CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitgangspuntennotitie Varvik-Diekman

Raadsvergadering 6 maart 2023, gemeente enschedeBij agendapunt: Herontwikkeling wijk Varvik-Diekman22.841 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hiervan kan worden afgeweken als in verband met de verkeersveiligheid snel en makkelijk ingestoken moet kunnen worden (standaard 2) of bij straten met een hoge parkeerdruk kan worden gekozen voor standaard 3 voor het inpassen van bomen.

32

Wegen

Standaard 1 haakse beëindiging langsparkeren

Standaard 2 Schuine beëindiging langsparkeren

Standaard 3 Halfronde boomspiegel

Halfverharding - Toepassen in natuurlijke omgeving zoals parken, ecozone en brede groenstroken voor informele wandel- en fietspaden of parkeerplaatsen o Type 1: Schots graniet, korrelgrootte 0-6mm (kleur is rood/wit/grijs); o Type 2: Graustabiel, mengsel van dolomietengesteente en grauwacke (uitstraling zandweg); o Type 3: Stabilizer, toepassen bij boomvakken waar sprake is van schade aan verharding door wortelopdruk. - Aanbrengen op puinfundatie 0-30 mm, laagdikte puin 10-15 cm, laagdikte halfverharding 5-10 cm, oppervlak dient voor loop- en fietspaden vlak en vormvast te zijn. Objecten - Zie hoofdstuk 8. Objecten - Oplaadpunten voor elektrische auto’s worden bij voorkeur gepositioneerd op haakse parkeerplaatsen, minimaal 2 vakken naast elkaar om de palen optimaal te kunnen laten functioneren. Zie ook paragraaf 8.6. - Ondergrondse afvalcontainers dienen geplaatst te worden op plekken waar geen hoge parkeerdruk is, of zodanig dat deze het parkeren niet hinderen en het lossen van de bakken veilig kan geschieden, het invoeren van een parkeerverbod is een laatste redmiddel maar garandeert geen vrije doorgang voor de betreffende vuilniswagen. Zie ook paragraaf 8.1. Bomen - Langs radialen (zie kaart wegencategorieën) bomen aan weerszijden van het profiel toepassen indien er voldoende ruimte is, vanwege de herkenbaarheid van deze historische wegen.

- Singel en buitenring: altijd een middenberm toepassen, bomen verspringend, 1e orde grootte, wisseling van boomsoort bij radiaal. - Minimale afstand tussen trottoirband en hart van de boom 1,50 meter. - Zie hoofdstuk 7. Groen over groeiplaatsinrichting.

33

Wegen

Wisseling van boomsoort bij pijl

2. Maatvoering Parkeren Minimaal

Optimaal

Langsparkeren

• 2 meter diep • 5,5 meter lang • Eerste en laatste vak 1 meter langer • Beëindiging conform standaard 1

• 2,2 meter diep • 5,5 meter lang • Eerste en laatste vak 1 meter langer • Beëindiging conform standaard 1

Haaks parkeren

• 4,5 meter parkeervak en 0,5 meter extra trottoir indien geen trottoir 5 meter • 2,5 meter breed • minimale rijbaanbreedte 5 meter • eindvak bij doodlopende straat 0,30 meter breder

• 5,0 meter parkeervak en 0,5 meter extra trottoir indien geen trottoir 5,5 meter • 2,5 meter breed • minimale rijbaanbreedte 5,5 meter • eindvak bij doodlopende straat 0,30 meter breder

Gebiedsontsluitings wegen en busroutes • 2,4 meter diep • Op bedrijventerreinen 2,5 meter diep • 5,5 tot 6,0 meter lang • eerste en laatste vak 1 meter langer) • Beëindiging conform standaard 2 - niet toegestaan

34

Wegen 3. Materialisering wegdek Erftoegangswegen binnen bebouwde kom, 30 km/u

Erftoegangsweg en buiten bebouwde kom, 60 km/u Asfalt

Gebiedsontsluitingswegen, busroutes en bedrijventerreinen

Stroomwegen

Asfalt of beton

Asfalt

Asfalt

Asfalt of beton

n.v.t.

n.v.t., of evt. halfverharding n.v.t.

Betontegels grijs 30x30x6 cm Betonstraatstenen antraciet Lengtemarkering met T-vak aanduiding

n.v.t.

In parkeerstrook in lichtgrijze kleur betonstraatstenen

In parkeerstrook in lichtgrijze kleur betonstraatstenen.

n.v.t.

Kolken

Betontegels grijs 30x30x6 cm Gelijk aan rijbaan (halfsteensverband) Geen lengtemarkering evt. T-vak aanduiding. Detail 7 In parkeerstrook gebakken steen in kleur ‘grijs’ (of afwijkende kleur). Straatkolk

n.v.t.

Straatkolk

Banden

Gewassen beton

n.v.t.

Combikolk of bij parkeren straatkolk Gewassen beton; Naast vrij liggende fietspaden schuine fietspadbanden toepassen

Rijbaan (incl. goot)

Fietspaden, fietsstroken en fietsstraten Trottoir (incl. band) Parkeervakken Markering parkeervakken Uitritten

Gebakken klinkers dikformaat (keperverband, bruin genuanceerd) Asfalt

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

n.v.t.

Uitrit gebakken ‘grijze’ steen

T-markering parkeervakken

Fietspadband naast trottoir

35

Wegen 4. Maatvoering rijbaan, busroute, fietsvoorzieningen en trottoir Minimaal Optimaal Erftoegangsweg zonder 4,5 meter 5 meter verhoogd trottoir Erftoegangsweg éénrichting (niet op rijbaan parkeren) Erftoegangsweg tweerichtingen

3,5 meter

4 meter

4,5 meter

5 meter

Erftoegangsweg tweerichtingen (met haaks parkeren) Busroute Gebiedsontsluitingsweg (rijstrook)

5 meter

5,2 meter

5,5 meter 3 meter

6,0 meter 3,5 meter

Singel (rijstrook)

3,25 meter

3,5 meter

Rijbaan bedrijventerreinen Erftoegangswegen buiten bebouwde kom

6 meter

7 meter

3,5 meter

4,5 meter

Erftoegangswegen buiten bebouwde kom + fietssuggestiestroken Fiets(suggestie)strook #

3 meter rijloper met 2 x 1,25 meter suggestiestrook 1,75 meter

3 meter rijloper met 2 x 1,5 meter suggestiestrook 2 meter

Fietspad 1 richting #

2,5 meter

Afhankelijk van drukte 2,5 tot 3,0 meter

Fietspad 2 richtingen #

3,5 meter

4 meter

Trottoirs

1,2 meter

1,8 meter

Opmerkingen Als doodlopend: minimaal 5 meter, of 4,5 meter met keermogelijkheid aan het einde.

>2.500 motorvoer-tuigen per etmaal: maximaal 5,5 meter (excl. busroutes)

Bij een solitaire rijstrook (met midden’berm’) minimaal 3,2 meter Middenberm minimaal 3,0 meter, optimaal 7,0 meter

Minimaal 0,9 meter vlak tot sloot, waarvan 0,4 meter half verharde berm

Exclusief markering 0,10 meter breed Voorkeur: buffer van 0,5 meter tussen rij- en fietsstrook Bij parallel ligging een minimale berm van 1 meter, optimaal 2 meter Bij parallel ligging een minimale berm van 1 meter, optimaal 2 meter Exclusief band. Minimale vrije doorgangsruimte 0,90 meter bij puntvernauwingen (lichtmasten, verkeersborden) en 1,20 meter bij langere versmallingen

# obstakelvrije ruimte naast fietsvoorzieningen minimaal 0,5 meter

5. Bochtstralen (optimaal) Woonstraten Gebiedsontsluitingswegen Fietspaden (vrij liggend)

Bochtstraal optimaal R = 6 meter (afvaldiensten en hulpdiensten) R = 10 (12 meter bij veel bussen en vrachtwagens) R = 4 meter (bij onderlinge aansluitingen i.v.m. stabiliteit fietsers) en R=6 meter (bij vrije rechtsaf fietspaden t.b.v. strooiwagen)

6. Markering - Markering dient te zijn aangebracht conform CROW uitgave 207.

36

Wegen -

-

Nabij alle basisscholen dient op de belangrijkste wegen de tekst school(zone) aangebracht te worden. Bij voorrangssituaties binnen 30km/u-zones enkel haaientanden toepassen en bij 50km/u wegen dienen haaientanden en 1-1 strepen aangebracht te worden. Lengtemarkering tussen rijbaan en fiets(suggestie)strook wordt altijd aangebracht op de rijbaan. De breedte van de markering is op alle wegen 10 cm als bufferruimte tussen auto- en fietsverkeer.

Blokmarkering wordt aangebracht buiten de fietsvoorziening om het comfort van de fietsers zo hoog mogelijk te maken. Op plekken waar wegen een 2-richtingen fietsoversteek kruisen kan een dubbele pijl aangebracht worden op het fietspad (dit in overleg met de verkeerskundige). Op fietspaden buiten de bebouwde kom wordt aan weerszijden kantmarkering 1-1 (0,10) toegepast. Bij paaltjes in fietspaden dient een inleidende markering toegepast te worden conform detail 28. Markering op stoepranden of aan andere randen van de rijbaan, ter aanduiding van “niet rokenzones”, mag uitsluitend in een groene kleur worden aangebracht. In geen geval mag een kleur worden gebruikt die een verkeers-juridische betekenis heeft, zoals blauw of geel.

7. Werken met en in de buurt van verkeerslichten/VRI - Bij werkzaamheden binnen 100 meter van een verkeerslicht dient contact opgenomen te worden met de VRI regisseur. Werken aan of in de buurt van verkeerslichten kunnen grote gevolgen hebben voor de doorstroming. - De gemeente bepaalt welke kruispuntoplossing gekozen wordt. - De gemeente bepaalt de plaats en beheert (op gemeentelijke wegen) alle verkeerslichten. - De gemeente hanteert de landelijke richtlijnen, aangevuld met specifieke Enschede eisen (op te vragen bij de VRI-Regisseur). - Alle werkzaamheden aan verkeersregelinstallaties (op gemeentelijke wegen) moeten altijd in overleg met de VRI-Regisseur uitgevoerd worden. - Bij grotere werkzaamheden aan verkeerslichten dient rekening gehouden te worden met een doorlooptijd van ruim 6 maanden.

Werkzaamheden bij VRI

37

TOR openbare verlichting

Openbare verlichting

5. OPENBARE VERLICHTING A. Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de inrichtingseisen voor openbare verlichting in de openbaar toegankelijk verharde gebieden in eigendom van de gemeente Enschede. Verlichting voor semi openbaar gebied zoals grond in eigendom van derden, woningcorporaties, scholen, (gemeentelijke) verzamelgebouwen, Provincie en Rijk zijn hiervan uitgesloten. Documenthouder Wietse Dijkstra (technisch adviseur OVL), 06 - 10 22 00 78, w.dijkstra@enschede.nl Inhoudelijk Wietse Dijkstra (technisch adviseur OVL), 06 - 10 22 00 78, contactpersoon w.dijkstra@enschede.nl Opdrachtgever Petra Klein Breukink Versie 17-08-2022 Kader Wettelijk kader a. Wegenwet b. Burgerlijk Wetboek art 6:174 c. APV Enschede. d. Arbowet en bouwbesluit Landelijke richtlijn a. NPR 13201+A1 2018 b. CROW-Beeldkwaliteit Openbare ruimte (CROW); c. NEN-EN 40 d. NEN 1010 en 3140 e. Woon keur f. Politie keurmerk g. NSVV landelijke richtlijn lichthinder

Beleid Enschede a. Beleidsplan OVL 2022-2025

Omschrijving a. zorgplicht voor het waarborgen van de veiligheid van de weggebruiker, waaronder openbare verlichting. b. Aansprakelijkheid voor personen en zaken. c. Omgevingsvergunning o.a. spandraden. d. installatieverantwoordelijkheid a. Richtlijn voor openbare verlichting b. Toepassing Enschede: Raadsbesluit: Binnenstad niveau A, rest van de stad niveau B. c. Voor lichtmasten, o.a. voor constructie technische belastbaarheid. d. Normering elektrische installaties en persoonlijke veiligheid e. Hanteren van de 13201+A1 2018 f. Veilig wonen voor nieuwbouw. g. Richtlijn voor voorkomen van lichthinder van Nederlandse stichting voor verlichtingskunde, versie 2020 a. beleidsplan voor beheer en onderhoud van de openbare verlichting.

Proces - Inventarisatie van bestaande verlichting vanuit het beheersysteem en toetsing op technische levensduur en noodzakelijke vervanging. - Ontwerpvoorwaarden en materialen openbare verlichting voorafgaand aan planvorming opvragen bij de senior technisch adviseur openbare verlichting. - Inrichtingsplannen en aan te besteden bestekken openbare ruimte (VO en DO) voorzien van duidelijk symbolen en legenda met uitgebreide materiaalomschrijving en dimprotocol, altijd ter toetsing voorleggen aan de technisch adviseur. - Indien er tijdens het ontwerp of uitvoering gegronde redenen zijn om af te wijken van de TOR, 13201+A1 2018, materiaalkeuzes of optimale situering van de lichtmasten, dan kan dit alleen na schriftelijk akkoord van de technisch adviseur. - Door de technisch adviseur goedgekeurde afwijkingen met argumentatie opnemen in de Programma van Eisen, bestekken en de door de technische adviseur te accorderen plantekeningen. - Bij afwijkende materiaalkeuze of standaardontwerp dienen meerkosten voor aanleg, beheer, exploitatie, onderhoud en vervanging op voorhand door de aanvrager geregeld te zijn met de technisch adviseur. Uitgangspunten hierbij zijn de financiële dekking van de meerkosten voor: o lichtmasten gedurende 40 jaar, o armaturen gedurende 20 jaar, o extra onderhoud, beheer-, energie- en netwerkkosten.

38

Openbare verlichting - Bij elke wijziging tijdens de uitvoering op geaccordeerd plan, altijd voor de uitvoering overleggen met de technisch adviseur. Uitvoering kan alleen na schriftelijk akkoord. - Na gereedkomen werkzaamheden opleveren en overdragen met de technisch adviseur. De overdracht (in eigendom/beheer) heeft plaatsgevonden als de technisch adviseur de overdacht heeft afgestempeld.

B. Beleid Het huidig beleid voor de openbare verlichting is: niet verlichten, tenzij noodzakelijk. Het beleid is vooral gericht op: functioneel, veilig, standaardisering en duurzaamheid. Belangrijke speerpunten zijn energiebesparing, CO2-reductie en kostenbesparing. - Alleen verlichting plaatsen op openbare doorlopende verharde wegen, terreinen en nieuwe achterpaden in eigendom van de gemeente. - Particuliere en woningcorporatie terreinen en -gebouwen, groen- en recreatieve gebieden/paden (waaronder parken, speelplekken en sportparken en hondenrenvelden) alsook semiopenbaar terrein in eigendom van derden worden niet door de gemeente verlicht, beheerd en onderhouden. Dit is ook van toepassing voor semi openbare gemeentelijke terreinen rondom gemeentelijke gebouwen en terreinen Provinciale- en Rijkswegen en -paden. - Voor verlichtingsinstallatie op particulier terrein kan de technisch adviseur op aanvraag adviseren. - In het buitengebied geen nieuwe of aanvullende openbare verlichting. Als uitzondering wel bij zeer gevaarlijke kruispunten op de rijbaan, en de fietssnelwegen in zijn geheel verlichten (F35). - De openbare verlichting die in het buitengebied níet op gevaarlijke kruispunten staat is vanuit het beleid gezien overbodig, maar halen we niet actief weg. Bij vervanging beoordelen we of ’s nachts uitschakelen of dimmen, of het verwijderen van de verlichting een optie is.

Dit doen wij in overleg met de bewoners die in het desbetreffende gebied wonen. - Hoofdfietspaden buiten de bebouwde kom alleen bij hoge uitzondering de kruispunten verlichten. Fietssnelwegen dus wel helemaal verlichten. - Hoofdfietspaden binnen de bebouwde kom verlichten. Direct aangrenzende fietspaden mee verlichten door de rijbaanverlichting. - De gemeente plaatst, beheert en onderhoud géén decoratieve, aanstralende of sfeer- en feestverlichting, of (dynamische) verlichting die onderdeel is van een kunst- of reclameobject. Huidig aanwezige kunstobjecten worden gehandhaafd, maar niet uitgebreid. Decoratieve en reclameverlichting dient ‘s nacht (tussen 22:30 en 06:00 uur) uitgeschakeld te worden.

C. Inrichtingseisen Openbare verlichting 1. Nieuwe lichtontwerpen dienen opgesteld te worden conform - NPR13201+A1 2018. - Het lichtplan dient zo optimaal mogelijk ontworpen te worden, namelijk met zo weinig mogelijk materialen en obstakels in de openbare ruimte en de lichtmasten vanaf de rijbaan gezien ongehinderd door bomen en zo dicht mogelijk naar de as van de weg. - Voor het lichtniveau wordt de ondergrens van de benodigde lichtklassen aangehouden. - Om lichthinder zo veel mogelijk te voorkomen dient de richtlijn lichthinder aangehouden te worden van de NSVV, versie 2020. 2. Materiaal Lichtmasten - Dienen constructie technisch geschikt te zijn voor hun toepassing, waaronder het dragen van armaturen en eventueel extra verlichte reclameborden. - Klimaat neutrale aluminium lichtmasten in poedercoating met RAL-kleur 7021 (grijszwart). - Lichtmasten van 4, 6 of 8 meter voorzien van een volledig HDPE geïsoleerd grondstuk. - Lichtmasten van 6 en 8 meter voorzien van een enkele of dubbele uitlegger van 1,00 meter voorzien van een blindkoppeling. - ‘Bandit’ bevestigingsband voorzien van een rubber bescherming toepassen bij plaatsen van borden aan lichtmasten. Armaturen - Armaturen 4 meter lichtmasten (verblijfsgebied): dimbare ledarmaturen Townguide Classic Cone met Clear Bowl, BDP 102 1xled20 van Signify, in poedercoating met RAL-kleur 7021 (grijszwart).

Wijziging helderheid lichtkap kan alleen in overleg en met akkoord van de senior technisch adviseur. o Dimprotocol:

39

Openbare verlichting ▪

-

-

moment van inschakelen tot 22.30 uur standaard ondergrens van de benodigde lichtklasse, ▪ van 22.30 tot 06:00 uur ondergrens van 1 lichtklasse lager dan de benodigde lichtklasse, ▪ van 06.00 uur tot moment van uitschakelen standaard ondergrens van de benodigde lichtklasse. ▪ Woonstraten met maatwerk dimmen 20.30 tot 06.00 uur. Armaturen 6 en 8 meter lichtmasten: dimbare ledarmaturen Schreder Axia 1 GEN 2, in poedercoating RAL-kleur 7021 (grijszwart). o Dimprotocol: ▪ moment van inschakelen tot 22.30 uur standaard ondergrens van de benodigde lichtklasse, ▪ van 22.30 tot 06.00 uur ondergrens van 1 lichtklasse lager dan de benodigde lichtklasse, ▪ van 06.00 uur tot moment van uitschakelen standaard ondergrens van de benodigde lichtklasse. Schreder Axia-armaturen dienen met vlakke armatuurruit waterpas gemonteerd te worden.

Townguide Classic Cone met Clear Bowl

Schreder Axia 2.1

Led-lichtkleur - Led-lichtkleur in woon/verblijfsgebieden en ontsluitingswegen is 3000° Kelvin (830 warm wit). Lichtmaststicker - Lichtmaststickers: uv-bestendige retro reflecterend, conform eisen gemeente Enschede: - Stickerformaat in overleg met gegevensbeheerder openbare verlichting en voorzien van: o gemeentenaam en logo, o straatnaam, o lichtmastnummer, o unieke barcode. Elektriciteitskabel - 5 Aderig geel RTPR-snoer met een extra overlengte van 1 meter, voorzien van (AMP)aderhulzen. 3. Locatie/plaatsing lichtmasten - Lichtmasten dienen zo dicht mogelijk naar de as van de weg, of anders direct langs de rijbaan op het trottoir geplaatst te worden. - De lichtmasten dienen, vanuit de as van de rijbaan gezien, voor of tussen bomen en rijbaan geplaatst te worden, niet achter de lijn van de bomen. - Lichtmasten voor de openbare verlichting dienen zo veel mogelijk met andere objecten gecombineerd te worden zoals verkeersregelinstallaties en verlichtte wegwijzers. - Een lichtmast in het trottoir dient één volle tegel achter de trottoirband geplaatst te worden. Bij gazon in de eerste tegel naast het gazon; niet in het gazon. - Op verkeers- en ontsluitingswegen bij T-splitsingen lichtmast aan de overzijde, in de verlengde as van de weg plaatsen (in verblijfsgebieden met lage verkeerssnelheden is dit geen noodzaak).

- De eerste lichtmast dient direct rechts om de hoek achter de 1e rechte trottoirband geplaatst te worden; lichtmasten in de bochtstraal zijn niet toegestaan. - Minimale afstand tussen lichtmasten en bomen is 6.00 meter hart op hart. - Minimale afstand tussen lichtmasten en ondergrondse container is 10 meter. - Lichtmasten minimaal 1,00 meter plaatsen vanaf inritten. - Lichtmasten plaatsen op de grensbelijning tussen parkeervakken, zo nodig voorzien van aanrijdbeveiliging.

40

Openbare verlichting -

Lichtmasten tussen parkeervakken 50 cm van de rijbaan plaatsen en voorzien van voldoende en functionele aanrijdbeveiliging, of verhoogde trottoirband. Lichtmasten zo ver mogelijk van woningen af en niet voor ramen en gangen, maar op de lijn van scheidingsmuur of zijmuur van woningen plaatsen. Alleen armaturen tegen de kavelgrens particulier terrein of groenvakken mogen na schriftelijke akkoord van de technisch adviseur van afscherming voorzien worden mits dit eventueel achterliggend openbaar terrein niet verduisterd. Lichtmasten dienen vrij toegankelijk te zijn en met het service-deurtje tegen de rijrichting in geplaatst te worden. Hoogte zichtbare bovenrand van het grondstuk van de lichtmast dient in overeenstemming met voorschrift fabrikant te zijn (doch min. 15 cm boven maaiveld).

4. Spandraden Spandraden worden niet toegestaan of uitgebreid voor openbare (aanstralende) verlichting en feestverlichting. Binnen het stadserf kan door de senior technisch adviseur openbare verlichting bij aantoonbaar gebrek van ruimte voor lichtmasten, een schriftelijk uitzondering worden gemaakt. Hierbij dient: - minimale wettelijk toegestane onderdoor rijhoogte onderzijde van de armaturen gehanteerd te worden. - de aanvrager recht van opstal (volgens APV) te regelen met de pandeigenaar voor aanbrengen spandraden aan gevels van de panden. - RVS materialen voor de spandraden en gevelplaten toegepast te worden. - gevelplaten met 4 bouts-chemische ankers bevestigd te worden in de volle steen of beton. - gevelbevestigingen dienen minimaal een kracht van 50 kg te kunnen dragen. Dit dient door aanvrager middels een constructieberekening en niet destructieve Normec Rei-lux BV meting geregeld en aangetoond te worden. 5. Elektriciteitsnetten - Lichtmasten dienen op het geschakeld net (OV-net) van de lokale netbeheerder Enexis aangesloten te worden. De aansluitingen worden conform de voorwaarden van de netbeheerder uitgevoerd door Enexis geaccrediteerde monteurs/aannemers. - Het door netbeheerder Enexis beschikbaar gestelde geschakelde laagspanningsnet (OVnet) mag alleen voor de openbare verlichting gebruikt worden.

Andere objecten dienen middels het reguliere laagspanningsnet aangesloten te worden op naam van de aanvrager. - Indien er een absolute onderbouwde noodzaak bestaat tot toepassing van grondarmaturen, kan uitdrukkelijk pas na overleg en goedkeuring van de technisch adviseur, worden overgegaan tot toepassen van grondarmaturen en particuliere netten in eigendom van de gemeente Enschede. Deze netten dienen ontworpen, aangelegd en goedgekeurd te worden conform de NEN 1010. Investering- en onderhoudskosten dienen op voorhand vanuit het project geregeld te zijn. - Bij overdracht naar beheer dient een particulier net/installatie met schriftelijk keuringsrapport en herstelpunten goedgekeurd te zijn volgens: NEN 1010 en de NEN 3140.

41

TOR kabels en leidingen

Kabels en leidingen

6. KABELS EN LEIDINGEN A. Inleiding Aanleggen of verleggen van kabels en leidingen. Documenthouder Inhoudelijk contactpersoon Opdrachtgever Versie

Peter Bult (projectleider), 06 - 51 55 22 38, p.bult@enschede.nl Peter Bult (projectleider), 06 - 51 55 22 38, p.bult@enschede.nl Petra Klein Breukink 17-08-2022

Kader Wettelijk kader a. Telecommunicatiewet BWBR0009950 b. WIBON Landelijke richtlijn a. CROW 400 en 500 b. Klic c. VNG Richtlijnen tarieven. Beleid Enschede a. AVOI februari 2018 b. Verlegregeling Enschede 2019 c. MOOR-melding d. Instemmingsbesluit

Omschrijving a. Wet betreffende aanleg telecomkabels. b. Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse en Ondergrondse Netten. a. Uitvoeringseisen b. Verstrekking locatie kabels en leidingen door het Kadaster. c. Herstraattarieven aanleg telecomkabels a. Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren: voorwaarden voor het leggen en verleggen van kabels en leidingen. b. nadeelcompensatie bij het verleggen van kabels en leidingen. c. Aanvraag graafmelding in de openbare grond. d. Vereiste gemeentelijke vergunning voor de aanleg/verleggen van kabels en leidingen met een lengte van meer dan 10 meter.

Proces - Altijd vergunning aanvragen en een Moor melding maken. Zie Graven in de openbare ruimte | Gemeente Enschede. - Het verleggen van kabels en leidingen binnen de werkgrens en omwille van een gemeentelijk project altijd in samenwerking met de betreffende projectleider van Stadsingenieurs en Ontwerp Enschede voorbereiden en uitvoeren. - Indien bij verleggingen door grondroerders aanspraak wordt gemaakt op mogelijke schadevergoeding, dan is de Verlegregeling Enschede 2019 van toepassing. Tevens contact opnemen met Omgeving&Recht-Vergunnen, Postbus 20, 7500 AA Enschede i.v.m. de juridische afhandeling van dergelijke verzoeken. - Bij het werken aan kabels en leidingen in de bodem, dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd volgens de meest recente versie van de CROW 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ en CROW 500 'Schades voorkomen aan kabels en leidingen'.

B. Beleid Het beleid voor het omgaan met het leggen en verleggen van kabels en leidingen is omschreven in de AVOI en de Verlegregeling Enschede 2018 (zie a. en b. onder Beleid Enschede in de tabel). Het beleid is er op gericht om tegen zo min mogelijk kosten een hoogwaardig ondergrondse infrastructuur aan te kunnen leggen c.q. aan te laten leggen door grondroerders en te kunnen onderhouden.

C. Inrichtingseisen Kabels en leidingen 1.1. Algemeen - Voor het leggen van kabels en leidingen gelden twee standaard dwarsprofielen: o Standaard Grondig profiel o Standaard Grondig profiel gasloos met eventueel Warmtenet (11-07-2019). Zie hieronder de dwarsprofielen.

42

Kabels en leidingen Standaard Grondig profiel:

Standaard Grondig profiel gasloos met eventueel Warmtenet (11-07-2019

43

Kabels en leidingen

1.2 Kabels en leidingen bij bomen - Kabels/leidingen leggen bij bestaande bomen: uitgangspunt is dat er binnen de bestaande kroonprojectie geen kabels/leidingen gelegd mogen worden. Indien dat onmogelijk is dient altijd eerst contact opgenomen te worden met Stadsdeelbeheer voor nader overleg over oplossingsmogelijkheden en nadere eisen, zie volgende punt. - De minimale eisen voor leggen kabels/leidingen bij bestaande bomen zijn: de afstand tussen boom en kabels/leidingen dient minimaal te zijn: o bij stamdiameter kleiner dan 15 cm: minimaal 2,5 meter; o bij stamdiameter groter dan 15 cm: minimaal 3,5 meter. Indien dat niet mogelijk is moet worden geperst en/of boomboring, in overleg met de gemeente. - De minimale eisen voor plaatsen van een boom bij kabels/leidingen zijn: de afstand tussen boom en kabels/leidingen dient minimaal te zijn: o Indien voldoende ruimte, streven naar meer dan 2,5 meter afstand tussen zijkant leidingsleuf en hart boom, met voorkeur buiten de kroonprojectie; o bij afstand sleufzijkant tot hart boom van 2,5 tot 1,5 meter: er zijn geen beschermende maatregelen voor kabels en leidingen nodig; o bij afstand sleufzijkant tot hart boom van 1 tot 1,5 meter: er zijn wel beschermende maatregelen voor kabels en leidingen nodig.

Dit gebeurt in overleg tussen leidingeigenaar en gemeente (Stadsdeelbeheer/Adviseur K&L); o Bij afstand sleufzijkant tot hart boom van kleiner dan 1 meter: het is niet mogelijk om een boom te plaatsen. Indien de boom er toch moet komen dienen de kabels en leidingen verlegd te worden. E.e.a. n.a.v. NEN 1738 en NEN 1739, alsmede mededeling 25 van het studiecentrum verkeerstechniek.

Voorbeeld anti-wortelscherm

44

TOR groen

Groen

7. GROEN A. Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de inrichtingseisen voor openbaar groen in het algemeen, en specifiek voor bomen en prairiebeplanting. Objecten die in het openbaar groen voorkomen (zoals speel- en hondenvoorzieningen, obstakels en verhardingen) zijn in andere TOR-hoofdstukken beschreven. Documenthouder Inhoudelijk contactpersoon

Opdrachtgever Versie

Laura van Tongeren-Rooswinkel (groenontwerper), 06 – 20 60 21 07, l.vantongeren-rooswinkel@enschede.nl Algemeen: - Stadsdeelbeheer. - Groenontwerper. Wet natuurbescherming: - Ruimtelijk ontwikkelingsplannen: Ted Polman, 06 - 20 00 39 73, (t.polman@enschede.nl) en Bart ter Beek, 06 - 20 67 31 25, (b.t.beek@enschede.nl). - Beheer & onderhoud en kleinschalige quick-scans: Paul Oude Elferink, 06 20 01 91 54, p.oudeelferink@enschede.nl. Groen technische bestekeisen: - Paul Oude Elferink, 06 - 20 01 91 54, p.oudeelferink@enschede.nl. Directielevering plantmateriaal (SO-projecten): - Paul Oude Elferink, 06 - 20 01 91 54, p.oudeelferink@enschede.nl Beschermwaardige bomen: - Ben Noorman, b.noorman@enschede.nl Nicole Verzijl 17-08-2022

Kader Wettelijk kader a. Wegenwet. b. Wet natuurbescherming; Aanvullingswet Natuur Omgevingswet. c. Verordening Kwaliteit Leefomgeving (VKL)

Landelijke richtlijn a. Handboek bomen 2022, Boommonitor en bomenposters (Norminstituut bomen): b. Bomenposter ‘Werken rond bomen’. c. Bomenposter ‘Ontwerp’ Beleid Enschede a. Enschede 2030. b. Groenambitieplan “Enschede één groot groen park” (GAP) c. CROW-Beeldkwaliteit Openbare ruimte (CROW). d. Regels bomenbescherming als vertaald in de VKL en de Nadere regels bomenbescherming Enschede. e. Water en klimaatadaptatieplan (WeK)

Omschrijving inhoud a. Zorgplicht voor het waarborgen van de veiligheid van de weggebruiker. Daaronder vallen bijvoorbeeld zorgvuldig boombeheer in wegbermen en het aanliggende groen, bestrijding van ziekten en plagen, zoals eikenprocessierups. b. Bescherming van bijzondere plant- en diersoorten en beschermde gebieden. T.z.t. wordt dit verwerkt in de “Aanvullingswet natuur Omgevingswet” c. Omgevingsvergunning (o.a. kapaanvraag bomen). a. Kwaliteitseisen, richtlijnen en normen voor toepassen bomen. b. Gestandaardiseerde kwaliteitseisen, richtlijnen en normen die van toepassing zijn bij de uitvoering van werkzaamheden in, rond en met bomen.

a. Visiedocument, geeft inspiratie voor gewenste ruimtelijke ontwikkeling vanuit de Stedelijke koers. b. Groenbeleid Enschede zet in op kwalitatief vergroenen van Enschede door groen te beschermen, beter te benutten en te bouwen aan groen. c. Toepassing Enschede: Raadsbesluit: Binnenstad niveau A, rest van de stad niveau B. d. Regels rond de bescherming van bomen in Enschede. Incl. vergunningplicht, meldplicht en (checklist) bomen in projecten.www.enschede.nl/bomen.

45

Groen e. O.a. beleid om gericht te vergroenen t.b.v. verkoeling, waterberging, e.d. Proces - Inrichtingsplannen openbare ruimte (VO en DO) altijd voorleggen aan de betreffende groenontwerper en Stadsdeelbeheer-centraal via beheertoets. - Afwijkingen op de TOR met argumentatie opnemen in de Programma van Eisen (PvE). Bijlagen d. Alle selectie-eisen, technische, juridische en a. Kwaliteitscatalogus verzorging administratieve voorwaarden die de gemeente hanteert Enschede (gemeente Enschede). zijn opgenomen in het moederbestek met bijlagen. b. Plantwijs (gemeente Enschede). Beschikbaar zijn: c. Checklist bomen in projecten - Het moederbestek; (gemeente Enschede). - Handleiding voor het toepassen van het moederbestek; d. Moederbestek Groen technische - ‘Checklist bestekken Stadsingenieurs’, waarin de eisen; Op te vragen via afspraken worden vastgelegd. eenheid.aanbesteden@enschede.nl. De laatste versies kunt u opvragen door een mail te sturen aan eenheid.aanbesteden@enschede.nl

B. Beleid Het huidig beleid (Groenambitieplan) voor groeninrichting is vooral gericht op: Enschede als een groot groen park, met ruimte voor mens, plant en dier. Waarbij het prachtige groene landelijke gebied via unieke groene invalswegen, wiggen, (stads)parken, groene wijken en dorpen en een vergroende singel naadloos overgaat in een sterk vergroend centrum. Enschede (kwalitatief) vergroenen via drie (hoofd)principes: 1. BESCHERMEN: het bestaande groen en de natuur beschermen. Door bijvoorbeeld het groen goed te onderhouden en verzorgen. 2. BENUTTEN: het groen beter gebruiken (benutten) als bijvoorbeeld regenwater opvang, om de stad koel te houden in hete zomers of voor sporten, bewegen of als rust en stilteplek. 3. BOUWEN: groener bouwen door bijvoorbeeld groene daken en groene gevels en meer groen aanleggen bij nieuwbouw, natuurinclusief bouwen en verlaten terreinen (tijdelijk) vergroenen.

C. Inrichtingseisen GROEN 1. Groen algemeen 1.1 Inrichtingseisen algemeen - Hanteer de principes beschermen, benutten en bouwen vanuit het Groenambitieplan. - Als het groen kan, wordt het groen! Voorkom overbodige verharding. - Maak een inventarisatie van de bestaande beplanting, met minimaal de soort en vitaliteit, en voor bomen ook de stamomtrek en de kroondiameter. - Onderbouw voor de bestaande beplanting waarom deze wel of niet gehandhaafd wordt in het ontwerp. Uitgangspunt is altijd behoud van bestaand groen. - Onderzoek de uitgangssituatie: o Bodem: grondsoort, organisch gehalte, storende laag, bemestingsadvies; o Grondwaterstanden; o Externe factoren: zon/schaduw, wind, strooizout, uitlaatgassen, en boven- en ondergrondse beschikbare groeiruimte; o Gebruik van groen en omgeving (sociale veiligheid, spelen, routes, bedrijfsterrein, etc.). - Creëer robuust groen als onderdeel van een netwerk op buurt- of stadsniveau. Kleinschalig (snipper)groen voorkomen. (Grote gebruiksdruk, in verhouding grote randoppervlakte en daardoor moeilijk te beheren en te handhaven.)

46

Groen -

Lichttoetreding woningen niet belemmeren. Voorkom de uitbreiding van invasieve exoten, plantziektes en dierplagen Diversiteit in groen is uitgangspunt, zowel in soorten als in gecombineerde functies voor bijvoorbeeld wateropvang, spelen, ontspannen en natuur. Braakliggende terreinen benutten met tijdelijke groen, zoals bloemenmengsel of buurtmoestuin. Vergroenen van de stad – GAP-principe ‘Beschermen: Bestaand groen en -structuren behouden.

Inrichtingseisen locatie en functie De locatie en de functie is bepalend voor de groeninrichting. Per groenstructuur (zie groenstructuurkaart) zijn de kenmerken en inrichtingseisen aangegeven in een schema. Schema

Groenstructuur

Functies groen

Inrichten

Stad en land Wiggen/stadsrandzone

Natuur, recreatie dichtbij

Ecozones

Ecologische verbinding

robuust groen landschapselementen biodivers eigen karakter afh. van locatie wandel- en speelvoorzieningen Inheemse (doel-)soorten

Groene gebieden Parken

Sportparken

Groen rustpunt, gebruiksruimte, Educatie Afscherming, windkering, schaduw ecologie

Groene lijnen Singels/Ring Hoofdwegen met bomenlanen

Spoorlijn met beplanting

eigen identiteit per park behoud oorspronkelijk ontwerp bijzondere soorten groene randen van houtwallen en bomenrijen 'geen' stekels en vruchten

oriëntatie, cultuurhistorie

middenberm + dubbele rij bomen (verspringend)

oriëntatie, verbinden, ecologische vliegroutes

doorgaande boom beplanting, enkele of dubbele bomenrij, 1e of 2e orde, zout en uitlaatgas tolerant bosplantsoen, bomenrijen, gras Inheemse (doel-)soorten ruimte maken voor groen

Groenblauwe structuren

begeleidend migratie kleine dieren ecologische verbinding schaduw, bewegen beeld, klimaatbestendig

Buurt-, wijk- en dorpsgroen Centrum

beeld, schaduw, groen

bomen met goede groeiruimte, gevarieerd groen, groene oases

prettige woonomgeving, bewegen, ontspannen, ontmoeten uitstraling en leefbaarheid werklocaties

stenige plekken (kleinschalig) vergroenen (ecologische) vergroenen, ruimte voor opvang regenwater

ontmoeten, verbinden

versteende straten en pleintjes vergroenen

Groen netwerk wijken

Groen in woonwijken Bedrijventerreinen Groene dorpen

bijv. beek, verlaagde berm, wadi, vijver

47

Groen

Groenstructuurkaart

1.2 Maatvoering algemeen - Makkelijk en veilig bereikbaar voor mechanisch onderhoud (o.a. maaien bermen, boomonderhoud). - De afstand tussen de rand van het vak en de eerste rij planten is minimaal een halve breedte van de plantafstand (van die soort). Gras - Grasstrook minimaal obstakelvrije ruimte van 2,5 meter, als die niet naast een te berijden strook ligt. In verband met breedte maaimachine. - Grasstrook minimaal 1 - 1,5 meter breed als die wel ligt naast, of onderdeel is van, een obstakelvrije en berijdbare locatie. Heesters/bosplantsoen - Heestervak minimaal 2,5 meter breed. - Heestergroep minimaal 10 m2 groot. - Bosplantsoen met alleen (inheemse) struiken: minimale 5 meter breed. - Bosplantsoen met een combinatie van (inheemse) bomen en struiken: minimale 10 meter breed. - Houtwal periodiek teruggezet (soorten die in de directe omgeving voorkomen): minimaal 5 meter breed. - Hoge heesters: pas bij hoge heesters een randbeplanting toe van bijvoorbeeld robuuste vaste planten, zodat de rand mooi dicht groeit.

48

Groen

Opbouw (hak)houtwal Hagen - Aan beide zijden te bewerken: breedte min. 0,8 en max. 2 meter. - Slechts aan 1 zijde te bewerken: breedte min. 0,8 en max. 1 meter. - Lage haag: hoogte bij voorkeur max. 1,2 meter, i.v.m. werkhoogte snoeien.

Taxushaag 1.3 Sortiment/soortkeuze algemeen Maak altijd gebruik van de sortimentslijsten uit Plantwijs bij het bepalen van de plantsoorten. De sortimentslijsten zijn opgebouwd op basis van ervaring in Enschede en hebben de voorkeur. In overleg met Stadsdeelbeheer zijn ook andere soorten te gebruiken. Locatie afhankelijk - De plek in de stad bepaalt mede welk type beplanting er toegepast wordt. Zie schema groenstructuren onder 1.1. - Op locaties waar veel mensen komen (o.a. winkelcentra, parken, speelplekken) rekening houden met soorten die een allergische reactie kunnen veroorzaken of giftig zijn.

49

Groen Selectiecriteria o.b.v. eigenschappen - Selectiecriteria functie: o Verfraaiing: mooi om naar te kijken, maakt stenige stad zacht en vriendelijk; o Spelen/natuureducatie: robuust en uitdagend, gevarieerd t.b.v. bewustwording seizoenen, soorten herkennen, relatie tussen plant en dier, e.d.; o Verkeersgeleiding: versmallen straatprofiel, camoufleren afleidingen. o Ecologie: van nature voorkomend, doelsoorten, inheems, t.b.v. fauna, drachtplanten, schuil- en rustplekken. o Waterberging: houd rekening met droogte- en waterbestendige soorten - Selectiecriteria onderhoud: o Woekeren: Planten die woekeren niet toepassen. Dit zijn soorten die andere planten verdrukken, randen overgroeien of uitzaaien in de bestrating. o Mate van dichtgroeien: Soorten die het plantvak goed sluiten, tegen onkruidgroei. Planten met een open structuur alleen toepassen als solitair en altijd in combinatie met een bodembedekker. o Ziekten een plagen: Voorkomen door gevarieerd sortiment; Planten met grote kans op ziekten of plagen die tot ernstige schade of sterfte leidt niet of beperkt toepassen. o Beschikbaarheid (te leveren): Populaire en licentie gekweekte soorten zijn vaak beperkt leverbaar, ook bij inboet. o Vitaliteit/levensvatbaarheid: Soorten die na een paar jaar teruglopen in hun sierwaarde, omdat ze kaal worden, minder bloeien of verdwijnen (tulpen/bollen), alleen beperkt toepassen.

o Intensief onderhoud: Beplanting zoals vormbomen, klimplanten die geleid en gesnoeid moeten worden, of heesters met stekels waar veel zwerfvuil in blijft hangen, alleen toepassen in speciale situaties en in nauw overleg met Stadsdeelbeheer. o Bloemrijke mengsels: mengsel bepalen op basis van een grondonderzoek, in overleg met Paul Oude Elferink, en/of groenadviseur Stadsdeelbeheer en de leverancier. - Selectiecriteria beeld: o Kleur: kleur blad, takken, bloemen en vruchten. o Sfeer: uitstraling van de plant zoals rust, speels, strak, klassiek, contrast, harmonie, etc. o Hoogte o Seizoenen o Texturen: fijn of grof o Vormen of lijnen: groeiwijze horizontaal/verticaal, combinatie bloemvormen, etc. o Open / transparant / gesloten.

2. Bomen 2.1 Inrichtingseisen bomen Ontwerp - Ontwerpen conform ‘Handboek bomen’ en ‘Boommonitor’ van Norminstituut Bomen. Gemeente Enschede is licentiehouder. (Alle medewerkers kunnen inlog aanmaken.) - Maak een inventarisatie van de bestaande bomen, met minimaal de soort, vitaliteit, stamomtrek en de kroondiameter. - Onderbouw voor de bestaande beplanting waarom deze wel of niet gehandhaafd wordt in het ontwerp. - Vanuit het principe ‘beschermen’ willen we alle bomen zoveel mogelijk behouden. Volg de ‘regels bomenbescherming’ en de VKL voor kappen van bomen, zie www.enschede.nl/bomen-behouden. - Daar waar een boom vanuit noodzaak toch weg moet, moet er een boom met goede toekomstbestendige groeiplaatsomstandigheden voor terug komen (herplantplicht). Als het kan op dezelfde plek en anders in de (directe) omgeving. - In elk (ontwerp) projectplan dient een bomenparagraaf te zijn opgenomen over de te handhaven, te vellen en de te ver- of herplanten bomen. In de ‘Checklist bomen in projecten’ staan de onderdelen die minimaal in de bomenparagraaf worden beschreven (zie bijlage). - Bepaal het gewenste eindbeeld. Randvoorwaarden (richtwaarden) zie schema:

50

Groen

- Bomen op grondwaterprofiel bij gemiddeld grondwaterstand tot ca. 1,5 meter minus maaiveld. Groeiplaatsonderzoek en - inrichting - Voor bomen in verharding dient men een groeiplaatsonderzoek uit te voeren. De aspecten die onderzocht moeten worden zijn: o Profielopbouw: Boring voor bodemlagen (tot 2 meter onder maaiveld). o Bodemkwaliteit: Fysieke kwaliteit (granulair), chemische kwaliteit, bodemleven. o Waterhuishouding: Grondwaterstanden, inzicht in fluctuaties (GHG en GLG). o Obstakels ondergronds: (t.b.v. bewortelbare ruimte) Kabels en leidingen, funderingen. o Obstakels bovengronds: Verharding, gevels, lichtmasten, bestaande bomen. o Externe invloeden: zoutbelasting, hemelwateraanvoer, aanrijschade, windbelasting. - Groeiplaatsinrichting. Op basis van het onderzoek dient een voorstel gemaakt te worden hoe de groeiplaats ingericht wordt. De volgende aspecten zijn hiervan belang: doorwortelbare ruimte, grondvlak, grootte boomspiegel, plantgatmengsel, eventueel drainage- of bewateringssysteem. Overige inrichtingseisen zoals beluchting, gietrand en boompalen zie standaarddetail Detail 35-36. - Plantgatmengsel bepalen aan de hand van de verkeersbelasting op de verharding (zie bomenmonitor). Richtlijn hierbij is: bomenzand toepassen bij lichte verkeersbelasting zoals voetpaden. Bomengranulaat toepassen bij zware verkeersbelasting zoals parkeerplaatsen en rijbaan.

Het type gesteente bepalen aan de hand van boomsoort, grondwaterstand, etc. Boomkratten toepassen als er weinig ruimte beschikbaar is voor een ondergrondse groeiplaats. Weergave op ontwerp - De boomkroon van nieuwe bomen weergeven in volwassen staat, c.q. eindbeeld. - Van de bestaande bomen zowel de huidige kroon als de eindbeeld kroon aangeven. Uitvoeringseisen - Werk conform de checklist bomen in projecten. - Te handhaven bestaande bomen dienen goed beschermd te worden tijdens de bouw volgens de regels van de bomenposter ‘Werken rond bomen’. 2.2 Maatvoering bomen - De afstand tussen standplaats en gevel moet minimaal 0,6 x kroondoorsnede van de geplande boomsoort op volwassen leeftijd zijn. - In beginsel dient een boom minimaal 2 meter uit de erfgrens te zijn geplaatst (art. 5:42 BW). Wanneer deze richtafstand niet mogelijk is, kan de gemeente als beheerder hiervan afwijken (Gorssel bomen-arrest). Afwijken van de richtafstand gebeurt altijd in overleg met Stadsdeelbeheer. - Bomen bij voorkeur achter de lichtmasten plaatsen, niet er voor. - Minimale afstand tussen lichtmasten en bomen is 6.00 meter hart op hart. - Laanbomen: min. maat 18-20 (met kluit); let op specifieke eisen n.a.v. herplantplicht.

2.3 Afstand bomen en kabels en leidingen - Kabels/leidingen leggen bij bestaande bomen: uitgangspunt is dat er binnen de bestaande kroonprojectie geen kabels/leidingen gelegd mogen worden. Indien dat onmogelijk is dient altijd eerst contact opgenomen te worden met Stadsdeelbeheer voor nader overleg over oplossingsmogelijkheden en nadere eisen, zie volgende punt. - De minimale eisen voor leggen kabels/leidingen bij bestaande bomen zijn: de afstand tussen boom en kabels/leidingen dient minimaal te zijn: o bij stamdiameter kleiner dan 15 cm: minimaal 2,5 meter;

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=fe595757-2986-4365-bc96-7aeb908936b5