toelichting bestemmingsplan Haverkampweg 157
Tekst van het document
Op deze locatie wordt een woning van maximaal 750 m3 en 100 m2 bijbehorende bouwwerken mogelijk gemaakt. In het plangebied aan de Haverkampweg is sprake van bestaande schuren/bebouwing, die wordt afgebroken. Ter plaatse van de Hogeveldweg 111 is de bestemmingsregeling reeds aangepast naar een woonbestemming. Hierdoor is het opnieuw bouwen van bedrijfsgebouwen niet mogelijk. Op het perceel zijn een woning en bijgebouw aanwezig. Voor beide erven is een erfinrichtingsplan opgesteld. Bij de landschappelijke uitwerking is rekening gehouden met de aanwezige landschapstypen en geldende landschapsansichten zoals deze in de Gids Buitenkans 2014 genoemd staan. De uitvoering en instandhouding van de erfinrichting is als een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Op deze wijze is uitvoering en instandhouding daarvan gewaarborgd. Met de uitvoering van deze plannen worden de landschappelijke en ecologische kwaliteit in het buitengebied verbeterd. Natuurkansenkaart Volgens de Natuurkansenkaart liggen er in het gebied kansen om gericht te investeren en een leefgebied te maken voor de boomkikker en de kamsalamander. Inrichtingsmaatregelen voor deze soorten kunnen zijn: takkenril, ruigte en/of struweel, graslandrand, haag, houtsingel, poel en een afwisselende bosrand.
Het plan zorgt voor de invulling van het beleid van de Natuurkansenkaart door inrichtingsmaatregelen te nemen in het kader van de boomkikker en kamsalamander.
22
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Hoofdstuk 3
3.1
Gebiedsbeschrijving
Ruimtelijke structuur
Haverkampweg 155/157 Haverkampweg 1555/157 is gelegen ten zuiden van Glanerbrug, in de stadsrand en aansluitend aan de ecozone Derkinksmaten, dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal natuurnetwerk Nederland. De ecozone betreft een gebied met hoge natuurlijke waarden en is onder meer een leefgebied voor de boomkikker en kamsalamander. Er is sprake van ligging in een veldontginning, met een rationele verkavelingsstructuur met rechte landschappelijke lijnen.
Afbeelding 3.1: ligging locaties in landschap, koesteransichten Gids Buitenkans In afbeelding 3.2 is de opbouw van het landschap op de locatie Haverkampweg 155/157 weergegeven (rode ovaal betreft het plangebied). In afbeelding 3.1 zijn de locaties weergegeven binnen de koesteransichten van de Gids Buitenkans. Deze koesteransichten geven de belangrijkste kenmerken van de twee landschapstypen weer, op welke wijze nieuwe ontwikkelingen hier binnen passen en er worden randvoorwaarden gegeven voor nieuwe ontwikkelingen. Het koesteransicht veldontginningslandschap is als bijlage bij de regels gevoegd.
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
23
Afbeelding 3.2: Landschapsanalyse locatie Haverkampweg met rationeel landschap, ecozone met corridor en stapstenen ten oosten van het plangebied en beplanting op rationele perceelsgrenzen (bron: Eelerwoude). De percelen aan de Haverkampweg worden omkaderd door groen. Dit betreffen vooral ook uitheemse soorten/ niet passende soorten zoals sparren. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een poel. Het grondwater ligt ondiep en komt soms tot het maaiveld. In uiterste zuidwesthoek van het perceel ligt een hogedrukaardgasleiding. Hogeveldweg 111 Hogeveldweg 111 is eveneens gelegen in een veldontginningslandschap. Vanaf de Hogeveldweg loopt een laan naar het erf. Vanuit het ansicht veldontginning wordt ingezet op versterking van de rechte structuren en een goede erfbeplanting.
3.2
Functionele structuur
Het perceel Haverkampweg 157 kent op dit moment een agrarisch gebruik (hobbymatig houden van paarden) waarbij er ook sprake is van teelt van kerstdennen. Er staan enkele bouwwerken op het perceel. Op het perceel Haverkampweg 155 is een paardenstal aanwezig. De percelen hebben een gezamenlijke toegang vanaf de Haverkampweg.
24
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Afbeelding 3.2: toegang percelen vanaf de Haverkampweg De Hogeveldweg 111 betreft een woonhuis met vrijstaand bijgebouw. Het perceel heeft op dit moment al een woonbestemming. In het verleden is de landschapsontsierende bebouwing op het perceel (oppervlakte van 911 m2, die wordt ingezet als ruimtelijke kwaliteitsinvestering voor dit plan, reeds gesloopt. Dit perceel is in dit bestemmingsplan opgenomen om te waarborgen dat uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen op deze locatie gewaarborgd kan worden (middels het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels).
3.3
Cultuurhistorie
Historie en ontstaansgeschiedenis plangebied Het landschap toont haar geschiedenis. Het is het resultaat van de wisselwerking tussen natuurlijke gesteldheid en menselijk handelen. Als gevolg van de veel lagere dynamiek in het buitengebied zijn veel historische waarden behouden gebleven. Bepalend voor Enschede is de ligging op de stuwwal van Oldenzaal. Op de stuwwal ontspringen veel beken die in oostelijke richting naar de Dinkel en in westelijke richting naar de Regge stromen. Door de ligging op en tegen de stuwwal, zit er veel hoogteverschil in het landschap. Daarnaast komen er slecht doorlatende bodemlagen vlak onder de oppervlakte voor. Beide factoren dragen bij aan een diversiteit in milieuomstandigheden: hoog, laag, droog, nat. Deze omstandigheden bepaalden tot laat in de negentiende eeuw de ontginningsmogelijkheden en staan zo nog steeds aan de basis van het landschap zoals wij dat nu kennen. Aan het eind van de 19e eeuw kwam er na honderden jaren plaggenbemesting een verandering in het landbouwsysteem. Er kwam kunstmest op de markt, waardoor het bemesten met plaggen niet meer nodig was.Voorheen hadden de marke-gerechtigden het gebruiksrecht op de woeste gronden die aan hun landbouwpercelen grensden (voor afplagging en beweiding). Deze rechten werden losgelaten waardoor de gronden konden worden vrijgegeven. Veel rijke stedelingen hadden belangstelling voor die gronden.
Zij zagen ze als een goede investering van hun (textiel)winsten en konden zo een buitenplaats of landgoed realiseren. Deze liggen verspreid en vaak op korte afstand rond de stad. Elke buitenplaats heeft zijn eigen stijl van (park)aanleg. Ook beplantten veel grondeigenaren hun percelen met naaldhout ten behoeve van de houtproductie. Na het rooien van de bomen op een aantal percelen werden de gronden geschikt gemaakt voor akkerbouw en beweiding. De grote ontginningen kwamen pas na een nieuwe modernisering in de agrarische sector, waardoor het mogelijk werd grotere oppervlakten grond mechanisch te ontginnen. Hierdoor trad zowel een bedrijfsmatige als een ruimtelijke schaalvergroting op. Het huidige landschapsbeeld van de gemeente is erg afwisselend. Dat komt door de hoogteverschillen, de afwisseling van regelmatige en onregelmatige wegen- en kavelpatronen en door de afwisseling van open en besloten gebieden. Delen van de grote karakteristieke essen zijn verdwenen door de uitbreidingen van de stad, zoals de Noorder Esch. Ook de beplanting heeft veel veranderingen ondergaan. Zo is veel beplanting verdwenen, bijvoorbeeld in de omgeving van Lonneker. Doorr nieuwe beplanting op de ontginningsgronden is ook juist een zekere verdichting van het landschap opgetreden, bijvoorbeeld in de Zuid Eschmarke.
Monumenten of cultuurhistorisch waardevollen elementen en structuren in het plangebied bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
25
Er zijn geen monumenten in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Ook zijn er gee cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren en bouwwerken zonder monumentstatus in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig.
Beschermwaardige bomen in het plangebied In het plangebied van het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" zijn op beide locaties geen beschermwaardige bomen aanwezig. De bescherming van bomen is geregeld in de Verordening kwaliteit leefomgeving (Vkl). Op de bij deze verordening behorende bomenoverzicht zijn de beschermde bomen en boomgroepen weergegeven, voor het vellen waarvan in ieder geval een omgevingsvergunning (kapvergunning) op grond van de Vkl vereist is. Op het bomenoverzicht zijn niet alle beschermde bomen weergegeven. Ook de gemeentelijke bomen die niet op het bomenoverzicht zijn weergegeven zijn beschermd op grond van de Vkl. Het bij de Vkl behorende bomenoverzicht is een interactieve bomenkaart die is te raadplegen op de website van de gemeente Enschede. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Bescherming vindt plaats op basis van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 4 houtopstanden). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprojecten wordt in bestemmingsplannen zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige beschermwaardige bomen door bouwgrenzen en infrastructurele werken, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, zodanig te situeren dat daardoor de maximale kroonprojectie van de bomen niet of zo min mogelijk wordt beperkt.
26
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Omschrijving plan Haverkampweg 157 en Hogeveldweg 111
Hogeveldweg 111 Op het perceel Haverkampweg 157 wordt een nieuwe woning van maximaal 750 m3 en een bijbehorend bouwwerk van maximaal 100 m2 mogelijk gemaakt. Deze bouwmogelijkheid ontstaat door de inzet van sloop van landschapsontsierende bebouwing aan de Hogeveldweg 111 in Enschede. 911 m2 is ter plaatse reeds gesloopt. In afbeelding 4.1 is de situatie weergegeven waarop de landschapsontsierende bebouwing nog aanwezig was.
Afbeelding 4.1: luchtfoto Hogeveldweg 111 uit 2005 Het perceel Hogeveldweg 111 is net zoals het perceel Haverkampweg 157 in de nabijheid nabij van de stedelijke bebouwing gelegen (op circa 500 meter). Het erf heeft op grond van het geldende bestemmingsplan 'Buitenbied Zuidoost' een woonbestemming. In het kader van de gewenste landschappelijke inpassing van het erf en directe omgeving is deze locatie opgenomen in dit bestemmingsplan en krijgt het een passende bestemmingsregeling. Door het uitvoeren van landschapsmaatregelen, het planten van opgaande beplanting, krijgt het erf een meer passende, groenere uitstraling. Deze heeft tevens een ecologische meerwaarde. De volgende maatregelen zijn genomen: 1. De completering van de bomenrij met in totaal zeven bomen versterkt de landschappelijke beleving van de toegangsweg naar het erf. 2. Bij de bestaande woning wordt een representatieve en groene nieuwe fruitgaard aangelegd (0,08 ha). 3. De cultuurhistorisch waardevolle perceelgrens wordt door middel van een nieuwe singel/bosstrook (0,07 ha) versterkt. 4. Het bosperceel aan de zuidzijde van het erf (0,3 ha). De nieuwe erfinrichting aan de Hogeveldweg 111 en directe omgeving is weergegeven in afbeelding 4.2 en 4.3
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
27
Afbeelding 4.2: nieuwe situatie Hogeveldweg 111 (bron: Eelerwoude)
Afbeelding 4.3: aangepaste situatie Hogeveldweg 111
Haverkampweg 157 In afbeelding 4.4 is de toekomstige inrichting voor het perceel Haverkampweg 155/157 weergegeven. Op dit perceel wordt een nieuwe woning en bijgebouwen gerealiseerd, ingepast in het landschap. Een bestaande paardenstal
28
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
wordt gesloopt en de aanduiding 'schuur' wordt verwijderd. Daarnaast vervalt door dit bestemmingsplan de mogelijkheid tot bomenteelt. Daarnaast zal een nog te bouwen paardenstal waarvoor in het verleden een bouwvergunning verleend is, niet meer worden gebouwd op de locatie waarvoor deze vergund is. Op deze locatie wordt een gedeelte van de nieuwe landschapsinrichting uitgevoerd. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een woning tot maximaal 750 m3 mogelijk, met daarnaast bijbehorend bouwwerken tot maximaal 100 m2 (conform de bouwregels voor woonpercelen in het buitengebied). Hiervoor wordt een bouwvlak met de bestemming 'Wonen' opgenomen.
Afbeelding 4.4: toekomstige inrichting Haverkampweg 157 (bron: Eelerwoude.nl) Het erf is gesitueerd op de overgang van twee half transparante ruimtes met strakke randen bestaande uit om te vormen bestaande singels. Het erf wordt op een gebiedseigen manier verankerd in het landschap door middel van een kleine laan vanaf de Haverkampweg naar het woonhuis. Daar passen solitaire bomen aan de randen van het erf en de bebouwing landschappelijk in. Het woonerf wordt langs de westkant begrensd met een landschappelijke haag als representatieve zijde van het erf. Verder wordt het erf aangevuld met een karakteristieke erfboom met sierwaarde, zoals een paardenkastanje, linde of noot. De siertuin is gelegen in de directe nabijheid van de bebouwing en kent een natuurlijke groene rand als geleidelijke overgang naar de open ruimte van de weide. Dit wordt bewerkstelligd door middel van hagen, de nabijheid van struweel in het omliggende gebied en nieuwe bomen. De inrit is gelegen ter plaatse van de huidige ingang van het perceel. Het erf wordt ontsloten met een laan in halfverharding. De aan te zetten toegangslaan en erfbeplanting versterken de relatie tussen het huis en de Haverkampweg. De beplanting vormt de schakel tussen het landschap en de woning. Hierdoor wordt meer potentieel geschikt leefgebied en hogere biodiversiteit gerealiseerd.
Dit vindt plaats door de bestaande singels (veelal sparren) om te vormen naar inheems loofhout met divers sortiment passend op de ondergrond. Eiken worden geplant als boomvormers met toevoeging van een gemengd bosplantsoen: lijsterbes, zachte berk, vuilboom, krent, gewone vogelkers, en appelbes. De rijkere bomenlaag en ondergroei heeft een ecologische meerwaarde. Volgens de Natuurkansenkaart van de gemeente liggen er in het gebied kansen om gericht te investeren en een leefgebied te maken voor de boomkikker en de kamsalamander. Inrichtingsmaatregelen voor deze soorten kunnen zijn: takkenril, ruigte en/of struweel, graslandrand, haag, houtsingel, poel en een afwisselende bosrand. Hiermee is in de planopzet rekening gehouden. Er worden extensieve, natuurlijke weides gerealiseerd. Hierbij wordt ingezet op verruiging met ecologische meerwaarde. Om deze weide in een ‘pioniersstadium’ te houden wordt deze extensief beheerd door middel van bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
29
begrazing. De inrichting van de weide versterkt de ecologische corridor voor de zeldzame boomkikker. Er zal sprake zijn van extensief beheer, waardoor de biodiversiteit vergroot wordt. Insecten en ambifieen, kleine zoogdieren hebben een plek in deze biotoop. Er wordt aan de oostzijde van het plangebied twee poelen gerealiseerd, aansluitend op een bestaande poel. De realisatie van de poelen vindt plaats in het lage gedeelte van het plangebied. Hiermee wordt een extra stapsteen voor de boomkikker gerealiseerd. De noordzijde van de poelen heeft een flauw talud, waar ruigte kan ontstaan en een ideale plek voor de boomkikker ontstaat. Als geleidend element zullen wallen van de vrijgekomen grond met stobben uit de singels bijdragen aan het ecologisch functioneren van de poelen. Door het planten van enkele solitaire bomen (inheems) krijgt de inrichting van het erf ook een ecologische meerwaarde. Op de overgang van erf naar landschap komen vier zomereiken te staan. Ten zuidwesten van de woning komt een erfboom voor schaduwwerking. Op het kadastrale perceel AA 714 rust een herplantverplichting van in totaal 0.8 hectare. Deze herplantverplichting is afkomstig vanuit de provincie. De verplichting wordt gedeeltelijk (0.35 ha) op een ander, naastgelegen, perceel gerealiseerd. De overige 0.45 ha wordt op perceel AA 714 gerealiseerd (aanduiding 'boscompensatie' in afbeelding 4.4).
Tenslotte zal een bedrag van 25.000 euro in het Landschapsfonds van de gemeente Enschede worden gestort. Met de gedane ruimtelijke investeringen en de storting in het landschapsfonds zijn de opbrengsten en investeringen in evenwicht. De bijbehorende bedragen zijn opgenomen in het ontwikkelplan dat in de bijlage is opgenomen. Verkeer en parkeren Het mogelijk maken van een woning met bijgebouwen brengt zeer geringe extra verkeersbewegingen op de Haverkampweg en omliggende wegen met zich mee. Dit geeft geen belemmeringen voor uitvoering van dit bestemmingsplan. Volgens de Nota parkeernormen Enschede 2017 dienen twee parkeerplaatsen op eigen terrein te worden aangelegd. Op het erf is hier voldoende ruimte voor.
4.2
Ladder Duurzame Verstedelijking (artikel 3.1.6, 2e lid Bro)
Artikel 3.1.6, 2e tot en met 4e lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een stedelijke ontwikkeling die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt in de toelichting moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Wanneer een bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet in de toelichting tevens worden gemotiveerd waarom in die behoefte niet kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij iedere 'stedelijke ontwikkeling', waaronder iedere ontwikkeling van detailhandelsvloeroppervlak, moet inzichtelijk worden gemaakt of er, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. Dit wordt de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' genoemd. Deze zogenoemde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen en schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor. De 'Ladder' is alleen van toepassing als er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als 'stedelijke ontwikkeling' te kunnen worden aangemerkt.
Daarvan zal in beginsel geen sprake zijn indien het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt. Dit kan anders zijn indien het bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime in een vanuit ruimtelijk oogpunt ingrijpende nieuwe planologische functiewijziging voorziet. Wanneer de 'stedelijke ontwikkeling' die een bestemmingsplan mogelijk maakt alleen betrekking heeft op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, heeft het onderzoek naar de behoefte slechts tot doel om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
'stedelijke ontwikkeling' Onder 'stedelijke ontwikkeling' wordt in het Bro (art. 1.1.1, 1e lid onder i) verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of in een bestemmingsplan sprake is van een of meer stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in het Bro is niet altijd even duidelijk. Dit dient per plan te worden getoetst en gemotiveerd. In de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie uitspraken 201310814/1/R1 en 201311211/1/R3, is inmiddels de lijn te ontdekken dat wanneer er sprake is van bestaande bebouwing en geen toename van het ruimtebeslag, er in dat geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. Ook bij nieuwbouw hoeft volgens de jurisprudentie, zie uitspraak 201310222/1/R6, niet altijd sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld
30
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
in het Bro. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een feitelijke capaciteitsafname doordat er minder commercieel vloeroppervlak wordt teruggebouwd dan er is afgebroken. Ook een op grond van het voorgaande plan reeds mogelijke maar nog niet gerealiseerde ontwikkeling hoeft niet altijd een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro te zijn. Dit is onder meer het geval wanneer er geen sprake is van toename maar wel van concentratie van de bebouwingsmogelijkheden. Ook wanneer er sprake is van 'saldering' (verplaatsing van een stedelijke ontwikkeling, zonder netto extra (planologisch) ruimtebeslag of waarbij bebouwing wordt gereduceerd, zoals de 'Ruimte voor Ruimte' regelingen) is er meestal geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro. In de uitspraak 201608869/1/R3 geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzicht op hoofdlijnen van alle relevante aspecten waar aan moet worden getoetst om te bepalen of sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het Bro en zo ja, welke eisen er worden gesteld aan de beschrijving van de behoefte aan de betreffende stedelijke ontwikkeling.
'Stedelijke ontwikkeling' en het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" In het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" wordt de sloop van landschapsontsierende bebouwing, de realisatie van een nieuwe woning en de landschappelijke ingrepen voor beide locaties vastgelegd. Er is sprake van de toevoeging van één woning. Conform vaste jurisprudentie is het toevoegen van één woning niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. Een nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet vereist.
4.3
Cultuurhistorie in relatie tot nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
In paragraaf 3.2 is ingegaan op de cultuurhistorische aspecten. Alleen het aspect archeologie is relevant. Wat betreft archeologie geldt dat in het bestemmingsplan Buitengebied Zuidoost het plangebied Haverkampweg 57 is aangemerkt als 'archeologisch onderzoeksgebied B'. In de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat bij een verstoring van 5000 m2 of meer onderzoek noodzakelijk is. De bodemverstoring die zal plaatsvinden door de ontwikkeling betreft de bouw van een woning en de realisatie van twee poelen. Gezien de te verwachten verstoring in relatie tot de archeologische waarde van het plangebied is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ook wanneer er geen onderzoek hoeft te worden uitgevoerd betekent dit niet dat er geen archeologie kan worden aangetroffen. Op grond van de Erfgoedwet geldt de meldplicht voor toevalsvondsten. Als tijdens het uitvoeren van graafwerkzaamheden een archeologische vondst wordt gedaan, geldt volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet, een meldingsplicht bij het bevoegd gezag.
4.4
Welstand en beeldkwaliteit
In de Welstandsnota "Bouwen aan identiteit" is aangegeven aan welke welstandseisen bouwwlannen moeten worden getoetst. Daartoe zijn in de Welstandsnota voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede welstandsidentiteiten opgenomen. Voor het plangebied van het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" geldtde welstandsidentiteit 'vrije landelijke bebouwing, nieuw landschap'. Voor deze identiteit geldt -op hoofdlijnen- dat bij nieuwbouw de landschappelijke bijdrage van huis/gebouw en tuin als geheel wordt getoetst en wordt daarbij gekeken naar de locatie, de positie en oriëntatie van gebouw en tuin. De stadsbouwmeester toetst of de architectuur inspeelt op de landschappelijke situatie en of materiaalgebruik en kleuren harmoniëren met de omgeving. Een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ook aan de specifieke criteria van de identiteit getoetst.
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
31
4.5
Duurzaamheid
Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Voor 2015 werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was toen nog geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.5.1
Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid
In het Actieplan duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:
Energie Verhogen van het op eigen grondgebied opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie.
Eigen organisatie Zelf het goede voorbeeld geven.
Biodiversiteit Groene groei Behoud en versterken van de verscheidenheid aan Groei van de economie zonder dat dit nadelig is dier- en plantsoorten in de leefomgeving voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit. Circulaire economie Klimaatadaptatie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door Negatieve gevolgen die gepaard gaan met afvalpreventie en het beter scheiden van restafval. klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten. Duurzame mobiliteit WEconomy Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal Bewoners in Enschede dragen in collectief aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik verband actief bij aan een of meer van de van het openbaar vervoer en stimuleren van het duurzame gebruik van elektrische auto's. doelstellingen.
Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden', 'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal.
Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag.
Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de
32
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken.
Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen.
Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.). Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente. 4.5.2
Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan
In deze paragraaf wordt aan de hand van het Actieplan Duurzaamheid bekeken in hoeverre het bestemmingsplan kan bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke duurzaamheidsambities.
Algemeen Bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling zal, afhankelijk van de opgave en de locatie, bezien moeten worden welke duurzame energiebronnen aangeboord worden. Dit kan er toe leiden dat in het ene geval ingezet wordt op een zongerichte verkaveling, terwijl in het andere geval gekoerst wordt op het gebruik van bodem- en/of windenergie, dan wel aansluiting op het warmtenet. Ook de aanpassing aan de klimaatverandering is in hoge mate een ruimtelijk vraagstuk. Meer warme zomers en een toenemende kans op extreme weersituaties vragen bij een verdere ontwikkeling van de stad om het vergroten van afvoer- en absorptievermogen in stedelijke watersystemen en het voorkomen van 'hitte-eilanden' en hittestress.
Energie: Voor het realiseren van veel energie besparende maatregelen of voorzieningen in, aan of op gebouwen, zoals isolatie van vloer, muren of dak, het plaatsen van zonnepanelen of een zonnecollector op het dak, is geen omgevingsvergunning vereist. Voor warmte-koude opslag en bodemenergiesystemen is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Voor nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de energieprestatienormen uit het Bouwbesluit. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor bijvoorbeeld het realiseren van windturbines of zonneparken en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Klimaatadaptatie: Voor het realiseren van relatief eenvoudige klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen als groene dakbedekking op gebouwen en het in de bodem infiltreren van hemelwater is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het vrij houden van bebouwing van overloopgebieden (bij overstroming), het vrij houden van bebouwing langs beken of van lage plekken die natuurlijke waterbergingen vormen, het ophogen van gronden of het realiseren van bouwwerken ter voorkoming van overstromingen en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Circulaire economie: Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen en bedrijven voor de verwerking van afval.
Biodiversiteit: Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
33
in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren.
Overige actiepunten: Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet of hooguit indirect van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Toetsing van het plan De uitvoering van het plan draagt bij aan het behouden en versterken van de biodiversiteit in het buitengebied en draagt op deze wijze bij aan duurzaamheid. Daarnaast zijn de mogelijkheden uit het bestemmingsplan 'buitengebied-zonnepanelen' in dit bestemmingsplan opgenomen.
34
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.
5.1
Milieu
In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. 5.1.1
Milieueffectrapportage
Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. 2. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; 3. m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; 4.
vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen. Toetsing bestemmingsplan "Haverkampweg 157" aan het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan "Haverkampweg 157' heeft tot doel een nieuwe woning mogelijk te maken op het perceel Haverkampweg 157. Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit / project als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r. beoordeling dient te worden uitgevoerd. Gezien de ligging van het project en dat er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling met beperkte impact op de omgeving kan een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. dan ook achterwege blijven.
5.1.2
Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen in een rustige omgeving Milieuhinder van bestaande bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied voor de woning in het plangebied In de omgeving van de locatie van de nieuwe woning zijn enkele bedrijfsactiviteiten aanwezig. Deze zijn nader beoordeeld. Aan de Haverkampweg 175 is Hondenvereniging Glanerbrug gevestigd. Dit betreft een hondendressuurterrein (categorie 3.1, VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). Hiervoor geldt een richtafstand
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
35
van 50 meter voor geluid. Aan de Haverkampweg 150 is het perceel van de scouting gelegen. Deze valt onder categorie 2 (clubhuis), waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Beide activiteiten zijn op ruime afstand (meer dan 150 meter) van de geplande woning gelegen. Deze bedrijven leveren daarom geen belemmeringen op voor de realisatie van de woning en andersom worden deze activiteiten niet belemmerd door de realisatie van de nieuwe woning. Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.1.3
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.
Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan "Haverkampweg 157" Het bestemmingsplan “Haverkampweg 157” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt. Er is door Geofoxx een bodemonderzoek uitgevoerd (verkennend bodemonderzoek Haverkampweg 157, 27 mei 2021, project 20210578/TLEV, document 20210578_a1RAP). De rapportage is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De conclusies van het onderzoek zijn als volgt: In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Ook de meetwaarden in het grondwater zijn vergelijkbaar voor soortgelijke bodem. De grond is niet verontreinigd met een van de onderzochte parameters.De grond is licht verontreinigd met barium en naftaleen. De concentratie aan barium heeft een natuurlijke oorsprong. De exacte oorzaak voor de licht verhoogde concentratie aan naftaleen is niet bekend. Bij het chemisch onderzoek zijn verontreinigingen met barium en naftaleen aangetoond, in concentraties boven de streefwaarde. Op basis hiervan bestaat geen reden om nader onderzoek uit te voeren. De hypothese van het verkennend onderzoek (onverdacht terrein) dient echter te worden verworpen. De verzamelde gegevens worden voldoende geacht om een betrouwbare uitspraak te doen over de chemische kwaliteit van de bodem.
De aangetroffen milieuconcentraties leveren geen milieuhygienische risico's op voor de gebruikers of het milieu. Het terren(deel) is daarmee vanuit milieuhygienisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik/de functie wonen met tuin. Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
36
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
5.1.4
Wet geluidhinder
In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen en/of de transformatie van bestaande panden naar wonen of een andere geluidgevoelige functie mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en terreinen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het ook noodzakelijk zijn dat akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Wegverkeerslawaai De locatie Haverkampweg 157 is gelegen binnen diverse op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde wegen. Het betreft de Oostweg en de Haverkampweg. Het bestemmingsplan voorziet daarmee in de realisatie van een geluidsgevoelig gebouw (woning) binnen de onderzoekszone van deze wegen.
Naast de zoneringsplichtige wegen is in de directe omgeving van het plangebied de Waterdriebladlaan gelegen. Voor deze weg geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Op wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur is de Wgh niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet, ondanks dat de Wgh niet van toepassing is, wel aandacht worden besteed aan het wegverkeerslawaai van 30 km-wegen. Door Munsterhuis Geluidsadvies is voor de te realiseren woning een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het briefrapport “Plan woning Haverkampweg 157, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai; projectnummer 21.074; kenmerk B02.21.074-RM; d.d. 14 mei 2021”. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Oostweg, Haverkampweg en Waterdriebladlaan wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De cumulatieve geluidsbelasting zonder aftrek artikel 110g Wgh bedraagt op de woning ten hoogste 47 dB. Uitgaande van de, in het Bouwbesluit opgenomen, minimale eis van 20 dB voor de gevelwering zal de geluidsbelasting in de woningen in dat geval aan de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit voldoen. Railverkeerslawaai Het plangebied van het plan Haverkampweg 157 is niet gelegen aan of in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn.
Industrielawaai Het plangebied van het plan Haverkampweg 157 maakt geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein en is niet gelegen binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het plan niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Luchtvaartlawaai Het plangebied van het plan Haverkampweg 157 is niet gelegen binnen de geluidszone van het vliegveld. Conclusie geluid Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.1.5
Luchtkwaliteit
Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; b. een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; d. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); e. een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
37
Luchtkwaliteit en het plangebied "Haverkampweg 157" Binnen het plangebied Haverkampweg 157 is woningbouw voorzien. Binnen het plangebied zal de mogelijkheid worden geboden om maximaal één woning te realiseren. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 woningen als niet in betekenende mate zijn aan te merken. De realisatie van één woning is daarmee zondermeer een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2020 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2019, 2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit (art 5.16 WM, lid 1 onder b) ligt er geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.1.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.
Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In het plangebied zelf liggen geen buisleidingen. Wel ligt het perceel Haverkampweg 157 binnen de 100% letaliteitszone van 2 hogedruk aardgasleidingen (N-528-57, 8 inch en 40 bar en N-528-50,12 inch en 40 bar ). In 2013 is een Carola-berekening (Kwantitatieve risicoanalyse hogedruk aardgasleidingen Enschede, september 2013) uitgevoerd met een ontwikkelruimte van 7,2 extra aanwezigen per hectare. Voor beide leidingen geldt dat het groepsrisico niet significant of niet toeneemt, respectievelijk van 15,8% naar 16,8% en 1,1% naar 1,1%.. Conform het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Enschede is derhalve geen uitgebreide groepsrisico verantwoording noodzakelijk en omdat het onder de 25% van de oriënterende waarde blijft is het groepsrisico geen belemmering. Wel is advisering door de Brandweer Twente vereist. De Brandweer Twente heeft advies uitgebracht.
Advies Brandweer Twente De kans op incidenten bij genoemde buisleidingen is klein, de effecten zijn echter groot. Bij deze twee transportleidingen gaat de Brandweer Twente, op basis van de Handreiking buisleidingincidenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (2006), uit van: fakkelbrand en vuurbal als gevolg van een uitstroming met directe ontsteking; gaswolkontbranding (en fakkelbrand) als gevolg van een uitstroming met vertraagde ontsteking. De effecten van deze scenario's zijn warmtestraling en een mogelijke drukgolf. De effecten van de warmtestraling zijn voor de Brandweer leidend, omdat de warmtestraling tot op grote afstand voor doden, gewonden en secundaire branden kan zorgen. Er wordt uitgegaan van de volgende afstanden bij een leiding met een diameter van 8 en 12 inch: 55 meter en 80 meter voor de afstand waarbinnen secundaire branden kunnen ontstaan (10 kW/m 2); 100 meter en 150 meter voor de minimale afstand voor volledig beschermde brandweermensen met ademlucht (3 kW/m 2); 170 meter en 260 meter voor de minimale afstand voor onbeschermde hulpverleners en omstanders (1 kW/m 2).
38
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Bij een transportleiding kan de locatie van een mogelijk incident verschillen. Dit kan direct tegenover het plangebied zijn, maar ook verder weg. De woning wordt op een afstand van meer dan 80 meter van de transportleiding gerealiseerd, ervan uitgaande dat het incident zich tegenover de woning voordoet. De woning ligt buiten deze zone en biedt daardoor bescherming. De kans op incidenten is klein en de maatregelen zouden zich voornamelijk moeten richten op het voorkomen van incidenten. Het betreft een bestaande risicobron en de mogelijkheden om bronmaatregelen te treffen naar aanleiding van dit plan zijn ons inziens buiten proportioneel. Eventuele (grond)werkzaamheden ten aanzien van het plan leiden ook niet tot een grotere kans omdat deze leidingen op een grotere afstand liggen. Directe bronbestrijding van een incident bij de buisleiding door de brandweer is niet mogelijk vanwege de aanhoudende toevoer van aardgas (of andere brandstof) uit het kapotte leidingdeel. De brandweer richt zich daarom primair op het redden van mens en dier, ontruimen van het gebied en het bestrijden van secundaire branden. De brandweer moet daarbij echter rekening houden met de warmtestraling en kan daardoor slechts op grote afstand van het incident opereren. De Gasunie zal zich richten op de bronbestrijding bij de gasleiding.
Ondanks de kleine kans op incidenten bij de transportleiding en dat de woning buiten de 10 kW/m 2 wordt gepositioneerd kunnen incidenten met mogelijke schade en slachtoffers niet worden uitgesloten. Volledigheidshalve wordt gewezen op de bluswatervoorziening en bereikbaarheid van het plangebied. Het uitgangspunt daarbij is de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland (2019). Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is recentelijk nieuwe wet- en regelgeving in werking getreden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van deze nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg. Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Haverkampweg 157” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Een nadere toetsing aan het Basisnet Weg kan daarmee achterwege blijven.
Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Haverkampweg 157” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Een nadere toetsing aan het Basisnet Water kan daarmee achterwege blijven. Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Haverkampweg 157” of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Een nadere toetsing aan het Basisnet Spoor kan daarmee achterwege blijven. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buiten. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet op doelmatige wijze mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied tenminste 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak. In het buitengebied en bij uitbreiding bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
39
van bebouwd oppervlak in bestaand stedelijk gebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Om een goede en doelmatige afvoer naar voorzieningen in de openbare ruimte te kunnen garanderen hanteert het waterschap Vechtstromen een maximum norm van 2,4 liter per seconde per hectare. Alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om op eigen terrein op doelmatige wijze hemelwater te bergen kan dit (deels) in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken.
Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht.
Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.
Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik
Ontwatering (m – GHG)
Primaire wegen
0,7
Secundaire wegen en erfontsluitingswegen
0,5
Bouwwerken met kruipruimten
0,7
Bouwwerken zonder kruipruimten
0,5
Groen
0,5
De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren.
Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen. Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Haverkampweg 157”
40
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Het bestemmingsplan “” beoogt het planologisch mogelijk te maken om op de Haverkampweg 157 een bouwkavel te realiseren met de mogelijkheid tot bouw van een woning met bijbehorend bouwwerk en inrichting van het erf. De huidige waterhuishoudingssituatie zoals deze is beschreven in paragraaf 3.1 (Ruimtelijke structuur) van deze toelichting geldt als uitgangspunt bij deze ontwikkeling. Met deze ontwikkeling wordt verhard oppervlak toegevoegd aan de kavel. Het regenwater kan hiervan versneld afstromen en moet geborgen worden. Bijvoorbeeld in vorm van een wadi en daarbij uitgaan van 55 mm/m2 verharding. Overtollig regenwater kan vervolgens via een overloop naar een greppel langs de Haverkampweg. Tenslotte wordt opgemerkt dat de poelen worden gevoed door grondwater en daarom beter niet als waterberging kunnen dienen. Het is niet goed voor de waterkwaliteit als de poelen met veel regenwater worden belast omdat regenwater te zuur is. Het is de bedoeling dat het afvalwater individueel wordt behandeld (middels een IBA) omdat de afstand tot het bestaand rioolstelsel (aan de Waterdriebladlaan) meer dan 40 meter bedraagt en daarmee aansluiting niet kosteneffectief is. Het grondwater ligt ondiep en komt hier en daar tot maaiveld. Ophoging onder de woning zal daarom noodzakelijk zijn.
Advies is om het vloerpeil te bepalen zodat er minimaal 50 cm drooglegging is als er zonder kruipruimte gebouwd wordt. Bij bouwen met kruipruimte wordt geadviseerd het vloerpeil op 70 cm boven grondwaterniveau leggen. Een kelder tot drie meter onder voerpeil maaiveld is toegestaan maar met het advies om de vloer en wanden waterdicht te maken. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3
Natuur
5.3.1
Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.