Visie bodem en ondergrond Enschede - 20210511
Tekst van het document
Met geothermische energie (aardwarmte) worden warme watervoerende lagen op een diepte van 1.500 tot 4000 meter benut om gebouwen te verwarmen, en soms ook elektriciteit op te wekken. Aardwarmte kan landelijk een kwart van de warmtevraag in 2050 vervullen. Geothermie wordt op dit moment nog niet toegepast in Twente. Uit onderzoek van TNO (2009) blijkt dat in Twente vooral de zandsteenlagen van de formatie van Tubbergen potentie hebben voor geothermie. Deze zandsteenlagen hebben een dikte van 5-100 meter, de diepte varieert van 750-3000 meter en de verwachte temperatuur bedraagt 35-100 graden Celsius. Hierdoor is er een beperkte potentie in Twente. Van andere delen van de regio zijn te weinig gegevens bekend om een uitspraak te kunnen doen. In 2019 is in opdracht van de provincie Overijssel een potentiestudie bodemenergie uitgevoerd. Het eindproduct van deze studie bestaat uit (digitaal) kaartmateriaal met een combinatie van warmtevraag en potentie van geothermie (en bodemenergie). In de studie wordt voor de potentie voor duurzame energie verwezen naar de Warmteatlas. Deze geeft de volgende informatie over de regio Almelo, Hengelo en Enschede: De potentie van aardwarmte (geothermie) is verdeeld in lage temperatuur (LT, 25-45 graden) en hoge temperatuur (HT, 45-145 graden). Rondom Almelo, Hengelo en Enschede is geen potentie voor LT aardwarmte.
De potentie voor HT aardwarmte is in het algemeen ongunstig, vanwege de naar verwachting lage temperatuur (ca. 45 graden) verdeeld in relatief dunne aquifers (watervoerende lagen). Landelijk loopt onderzoek om meer informatie over de potentie voor geothermie te genereren. Vooralsnog richt dit onderzoek zich niet op het gebied rond Almelo, Hengelo en Enschede. De verwachting is dat in dit gebied de potentie voor geothermie lager is dan in gebieden die momenteel wel zijn opgenomen in het landelijke onderzoek.
P5 - Voorraad fossiele energie De voorraad fossiele brandstof op basis van koolstof-waterstofverbindingen zoals steenkool, aardolie, aardgas en schaliegas, is ontstaan uit resten van plantaardig en dierlijk leven in het geologisch verleden,. In Nederland kunnen deze fossiele brandstoffen gewonnen worden uit de diepere ondergrond. Gedurende de periode van transitie naar duurzame energie moet de beschikbare hoeveelheid fossiele energie zorgvuldig worden gewonnen en gebruikt. In Overijssel vindt op diverse plaatsen gaswinning plaats. Enkele gasvelden zijn niet ontwikkeld, terwijl andere gasvelden al uitontwikkeld zijn. In Overijssel zijn vier gasvelden die ooit zijn aangeboord, maar niet zijn ontwikkeld. Het gaat om de velden Staphorst, Lankhorst, Deurningen (noordzijde van Hengelo) en Rammelbeek.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving
Wat is het gebruik en de kwaliteit van bodem en ondergrond?
R1 - Schone en veilige bodem
R3 - Stabiele bodem / bodemdaling
Een schone en veilige bodem bevat geen door de mens ingebrachte stoffen die van nature niet in de bodem of het grondwater thuishoren, en kent geen ‘overmaat’ aan natuurlijke stoffen die (kunnen) leiden tot schade aan het ecosysteem en de gezondheid van mensen. Ook is het een bodem zonder aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (munitie, granaten en bommen). Bodemverontreinigingen kunnen diffuus verspreid over een groot oppervlak aanwezig zijn, vaak is dat het geval in stedelijke ophooglagen. Ook kan bodemverontreiniging lokaal verhoogde gehalten aan stoffen betreffen, die vaak veroorzaakt is door bedrijfsmatige activiteiten uit het verleden. De bodemverontreinigingen die bekend zijn, worden beheerd en bijgehouden. Bij functiewijziging of bouw wordt nagegaan of er verontreiniging is met zodanige risico’s dat er moet worden gesaneerd. De mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven wordt lokaal onderzocht.
De bodem beweegt altijd. De mate waarin deze beweegt is afhankelijk van de stabiliteit van de bodem. De samenstelling van de bodem is primair bepalend voor de stabiliteit van de bodem. Natuurlijke processen, de ruimtelijke inrichting en activiteiten van de mens spelen een grote rol bij deze (mate van) beweging.
R2 - Levende bodem De levende bodem is het ecologische systeem in de bodem met ontelbare organismen zoals bacteriën, schimmels, algen, regenwormen en aaltjes. Deze organismen vormen samen een bodemvoedselweb dat van belang is voor de bodemvormende processen. Dat draagt bij aan bodemvruchtbaarheid, waterfiltering, waterberging en koolstofbinding. In Twente is de bodem in het algemeen rijk aan regenwormen. Deze dragen bij aan vorming van humus en een goede bodemstructuur en het voorkomen van bodemverdichting. Lokaal kan de aanwezigheid van bodemorganismen verschillen door beheerbeleid, lokale verdichting en gebruik van pesticiden. Zonnevelden in het landschap (indien daarop de keuze via de energieladder valt) hebben impact op chemische, fysische en biologische bodemaspecten en daarmee op het bodemleven. Met een goede inrichting en beheer kan een positieve bijdrage aan bodemkwaliteiten en biodiversiteit worden geleverd voor locaties waar die kwaliteiten momenteel beperkt aanwezig zijn.
Bodemdaling is een onomkeerbaar proces waarbij de hoogte van het maaiveld daalt. Gelijkmatige daling van de bodem veroorzaakt geen schade aan gebouwen, maar ongelijke daling en zettingen wel. In het Noordwesten van Twente komen ontgonnen veenvlaktes en veenrestvlaktes voor. Dit zijn minder draagkrachtige gronden. De oxidatie van veengronden en de rijping van klei kunnen bodemdaling veroorzaken. Bodemdaling heeft ook een sterke relatie met waterbeheer. Verlaging van de grondwaterpeilen (bijvoorbeeld voor landbouwkundig gebruik of bij bouwrijp maken) is samen met grondwaterstroming en –druk een belangrijke veroorzaker van bodemdaling. Kweldruk (onder andere door bodemdaling) kan bij vermindering van dikte van de deklaag tot lokale problemen leiden. Zout- en gaswinning kan de mate van bodemdaling verhogen. Ondergrondse zoutwinning kan tot verzakkingen in het oppervlak zorgen. Niet alleen het delven van delfstoffen, maar vele ondergrondse functies en graaf- en ophoogactiviteiten kunnen de stabiliteit van de bodem ondermijnen en zorgen voor overlast. Door heien of mijnbouwactiviteiten kunnen trillingen ontstaan die effect kunnen hebben op de stabiliteit van de bodem en de daarop staande gebouwen en constructies. Een andere aantasting van de stabiele bodem vindt plaats als de toplaag erodeert als gevolg van wind of water.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving
Wat is het gebruik en de kwaliteit van bodem en ondergrond?
R4 - Waterbergende bodem
R6 - Koolstofbindende bodem
Een waterbergende bodem heeft het vermogen om water onder het maaiveld te bergen. De bodem fungeert als spons: ontelbare grote en kleine poriën kunnen water vasthouden. De waterbergende bodem wordt als een reservoir gebruikt om in natte periodes regenwater in op te slaan en bij watertekorten er weer uit te halen. Recentelijk is er meer sprake van droge jaren en is er last van verdroging.
Bepalende factoren voor koolstofbinding (waaronder CO2) in de bodem zijn de grondsoort, de hoeveelheid organische stof in de bodem, de bodemopbouw en de grondwatertrap. De miljoenen organismen in de bodem bestaan voor een belangrijk deel uit koolstof (circa 8 ton koolstof per hectare in ongeroerde grond). Het organische stofgehalte van de landbouwbodems is in Twente de afgelopen jaren stabiel gebleven. Toename van organische stof leidt tot betere bodemvruchtbaarheid, minder gevoeligheid voor droogte, verbeterde infiltratie en een hogere bodembiodiversiteit.
Infiltratiecapaciteit (door bodemstructuur en ‘levende bodem’), voldoende ruimte voor ‘open bodem’ en een niet te hoge grondwaterstand zorgen voor waterbergende bodem. Met waterberging ontstaat een bron voor perioden van droogte. Behalve de bodem bieden groene daken een mogelijkheid voor (tijdelijke) waterbuffering. Het grootste deel van de verharding ligt op particulier terrein. Daarom is het nemen van maatregelen om te 'ontharden’ en 'verstening' tegen te gaan op die percelen van groot belang voor klimaatadaptatie. Keuzes in bouw- en mobiliteitsbeleid hebben rechtstreekse werking op de hoeveelheid verharding in een gebied. Een toename in hoeveelheid verharding en gebouwen betekent een afname van de hoeveelheid open bodem en open water in een gebied. Een aantal kwaliteiten van bodem zoals waterbergend vermogen en groeiplaats voor planten komt daarmee onder druk.
R7 - Warmteregulatie De bodem geleidt warmte die afkomstig is van leidingen met verhoogde temperatuur en afkomstig van het maaiveld gedurende warme perioden. Bodemprocessen en kwetsbare functies (als drinkwaterleidingen) in de bodem worden beïnvloed door die temperatuurswisselingen. De geleidbaarheid van de bodem voor warmte is afhankelijk van bodemopbouw (grondsoort en dichtheid) en watergehalte in de bodem.
R5 - Waterfilterende bodem Een waterfilterende bodem ontdoet grondwater van verontreinigingen op de jaren tot eeuwen durende tocht door de diverse klei-, zand- en andere aardlagen. Twente bestaat voornamelijk uit dekzand met plaatselijk keileem. Het filterende vermogen van de bodem verschilt per bodemsoort en is dus lokaal heel verschillend. De filterende eigenschappen van bijvoorbeeld zandgronden zijn lager dan van bijvoorbeeld keileem. De Twentse zandgronden zijn hierdoor kwetsbaar voor bodemverontreinigingen. Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving
Wat is het gebruik en de kwaliteit van bodem en ondergrond?
I1 - Archeologische waarden
I3 - Landschappelijke diversiteit
Archeologische waarden zijn sporen van menselijke activiteiten uit het verleden die in de grond zijn achtergebleven. Denk aan potscherven, resten van voedselbereiding, graven, fundaties van gebouwen, maar ook verkleuringen in de grond die laten zien dat er vroeger een huis heeft gestaan of een sloot heeft gelopen. In Twente worden globaal dezelfde archeologische waardegebieden aangetroffen. De reden daarvan zit in de aanwezigheid van essen, stuwwallen en dekzandruggen. Als gevolg daarvan hebben mensen zich door de eeuwen heen op de hoger gelegen delen gevestigd. Dit zijn dan ook de belangrijkste plekken voor archeologische vondsten. Door hun lange periode van bewoning zijn dorps- en stadscentra per definitie gebieden met een hoge archeologische waarde.
Nederland kent door de ontstaansgeschiedenis en door de wijze waarop het land in cultuur is gebracht een grote mate van ruimtelijke diversiteit. Landschappen met een geheel eigen karakter en typologie grenzen direct aan elkaar of gaan naadloos in elkaar over. Het landschapsbeeld draagt in belangrijke mate bij aan de identiteit die bewoners ontlenen aan hun streek.
I2 - Aardkundige waarden Aardkundige waarden zijn elementen in het landschap die iets vertellen over de ontstaansgeschiedenis van het gebied en de (klimatologische) omstandigheden waarin zij zijn ontstaan: landschapsvormen, bodems, geologie en processen. Twente bestaat voornamelijk uit dekzand dat doorkruist worden door enkele stuwwallen, waarbij lokaal keileem is afgezet. Ook is er een hoge stuwwal in het oosten van het gebied. De landschappelijke diversiteit is hoog in het gebied, wat duidt op de vele verschillende bodemeigenschappen die lokaal aanwezig zijn.
Karakteristiek voor het Twentse landschap zijn de grote variatie en verwevenheid van het landschap en de cultuurhistorische waarden. Er is een grote landschappelijke diversiteit, van grote openheid tot een bijzondere kleinschaligheid. Deze kwaliteiten zorgen voor een visueel, ecologisch en recreatief divers landschap. Een belangrijk beeld dat naar voren komt is het coulisselandschap. Dit landschap van kleine percelen onderbroken door wallen en struikgewas is kenmerkend voor de regio en niet alleen van culturele waarde, maar ook van belang voor biodiversiteit en behoud van natuurverbindingen. Bescherming van aardkundige, archeologische en landschappelijke waarden is van belang; door het verhaal van vroeger te laten zien wordt de identiteit van een gebied versterkt. Naast bescherming kan het erfgoed ook benut worden voor maatschappelijke opgaven. Zo draagt de historische kennis over het landschap bijvoorbeeld bij aan het ontwerp van ingrepen om wateroverlast te verminderen.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving
Wat is het gebruik en de kwaliteit van bodem en ondergrond?
I4 - Ecologische diversiteit De diversiteit in bodemtypen, voedselrijkdom en de aan- of afwezigheid van water zorgt voor ecologische diversiteit: afwisselende kenmerkende flora en fauna. Juist op plaatsen waar op relatief korte afstand de fysieke verschillen in de bodem groot zijn, kan de biodiversiteit groot zijn. Bij ecologische diversiteit ligt de nadruk op natuur in relatie tot het landschap. In Twente is sprake van een hoge soortenrijkdom met zeldzame plantensoorten. Door de verscheidenheid van bodemeigenschappen kan de flora zich divers ontwikkelen. Van de 160 Nederlandse Natura2000-gebieden liggen verscheidene in Twente, waaronder Engbertsdijksvenen, het Buurserzand-Haaksbergerveen, het Springendal en het Dal van de Mosbeek. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) zijn verspreid door Twente aanwezig. Verspreiding van invasieve exoten (mede door klimaatverandering) beperkt de biodiversiteit voor inheemse soorten. De kwaliteit van ecosystemen in natuurgebieden gaat achteruit als gevolg van: grondwaterstandsdaling door peilverlaging, grondwateronttrekkingen of droogte; toename van stikstof in de bodem door depositie (neerslag van stoffen uit de lucht); toename zuurgraad door depositie van stoffen of afname van baserijke kwel.
Groen in de stad moet in voldoende omvang aanwezig zijn en verbonden zijn in een fijnmazig groen-blauw netwerk, anders krijgt het geen ecologische waarde.
I5 – Recreatieve en educatieve waarden De bodem en het landschap geven mogelijkheid voor buitenrecreatie (wandelen, spelen, sporten). Het belang van bodem en ondergrond voor onze samenleving is zichtbaar te maken, zoals in de Bodematlas Twente en zoals dat gebeurt met het onderzoek in Twente naar het zichtbaar en beleefbaar maken van ondergrondse ingrepen. Dit versterkt de bewustwording en betrokkenheid van mensen bij het gebruik van de ondergrond. Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving
Wie zijn de mogelijke belanghebbenden bij gebruik van bodem en ondergrond?
De initiatiefnemer van projecten met een ruimtelijke impact moet nagaan of bij het gebruik van bodem en ondergrond er belanghebbenden zijn die betrokken moeten worden. Het kan zijn dat er met het gebruik aangesloten kan worden bij de ambities van die belanghebbenden. Ook moet in een vroeg stadium verkend worden of gebruik kan leiden tot negatieve effecten. Dan is er gelegenheid om na te gaan welke alternatieven er zijn of dat er maatregelen zijn waarmee die effecten kunnen worden tegengegaan.
De gemeente kan zelf belanghebbende zijn vanwege eigen gebruik van de openbare ruimte. De gemeente kan vanuit haar netwerkfunctie en vanuit haar bevoegd gezagrol bijdragen in de afstemming tussen partijen.
Belanghebbenden Inwoners
Belanghebbenden Grond- en gebiedseigenaren
Bedrijven
Agrarische sector
Raadsleden als vertegenwoordigers Individuele inwoners VNO-NCW, MKB en KVK als vertegenwoordigers Vitens (drinkwaterleverancier; nutsbedrijf) Tennet, Enexis en Coteq (energieleveranciers; nutsbedrijven) Nouryon (industrie; zoutwinning uit diepe ondergrond) NAM (industrie; winning gas en olie uit diepe ondergrond) Twence (reststoffenmanagement) Grolsch (industrie; winning grondwater) Zand- en grindwinners (industrie; delfstofwinning) Twente Board (samenwerking overheid, onderwijs en ondernemers voor versterken van de brede economie in Twente) Financiële sector (banken, investeerders en verzekeraars) LTO-Noord als vertegenwoordigers Individuele agrariërs (grondeigenaren en –gebruikers) Mineral Valley Twente (samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen en overheid gericht op duurzame landbouw)
Staatsbosbeheer Natuurmonumenten Landschap Overijssel Belangengroepen Natuur en Milieu Overijssel Belangengroepen voor specifieke gebieden als Stichting Marke Twekkelo Belangengroepen voor specifieke thema’s als Stop Afvalwater Twente en Stawel (Stichting voor duurzame plattelandsontwikkeling Enschede) Kennisinstellingen Deltares en TNO Universiteit Twente, overige universiteiten Saxion Hogeschool (Enschede, Deventer), overige hogescholen ROC van Twente Adviesbureaus Het Oversticht (stichting voor ruimtelijke kwaliteit en erfgoed) Overheden en publieke Rijksoverheid: ministeries I&W, EZK, LNV, BZK organisaties Provincie Overijssel Waterschap Vechtstromen Gemeenten; individueel (voor zover het lokale projecten betreft) en samenwerking in Regio Twente en landelijk (VNG) GGD Twente Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving
Toepassen ontwikkelstrategie voor ingrepen in de ondergrond
Ontwikkelstrategie voor ingrepen in de ondergrond Voor de regio is een ontwikkelstrategie voor ingrepen in de ondergrond ontwikkeld (zie publicatie Roovers, G., R. Wienk, M. van der Poll (2021), Naar een nieuw Twents productielandschap. Een ontwerpende verkenning naar de ruimtelijke potentie van de ondergrond voor de energietransitie in Twente. Saxion hogeschool, CB5). In dit boek zijn zeven handvatten gedestilleerd die kunnen helpen bij het duurzaam ruimtelijk ontwikkelen en ontwerpen van ondergrondse ingrepen ten behoeve van maatschappelijke opgaven: 1. Zie het voorbereiden, realiseren en afbouwen van een ondergrondse ingreepvoor het winnen of opslaan van stoffen uit de ondergrond – (ook) als een ruimtelijke ingreep. Als zodanig dient deze niet alleen technisch, maar óók ruimtelijk te worden ontwikkeld. Doe dit bij voorkeur vanuit een gebiedsgerichte benadering en proces, waarin verschillende opgaven worden verbonden.
5. Ontwikkel en ontwerp exposerend: maak de ingreep zichtbaar en beleefbaar, en doe dat samen met stakeholders en direct omwonenden. 6. Beschouw iedere ingreep als een schakel in een keten van ingrepen die in de loop der tijd in het landschap worden gedaan. Iedere ingreep heeft ‘een tweede leven’, met nieuwe functies en nieuwe kansen. Denk daarom na over dit tweede leven van de ingreep en de locatie (s), en wat we daarvoor nu al kunnen voorzien. 7. Gemeenten en provincies anticiperen in hun ruimtelijk beleid - zoals in de omgevingsvisie - hierop. Gemeenten kunnen daarin een structurele strategische dialoog voeren met lokale stakeholders, bewoners en mijnbouwbedrijven.
2. Ga met stakeholders in een ruimtelijke dialoog al aan de slag bij de eerste intentie van winning of ingreep. Dit levert inzicht in kansen, helpt bij het ontwikkelen van vertrouwen en levert uiteindelijk een betere ruimtelijke kwaliteit voor het gebied. 3. Beschouw de ingreep als een samenhangend geheel van boring-transportverwerking-verspreiding, en breng daarin de ruimtelijke kansen voor de ingreep in beeld. Maatschappelijke opgaven en ruimtelijke kwaliteiten zijn leidend voor deze kansen. 4. Beschouw - om de werkelijke potentie te kunnen bepalen - de ingreep als aansluitend in ruimtelijke samenhang met andere ondergrondse ingrepen in dezelfde regio.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving A
Agendering tijdens verkenning
Past initiatief binnen de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)?
B
Wij houden rekening met het beleid voor ondergrondgebruik van de provincie Overijssel (provinciale omgevingsvisie en daaruit volgende regels in de Omgevingsverordening). Samengevat is het provinciale beleid voor de ondergrond:
Wij houden rekening met het ondergrondbeleid van het Rijk (NOVI en RijksStructuurvisie ondergrond). Samengevat is het nationale beleid voor de ondergrond: • Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. We spreken hier over ‘omgevingsinclusief’ beleid.
• Balans behouden tussen gebruik en bescherming van de ondergrond, met afwegingsmethodiek voor ondergrondse ruimteclaims. Daarbij geldt de afwegingsladder met prioriteitsvolgorde: 1. drinkwater; 2. hernieuwbare energie; 3. tijdelijk gebruik; 4. permanent gebruik; 5. uitsluiten van activiteiten waarvan de risico’s onaanvaardbaar of onvoldoende beheersbaar zijn.
• De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3) Afwentelen wordt voorkomen.
• Drinkwater-/grondwaterbeschermingsgebieden worden beschermd. • Toepassing bodemenergie en geothermie wordt gestimuleerd.
• De NOVI geeft vier prioriteiten/beleidskeuzes: 1) ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2) duurzaam economisch groeipotentieel; 3) sterke en gezonde steden en regio’s; 4) toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. • De opgave is om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen direct vanaf het begin van de planontwikkeling de bovengrond en de diverse lagen in de ondergrond in samenhang te bezien. Daarbij worden verschillende maatschappelijke opgaven met elkaar gecombineerd om duurzaam, veilig en efficiënt gebruik te maken van de beschikbare ondergrondse (en bovengrondse) ruimte. • In de NOVI krijgen enkele bodem- en ondergrondthema’s in het bijzonder nog aandacht: (chemische) bodemkwaliteit; bodemdaling; zoetwatervoorziening; drinkwater.
Past initiatief binnen de Provinciale Omgevingsvisie?
• Beschermen van aardkundige en archeologische waarden. • Zorgvuldig gebruik van de ondergrond voor zandwinning en voor zoutwinning.
• Terughoudend met vormen van opslag in gasvelden.
C
Past initiatief binnen de Gemeentelijke Omgevingsvisie? Het initiatief moet passen binnen de algemene visie op de leefomgeving die de gemeente in haar omgevingsvisie vastlegt.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving D
Agendering tijdens verkenning
Is gebruik van bodem en ondergrond nuttig en noodzakelijk? Nut en noodzaak van het voorgenomen gebruik van bodem en ondergrond zijn door de initiatiefnemer onderbouwd: • Nut = de meerwaarde die een voorgenomen functie of ingreep heeft voor belangrijke maatschappelijke opgaven. • Noodzaak = de urgentie om deze functie of ingreep te realiseren, mede in relatie tot alternatieve mogelijkheden (uitstel gebruik of bovengrondse ingrepen).
E
Wordt met belanghebbenden samengewerkt? We zoeken samenwerking en betrekken belanghebbenden: • Wij gaan na of er gemeentegrens-overschrijdende baten of negatieve effecten kunnen zijn bij ingrepen in bodem en ondergrond. We betrekken dan de buurgemeente bij de besluitvorming. We rekenen erop dat we zelf betrokken worden bij initiatieven vanuit buurgemeenten. Daarvoor bouwen we aan onze regionale relaties. • Wij initiëren netwerken van overheden, initiatiefnemers en belanghebbenden en nemen daar actief aan deel, zowel regionaal, landelijk als met onze Duitse buurregio. • Wij verbinden specialisten bij beleidsontwikkeling en projecten zodat slimmere en meer afgewogen oplossingen in het gebruik van bodem en ondergrond ontstaan.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving F
Inspireren tijdens planontwikkeling
Vinden functies plaats op de plekken met de juiste kwaliteiten van bodem en ondergrond?
• We nemen ondergrond als integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving mee in een vroeg stadium van de planontwikkeling, we sluiten bij de stedenbouwkundige ontwikkeling aan op de structuren in het natuurlijk systeem. Voorbeeld: lokaliseren nieuwbouw op plekken waar grondwaterstand niet te hoog is.
G
Vindt meervoudig gebruik plaats?
• Koppelkansen: bij elke ingreep in de bodem wordt bekeken of in een ander domein plannen bestaan voor gebruik van de bodem en of er een combinatie mogelijk is. Voorbeeld: bij aanleg van grootschalig groen nagaan of afstemming mogelijk is met eventuele voorgenomen aanpassing van de regionale energie-infrastructuur. • Levert gebruik van de ondergrond baten op voor naastliggende gebieden?
• Gebruik dat slechts mogelijk is op locaties met specifieke bodem- en ondergrondeigenschappen heeft vanuit dat oogpunt voorrang op gebruik dat ook elders mogelijk is. Hierbij houden we rekening met mogelijk toekomstig gebruik.
Voorbeeld: gebruik van particuliere percelen voor klimaatadaptatiemaatregelen zodat de klimaatopgave niet alléén in de openbare ruimte opgelost hoeft te worden en deze benut kan worden voor uitbreiding van ondergrondse infrastructuur i.v.m. energietransitie.
Voorbeeld: Lokaliseren zonnevelden buiten gebieden met een hoge bodemvruchtbaarheid of hoge biodiversiteitswaarde. Ander voorbeeld: Rekening houden met toekomstige winning van aardwarmte op locaties met een mogelijk hoge potentie.
• Mogelijkheden voor een nieuw gebruik van een ingreep op een bepaalde locatie of van ondergrondse constructies na beëindiging van het oorspronkelijke gebruik, worden vooraf meegenomen in het ontwerp.
• Het gebruik van bodem en ondergrond wordt zo goed mogelijk afgestemd op condities en processen die de kwaliteiten van bodem en ondergrond in stand houden en die optimaal gebruik maken van de daar aanwezige kwaliteiten. Voorbeeld: het in stand houden van het waterbergend vermogen van de bodem, door ervoor te zorgen dat de bodem niet overal wordt afgedekt door verharding en regenwater kan blijven infiltreren. Ander voorbeeld: breng oude beeklopen terug en zorg dat verkavelingsstructuren zichtbaar in het (stads)landschap herkenbaar zijn. Trek kenmerkende landschapsstructuren de wijken in (water, groen).
Voorbeeld: overwegen van hergebruik van zoutcavernes. Ander voorbeeld: de ruimte in een pijpleiding voor transport van een andere materie dan waarvoor de leiding oorspronkelijk is aangelegd. • Gebruik van bodem en ondergrond is te beschouwen als gebiedsontwikkeling. Dat betekent dat er niet alleen een technische ingreep maar ook een ruimtelijke ingreep plaatsvindt. Die ruimtelijke ingreep vraagt om een slim ruimtelijk ontwerp. Dit vraagt om exposerend ontwerpen. Hiermee wordt expliciet getoond wat er gebeurt in de ondergrond en wordt een belevingslaag toegevoegd aan het ruimtelijk beleid. Voorbeeld: toepassing van de Ontwikkelstrategie voor ingrepen in de ondergrond die volgt uit het IABR-onderzoek van Saxion en partijen in de regio Twente.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving H
Inspireren tijdens planontwikkeling
Welke bijdrage kan gemeente leveren aan duurzaam gebruik?
• De gemeente heeft verschillende instrumenten om te sturen op duurzaam gebruik van bodem en ondergrond. De gemeente moet de landelijke en provinciale regelgeving toepassen maar kan kiezen of en zo ja, welke decentrale regels ze daaraan wil toevoegen. Naast deze ‘hard power’ (beleid en regelgeving) heeft de gemeente belangrijke invloed door de inzet van ‘soft power’ (stimulering/overtuiging/samenwerking/informatie-uitwisseling).
Voorbeeld: beschikbare instrumenten voor de gemeente staan in het overzicht van instrumenten.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving I
Toetsen tijdens besluitvorming
Voldoen de ingrepen aan regelgeving?
• Regels rijk: Mijnbouwwet (adviserende rol gemeente), huidige rijksregels met relatie bodem en ondergrond waarbij gemeente bevoegd gezag is (zoals Wet bodembescherming en toekomstig Besluit activiteiten leefomgeving Omgevingswet). • Regels provincie: Omgevingsverordening (met name: grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones; grondwateronttrekking; natuurgebieden; gebieden met archeologische en landschappelijke waarde).
J
Worden negatieve effecten voorkomen of beperkt?
• Delfstoffen/goederen uit bodem en ondergrond worden niet verspild, hergebruik wordt bevorderd en het gebruik past in de visie op het beheer van de voorraad op lange termijn. Voorbeeld: gesloten grondbalans in projecten. Ander voorbeeld: gebruik van licht verontreinigde grond als secundaire nuttige bouwstof i.p.v. winning van primaire grondstoffen zand en klei draagt bij aan de circulaire economie. Vanzelfsprekend moet de toepassing zorgvuldig plaatsvinden.
• Regels waterschap: Waterschapsverordening (met name: grondwateronttrekking; peilbeheer).
• Negatieve effecten van voorgenomen activiteiten op bestaande en andere gewenste activiteiten worden zoveel mogelijk voorkomen.
• Regels gemeente: Omgevingsplan (momenteel diverse decentrale regels zoals Nota Bodembeheer, Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur).
Voorbeeld: onttrekking grondwater die de werking van een open bodemenergiesysteem of de stabiliteit van boven- en ondergrondse infrastructuur verstoort. Ander voorbeeld: opwarming water in drinkwaterleiding door naastgelegen warmtenet. • Negatieve effecten van voorgenomen activiteiten op de individuele kwaliteiten van bodem en ondergrond en op het functioneren van de bodem als onderdeel van het natuurlijk systeem, worden zoveel mogelijk of geheel beperkt. • Voorbeeld: doorboren van afdichtende lagen vormt een risico voor (versnelde) toevoer van verontreinigingen naar schone grondwaterpakketten.
• Het meest aanvaardbaar is gebruik van de bodem waarbij de dienst die de bodem levert hernieuwbaar is (natuurlijk herstelvermogen). Als dat niet zo is (en met maatregelen niet kan worden gerealiseerd), dan is de vraag of het gebruik van de bodem omkeerbaar is (door menselijk handelen). Is dat niet het geval (en het kan met maatregelen niet worden gerealiseerd) dan volgt de vraag of bij het gebruik van de ondergrond de risico’s beheersbaar zijn. Er moeten waar nodig maatregelen worden genomen om de risico’s te beheersen tot een aanvaardbaar niveau. Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving K
Toetsen tijdens besluitvorming
Blijft zoveel mogelijk ruimte aanwezig voor toekomstig gebruik van bodem en ondergrond?
• Géén van de maatschappelijke opgaven is volledig leidend in het gebruik van de ondergrond. Altijd dient er een brede afweging plaats te vinden van de functies die de ondergrond vervult of kan vervullen in het betreffende gebied. • Er wordt zoveel mogelijk ruimte overgelaten voor toekomstige ontwikkelingen; ruimte wordt alleen gereserveerd en gebruikt als dit echt nodig is. Voorbeeld: bij onderhoud of aanleg van voorzieningen in de bodem ruimte beschikbaar houden voor de toekomstige aanleg van nieuwe ondergrondse infrastructuur (warmtenet, verzwaring elektriciteitsnet inclusief bovengrondse voorzieningen).
• Bij gebruik van de ondergrond gaat de initiatiefnemer als eerste uit van de oplossing die de minste ruimte inneemt of waarbij ruimte vrijkomt. Voorbeeld: de afweging maken om water van hevige regenval voornamelijk af te voeren op het maaiveld in plaats van via rioleringsbuizen in de ondergrond. • Bij ruimtetekort wordt de openbare ruimte gebruikt voor de functie met de in dat specifieke gebied grootste maatschappelijke waarde en die vanuit beheeroptiek het meest gewenst is op die plek. Voor de realisatie van andere maatschappelijke opgaven met een claim op de ondergrond kan dan een beroep worden gedaan op de private percelen. Voorbeeld: de keuze maken om kabels voor energietransitie in openbare groenstroken te leggen, buiten de wortelzones van bomen en struiken, en klimaatadaptieve maatregelen op gebouwen of percelen van derden.
Terug naar Procesbeschrijving
Toepassing Procesbeschrijving L
Evalueren tijdens uitvoering en beheer
Wat zijn de effecten van gebruik van bodem en ondergrond?
• We gaan na of het gebruik van de bodem volgens plan verloopt. We houden toezicht en treden waar nodig handhavend op wanneer regels door de initiatiefnemer niet worden nageleefd. • We evalueren de effecten van bodemgebruik op de kwaliteiten van bodem en ondergrond. • We stellen informatie ter beschikking over de kwaliteiten van bodem en ondergrond en we gebruiken informatie over die kwaliteiten bij de voorbereiding en beoordeling van nieuwe initiatieven.
Terug naar Procesbeschrijving