CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Wallenbeekweg 22

Raadsvergadering 27 september 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Wallenbeekweg 2222.177 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 3.4: overzicht te kappen en handhaven bomen (b ron: Van der Linde Architecten)

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

25

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Beschrijving plan

Het nieuwe woonhuis aan de Wallenbeekweg bevindt zich ten noordoosten van Enschede. Het perceel ligt op de overgang van hoog naar laag gebied en van lemige bodem naar zandgebied, op een kamp. Het bos gaat hier over naar het oude hoevenlandschap. Op de landschapstypenkaart behorend bij de Gids Buitenkans, is de locatie gelegen op de overgang van het Oude Hoevenlandschap, boslandschap en buitenplaatsen. Op historische kaarten wordt de plek vermeld als boerenerf ‘Het Walenbeek’ dat tussen 1475 en 1601 gesticht is. Het boerenerf ligt op een centraal punt waar meerdere wegen samen komen. De woning maakt onderdeel uit van het nieuwe landgoed Wallenbeek. Dit landgoed komt tot stand door gebruik te maken van de rood voor rood regeling uit de Gids Buitenkans. Het landgoed bestaat uit 3 landgoedkavels waarbij initiatiefnemer de meest noordelijke kavel gaat ontwikkelen. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op de plek van de voormalige schuren van het eerder aanwezige agrarische bedrijf. Het landgoed is opgebouwd in 3 delen: het bos in combinatie met een nieuwe woning, het open veld en een tweede stuk bos met een ven. De woning is bewust met de noord-oostzijde tegen het bestaande bos geplaatst, zodat het volume van de woning wordt opgenomen in het groen en vanuit het landschap goed is ingepast en niet te dominant aanwezig is.

De woning wordt iets gedraaid op het perceel gezet om zicht op het veld te krijgen en de relatie met het landgoed aan te gaan. De nieuwe woning wordt zodanig gebouwd dat deze weinig opvalt en dat deze samen met de nieuw aan te leggen landschappelijke tuin opgaat in de aanwezige bosachtige achtergrond. Achter de woning wordt een verdiepte vallei aangelegd waar onder meer het terras en het zwembad worden gesitueerd. Er ontstaat zo een beschutte plek en vanuit de omgeving wordt het zicht op het terras en zwembad ontnomen. In het open veld wordt een nieuwe poel gerealiseerd. Dit betreft een historische plek waar ook in het verleden een poel gelegen was De nieuwe inrit wordt op de plek van de oude inrit gelegd.

26

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

Afbeelding 4.1: toekomstige inrichting Wallenbeekweg 22 (bron: buro Poelmans Reesink) Het bestaande bos bestaat hoofdzakelijk uit eiken. In dat verband is er voor gekozen om de aanwezige groep met vijf beuken te kappen (afbeelding 3.4). Deze bomen zijn ook zwakker qua gezondheid. Door de kap van de beuken krijgen de bestaande eiken alle ruimte om verder te groeien en ontstaat een doorkijk richting het veld.Er worden verschillende inheemse bomen en heesters geplant en de bestaande haag wordt verlengd. In bijlage 1 van de regels en in afbeelding 4.1 zijn de inrichtingsmaatregelen weergegeven. Gebiedsanalyse vergroting b ouwvolume In het kader van de gewenste verruiming van de bouwmogelijkheden is een gebiedsanalyse verricht naar het passend zijn van een grootte van de woning van 1500 m3. Hiervoor is gekeken naar de bouwvolumes in de omgeving van het plangebied aan de Wallenbeekweg. De conclusie van het onderzoek is dat in de omgeving boerenerven, landhuizen en villa’s aanwezig zijn en dat een volumineuzere bebouwing dan de reguliere inhoudsmaat van maximaal 750 m3 past bij het karakter van het gebied. De analyse is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Parkeren Volgens de Nota parkeernormen Enschede 2017 dienen twee parkeerplaatsen op eigen terrein te worden aangelegd. Op het erf is hier voldoende ruimte voor en het bouwplan voorziet hierin.

Sloop schuren De grotere inhoud van de woning aan de Wallenbeekweg wordt mogelijk gemaakt door elders landschapsontsierende schuren te slopen. Er worden landschapsontsierende schuren gesloopt op het perceel Helmerstraat 410 en Kersdijk 155. Helmerstraat 410 In het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuidoost-wijziging 2' is onderstaande opgenomen ten aanzien van de sloop van schuren: De sloop van de schuren zal plaats moeten vinden binnen 3 jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van voorliggend wijzigingsplan. Deze termijn is opgenomen in de planregels als een voorwaardelijke verplichting voor het geb ruik van het erf ten behoeve van reguliere bewoning. De te slopen schuren kunnen nog wel worden ingezet in (b ijvoorb eeld) een rood voor rood-procedure ten behoeve van (nieuw)bouw op een locatie elders in de gemeente. Indien dat gebeurt, zal met de gemeente een 'Rood voor Rood-overeenkomst' gesloten moeten worden (door B&W goedgekeurd) waarin de sloopschuren zijn opgenomen. Het slopen van schuren voordat de daaropvolgende b ijbehorende bestemmingsplanprocedure volledig is afgerond, is op eigen risico. bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

27

De sloop van de schuren worden inderdaad nu ingezet ten behoeve van rood voor rood (tezamen met de sloop van de schuur aan de Kersdijk 155) en hiermee de bouw van een grotere woning aan de Wallenbeekweg mogelijk te maken. De schuren met nummer 5, 7, 9 en 10 (zie afbeelding 4.2) zijn inmiddels gesloopt, conform afspraak. Deze schuren hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 643 m2. Enkele schuren, die als landschapsontsierend zijn aangemerkt, worden zodanig gerenoveerd dat deze niet meer als landschapsontsierend aan te merken zijn. Dit betreft de schuren 4 en 6 in afbeelding 4.2. Vanuit de Gids Buitenkans geldt bij rood voor rood de voorwaarde dat alle landschapsontsierende bebouwing op een erf gesloopt dient te worden. Vanuit initiatiefnemer is gevraagd om de schuren 4 en 6 zodanig op te knappen dat deze niet meer als landschapsontsierend hoeven te worden aangemerkt.

Afbeelding 4.2: te slopen schuren en te renoveren schuren Helmerstraat 410 De voorgestelde wijze van aanpassing van de schuren is beoordeeld. De kapschuur (nummer 4) wordt bekleed met houten planken in een donkere kleur. Daarnaast worden er witten boeiplanken gebruikt en wordt een pannendak gelegd met dezelfde pannen als op het woonhuis (zie afbeelding 4.3). In afbeelding 4.4 is een sfeerimpressie te zien van de bekleding van de kapschuur met houten delen.

28

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

Afbeelding 4.3: voorb eeld stijl kapschuur

Afbeelding 4.4: impressie b ekleding kapschuur met houten delen De garage (nummer 6) heeft een dak met asbesthoudende golfplaten. Dit pannendak wordt vervangen door een pannendak passend bij de boerderij. Daarnaast worden de boeiplanken vervangen en worden de kozijnen en (garage)deuren opgeknapt. Door de sloop van de verschillende schuren (5, 7, 9 en 10) en het laten staan van de garage wordt bijgedragen aan een omsloten erf. Kersdijk 155 Op deze locatie, kadastraal bekend gemeente Lonneker sectie AA nummer 3596, wordt een voormalige ligboxenstal en een gedeelte van een andere schuur gesloopt. In afbeelding 4.5 is de te slopen bebouwing (met gele kleur) weergegeven.

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

29

Afbeelding 4.5: te slopen b eb ouwing Kersdijk 155 (met gele belijning) Deze te slopen bebouwing is beoordeeld en als landschapsontsierend aangemerkt. Het betreft een oppervlakte van 525 m2 landschapsontsierende schuren. Hiervan wordt circa 320 m2 ingezet voor onderhavige rood voor rood. In totaal wordt middels de sloop op beide locaties circa 963 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Hiermee wordt ruim voldaan aan het uitgangspunt van de Gids Buitenkans dat aangeeft dat sloop van minimaal 850 m2 landschapsontsierende bebouwing vereist is om de bouw van een woning (van maximaal 750 m3) mogelijk te maken. In dit geval wordt de sloop ingezet om een grotere woning 1500 m3 -in plaats van een inhoud van 750 m3- toe te staan.

4.2

Ladder Duurzame Verstedelijking (artikel 3.1.6, 2e lid Bro)

Artikel 3.1.6, 2e tot en met 4e lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een stedelijke ontwikkeling die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt in de toelichting moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Wanneer een bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet in de toelichting tevens worden gemotiveerd waarom in die behoefte niet kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij iedere 'stedelijke ontwikkeling', waaronder iedere ontwikkeling van detailhandelsvloeroppervlak, moet inzichtelijk worden gemaakt of er, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. Dit wordt de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' genoemd. Deze zogenoemde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen en schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor. De 'Ladder' is alleen van toepassing als er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als 'stedelijke ontwikkeling' te kunnen worden aangemerkt.

Daarvan zal in beginsel geen sprake zijn indien het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt. Dit kan anders zijn indien het bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime in een vanuit ruimtelijk oogpunt ingrijpende nieuwe planologische functiewijziging voorziet. 30

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

Wanneer de 'stedelijke ontwikkeling' die een bestemmingsplan mogelijk maakt alleen betrekking heeft op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, heeft het onderzoek naar de behoefte slechts tot doel om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

'Stedelijke ontwikkeling' Onder 'stedelijke ontwikkeling' wordt in het Bro (art. 1.1.1, 1e lid onder i) verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of in een bestemmingsplan sprake is van een of meer stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in het Bro is niet altijd even duidelijk. Dit dient per plan te worden getoetst en gemotiveerd. In de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie uitspraken 201310814/1/R1 en 201311211/1/R3, is inmiddels de lijn te ontdekken dat wanneer er sprake is van bestaande bebouwing en geen toename van het ruimtebeslag, er in dat geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Ook bij nieuwbouw hoeft volgens de jurisprudentie, zie uitspraak 201310222/1/R6, niet altijd sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een feitelijke capaciteitsafname doordat er minder commercieel vloeroppervlak wordt teruggebouwd dan er is afgebroken. Ook een op grond van het voorgaande plan reeds mogelijke maar nog niet gerealiseerde ontwikkeling hoeft niet altijd een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro te zijn.

Dit is onder meer het geval wanneer er geen sprake is van toename maar wel van concentratie van de bebouwingsmogelijkheden. Ook wanneer er sprake is van 'saldering' (verplaatsing van een stedelijke ontwikkeling, zonder netto extra (planologisch) ruimtebeslag of waarbij bebouwing wordt gereduceerd, zoals de 'Ruimte voor Ruimte' regelingen) is er meestal geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. In de uitspraak 201608869/1/R3 geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzicht op hoofdlijnen van alle relevante aspecten waar aan moet worden getoetst om te bepalen of sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro en zo ja, welke eisen er worden gesteld aan de beschrijving van de behoefte aan de betreffende stedelijke ontwikkeling.

'Stedelijke ontwikkeling' en het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" In het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" wordt de vergroting van een woning mogelijk gemaakt middels toepassing van rood voor rood (sloop schuren). Onderstaand wordt nagegaan of daarbij sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Ter plaatse is op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuidoost' reeds een woning (met maximale inhoud van 750 m3) toegestaan. Middels dit bestemmingsplan wordt geen extra woning, maar een grotere inhoud woning toegestaan (1500 m3). Uit jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling indien er 12 of meer woningen worden gerealiseerd. In dit geval kan vastgesteld worden dat er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat betreft de behoefte aan de woning geldt dat initiatiefnemer de wens heeft om een grotere woning te realiseren en hiervoor de benodigde ruimtelijke investeringen middels een rood voor rood project (sloop van landschapsontsierende bebouwing elders en inpassing ontwikkeling) wenst te doen.

4.3

Cultuurhistorie in relatie tot nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Archeologie Op grond van de archeologische beleidskaart valt de locatie Wallenbeekweg 22 binnen 'onderzoeksgebied A'. Archeologisch onderzoek in deze gebieden is noodzakelijk wanneer de verstoorde oppervlakte groter is dan 250 m2 en dieper dan 50 cm. Een deel van het planlocatie is in het verleden onderzocht. Het betreft het onderzoek “BO en IVO, karterend onderzoek Wallebeek 20 te Enschede” uitgevoerd door Synthegra d.d. 21 juni 2012. Het onderzoek is vanuit gemeentewege beoordeeld en akkoord bevonden. Het onderzochte plangebied is vervolgens vrij gegeven. Het erf nabij Wallenbeekweg 22 valt gedeeltelijk binnen het reeds onderzochte en vrijgegeven gebied. Het

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

31

overige deel heeft een danig kleine oppervlakte dat onderzoek niet noodzakelijk is. Voor wat betreft de percelen Helmerstraat 410 en Kersdijk 155 is het niet vereist om nader in te gaan op archeologie. Het betreft de sloop van bebouwing waarbij de bodem reeds verstoord is ter plaatse.

Monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Wat betreft de Helmerstraat 410 zorgt de sloop van de landschapsontsierende bebouwing en het opknappen van landschapsontsierende bebouwing voor een kwalitatieve verbetering van het erf. Daarmee draagt het bij aan de versterking van de monumentale waarde van het erf. De bouwlocatie aan de Wallenbeekweg is gelegen in de nabijheid van de bestaande (woon)boerderij Wallenbeekweg 20. Deze heeft geen monumentale status en is daarnaast niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

4.4

Welstand en beeldkwaliteit

In de Welstandsnota "Bouwen aan identiteit" is aangegeven aan welke welstandseisen bouwwlannen moeten worden getoetst. Daartoe zijn in de Welstandsnota voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede welstandsidentiteiten opgenomen. Voor het plangebied van het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" geldt / gelden de welstandsidentiteit 'boerenerf, oude eserven'. Binnen deze identiteit geldt onder meer dat gebouwen in samenhang met de erfbeplanting een passend silhouet in het landelijk gebied vormen. Het erf moet uit een ensemble van losse, informeel geschikte bouwvolumes bestaan die samen een 'familie' vormen door overeenkomst in bouwstijl of kenmerkende details. Volumes moeten enkelvoudig en rechthoekig zijn met een, bij voorkeur geknikt, zadeldak en lage goot. Het bouwplan is reeds voor vooroverleg getoetst aan de geldende welstandseisen. Het plan is akkoord bevonden.

4.5

Duurzaamheid

Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Voor 2015 werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was toen nog geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.5.1

Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid

In het Actieplan duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:

32

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

Energie Eigen organisatie Verhogen van het op eigen grondgebied Zelf het goede voorbeeld geven. opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie. Biodiversiteit Behoud en versterken van de verscheidenheid aan dier- en plantsoorten in de leefomgeving

Groene groei Groei van de economie zonder dat dit nadelig is voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit.

Circulaire economie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door afvalpreventie en het beter scheiden van restafval.

Klimaatadaptatie Negatieve gevolgen die gepaard gaan met klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten.

Duurzame mobiliteit Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer en stimuleren van het gebruik van elektrische auto's.

WEconomy Bewoners in Enschede dragen in collectief verband actief bij aan een of meer van de duurzame doelstellingen.

Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden', 'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal.

Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag.

Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken.

Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen.

Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.). Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente.

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

33

4.5.2

Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt aan de hand van het Actieplan Duurzaamheid bekeken in hoeverre het bestemmingsplan kan bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke duurzaamheidsambities.

Algemeen Bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling zal, afhankelijk van de opgave en de locatie, bezien moeten worden welke duurzame energiebronnen aangeboord worden. Dit kan er toe leiden dat in het ene geval ingezet wordt op een zongerichte verkaveling, terwijl in het andere geval gekoerst wordt op het gebruik van bodem- en/of windenergie, dan wel aansluiting op het warmtenet. Ook de aanpassing aan de klimaatverandering is in hoge mate een ruimtelijk vraagstuk. Meer warme zomers en een toenemende kans op extreme weersituaties vragen bij een verdere ontwikkeling van de stad om het vergroten van afvoer- en absorptievermogen in stedelijke watersystemen en het voorkomen van 'hitte-eilanden' en hittestress.

Energie: Voor het realiseren van veel energie besparende maatregelen of voorzieningen in, aan of op gebouwen, zoals isolatie van vloer, muren of dak, het plaatsen van zonnepanelen of een zonnecollector op het dak, is geen omgevingsvergunning vereist. Voor warmte-koude opslag en bodemenergiesystemen is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Voor nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de energieprestatienormen uit het Bouwbesluit. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor bijvoorbeeld het realiseren van windturbines of zonneparken en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Initiatiefnemer is de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen aan het onderzoeken. Daarnaast is de intentie om energieneutraal te zijn.

Klimaatadaptatie: Voor het realiseren van relatief eenvoudige klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen als groene dakbedekking op gebouwen en het in de bodem infiltreren van hemelwater is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het vrij houden van bebouwing van overloopgebieden (bij overstroming), het vrij houden van bebouwing langs beken of van lage plekken die natuurlijke waterbergingen vormen, het ophogen van gronden of het realiseren van bouwwerken ter voorkoming van overstromingen en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.

Circulaire economie: Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen en bedrijven voor de verwerking van afval.

Biodiversiteit: Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren.

Overige actiepunten:

34

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet of hooguit indirect van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

35

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.

5.1

Milieu

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. In dit hoofdstuk wordt in principe alleen ingegaan op het perceel Wallenbeekweg 22 omdat daar de ontwikkeling plaatsvindt. Op de andere twee percelen wordt alleen bebouwing gesloopt. Deze hoeven dan ook niet aan alle aspecten getoetst te worden. Als deze percelen bij een bepaald onderwerp toch getoetst worden, dan wordt dat specifiek aangegeven.

5.1.1

Milieueffectrapportage

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 5. 6. 7. 8.

het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.

Toetsing bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" aan het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22' heeft tot doel een woning van 1500 m3 mogelijk te maken (op een locatie waar reeds een woning is toegestaan) Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit / project als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r. beoordeling dient te worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven.

36

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

5.1.2

Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen in het buitengebied Milieuhinder van bestaande bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied voor woningen in het plangebied Op het perceel Wallenbeekweg wordt een woning met bijgebouwen gerealiseerd. Op grond van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zuidoost' is ter plaatse reeds een woonbestemming toegekend en een woning toegestaan. Onderliggend bestemmingsplan maakt een grotere woning mogelijk (maximaal 1500 m3 in plaats van 750 m3). Het bouwvlak, waarbinnen de woning gerealiseerd mag worden, komt ietwat oostelijker te liggen dan opgenomen in het geldende bestemmingsplan. In een straal van 100 meter rondom het plangebied zijn met name woningen aanwezig. Op circa 200 meter is een agrarisch bouwperceel (Bonekampweg 40) gelegen. Dit betreft een melkrundveehouderij.

Er geldt specifieke wetgeving in dit geval, de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Op grond van de Wgv bedraagt de richtafstand van dit soort bedrijven tot gevoelige objecten zoals woningen 50 meter. Deze afstand wordt ruimschoots behaald. Voor het overige zijn er geen milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig die nader beschouwd dienen te worden. Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.3

Bodemkwaliteit

Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.

Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" Het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat een woning vergroot kan worden naar 1500 m3. De locatie is wat historische bedrijfsmatige activiteiten betreft onverdacht en de bestemming van de locatie wijzigt niet. Er is geen bodemonderzoek nodig in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Opgemerkt wordt dat voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor bouwen, mogelijk nog wel een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 zal moeten worden uitgevoerd. Dan dient deze ook aangevuld te worden met een asbestbodemonderzoek volgens NEN 5707, gezien de mogelijke aanwezigheid van asbest. Op de asbestsignaleringskaart van de gemeente Enschede staat de locatie aangemerkt als 'grote kans' op asbest.

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

37

Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.1.4

Wet geluidhinder

In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen en/of de transformatie van bestaande panden naar wonen of een andere geluidgevoelige functie mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en terreinen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het ook noodzakelijk zijn dat akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is.

Wegverkeerslawaai In het plangebied is reeds woonbebebouwing toegestaan. Onderliggend bestemmingsplan maakt een grotere inhoud woning en oppervlakte bijbehorende bouwwerken mogelijk. De verkeersintensiteit op de Wallenbeekweg en omliggende wegen van het plangebied is dusdanig laag dat deze intensiteit niet is opgenomen in het verkeersmodel van de gemeente Enschede. Dit betekent dat de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai gering is en aangenomen kan worden dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" is niet gelegen aan of in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder vanwege railverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven. Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" is niet gelegen in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het bestemmingsplan "Wallenbeekweg 22" niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder vanwege industrielawaai kan daarom achterwege blijven.

Conclusie Wet geluidhinder Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.5

Luchtverkeerslawaai

Het wettelijke kader met betrekking tot luchtverkeerslawaai is geregeld in de Wet luchtvaart en specifiek de wijzigingswet Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML). De consequenties met betrekking tot het geluid als gevolg van vliegverkeer zijn vastgelegd in het Luchthavenbesluit, dat op 1 maart 2017 door gedeputeerde staten van Overijssel is vastgesteld en op 30 maart 2017 in werking is getreden. Het plangebied van het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” is niet gelegen in de nabijheid van het vliegveld Twente en is ook niet gelegen binnen de geluidszone van het vliegveld. Een nadere toetsing aan het Luchthavenbesluit vanwege luchtverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven Conclusie Luchtverkeerslawaai Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat luchtverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 38

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

5.1.6

Luchtkwaliteit

Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d. e.

er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.

Luchtkwaliteit en het plangebied “Wallenbeekweg 22” Het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat een grotere woning ter plaatse wordt toegestaan evenals een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is als 'niet in betekenende mate' aan te merken. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 woningen als niet in betekenende mate zijn aan te merken. De realisatie van het plan is daarmee zonder meer een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2019 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2018, 2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Daarnaast is geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Een nadere beschouwing hierop is niet vereist. Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.7

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.

Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden.

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

39

De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) zijn het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi en/of het BRZO van toepassing is. Bovendien wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen in dit bestemmingsplan expliciet uitgesloten. Een nadere toetsing aan het Bevi en/of het BRZO kan daarmee achterwege blijven. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Landgoed Wallenbeek” zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Op ruim 400 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding (N-528-51/N-528-57) van de Gasunie gelegen die onder Bevb valt. Het betreft een 8” hogedruk aardgasleiding met een werkdruk van 40 bar. De leiding kent geen 10 -6 contour voor wat betreft het plaatsgebonden risico en heeft een inventarisatieafstand van 95 meter. Het plan heeft derhalve geen invloed op het groepsrisico ten gevolge van de leiding.

De ligging van deze aardgasleiding vormt op grond van het BevB geen belemmering voor onderhavig plan. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is recentelijk nieuwe wet- en regelgeving in werking getreden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van deze nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg. Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Een nadere toetsing aan het Basisnet Weg kan daarmee achterwege blijven. Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Een nadere toetsing aan het Basisnet Water kan daarmee achterwege blijven.

Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Een nadere toetsing aan het Basisnet Spoor kan daarmee achterwege blijven. Gebruik van luchthavens De aanwezigheid van vliegvelden en grote luchthavens in de omgeving is van belang in het kader van de externe veiligheid omdat de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld of luchthaven groter is dan elders. Een luchtvaartongeval is daar dus te voorzien en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Een vliegtuig of helikopter kan overal neerstorten, de gevolgen kunnen dus in beginsel op elke plek optreden. Het risico is echter het grootst nabij een vliegveld of luchthaven, vooral bij het opstijgen en landen. Het plangebied van het bestemmingsplan “Landgoed Wallenbeek” is hemelsbreed op ca. 4 kilometer van het (voormalige) vliegveld Twente gelegen. Dit betekent dat de kans op een luchtvaartongeluk in het plangebied (zeer) klein is. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering

40

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buiten. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet op doelmatige wijze mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied tenminste 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak.

In het buitengebied en bij uitbreiding van bebouwd oppervlak in bestaand stedelijk gebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Om een goede en doelmatige afvoer naar voorzieningen in de openbare ruimte te kunnen garanderen hanteert het waterschap Vechtstromen een maximum norm van 2,4 liter per seconde per hectare. Alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om op eigen terrein op doelmatige wijze hemelwater te bergen kan dit (deels) in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken.

Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht.

Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.

Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

41

geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik

Ontwatering (m – GHG)

Primaire wegen

0,7

Secundaire wegen en erfontsluitingswegen

0,5

Bouwwerken met kruipruimten

0,7

Bouwwerken zonder kruipruimten

0,5

Groen

0,5

De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren.

Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.

Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Wallenbeekweg 22” Toename verhard oppervlak Het plan leidt tot een toename van het verharde oppervlak op de locatie van de te realiseren woning met bijbehorende bouwwerken. Deze bestaat uit het dak van de nieuwe woning en bijgebouwen alsmede de toegangsweg naar deze gebouwen en terrassen bij de gebouwen. Het aanliggende eigen terrein (nu voornamelijk bosperceel) blijft onveranderd. Hemelwaterafvoer Door de toename van verhard oppervlak wordt er meer water afgevoerd dan in de huidige situatie. Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhard terreinoppervlak mag niet op de riolering worden aangesloten (zie het onderdeel afvalwater). Er dient een tijdelijke waterberging te worden gerealiseerd ter grootte van 40 mm neerslag gerekend over het nieuw te realiseren verhard oppervlak (dus verhard terreinoppervlak en daken). De nieuwe inrichting van het gebied is zodanig dat er in ruime mate mogelijkheden zijn voor het laten afstromen van het regenwater naar de aan te leggen poel en/of het realiseren van wadi's of greppels. Hierdoor kan een groot deel van het regenwater in dit systeem worden geborgen. Tijdens de afstroming over het maaiveld vindt infiltratie van het regenwater plaats.

Lediging van wadi's en greppels moet plaatsvinden via infiltratie in de bodem omdat er geen oppervlaktewater in de buurt is waarnaar het water (vertraagd) kan worden afgevoerd. Infiltratie lijkt mogelijk, maar precieze informatie ontbreekt voor deze locatie. Afvalwaterafvoer De vuilwaterafvoer van de nieuwe woning kan worden aangesloten op de bestaande drukriolering. Vanwege de beperkte afvoercapaciteit van dit type systeem, mag hier geen regenwater op worden aangesloten. Oppervlaktewater Er is geen oppervlaktewater in de directe nabijheid aanwezig. Wel wordt in het kader van de nieuwbouw een poel gerealiseerd waar in het verleden ook een poel lag. Deze poel staat niet in verbinding met ander oppervlaktewater. Grondwater, ontwatering en afwatering De hoogste grondwaterstand bevindt zich enkele meters onder maaiveld. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste ontwateringsdiepte. Het nieuwe vloerpeil moet voldoen aan de eisen zoals vermeld onder het kopje 'afwatering'.

42

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3

Natuur

5.3.1

Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.

Beschermde natuurgebieden en het plangebied “Wallenbeekweg 22” Het plangebied "Wallenbeekweg 22" ligt ten zuidwesten van Lonneker en ten noordoosten van de wijk Stokhorst in het noordoostelijke buitengebied van Enschede. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Dinkelland' op ca. 3,1 kilometer ten oosten van het plangebied. Om de woning aan de Wallenbeekweg 22 te mogen vergroten wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt aan de Helmerstraat 410 en de Kersdijk 155 in Enschede. De slooplocatie Kersdijk 155 is gelegen op ca. 1 kilometer van het dichtstbijzijnde natura 2000-gebied 'Aamsveen'. De slooplocatie Helmerstraat 410 is gelegen op ca. 3 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Buurserzand & Haaksbergerveen'. De voor deze gebieden aangewezen habitattypen en habitats van soorten zijn allen gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en zoals hierboven beschreven, op enige afstand van Natura 2000-gebied. Als gevolg van voorgenomen activiteiten binnen het Natuurnetwerk Nederland, worden geen wezenlijke kenmerken of waarden van het Natuurnetwerk Nederland aangetast. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden.

Om te kunnen bepalen of er sprake is van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied, is een stikstofberekening benodigd. Er is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, zie verderop in deze paragraaf. Andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie Eventuele negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kunnen op voorhand worden uitgesloten. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura-2000 gebied. Voor andere verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kan een nadere toetsing aan hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming achterwege blijven. Stikstofdepositie In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is door Ad Fontem een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase (sloop aan de Kersdijk 155 en Helmerstraat 410 en bouw aan de Wallenbeekweg 22) en de gebruiksfase (woning Wallenbeekweg 22) bepaald.

De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "AERIUS Calculator 2020 stikstofberekening Wallenbeekweg 22, Kersdijk 155 en Helmerstraat 410 Enschede; projectnummer

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

43

20AF143; d.d. 15 januari 2021". Het rapport is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Conclusie Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft beschermde natuurgebieden op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.2

Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten

In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.

Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.

Beschermde soorten en het plangebied “Wallenbeekweg 22” Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om op een bestaand erf een nieuwe woning met een inhoud van 1500 m3 te realiseren, alsmede extra bijbehorende bouwwerken. Om te bepalen of de realisatie van deze ontwikkeling(en) mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de functionele leefomgeving en/of de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is door Natuurbank Overijssel een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan) uitgevoerd. Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de onderzoeksrapportage (project 3099 versie 1.0, d.d. 9 februari 2021) blijkt samengevat het volgende: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats en bezet een amfibie er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en er nestelen geen vogels.

Als gevolg van het bouwrijp maken van de bouwplaats en het verbeteren van de bosweg, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties. Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van planten- en diersoorten

44

bestemmingsplan Wallenbeekw eg 22 (vastgesteld)

op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald. Het NNN en het plangebied “Wallenbeekweg 22” Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=9b2785e3-cb72-4329-a262-f42e34532bc7