CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Wethouder Beversstraat 12 voor vaststelling_Toelichting

Raadsvergadering 1 februari 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 en wijziging 110 van de Welstandsnota20.486 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

Afbeelding 4.3: impressie inrichting (b ron: Croonen architecten)

4.4

Cultuurhistorie in relatie tot nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

In het plangebied van dit bestemmingsplan of de nabije omgeving er van bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Op de archeologische beleidskaart is het plangebied aangemerkt als 'onderzoeksgebied B'. Dit gebiedstype betreft gebieden methoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarden. Dit beleid heeft zijn vertaling gekregen in het bestemmingsplan 'Boswinkel 2018'. Er is archeologisch onderzoek vereist bij meer dan 2500 m2 bodemverstoring en dieper dan 50 centimeter. Deze aanduiding geldt voor een gedeelte van het plangebied. De verstoring is minder dan 2500 m2 en gezien de leeftijd van de bebouwing zal er reeds grootschalige bodemverstoring hebben plaatsgevonden. Archeologisch onderzoek is niet vereist.

4.5

Welstand en beeldkwaliteit

In de Welstandsnota "Bouwen aan identiteit" is aangegeven aan welke welstandseisen bouwplannen moeten worden getoetst. Daartoe zijn in de Welstandsnota voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede welstandsidentiteiten opgenomen. Voor het plangebied van het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" geldt de welstandsidentiteit(en) 'Stratenrijtjes'. Om bij de nieuwbouw een goede samenhang te bereiken zijn de criteria van de welstandscategorie 'Stratenrijtjes' aangescherpt en zijn er specifieke richtlijnen geformuleerd waaraan de nieuwe bebouwing op het perceel dient te voldoen. De welstandsparagraaf is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

25

Een bouwplan moet zich voegen naar de in deze welstandsparagraaf genoemde kenmerken van identiteit. De aangepaste welstandscriteria worden via een aparte procedure (wijziging 110 Welstandsnota) vastgesteld. De toekomstige aanvraag om omgevingsvergunning kan daarna aan de gewijzigde Welstandsnota worden getoetst.

4.6

Duurzaamheid

Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Tot voor kort werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.6.1

Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid

In het Actieplan duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:

Energie Eigen organisatie Verhogen van het op eigen grondgebied Zelf het goede voorbeeld geven. opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie. Biodiversiteit Behoud en versterken van de verscheidenheid aan dier- en plantsoorten in de leefomgeving

Groene groei Groei van de economie zonder dat dit nadelig is voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit.

Circulaire economie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door afvalpreventie en het beter scheiden van restafval.

Klimaatadaptatie Negatieve gevolgen die gepaard gaan met klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten.

Duurzame mobiliteit Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer en stimuleren van het gebruik van elektrische auto's.

WEconomy Bewoners in Enschede dragen in collectief verband actief bij aan een of meer van de duurzame doelstellingen.

Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de voorgestane aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden',

26

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal. Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag. Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken. Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen. Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.).

Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente. 4.6.2

Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt aan de hand van het Actieplan Duurzaamheid bekeken in hoeverre het bestemmingsplan kan bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke duurzaamheidsambities.

Algemeen Bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling zal, afhankelijk van de opgave en de locatie, bezien moeten worden welke duurzame energiebronnen aangeboord worden. Dit kan er toe leiden dat in het ene geval ingezet wordt op een zongerichte verkaveling, terwijl in het andere geval gekoerst wordt op het gebruik van bodem- en/of windenergie, c.q. aansluiting op het warmtenet. Ook de aanpassing aan de klimaatverandering is in hoge mate een ruimtelijk vraagstuk. Meer warme zomers en een toenemende kans op extreme weersituaties vragen bij een verdere ontwikkeling van de stad om het vergroten van afvoer- en absorptievermogen in stedelijke watersystemen en het voorkomen van 'hitte-eilanden' en hittestress.

Energie: Voor het realiseren van veel energie besparende maatregelen of voorzieningen in, aan of op gebouwen, zoals isolatie van vloer, muren of dak, het plaatsen van zonnepanelen of een zonnecollector op het dak, is geen omgevingsvergunning vereist. Voor warmte-koude opslag en bodemenergiesystemen is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Voor nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de energieprestatienormen uit het Bouwbesluit. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van windturbines of zonnepanelen op maaiveldniveau en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Klimaatadaptatie: Voor het realiseren van relatief eenvoudige klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen als groene dakbedekking op gebouwen en het in de bodem infiltreren van hemelwater is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen.

Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het vrij houden van bebouwing van overloopgebieden, het vrij houden van bebouwing langs beken of van lage plekken die natuurlijke waterbergingen vormen, het ophogen van gronden bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

27

of het realiseren van bouwwerken ter voorkoming van overstromingen en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. In de toekomstige situatie neemt de oppervlakte bebouwing af van circa 2700 m2 naar circa 1900 m2. Er wordt veel groen op het perceel gerealiseerd. In het kader van de waterbergingsopgave wordt in de tuin van het complex een wadi gerealiseerd die voldoet aan de vereiste bergingscapaciteit. Daarnaast wordt onderzocht of delen van het dak van de bebouwing als sedumdak/groene dakbedekking kunnen worden uitgevoerd.

Circulaire economie: Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen en inrichtingen voor de verwerking van afval.

Biodiversiteit: Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren. Op het perceel wordt rondom de bebouwing een ruime tuin aangelegd. De vluchttrappenhuizen krijgen groene gevels, waardoor deze een bijdrage leveren aan biodiversiteit (planten, insecten, nestplaatsen voor vogels). Er worden ook een aantal schuil-/nestkasten opgenomen voor soorten zoals gierzwaluw, huismus, dwergvleermuis.

Overige actiepunten: Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.

28

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.

5.1

Milieu

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. 5.1.1

Milieueffectrapportage

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. 2. 3. 4.

het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.

Toetsing bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" aan het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan 'Wethouder Beversstraat 12' heeft tot doel de realisatie van 87 woonzorgappartementen met bijbehorende voorzieningen. Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r. beoordeling dient te worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. In de huidige situatie zijn er 30 zorgwoningen aanwezig in één bouwlaag. Hierbij is er sprake van weinig parkeergelegenheid en weinig ruimte rondom het complex. In de toekomstige situatie zullen er maximaal 87 zorgwoningen in 3 a 4 bouwlagen worden gerealiseerd. Hierbij worden extra parkeervoorzieningen gerealiseerd. In het zuid- en zuidoostelijk gedeelte van plangebied is er veel ruimte rondom de nieuwbouw (bestemd voor groen/tuin en parkeren) Er is geen sprake van een 'stedelijke ontwikkelingsproject', qua aard en omvang van de ontwikkeling: er is sprake van bestaand stedelijk gebied, met overwegend woningen en winkels rondom de oppervlakte bebouwd gebied neemt niet toe (neemt af) 'hoogbouw' komt ook in directe omgeving voor er bestaat voldoende afstand tot bestaande woningen

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

29

Aan de zijde van grondgebonden woningen in de omgeving is de bebouwingsdichtheid laag en komen gebouwen op verdere afstand te staan dan in de huidige situatie weinig impact op de omgeving (ruimtelijk, verkeer, beleving) Conclusie toetsing aan het Besluit m.e.r Op grond van het uitgevoerde m.e.r kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. 5.1.2

Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. Het bepalende milieuaspect voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten is geluidhinder. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied kan worden gezien als een gemengd gebied, omdat er sprake is van een vermenging van functies (detailhandel, horeca, wonen). Milieuhinder van bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied in relatie tot de omgeving Het Geert de Leeuwhuis is qua milieubelasting vergelijkbaar met een verpleeghuis. De bijbehorende normafstand is 30 meter voor het aspect geluid. Op grond van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de normafstand met één stap terug worden gebracht, tot 10 meter. Binnen deze 10 meter zijn geen gevoelige functies gelegen. De functie is daarmee aanvaardbaar in zijn omgeving.

Milieuhinder van bestaande bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied in relatie tot ontwikkelingen in het plangebied De bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn geïnventariseerd. Van de bedrijven zijn de indicatieve hindercontouren bepaald. Uit een nadere beschouwing (zie onderstaande tabel) blijkt dat deze bedrijven geen knelpunten opleveren voor het plangebied Wethouder Beversstraat 12.

Adres

Cat

Milieu-asp Indicatieve ect afstand (in m 1)

Invloed op plangebied

Burgemeester van Winkel-centrum Diverse bedrijven Veenlaan/Wet-houd Boswinkel* (hoofdzakelijk er detailhandel en Gerbertstraat/Wet-h horeca) ouder Beversstraat

1

Geluid, geur en gevaar

10 m

Nee

Wethouder Elhorststraat 112A

Café Het Boswinkel

Café

1

Geluid en gevaar

10 m

Nee

Wethouder Elhorststraat 112

Restaria Boswinkel

Cafetaria

1

Geur, geluid en gevaar

10 m

Nee

Wethouder Gerbertstraat 4

Profile Broeksema

Rijwielhandel en -reparatie

1

Geluid

10 m

Nee

Wethouder Gerbertstraat 6

Café de Sport

Café

1

Geluid en gevaar

10 m

Nee

Wethouder Gerbertstraat 6

Cleopatra

Pizzeria/grillroom

Geur, geluid en gevaar

10 m

Nee

Wethouder Gerbertstraat 10-10A

Tiptoo

Detailhandel schoenen

Geluid

10 m

Nee

30

Naam

Omschrijving activiteit

1

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

Tabel 5.1: bedrijven in de omgeving van het perceel Wethouder Beversstraat 12 In het winkelcentrum zijn voornamelijk horecabedrijven en detailhandelsbedrijven gevestigd. Deze bedrijven worden ingedeeld in categorie 1. Met betrekking tot de aanwezige Jumbo Supermarkt kan nog worden opgemerkt dat boven deze supermarkt appartementen zijn gelegen. Deze liggen dichter bij de laad-/loslocatie van de supermarkt dan de nieuw te realiseren appartementen binnen het plangebied. De bestaande appartementen boven de supermarkt (Jumbo) zijn daarmee maatgevend en als eerste beperkend voor het laden/lossen bij de Jumbo. Daarnaast valt Jumbo onder het Activiteitenbesluit. Daarin is bepaald dat maximale geluidsniveaus van het laden en lossen in de dagperiode (tussen 7 en 19 uur) niet beoordeeld hoeven te worden. Voor de Jumbo Supermarkten aan de Magnoliastraat 100, Kuipersdijk 118 en Schoolstraat 60 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de geluidsnormen. De activiteiten van de Jumbo worden niet belemmerd door de ontwikkeling in het plangebied. Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.3

Bodemkwaliteit

Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.

Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" Het bestemmingsplan “Wethouder Beversstraat 12” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat het bestaande woonzorgcomplex kan worden vervangen door nieuwbouw. Door Lycens BV is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd (project 2019-0310,versie 1.1 23 maart 2020). Het rapport is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De resultaten en aanbevelingen van dit onderzoek zijn (samengevat) als volgt: Resultaten grond Op het westelijk terreindeel is sprake van een matige tot sterke verontreiniging met PCB in de bovengrond. De omvang van de matige tot sterke verontreiniging is voldoende in beeld. De omvang van de matige tot sterke verontreiniging wordt geschat op circa 105 m3 (circa 210 m2 x 0,5 m1). Hiervan is circa 70 m3 grond sterk verontreinigd met PCB (circa 140 m2 x 0,5 m1). Een directe oorzaak is niet bekend. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. Aangezien het volumecriterium van 25 m3 sterk verontreinigde grond wordt overschreden is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De zorgplicht is niet van toepassing.

De sterke verontreiniging met PCB vormt in principe een belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Buiten de sterke verontreiniging met PCB bevat de bovengrond hooguit licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en/of PCB. Deze gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate. Een directe oorzaak voor de verhoogde gehalten is niet bekend. In de ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters in een verhoogd gehalte gemeten. De licht verhoogde gehalten in de bovengrond vormen geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen).

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

31

De sterk met PCB verontreinigde grond bevat verder een gehalte aan PFOS groter dan de maximale waarde voor de functieklasse wonen/industrie. De met PCB verontreinigde grond is daarmee niet elders toepasbaar. Resultaten grondwater Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan barium, cis+trans en vinylchloride. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie aan barium geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De verhoogde concentraties aan VOCl-componenten zijn niet eenduidig te relateren. Hoewel niet verwacht in het freatische grondwater zouden deze verband kunnen houden met de voormalige gasfabrieksterrein op ruime afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate en vormt geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Conclusies en vervolg naar aanleiding van resultaten De sterke verontreiniging met PCB in de bovengrond op het westelijk terreindeel kan afhankelijk van de toekomstige terreinindeling een belemmering vormen voor de geplande bestemmingsplanwijziging, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen).

De overig aangetoonde bodemkwaliteit vormt hiervoor geen belemmering. In het kader van de herontwikkeling van de locatie wordt geadviseerd de matige tot sterke verontreiniging met PCB (ca. 105 m3) voorafgaand aan de herontwikkeling te saneren. De te hanteren saneringsvariant is afhankelijk van de toekomstige terreinindeling. De sanering kan bestaan uit het wegnemen van de verontreinigde grond maar ook uit het wegnemen van contactmogelijkheden met verontreinigde grond, bijvoorbeeld door het aanleggen van een daartoe geschikte verharding (functioneel saneren). Na het wegnemen van de matige tot sterke verontreiniging of het wegnemen van de contactmogelijkheden daarmee, vormt de bodemkwaliteit geen belemmering meer voor het toekomstige gebruik van de locatie. Bij het wegnemen van verontreinigde grond dient voorafgaand aan de sanering een saneringsplan opgesteld te worden. Dit saneringsplan dient ter goedkeuring ingediend te worden bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Gemeente Enschede). Na instemming op het saneringsplan kan gestart worden met de sanering. De proceduretermijn hiervan kan oplopen tot 15 weken. De sanering dient uitgevoerd te worden door een BRL 7000 (protocol 7001) erkende aannemer en dient milieukundig begeleid te worden door een BRL 6000 (protocol 6001) erkend bureau.

Bij het wegnemen van contactmogelijkheden met verontreinigde grond, het zogenaamd functioneel saneren, zal ook een saneringsplan opgesteld moeten worden welke ter goedkeuring bij het bevoegd gezag ingediend zal moeten worden. Na akkoord kan gestart worden met de uitvoering daarvan. In dit geval zal op de locatie een sterke (rest)verontreiniging aanwezig blijven waarvoor nazorgverplichtingen gelden. Bij het toepassen van een verharding bestaat deze nazorgverplichting uit het in standhouden van de verharding. Werkzaamheden aan verharding en/of verontreinigde grond zijn niet zondermeer toegestaan en zijn meldingsplichtig bij het bevoegd gezag. Bij graafwerkzaamheden binnen de verontreiniging waarop nazorg van toepassing is zal voorafgaand aan de werkzaamheden een (deel)saneringsplan moeten worden opgesteld. Geadviseerd wordt hier rekening mee te houden. Ten aanzien van de verhoogde gehalten aan PFAS wordt geadviseerd om op het moment van bodemsanering op basis van de op dat moment geldende wetgeving ten aanzien van PFAS na te gaan welke afzetmogelijkheden er bestaan. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht tot sterk verhoogde gehalten aan diverse zware metalen en PCB in grond en de licht verhoogde concentraties aan barium en VOCl in het grondwater.

Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat, met inachtneming van bovenstaande, de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

32

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

5.1.4

Wet geluidhinder

In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidsgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de Burgemeester Van Veenlaan. Op de Burgemeester Van Veenlaan is de Wgh van toepassing. De Wgh is niet van toepassing op de overige in de directe omgeving van de locatie gelegen wegen, te weten de Weth. Beversstraat, Weth. Elhorststraat, en de Weth. Gerberstraat, omdat dit 30 km-wegen zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet, ondanks dat de Wgh niet van toepassing is, wel aandacht worden besteed aan het wegverkeerslawaai van 30 km-wegen.

Toetsingskader In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat zich aan weerszijden van een weg een zone bevindt. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km per uur. Volgens artikel 76a/77 van de Wgh moet bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan of een projectbesluit, waarin nieuwe woningen of andere geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, binnen onderzoekszones van wegen, als bedoeld in artikel 74 van de Wgh, akoestisch onderzoek worden verricht. Voor situaties waarin de Wgh niet van toepassing is sluit de gemeente Enschede aan bij hetgeen is opgenomen in de Geluidnota Enschede, welke bij besluit van 3 april 2018 door Burgemeester en Wethouders (gedeeltelijk herzien) is vastgesteld. Dit betekent dat voor de beoordeling van het geluid van 30 km-wegen wordt aangesloten bij de grenswaarden en systematiek van de Wgh en het hogere waardebeleid uit de Geluidnota. Volgens de Wgh bedraagt de voorkeurswaarde 48 dB. Indien deze waarde wordt overschreden kan onder voorwaarden een hogere waarde worden toegestaan tot ten hoogste 63 dB.

Het toestaan van een hogere waarde is pas mogelijk indien aangetoond wordt dat maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen bij de ontvanger) om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doeltreffend zijn (bezwaren stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard), en voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Geluidnota. Akoestisch onderzoek Door K+ Adviesgroep is voor de te realiseren appartementen een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport 'Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen Plan Wethouder Beversstraat 12 te Enschede; rapportnummer M19 708.401.1; d.d. 21 januari 2020”. Het rapport is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Burgemeester Van Veenlaan en de Wethouder Gerberstraat op alle in het plangebied te realiseren appartementen kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege het wegverkeer op de Wethouder Beversstraat en de Wethouder Elhorststraat wordt de voorkeursgrenswaarde van op de langs deze wegen te realiseren appartementen overschreden. De hoogste geluidsbelasting bedraagt vanwege het wegverkeer op de Wethouder Beversstraat en Wethouder Elhorststraat ten hoogste respectievelijk 52 en 55 (incl. aftrek artikel 110g Wgh).

Daarmee wordt voldaan aan de ten hoogste toegestane waarde van 63 dB. Onderzocht is of door middel van bron- en of overdrachtsmaatregelen de geluidsbelasting kan worden gereduceerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen onvoldoende effect hebben of bezwaren ontmoeten van onderhoudstechnische, civieltechnische, stedenbouwkundige of financiële aard. Daarmee wordt voldaan aan

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

33

de voorwaarden uit de Wgh voor het toestaan van een hogere geluidsbelasting. In de Geluidnota is opgenomen dat alle woningen moeten beschikken over een gevel met een geluidsbelasting van 48 dB of lager. Deze voorwaarde is echter geen harde eis voor appartementen. Het merendeel van de appartementen zal echter wel een geluidluwe gevel hebben. Aan de voorwaarden uit de Geluidnota Enschede voor het toestaan van een hogere geluidsbelasting wordt voldaan. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk dat het binnenniveau in de appartementen niet meer dan 33 dB bedraagt. Op grond van het Bouwbesluit bedraagt de minimale gevelwering 20 dB. Dit betekent dat bij een cumulatieve geluidsbelasting van 53 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh) of meer mogelijk extra gevelmaatregelen nodig zijn. Uit bijlage IIb van het akoestisch onderzoek blijkt dat op diverse rekenpunten de cumulatieve geluidsbelasting meer dan 53 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh) bedraagt. Om aan het binnenniveau van 33 dB te voldoen is voor deze woningen een gevelwering van meer dan 20 dB nodig. Omdat de Wet geluidhinder niet van toepassing is kunnen geen hogere waarden worden vastgesteld, waardoor op grond van het Bouwbesluit ook geen aanvullende eisen aan de gevelwering kunnen worden gesteld.

Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen is nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel noodzakelijk en worden in de regels van het bestemmingsplan aanvullende eisen voor de gevelwering opgenomen. Conclusie wegverkeer Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen dient wel extra aandacht te worden besteed aan de gevelwering van de appartementen. Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan voor de Wethouder Beversstraat 12 is niet gelegen aan of in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn. Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan voor de Wethouder Beversstraat is niet gelegen in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het bestemmingsplan niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Luchtvaartlawaai Het plangebied van het bestemmingsplan voor de locatie Wethouder Beversstraat is niet gelegen in de nabijheid van het vliegveld Twente en ook niet binnen de geluidszone van het vliegveld.

Conclusie geluid Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen dient wel extra aandacht te worden besteed aan de gevelwering van de appartementen. 5.1.5

Luchtkwaliteit

Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d. e.

er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.

Luchtkwaliteit en het plangebied “Wethouder Beversstraat 12” In het onderhavige geval wordt het bestaande woonzorgpand aan de Wethouder Beversstraat 12 in Enschede gesloopt en vervangen door 87 appartementen. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat

34

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 woningen als niet in betekenende mate zijn aan te merken. De realisatie van 87 appartementen is daarmee zonder meer een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2019 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2018, 2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Er is geen sprake van een ligging binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg. Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.6

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.

Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) zijn het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Wethouder Beversstraat 12” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi en/of het BRZO van toepassing is. Bovendien wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen in het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" expliciet uitgesloten. Een nadere toetsing aan het Bevi en/of het BRZO kan daarmee achterwege blijven. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader.

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Wethouder Beversstraat 12” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Een nadere toetsing aan het Bevb kan daarmee achterwege blijven. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is recentelijk nieuwe wet- en regelgeving in werking getreden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van deze nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

35

Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Conclusie externe veiligheid Het plan maakt geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk binnen risicocontouren. Geconcludeerd wordt dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet op doelmatige wijze mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied tenminste 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak.

In het buitengebied en bij uitbreiding van bebouwd oppervlak in bestaand stedelijk gebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Om een goede en doelmatige afvoer naar voorzieningen in de openbare ruimte te kunnen garanderen hanteert het waterschap Vechtstromen een maximum norm van 2,4 liter per seconde per hectare. Alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om op eigen terrein op doelmatige wijze hemelwater te bergen kan dit (deels) in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft.

Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.

36

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik

Ontwatering (m – GHG)

Primaire wegen

0,7

Secundaire wegen en erfontsluitingswegen

0,5

Bouwwerken met kruipruimten

0,7

Bouwwerken zonder kruipruimten

0,5

Groen

0,5

De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); opgemerkt wordt dat in dit geval een vloerpeil van 0,30 m boven straatpeil wordt geadviseerd (zie kop 'Waterhuishouding en het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12") Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.

Waterhuishouding en het bestemmingsplan 'Wethouder Beversstraat 12" Het bestemmingsplan 'Wethouder Beversstraat 12" beoogt het planologisch mogelijk maken van de herontwikkeling van het woonzorgcomplex Geert de Leeuwhuis aan de Wethouder Beversstraat 12. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Het omliggende terrein wordt opnieuw ingericht met groen en parkeervoorzieningen. Omdat ook gebouwd gaat worden in de huidige openbare ruimte waarin zich een bestaande rioolleiding bevindt, wordt deze leiding verlegd. Onderbouwing op basis van de te realiseren ruimtelijke ontwikkelingen Afname verhard oppervlak Het nieuwe plan leidt tot een afname van het verharde oppervlak. Het onverharde eigen terrein wordt met gazon, beplanting en bomen opnieuw ingericht. Hemelwaterafvoer Door de afname van verhard oppervlak wordt er minder water afgevoerd dan in de huidige situatie. Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhard terreinoppervlak mag niet rechtstreeks op de riolering worden aangesloten. Er dient een tijdelijke waterberging te worden gerealiseerd ter grootte van 20 mm neerslag gerekend over het totale verhard oppervlak (dus verhard terreinoppervlak en daken). De nieuwe inrichting van het gebied is zodanig dat er in ruime mate mogelijkheden zijn voor het realiseren van voorzieningen als wadi's en/of groene daken.

Hierdoor kan een groot deel van het regenwater in dit systeem worden geborgen. Lediging vindt plaats via infiltratie in de bodem of vertraagde afvoer naar oppervlaktewater of de riolering. Op basis van uitgevoerde grondboringen is geconstateerd dat infiltratie mogelijk is. Daarom zal het water eerst in de bodem moeten worden geinfiltreerd en mag bij een te groot aanbod aan regenwater een overloop plaatsvinden naar oppervlaktewater of riolering. In de directe nabijheid is geen oppervlaktewater aanwezig zodat deze afvoermogelijkheid vervalt. Wel ligt er een hemelwaterriool in de Wethouder Beversstraat en Londenstraat waarop het water vanuit de overloop kan worden geloosd. Dit kan door het regenwater bovengronds aan te bieden op de perceelsgrens. Afvalwaterafvoer De vuilwaterafvoer van de nieuwe bebouwing kan worden aangesloten op het bestaande vuilwaterriool. Wel

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

37

zal een deel van de riolering over enkele meters moeten worden verlegd in verband met de nieuwe locatie van de bebouwing. Oppervlaktewater In de directe nabijheid van de herontwikkelingslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Er wordt ook geen nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Grondwater en ontwatering De grondwaterstand kan met name in de winterperiode tot circa 50-100 cm onder maaiveld staan. Dit betekent dat het vloerpeil circa 30 cm boven het wegpeil moet liggen om er zeker van te zijn dat aan de vereiste ontwateringsdiepte wordt voldaan. Afwatering In de huidige situatie ligt het vloerpeil ruim 0,3 m boven het wegpeil. In de nieuwe situatie zal dat 0,3 tot 0,4 m zijn. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3

Natuur

5.3.1

Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.

Beschermde natuurgebieden en het plangebied “Wethouder Beversstraat 12” Het plangebied van het bestemmingsplan “Wethouder Beversstraat 12” is niet gelegen binnen de grenzen dan wel in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden “Aamsveen” is op minimaal 4,9 kilometer afstand van gronden die tot Natura 2000-gebied Aamsveen behoren gelegen. Dit Natura 2000-gebied bestaat voor ca. 50% uit stikstofgevoelige Habitattypen (bron: Aerius). Er is een Aeriusberekening uitgevoerd (zie bijlage 8) Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken als gevolg van onderhavig project zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening van het onderhavige project. De berekening is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

Conclusie Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft beschermde natuurgebieden op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

5.3.2

Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten

In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.

Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.

Beschermde soorten en het plangebied “Wethouder Beversstraat 12” Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een nieuwe woonzorgvoorziening op het perceel Wethouder Beversstraat 12 te realiseren. Om te bepalen of de realisatie van deze ontwikkeling(en) mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de functionele leefomgeving en/of de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is door Natuurbank Overijssel een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan) uitgevoerd. Uit de onderzoeksrapportage (rapport nr. 2233, d.d. 6 november 2019) blijkt dat negatieve gevolgen op voorhand niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten. Op basis van het uitgevoerde onderzoek (quickscan), kan de betekenis van het plangebied voor vleermuizen (incl. verblijfplaats), gierzwaluw (incl. nestplaats) en de egel (incl. winterrust-/rustplaats) niet vastgesteld worden. Omdat de soorten en de verblijfplaatsen beschermd zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek dient uitgevoerd te worden, conform de daarvoor vastgestelde protocollen. Het uitvoeren van nader soortgericht onderzoek is noodzakelijk. Soortgericht nader veldonderzoek Er is derhalve nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de vleermuis, de gierzwaluw en de egel.

De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage 'nader onderzoek vleermuis, gierzwaluw en egel Wethouder Beversstraat 12' (rapport nr. 2817, d.d. 8 oktober 2020). De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Samengevat zijn de resultaten van het onderzoek als volgt weer te geven: de voorgenomen herontwikkeling van het terrein aan de Wethouder Beversstraat 12 te Enschede leidt niet tot een aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen of van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute. Voor de herontwikkeling van het terrein is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk ten aanzien van vleermuizen. Er zijn geen nesten van de gierzwaluw in het plangebied vastgesteld. Er zijn in het plangebied geen egels waargenomen. Gelet op het ontbreken van waarnemingen, wordt geconcludeerd dat de egel geen vaste rusten/of voortplantingsplaats in het plangebied bezet. Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op basis van de conclusies uit de onderzoeksrapportage kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de voorgenomen herontwikkeling van het Geert de Leeuw huis kan worden uitgevoerd zonder verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3 (beschermde planten- en diersoorten) van de Wet natuurbescherming te overtreden.

Het aanvragen van een ontheffing bij het bevoegd gezag Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

39

5.3.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald.

Het NNN en het plangebied “Wethouder Beversstraat 12” Het plangebied van het bestemmingsplan “Wethouder Beversstraat 12” is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Het plangebied ligt op 2,4 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. Conclusie NNN Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het NNN geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

40

bestemmingsplan Wethouder Beversstraat 12 (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planopzet

Algemeen

Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.

b.

c. d.

een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.

Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" is gekozen voor een specifieke bestemmingsregeling, aangezien er sprake is van een specifiek, concreet uitgewerkt plan.

Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 7.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Wethouder Beversstraat 12" is gekozen.

6.2

Indeling planregels

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=9f32e11a-9265-467d-9419-9d9e12ef64f3