud van kapitaalgoederen weergegeven. De belangrijkste criteria in het beleidskader zijn “schoon, heel en veilig”, waarbij het gekozen uitgangspunt de gewenste kwaliteit in verhouding tot de beschikbare middelen is. De kwaliteit en het onderhoud van de kapitaalgoederen is bepalend voor het voorzieningenniveau en de daarmee samenhangende jaarlijkse lasten. Omdat met het onderhoud van de kapitaalgoederen een aanzienlijk deel van de begroting is gemoeid, is een goed overzicht van belang voor het inzicht in de financiële positie van de gemeente. De paragraaf onderhoud kapitaalgoederen geeft, net als de andere paragrafen, een dwarsdoorsnede van de begroting omdat de kosten van het onderhoud van de kapitaalgoederen over verschillende programma’s is verspreid. 3.2

Beleidskaders

Het beleid voor het onderhoud van de kapitaalgoederen is vastgelegd in de onderstaande beleidsplannen: • Wegenbeleidsplan • Gemeentelijk Watertaken Plan (GWP 2021-2025) • Groenstructuurplan/ Bomenbeleidsplan • Beleidsplan openbare verlichting • Beleidsplan civiele kunstwerken • Beleidsplan begraafplaatsen gemeente Epe 2014-2019 3.3

Stand van zaken

Hieronder wordt – per gemeentelijk kapitaalgoed – aangegeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van het beleid, welke relevante ontwikkelingen er spelen, of er noodzaak is voor bijstelling van het beleid, de financiële consequenties van het beleid en de vertaling ervan in de begroting. Financiële vertaling van het onderhoud in de begroting (bedragen in € 1.000): Jaar vaststelling raad

Looptijd t/m

Achterstand onderhoud

Kosten 2024

Begroting 2025

Wegen

2014

2018

Ja*

2.490

2.236

Gemeentelijke watertaken

2021

2025

Nee

1.036

965

986 structureel budget

Civiele kunstwerken

2023

2027

Nee

34

34

37 storting voorziening

14

18

19 structureel budget

Bomen en groen

2010

-

Nee

1.187

1.280

1.270 structureel budget

Openbare verlichting

2018

2026

Nee

77

64

66 structureel budget

Gebouwen

-

-

Nee

407

406

389 storting voorziening

214

294

278 structureel budget

Beleids-en beheerplan

Structureel Wijze m.i.v. 2026 2.285

structureel budget met egalisatiereserve

* Het groot onderhoud van Wegen in de gemeente heeft een achterstand opgelopen. Hiervoor is via de voortgangsrapportage 2024 een bedrag (€ 1,1 mln.) gereserveerd in een voorziening om deze achterstand op korte termijn weg te werken. Om de volledige achterstand in te lopen, is in deze begroting aanvullend het resterende bedrag opgenomen (€ 1,3 mln. verdeeld over 2027 en 2028).

De kosten 2024 betreffen de werkelijk gemaakte kosten in dat jaar. De financiële vertaling in de begroting vindt plaats door het instellen van een onderhoudsvoorziening waarin jaarlijks een gelijkblijvend bedrag wordt gestort of door een structureel budget waaruit de onderhoudskosten worden betaald eventueel aangevuld met een egalisatiereserve waarmee de lasten over de jaren verspreid worden.

70

Onder gebouwen zijn het gemeentehuis, de brandweerkazernes, wijkgebouwen, bibliotheken, dienstgebouwen, gymlokalen, streekarchief, kinderopvang opgenomen. Voor al deze gebouwen zijn er actuele meerjarenonderhoudsplannen. De geraamde financiële middelen in de begroting ten behoeve van het onderhoud aan de kapitaalgoederen zijn voldoende om het huidige niveau in stand te houden. Hierbij dient echter een voorbehoud te worden gemaakt dat dit afhankelijk is van de toekomstige inflatie en prijsindexatie. 3.3.1 Wegen In gemeente Epe ligt ongeveer 890 kilometer in lengte aan wegen. In oppervlakte is dat ca 300 ha. Bijna de helft van deze oppervlakte bestaat uit asfalt, 30% uit elementen en 20% is onverhard of bestaat uit beton. Jaarlijks wordt het weg areaal geïnspecteerd. Naar aanleiding van de inspectieresultaten wordt een onderhoudsprogramma opgesteld voor het jaar volgend op het jaar waarin de inspectie plaatshad. In de begroting zijn structureel extra middelen opgenomen om de kwaliteit van de wegen in het buitengebied op langere termijn naar een hoger niveau te tillen door het aanbrengen van bermverharding. Ten behoeve van het groot onderhoud van wegen beschikt de gemeente over een structureel budget.

Daarnaast is er een egalisatiereserve onderhoud wegen die de fluctuerende uitgaven voor het onderhoud over de jaren heen egaliseert door middel van een storting in of onttrekking aan deze egalisatiereserve. In het voorjaar van 2024 zijn de wegen geïnspecteerd. Deze resultaten zijn verwerkt in een rapportage waarbij de inspecties zijn getoetst aan het door de raad besloten onderhoudsniveau “laag”. Hierbij is vastgesteld dat het onderhoudsniveau laag, op diverse plekken niet wordt gehaald. Dit is onwenselijk en ontoelaatbaar. Er kunnen meerdere oorzaken aan deze verslechtering ten grondslag liggen zoals: toenemend (landbouw)verkeer, klimaatverandering (vernatting, verdroging, en hogere wegdektemperaturen) en hogere verkeersintensiteiten. Ook is er in de wegenbouwbranche sprake van grote kostenstijgingen de afgelopen jaren. Het kwaliteitsniveau “laag” houdt overigens in dat er aanzienlijke schade zichtbaar mag zijn, zoals spoorvorming, dwarsonvlakheid en rafeling. Veel reparaties zijn zichtbaar, en er is sprake van enig risico. Voor het inlopen van de achterstand wordt in de begroting 2026 -2029 middelen opgenomen om de achterstanden weg te werken. 3.3.2 Riolering Het rioolnetwerk in de gemeente is ca. 470 kilometer lang. Daarvan is 240 kilometer drukriolering en 230 kilometer vrijverval riolering. Het drukrioolstelsel is voorzien van 1.023 mini gemalen en 21 rioolgemalen.

Alle gemalen worden jaarlijks preventief onderhouden. In het Gemeentelijk Watertaken Plan (GWP 2021t/m2025) zijn de benodigde maatregelen voor het verbeteren en in standhouden van de riolering genoemd. Tevens is er extra aandacht voor wateroverlastlocaties. De verwachte uitgaven voor onderhoud en vervanging van de riolering zijn in het GWP opgenomen en vertaald in de begroting. De meeste urgente locatie gebaseerd op gebruik, leeftijd en materiaalsoort zijn als eerste geïnspecteerd. Hiermee werden risico’s verder ingeperkt. Jaarlijks wordt een deel van het areaal geïnspecteerd met gedetailleerde camera-inspecties. Op dit moment is de kwalitatieve toestand van nagenoeg alle riolen in beeld. 3.3.3 Civiele kunstwerken De gemeente Epe heeft in totaal 68 bruggen en 2 fietstunnels in eigendom. De kosten voor de vervanging van bruggen worden betaald uit een daartoe ingestelde reserve. Voor het opvangen van kosten voor het onderhoud van de bruggen is een onderhoudsvoorziening ingesteld. De hoogte van deze voorziening is in lijn met het beleidsplan civiele kunstwerken. De geraamde financiële middelen in de begroting zijn voldoende om het huidige niveau in stand te houden. Voor de periode 2023 t/m 2027 is een beleidsplan civiele kunstwerken vastgesteld.

3.3.4 Bomen en groen Het Bomenbeleidsplan en het Groenstructuurplan geven de toekomstvisie weer van de gemeente Epe op groen in de openbare ruimte van de bebouwde kommen van Epe, Vaassen, Emst en Oene. In de kernen en het buitengebied (exclusief het bosgebied) staan ruim 32.500 onderhoudsplichtige bomen op gemeentelijke gronden. Om de boomveiligheid te waarborgen worden de bomen regelmatig gecontroleerd. De frequentie is op basis van kwaliteit en gebruiksdruk geprioriteerd.

71

Het onderhoud van de openbare ruimte - waaronder bomen en gazons (ongeveer 50 ha), zandwegen en begraafplaatsen - is vastgelegd in kwaliteitsniveaus gebaseerd op het CROW. De beeldkwaliteit wordt geborgd door maandelijks een schouw uit te voeren. Voor de centra en wijken van Epe en Vaassen vindt het onderhoud op tenminste het niveau ‘basis’ plaats. Daarnaast wordt extra aandacht geschonken aan de bestrijding van boomziekten zoals de kastanjeziekte, letterzetter, iepziekte en essentaksterfte en de bestrijding van invasieve exoten zoals de Japanse duizendknoop, reuzenberenklauw e.d. De gemeente Epe heeft op 9 december 2021 de omgevingsvisie ‘’Natuurlijk goed leven’’ vastgesteld. De uitwerking van de omgevingsvisie vindt plaats in de vorm van gebiedsvisies. In de gebiedsvisies maken we een integrale uitwerking van de verschillende ruimtelijke opgaven. Onze waardevolle leefomgeving staat daarbij centraal. Het groenstructuurplan en het bomenbeleid zullen in 2026 worden vertaald in een integrale groenvisie en de verordening fysieke leefomgeving. Het onderhoud van de openbare ruimte is uitbesteed aan een aannemer en vastgelegd in een overeenkomst met een looptijd tot 2027. Verlenging van het contract met een termijn van 2 jaar wordt onderzocht evenals andere opties voor de nieuwe onderhoudsperiode.

Gemeente Epe heeft hierin de rol van opdrachtgever en toezichthouder op de geleverde kwaliteit in de openbare ruimte. De geraamde financiële middelen in de begroting zijn voldoende om het huidige niveau in stand te houden. 3.3.5 Openbare verlichting Het beleids- en beheerplan openbare verlichting 2017-2026 heeft als belangrijkste doel van het leggen van een bestuurlijke beheersmatige en financiële basis voor de zorg voor de openbare verlichting in de planperiode met een doorkijk naar de daaropvolgende jaren. In 2016 is via “Epe spreekt” een onderzoek gedaan hoe de burgers van de gemeente Epe de openbare verlichting ervaren. Op basis van deze resultaten is een nieuw beleidsplan voor de periode 2017-2026 opgesteld. Er zijn 6.531 masten, 6.616 armaturen en 6.616 lampen in beheer. Hiervan zijn 6.174 masten, 6.259 armaturen en 6.259 lampen in beheer bij de gemeente als eigenaar. In de gemeente staan 8 provinciale masten, 343 Triada masten en 6 masten zijn van Dorpsbelang Oene. Het doel is om de komende jaren geheel de gemeente Epe uit te rusten met ledverlichting. Voor het onderhoud is er een voorziening waarin jaarlijks een bedrag wordt gestort. 3.3.6 Gebouwen Er zijn 47 gebouwen en woningen in beheer en onderhoud bij gemeente Epe, waarvan 6 gymlokalen. Voor alle gebouwen en woningen is een Meerjarenonderhoudsplan (MJOP) vastgesteld.

Het MJOP is gericht op het in stand houden van de bestaande gebouwen. Per jaar wordt 50% van de MJOP's van de gebouwen geactualiseerd, zodat een cyclus van 2 jaar ontstaat. Een actuele MJOP levert een begroting voor de onderhoudsvoorziening en levert tevens de gegevens voor een jaarplanning voor de uitvoering. Het onderhoudsniveau wordt bepaald op basis diverse uitgangspunten, zoals toekomst, bouwjaar, huidige status e.d. Op basis van de MJOP's zijn voorzieningen gevormd, waaruit het groot onderhoud wordt bekostigd voor het gemeentehuis, de binnen-en buitenzijde van de gymzalen, de brandweerkazernes, kinderopvang St. Crusiusweg, de wijkgebouwen, de bibliotheken, gemeentewerf Kweekweg, de Milieustraat Vaassen, gebouwen begraafplaatsen en het Streekarchief. Het dagelijks onderhoud wordt bekostigd uit structurele budgetten die in de begroting zijn opgenomen. De geraamde financiële middelen in de begroting zijn voldoende om het huidige niveau in stand te houden. 3.3.7 Begraafplaatsen Voor de gemeentelijke begraafplaatsen is het Beleidsplan Begraven, Begraafplaatsen en Gedenken vastgesteld. Voor de uitvoering van het beheer en onderhoud van de gemeentelijke begraafplaatsen is een Beheervisie begraafplaatsen vastgesteld.

De Beheervisie omschrijft de verschillende sferen en karakteristieken per begraafplaats en bepaalt hoe deze kunnen worden behouden en waar nodig versterkt kunnen worden. De geraamde financiële middelen in de begroting zijn voldoende om de benodigde werkzaamheden die in de Beheervisie staan omschreven te kunnen uitvoeren.

72

4 | Financiering 4.1

Inleiding

In de gemeente Epe gaat veel geld om. Daar zijn risico's aan verbonden. Het is belangrijk dat goed te besturen en te beheersen. In deze paragraaf laten we zien hoe we dat doen: ons beleid op het vlak van financiering/treasury en de daarmee samenhangende risico's. 4.2 Beleidskaders Het beleid staat in het treasurystatuut. De raad heeft dit beleid in 2014 vastgesteld. 4.3

Relevante ontwikkelingen/ risico’s

In de wet FIDO (Financiering Decentrale Overheden) zijn twee instrumenten opgenomen om de financieringsrisico's (renterisico's) te beperken: De kasgeldlimiet en de renterisiconorm. De provincie toetst of de gemeente aan deze normen voldoet. Zie bijlage 6 voor de verplichte overzichten met de berekening van de kasgeldlimiet en van de renterisiconorm. 4.3.1 Kasgeldlimiet Grote veranderingen in rentes willen we vermijden. Leningen die we snel moeten terugbetalen heten ook wel 'kort geld'. Als daarvan de rente stijgt, is het gevolg dat we al snel meer aan rente moeten betalen. De wet FIDO stelt daarom een grens: De kasgeldlimiet. Meer dan dat bedrag mogen we niet financieren met kort geld. Deze limiet is vastgesteld op 8,5% van alle lasten die in de begroting staan (het begrotingstotaal). Voor Epe bedraagt de kasgeldlimiet voor 2026 € 11,9 miljoen (zie bijlage 6). De gemeente Epe heeft op het moment van het opstellen van de begroting geen schulden met een looptijd korter dan een jaar (kort geld). 4.3.2 Renterisiconorm De rente van een langlopende lening staat voor een bepaalde tijd vast. Als die periode afloopt, kan het zijn dat de rente hoger is. Dan moeten we voor dezelfde lening meer rente betalen. Als op hetzelfde moment veel lange leningen tegelijk aflopen, dan moeten we ineens veel meer rente gaan betalen. Daarom staat in de wet FIDO de renterisiconorm.

Die bepaalt hoeveel van de langlopende schulden in één jaar mogen aflopen: Maximaal 20% van het begrotingstotaal mogen we opnieuw financieren of daarvan mag de rente worden gewijzigd. Voor Epe is dit ruim € 28 miljoen (zie bijlage 6). De gemeente Epe heeft op het moment van het opstellen van deze begroting geen langlopende leningen. De verwachting is dat vanaf 2028 langlopende leningen aangetrokken zullen worden. 4.4

Financiering

4.4.1 Financieringspositie De financieringspositie geeft de financieringsbehoefte van de gemeente aan. Als we meer geld uitgeven dan dat er binnen komt, dan moeten we geld lenen. Dat heet een financieringstekort. Bij het opstellen van de begroting 2026 houden we een hoog positief saldo bij de 's Rijksschatkist aan. Er was dan ook geen noodzaak om geld te lenen. Vanaf 2027 ontstaat er wel een behoefte om geld te lenen, omdat de gemeente grote investeringen gepland heeft, met name op het gebied van onderwijshuisvesting, accommodaties en mobiliteit. Als dan blijkt dat er niet genoeg geld beschikbaar is om de (reguliere) uitgaven en investeringen te kunnen doen, zal externe financiering moeten worden aangetrokken.

73

Met onderstaand overzicht willen wij een indicatie geven van de financieringsbehoefte van de gemeente in de komende jaren. Dit is berekend met de cijfers uit de geprognostiseerde balans. De werkelijke behoefte om externe financiering aan te trekken is echter afhankelijk van het daadwerkelijk verloop van de geplande investeringen en de liquiditeit gedurende het jaar, waarmee in onderstaand overzicht geen rekening is gehouden. Uit onderstaande berekening blijkt een financieringstekort van € 4,2 miljoen in 2026. Financieringspositie

2025

2026

2027

Boekwaarde vaste activa (a)

101.413

101.815

Vermogen (reserves, voorzieningen en langlopende schulden) (b)

98.384

97.562

Financieringssaldo (a-b)

3.029

4.253

2028

2029

113.221

120.875

91.977

98.962

106.616

12.616

14.259

14.259

104.593

Als we moeten lenen, zullen we dat doen met kort geld of met een langlopende lening. Dit is onder meer afhankelijk van de actuele rentepercentages en de verwachte duur van de financieringsbehoefte. Voor kort geld gelden andere rentepercentages dan voor leningen met een lange looptijd. In onze begroting gebruiken wij de rente uit de ‘Voorjaarsraming’ van De Nederlandsche Bank van juni 2025, zie onderstaand overzicht. Er wordt verwacht dat de korte rente lager zal zijn dan de lange rente. Rente

2026

2027

2028

2029

Rente kort

1,9%

2,2%

2,2%

2,2%

Rente lang

3,1%

3,2%

3,2%

3,2%

4.4.2 Leningenportefeuille Epe heeft op het moment van het opstellen van de begroting 2026 geen langlopende leningen. De provincie Gelderland houdt toezicht op de financiën van gemeenten. Op hun website publiceren zij veel gegevens over de Gelderse gemeenten, waaronder hoeveel schuld elke gemeente heeft. Epe scoort goed in vergelijking met andere Gelderse gemeenten. De laatste jaren staat Epe altijd hoog in de lijst van Gelderse gemeenten met de minste schulden per inwoner. In de laatste versie (2023) staat Epe zelfs op de derde plek. 4.4.3 Uitzettingen De gemeente mag niet te veel geld op de bankrekening hebben staan. Als het bedrag boven een bepaalde drempel uitkomt, zijn we verplicht de overtollige middelen aan te houden bij het Ministerie van Financiën (in de schatkist van het Rijk). Hierover ontvangen wij rente. Om het dagelijkse kasbeheer doelmatig uit te kunnen voeren is een drempelbedrag bepaald wat buiten 's Rijksschatkist mag worden aangehouden. Volgens de rekenregels mag gemeente Epe een positief rekening-courantsaldo bij de banken aanhouden van € 2,8 miljoen (gebaseerd op begroting 2026). 4.4.4 Renteschema Conform het advies van de Commissie BBV wordt een renteschema opgenomen in de begroting en de jaarrekening.

Het renteschema van de begroting geeft inzicht in de verwachte rentelasten en rentebaten van de gemeente en het verwachte renteresultaat en de wijze van rentetoerekening aan investeringen, grondexploitaties en projecten. In bijlage 6 is de berekening van het renteschema opgenomen.

74

5 | Bedrijfsvoering 5.1

Inleiding

De paragraaf bedrijfsvoering geeft inzicht in de beleidsvoornemens op het gebied van de bedrijfsvoering en de ontwikkeling van de organisatie. Een goede bedrijfsvoering is een randvoorwaarde voor een succesvolle uitvoering van de primaire processen en de gewenste ontwikkeling om inwonersgericht te werken. Onder bedrijfsvoering wordt verstaan: personeel en organisatie, informatievoorziening en automatisering, financiën, huisvesting (incl. facilitaire zaken), interne communicatie en juridische zaken (PIOFHA-JC). 5.2

Beleidskaders

De kaders en de ambitie voor de ontwikkeling van de organisatie zijn vastgelegd in de visiedocumenten: • Toekomstvisie Epe 2030 • Visie op positie gemeente in Eper samenleving 'Samen verder' 2024 Daarnaast zijn de inrichting van de organisatie en kaders voor de bedrijfsvoering vastgesteld in de volgende documenten: • Sturingsconcept 'Samen werken' 2024 • Mandaat- en volmachtregeling gemeente Epe 2024 • Informatiebeleid 2023-2027 • Strategische visie op communicatie (2015) • Nota risicomanagement (2017) • Visie HRM (2019) • Strategisch informatieveiligheids- en privacybeleid (2024) De uitgangspunten voor de P&C-cyclus en de financiële inrichting stelde de raad vast in de Financiële verordening gemeente Epe 2024 en diverse onderliggende nota's. 5.3

Beleidsvoornemens

Er zijn voor onze inwoners. Dat is de opgave waar we iedere dag voor staan. De samenleving verandert snel en er wordt van overheidsorganisaties een andere rolinvulling gevraagd. Daar waar de gemeente in het verleden vaak de "bepaler" was, wordt het nu steeds belangrijker om de medespeler te zijn. De saamhorigheid in de Eper samenleving is groot en dat geldt ook voor de mogelijkheid van onze inwoners om zelf problemen op te lossen. Door hier als gemeente goed op aan te sluiten, bouwen we verder aan dit fundament en zorgen voor versterking. We willen als gemeente samen met onze inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen vormgeven aan goed natuurlijk leven in Epe, Vaassen, Emst en Oene. Hoe we dat doen, legden we vast in de visie 'Samen verder'. Om de ambitie werkbaar te maken, vertaalden wij deze door naar de inrichting en werkwijze van de organisatie. Dit is in 2024 vastgelegd in een nieuw sturingsconcept: ‘Samen werken'. Leidend hierin is dat we werken vanuit drie kernwaarden: samen, transparant en denken in mogelijkheden. Binnen de diverse onderdelen van de bedrijfsvoering zijn deze principes zichtbaar. 5.3.1 Organisatie Medio 2024 is de organisatie inrichting gewijzigd om ondersteunend te zijn aan onze maatschappelijke opgaven. Hierdoor zijn wij beter in staat om deze uit te voeren. Hoe we dat doen, is in de eerdergenoemde visie Samen Verder vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16104601/1