CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 30 september 2024, gemeente enschedeBij agendapunt: Projectafwijkingsbesluit Zonnepark Klein Boekelerveldweg13.381 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.6 Conclusie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een netto omvang van circa 1,75 hectare aan de Klein Boekelerveldweg in Enschede, inclusief een voorziening voor opslag van de zonnestroom. Deze ontwikkeling past binnen zowel de nationale, provinciale, regionale als gemeentelijke beleidskaders.

23

4. Relevante omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle ruimtelijke relevante omgevingsfactoren in kaart gebracht en belangen afgewogen. De belangenafweging dient aan te tonen dat de betreffende ontwikkeling aan een goede ruimtelijke ordening voldoet. Daarbij wordt ingegaan op de volgende factoren: archeologie, bodem, cultuurhistorie, ecologie, elektromagnetische straling, externe veiligheid, niet-gesprongen explosieven, geluid, leidingen, luchtkwaliteit, milieueffectrapportage, milieuzonering, verkeer en parkeren en water.

4.1 Archeologie Binnen het vigerende bestemmingsplan “Klein Boekelerveldweg 2013” kent de voorgestelde locatie de gebiedsaanduiding “archeologisch onderzoeksgebied b”. Voor gebieden met deze waarde gelden beperkingen en moet bureauonderzoek op het gebied van archeologie worden uitgevoerd wanneer een oppervlakte groter dan een vastgestelde hoeveelheid wordt geroerd waarbij de diepte een ander vastgesteld criterium overschrijdt. In dit geval mogen zonder onderzoek geen ingrepen plaatsvinden die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een bodemverstoringsoppervlakte meer dan 2.500 m². Zonnepark Klein Boekelerveldweg is weliswaar een initiatief op een oppervlak van ruim 1,75 hectare, maar de effectieve grondroering is gering; dit is alleen nodig voor de fundering van de draagframes, de kabelsleuven en de fundering van het batterijopslagsysteem. In totaal is de grondroering naar verwachting minder dan 300 m2, zoals Tabel 1 uitwijst. Betreft Fundering trafohuis/batterijopslagsysteem Fundering draagframes (1.000 palen 10*10 cm2) Kabelsleuven DC/AC Totaal

Grondroering 75 m2 10 m2 200 m2 285 m2

Diepte 50 cm 150 cm 80 cm

Tabel 1: Voorziene grondroering voor realisatie Zonnepark Klein Boekelerveldweg. Daarnaast is het projectgebied in het gemeentelijk archeologiebeleid voor het overgrote deel aangeduid als “verstoorde gebieden met een middelhoge en hoge verwachting in het buitengebied”. Dat betekent dat pas archeologisch onderzoek nodig is bij werkzaamheden die leiden tot verstoring van de ondergrond op een diepte van meer dan 50 cm en met een oppervlakte van meer dan 1 hectare (10.000 m2). Conclusie Gelet op de beperkte grondroering onder de grenswaarden zoals genoemd in het bestemmingsplan en in het gemeentelijk archeologiebeleid is archeologisch onderzoek niet nodig.

4.2 Bodem Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van een ruimtelijke ontwikkeling worden aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor het beoogde project. Om het zonnepark te realiseren, wordt weliswaar gegraven (zie paragraaf 4.1 Archeologie), maar er hoeft geen grond te worden aan- of afgevoerd. De kabelsleuven

24

worden immers na plaatsing van de kabels weer dichtgemaakt en de draagframes van de zonnepanelen worden tot op de benodigde diepte machinaal geramd. Wanneer een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, dan is verder artikel 8 lid 3 van de Woningwet van toepassing (net als voor de inwerkingtreding van de Wabo) en kan een bodemonderzoek worden geëist indien is voldaan aan de voorwaarden die in dit artikel worden genoemd. Volgens de Woningwet is een bodemonderzoek vereist indien het een bouwwerk betreft waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (meer dan 2 uur per (werk)dag) mensen verblijven. Het voorziene zonnepark met batterijopslagsysteem voldoet niet aan dit criterium. Het zonnepark wordt daarnaast gebouwd op agrarische grond (grasland). Na afloop van de exploitatietermijn wordt het park opgeruimd en kan de grond weer voor agrarische toepassingen worden gebruikt. Dat de bodemkwaliteit na 25 jaar gebruik als zonnepark veranderd is, is te verwachten. Om ervoor te zorgen dat de grondeigenaar die kwaliteit zo snel mogelijk weer op peil kan brengen, wordt het zonnepark zodanig gebouwd dat negatieve invloeden zoveel als mogelijk worden beperkt. Er is in Nederland nog geen onderzoek gedaan naar de langetermijneffecten van een zonnepark op de bodemkwaliteit, maar er zijn wel een aantal factoren bekend die hierop van invloed zijn: licht, lucht, water en organische stof.

Op basis hiervan worden de volgende maatregelen genomen: • • • •

• • •

De panelen staan hoger dan normaal (ca. 0,7 m voor, ca. 1,9 m achter), zodat er meer ruimte is voor directe en indirecte lichtinval en indirecte neerslag (regen die door de wind wordt meegevoerd) om de bodem onder de panelen te bereiken; De panelen worden in een zuid-opstelling geplaatst (dus niet oost-west, omdat daarbij de grond vrijwel volledig wordt afgedekt); Tussen elke paneelrij wordt 2 meter vrije ruimte aangehouden; De panelen worden niet strak tegen elkaar aan gemonteerd, maar met een kleine tussenruimte, zodat regenwater niet alleen aan de voorzijde, maar ook tussen de panelen door op de bodem terechtkomt. Dit vermindert de kans op gronderosie aan de voorzijde van de paneelrijen (er valt veel minder water op één plek) en voorkomt verdroging van de bodem onder de panelen. Het vocht in de bodem onder de panelen verdampt minder door de schaduwwerking; Onder en tussen de panelen wordt bijgezaaid met bloemrijk/kruidenrijk grasland. Op die manier wordt het dichtslaan en uitdrogen van de bodem en bodemerosie voorkomen; Door een combinatie met schapenbeweiding is er ook een zekere mate van natuurlijke bemesting; Uitgebloeide bloemen, zaadhulzen, afgevallen boombladeren en ander organisch materiaal kan zich door de wind goed over het park verspreiden en dat zorgt ervoor dat ook nieuwe toevoer van organische stof naar de bodem plaatsvindt.

Voldoende licht, lucht en vocht onder de panelen houdt niet alleen het gras in stand, maar is ook belangrijk voor het leven in de bodem dat weer van invloed is op de bodemkwaliteit (o.a. ontwikkeling van wortelgroei, organische stof, regenwormen, schimmels en bacteriën). Een recente literatuurstudie van de Universiteit Groningen, WUR, en Kenniscentrum Akkervogels (Raymond Klaassen et al (2018), Literatuurstudie naar mogelijkheden voor een ecologische inrichting van zonneparken, pp.15) concludeert onder meer: “Bij een ecologische inrichting van zonneparken met extensief beheerde vegetaties als uitgangspunt, zal de kans op bodembederf nihil zijn, en is juist een positief effect op de structuur en kwaliteit van de bodem te verwachten, vooral als de uitgangssituatie intensieve landbouwgrond was.” Door de gekozen opstelling van de installatie blijft de bodem even goed in staat hemelwater te verwerken als vóór de aanleg van het park, waardoor bovendien geen (extra) afstroming naar omliggende percelen te verwachten is.

25

Conclusie Voor het projectinitiatief hoeft geen grond te worden afgegraven of toegepast. Diverse ontwerptechnische uitgangspunten zorgen er daarnaast voor dat het initiatief naar verwachting geen negatief maar juist een positief effect op de structuur en kwaliteit van de bodem zal hebben. Het aspect bodem levert al met al geen belemmering op voor het zonnepark met batterijopslagsysteem.

4.3 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast archeologische ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij een afwijking van het bestemmingsplan. Met dit plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. In het plangebied bevinden zich ook geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten, zoals Figuur 10 (uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Enschede) laat zien. In Bijlage 1 is daarnaast concreet aangegeven op welke wijze met de landschappelijke structuren rekening is gehouden bij het opstellen van het projectontwerp.

Figuur 10: Situering plangebied op de cultuurhistorische waardenkaart van Enschede. Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor het zonnepark met bijbehorend batterijopslagsysteem.

4.4 Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur bestaat uit gebieds- en soortenbescherming. De soortenbescherming is sinds 1 januari 2017 geregeld in de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb); de gebiedsbescherming via de Wet Natuurbescherming en via het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarbinnen de Natura 2000-gebieden vallen. Daarnaast is er ook veel NNN dat niet binnen een Natura 2000-gebied ligt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.

26

NNN In het projectgebied vinden geen ontwikkelingen plaats binnen het NNN. Wel ligt het projectgebied nabij een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN, namelijk een strook direct aan de noordzijde van de Klein Boekelerveldweg, zie Figuur 11. Het NNN kent echter geen externe werking. Bovendien geldt dat de aanwezige houtopstanden aan de randen van het projectgebied ongemoeid blijven, terwijl aan de noordrand een nieuwe struweelhaag een nieuwe zomereiken gerealiseerd worden als landschappelijke inpassing van het zonnepark. Het NNN vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

Figuur 11: NNN-gebieden (groen) nabij projectlocatie (rood). Natura 2000 Het plangebied voor het zonnepark ligt op ruim 3.500 meter afstand van Natura 2000gebied Dinkelland en op bijna 4.000 meter afstand van Natura 2000-gebied Aamsveen. De onderzoekslocatie is dus niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Voor de aanlegfase en de exploitatiefase van het zonnepark zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd met de meest recent beschikbare versie (versie 2023.0.1, vrijgegeven 6 november); zie Bijlage 3B en 4B. Deze rekenexercities leiden tot de conclusie dat de hoeveelheid mogelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden minder dan 0,00 mol/hectare/jaar is. Hiervoor zijn de uitgangspunten zoals weergegeven in Tabel 3 tot en met 5 gehanteerd.

27

Figuur 12: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebied Dinkelland (boven) & Aamsveen (onder). Met betrekking tot de aanleg van de zonneparken inclusief toebehoren zijn vijf emissiebronnen onderscheiden, te weten: 1. 2. 3. 4.

Wegverkeer ten behoeve van materiaalaanvoer (heen- en terugweg beschouwd); Inzet heftruck/rupsvoertuig t.b.v. verspreiden materialen over projectlocatie; Inzet heimachine voor fundering palen draagframes; Inzet minigraver voor grondverzet t.b.v. egaliseren, kabelsleuven en zandbedfunderingen; 5. Inzet minigraver voor kabelsleuf 10-kV-netinpassing Enexis. In Tabel 3 tot en met 5 worden de gehanteerde uitgangspunten nader toegelicht voor wat betreft de aanlegfase. De aan-/afvoerroute is ingetekend tot aan de N35 waar ten minste kan worden aangenomen dat het verkeer opgaat in het reeds bestaande verkeersbeeld. Emissiebron

1

Werkzaamheden Aanvoer rijplaten/hekwerk Aanvoer draagconstructie Aanvoer zonnepanelen Aanvoer DC-/AC-bekabeling Aanvoer omvormers Aanvoer trafohuis Aanvoer batterijopslag Aanvoer werktuigen Aanvoer personeel Totaal

Zwaar verkeer 4 14 16 4 2 2 4 4 50

Licht verkeer 300 300

Tabel 3: Onderbouwing uitgangspunten emissiebron 1. Bron

2

Type StageIIIA, 20062010, <= 56 kW,

Vermogen (kW) 37

Bedrijfsuren

160

Verbruik (l/u) 4

Brandstofverbruik 640 l

Werkzaamheden Inzet verreiker voor uitrijden materialen over veld o.b.v. verwachte tijdsspanne van ca.

28

diesel, SCR: nee

3

4

5

StageIIIA, 20062010, <= 56 kW, diesel, SCR: nee StageIIIA, 20062010, <= 56 kW, diesel, SCR: nee StageIIIA, 20062010, <= 56 kW, diesel, SCR: nee

8 werkweken, 4 uur per dag.

37

37

37

60

60

10

4

4

4

240 l

Inzet heimachine voor fundering frames o.b.v. verwachte tijdsspanne van 2 werkweken, 6 uur per dag.

240 l

Inzet graafmachine voor egaliseren grond, maken kabelsleuven, aanleg zandbedfunderingen trafo en batterij o.b.v. verwachte tijdspanne 4 weken, 3 uur per dag.

40 l

Inzet graafmachine voor kabelsleuf 10kV-netinpassing door Enexis.

Tabel 4: Onderbouwing uitgangspunten emissiebronnen 2 t/m 5. Zonneparken zijn relatief onderhoudsarm. Wanneer geen correctief onderhoud aan de systeemcomponenten nodig is, volstaat een preventieve onderhoudsronde die een tot twee keer per jaar plaatsvindt. Voor groenbeheer hoeven enkel schapen aan- en afgevoerd te worden. Incidenteel correctief onderhoud kan onder meer betrekking hebben op het functioneren van omvormers, het herstellen van beschadigingen aan bekabeling/connectoren of het resetten van routers voor de communicatie met omvormers dan wel het CCTV-systeem. Tabel 5 laat zien welke verkeersbewegingen dit naar verwachting oplevert. Emissiebron

1

Werkzaamheden Aan- en afvoer schapen t.b.v. groenbeheer Busjes onderhoudspartij preventief/correctief onderhoud zonnepark Busjes onderhoudspartij preventief/correctief onderhoud batterijopslagsysteem Auto’s t.b.v. herstel datacommunicatie omvormers/monitoring/CCTV Totaal voertuigen per jaar

Zwaar verkeer

Licht verkeer

10

-

-

8

-

8

-

8

10

24

Tabel 5: Onderbouwing uitgangspunten emissiebronnen exploitatiefase. Voor de gebiedsbescherming geldt voorts dat de aanwezige houtopstanden ongemoeid blijven en datzelfde geldt voor de nabijgelegen NNN-gebieden die niet tot Natura2000 behoren, zie ook Bijlage 5.

29

Soortenbescherming Om te beoordelen of het voorgenomen plan (ook) qua soortenbescherming voldoet aan de Wet natuurbescherming heeft Econsultancy het planvoornemen getoetst op basis van een veldbezoek; zie Bijlage 3. De belangrijkste conclusies zijn zoals onderstaand. •

•

•

Steenuilen maken onder meer gebruik van speciale nestkasten, holten in bomen en ruimten in schuren als nestlocatie. Dergelijke geschikte plekken ontbreken op de onderzoekslocatie, waardoor met zekerheid gesteld kan worden dat zich geen beschermde vaste rust- of voortplantingsplaats op de onderzoekslocatie bevindt. In de directe omgeving zijn echter plekken aanwezig waar de steenuil een vaste rust- en voortplantingsplaats kan hebben. Aanvullend onderzoek naar de steenuil is daarom noodzakelijk om te bepalen of de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuil; De houtwal ten zuiden en westen en bomenrijen aan de noordzijde net buiten de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als vliegroute voor vleermuizen. De houtwallen dienen om die reden vrij te blijven van kunstmatige verlichting. Indien dit niet mogelijk is, dient een lichtplan opgesteld te worden die voorgelegd dient te worden aan een deskundig ecoloog ter beoordeling; De werkzaamheden kunnen mogelijk verstorend zijn voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd.

Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden en verwonden van individuen te voorkomen.

Gelet op de bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming aangaande de steenuil is nadien nader onderzoek verricht naar door Natuurbank Overijssel (zie Bijlage 10 – Faunascan steenuil). De conclusie vanuit dit nader onderzoek luidt dat het plangebied geen essentieel foerageergebied van steenuilen vormt. Als gevolg van het ontwikkelen van een zonnepark wordt de nestplaats van steenuilen niet negatief beïnvloed. Er is daardoor geen nader onderzoek vereist en een ontheffing is ook niet nodig. Conclusie Het aspect ecologie levert geen belemmering op voor het zonnepark mits de houtwallen vrij blijven van kunstmatige verlichting en het doden/verwonden van individuele zoogdieren en amfibieën wordt vermeden. Van bomenkap is geen sprake en datzelfde geldt voor ingrepen aan de sloten. Het plan heeft ten slotte geen negatieve impact op Natura2000- en/of NNN-gebieden.

4.5 Elektromagnetische straling Enkel bij de omvormers en de transformatoren van de PV-installatie en het batterijopslagsysteem zal enige elektromagnetische straling vrijkomen. Vanaf de panelen tot de omvormers en in de batterijracks zelf is enkel sprake van gelijkstroom waarbij geen straling vrijkomt. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een grens van 0,4 microTesla (µT). De GGD adviseert ook bij andere bronnen van ELF-Em velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren; vandaar het advies dit voorzorgsprincipe toe te passen bij de ontwikkeling van een zonnepark. De afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen dient dusdanig groot te zijn dat de stralingswaarde onder de 0,4 µT blijft (wat bijvoorbeeld voor hoogspanningsleidingen overeenkomt met een afstand van circa 70 m). De opgewekte straling in het zonnepark blijft hier ver onder. Bovendien worden alle geleidende systeemcomponenten vereffend en geaard.

30

Conclusie Het aspect elektromagnetische straling levert geen belemmering op voor het zonnepark en/of het batterijopslagsysteem.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft de veiligheid van mensen in een plangebied in relatie tot de opslag, het gebruik, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen in dan wel nabij het plangebied, voor zover die activiteiten risico’s voor de bevolking kunnen geven. De voorgestelde inrichting is geen kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (er zijn geen personen aanwezig), ook worden geen nieuwe risicobronnen toegevoegd en het meest nabijgelegen kwetsbare object is een basisschool op hemelsbreed ruim 300 meter afstand. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen aan de orde. Een uitgewerkte toetsing van het voorziene batterijopslagsysteem aan de in ontwikkeling zijnde richtlijn PGS 37-1 (publicatiereeks gevaarlijke stoffen) voor lithiumhoudende energiedragers is te vinden in Bijlage 9. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en realisatie van Zonnepark Klein Boekelerveldweg inclusief batterijopslagsysteem.

4.7 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Voor de geluidgevoelige objecten moeten bepaalde grenswaarden in acht worden genomen. In de directe omgeving van het zonnepark zijn geen geluidgevoelige bestemmingen aanwezig. Wel zijn enkele bedrijfspanden nabijgelegen (gasstation Enexis en hondenpension Het Hoge Boekel, op respectievelijk 65m en 25m afstand van de hekken). Op ruimere afstand zijn twee woningen gelegen; een (bedrijfs)woning aan de Klein Boekelerveldweg 2A (op 75m) en de woning aan de Hoge Boekelerweg 260-262 (op 105m). Voor het zonnepark en het bijbehorende batterijopslagsysteem geldt dat sprake is van enige geluidsproductie afkomstig van meerdere bronnen die aan de westzijde van het plangebied worden gepositioneerd, zie Figuur 13. 1. Het transformatorstation kent een oliegevulde transformator met een verwacht brongeluid van omstreeks 56 dB (vermogen 1.000-1.600 kVA); zie Tabel 6. Het waargenomen geluid in het veld is geringer, want dit hangt tevens af van de mate van belasting van deze trafo en het exacte type (betonnen) behuizing.

Het gaat sowieso om geluid dat enkel overdag bij invallende zonlicht op de panelen geproduceerd wordt. Incidenteel zal nabij de trafo ca. 50 dB waargenomen kunnen worden.

31

Tabel 6: Gewoonlijke bronvermogens van LS/MS-olietrafo’s (bron: CAHORS). 2. Het zonnepark zal worden voorzien van naar verwachting 8 omvormers van 100 kW per stuk die onder de rijen zonnepanelen worden geplaatst, aan de westzijde van het plangebied. De precieze locatie hangt af van de kabel-engineering die kort voor de realisatie gemaakt zal worden door de aannemer. De omvormers produceren volgens de opgave van de fabrikant ten hoogste 65 dB bij maximale koeling/ventilatie; zie Tabel 7. Net als voor de transformator geldt dat dit geluid enkel overdag bij veel zonneschijn wordt geproduceerd.

Tabel 7: Noise levels per omvormertype incl. de voorziene 100KTL (bron: Huawei)

32

3. Het batterijopslagsysteem maakt gebruik van koelers en omvormers die voor geluidproductie zorgen. Net als bij de transformator geldt dat de behuizing het brongeluid dempt. In tegenstelling tot de omvormers en de transformator kan de batterij ook ’s avonds en in de nachtelijke uren op vol vermogen actief zijn. De fabrikant heeft aangegeven dat de geluidproductie op 1m afstand van het opslagsysteem 74 dB is op basis van in de praktijk gemeten waarden (op 20% van de capaciteit is dit 62 dB). Op 5 meter afstand is het geluidniveau 58 dB op vol vermogen. Waar het trafostation in het hekwerk verwerkt wordt, zullen de omvormers en het EOS enkele meters binnen de hekken gesitueerd zijn, waardoor de afstanden tussen deze geluidsbronnen en de geluidsgevoelige objecten in de omgeving nog wat ruimer zijn dan de voorgenoemde afstanden tot (de rand van) het plangebied; zie ook Figuur 13.

Figuur 13: Geluidsbronnen binnen plangebied. De waarneembaarheid van het vrijkomende geluid is nihil voor omwonenden en gebruikers van de openbare ruimte in de buurt, gelet op de eerdergenoemde afstanden en in ogenschouw nemend dat bij het naastgelegen hondenpension in de huidige situatie (blaf)geluid in de buitenlucht kan vrijkomen met ruim hogere bronvermogens. Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) moet worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied. In de VNG-publicatie wordt een zonnepark en/of een EOS niet als aparte categorie aangehaald. Het is gebruikelijk de aansluiting te zoeken met de activiteit “elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen tot 10 MVA”. Voor wat betreft het aspect geluid wordt een richtafstand 30 meter voor een omvormer met een vermogen < 10 MVA opgevoerd. Deze afstand hoort bij het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. De omgeving van het zonnepark is te omschrijven als een rustige woonwijk dan wel een rustig buitengebied. De geluidsgevoelige woningen zijn ten opzichte van het batterijopslagsysteem en de transformator van het zonnepark op veel ruimere afstand gelegen van de geluidsbronnen (≥ 75 meter).

Op dergelijke afstanden zal geluidhinder van de omvormers, de transformator en/of de batterijopslag niet aan de orde zijn. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en realisatie van Zonnepark Klein Boekelerveldweg inclusief batterijopslagsysteem.

33

4.8 Leidingen Aan de noordzijde van perceel LNK00-E-6246 lopen drie ondergrondse leidingen: een stroomkabel van Enexis (middenspanning), een hogedrukgasleiding van Enexis (8 bar) en een waterleiding (transportleiding 250 PVC-O) van Vitens; zie Figuur 14. Uit Figuur 15 en de Inpassingstekening (Bijlage 2) kan worden afgeleid dat in het projectontwerp ruime afstand tot aan deze leidingen wordt aangehouden; dit geldt zowel voor het hekwerk als de zonnepanelen zelf. De afstand hekwerk-leiding varieert tussen de ca. 5 en 9 meter. De afstand tussen de leidingen en de zonnepanelen is nog ruimer en varieert tussen de 9 en 12 meter. De voorziene beplanting tussen leidingen en hekwerk aan de noordzijde zal zonder (diep)wortelende bomen worden ingericht als struweelhaag zonder boomvormers (meidoorn, hazelaar, vuilboom, sleedoorn, vogelkers, hondsroos); zie ook Bijlage 1.

Figuur 14: Kaart KLIC-melding plangebied.

Figuur 15: Duiding variërende afstanden tussen hekwerk/panelen en leidingen Enexis. Het inpassingsplan is op aanwijzing van de gemeente Enschede aan zowel Enexis als Vitens voorgelegd ter beoordeling, gezien de situering van het zonnepark binnen 15 meter van de hartlijnen van de leidingen. Vitens heeft aangegeven weliswaar belanghebbende te zijn, maar geen extra maatregelen noodzakelijk te achten naast de gewoonlijke richtlijnen ter preventie van graafschade, zoals gepubliceerd op

34

https://www.vitens.nl/zakelijk/graafschade. Het inpassingsplan conflicteert verder niet met de door Vitens aangegeven minimale benodigde afstanden tot de loop van de waterleiding (geen palen/staven/palen binnen 0,5m van de buitenzijde van de leiding). Enexis heeft, evenals Vitens, desgevraagd aangegeven dat het projectvoornemen zonder problemen en/of aanpassingen uitgevoerd zou kunnen worden, gelet op de ruime afstanden tot haar leidingen. Voor de netinpassing geldt dat deze gerealiseerd wordt via een knip+verbinding in/met het bestaande 10-kV-netvlak van Enexis. Dit netvlak loopt door de Klein Boekelerveldweg. Figuur 16 duidt het zeer korte kabeltracé dat Enexis zal aanleggen voor het project, direct bij de projectlocatie dus; zie ook de AERIUS-calculatie die als Bijlage 3B is toegevoegd aan deze Ruimtelijke Onderbouwing.

Figuur 16: Tracéschets voedingskabel (oranje) voor netaansluiting Enexis. Conclusie Het aspect leidingen vormt een aandachtspunt, maar geen belemmering voor de realisatie van Zonnepark Klein Boekelerveldweg inclusief batterijopslagsysteem. Aangezien de KLIC-melding een geldigheid heeft van 20 dagen, zal deze voorafgaand aan de aanvang van de bouw van het project opnieuw gedaan worden.

4.9 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. Voor projecten die niet (veel) bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Een zonnepark kent evenals het batterijopslagsysteem geen emissies en heeft, met uitzondering van incidenteel verkeer in verband met bouw- en onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. Het project kan dus worden gezien als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan hierdoor achterwege blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en realisatie van Zonnepark Klein Boekelerveldweg inclusief batterijopslagsysteem.

35

4.10 Milieueffectrapportage Het Besluit milieueffectrapportage geeft activiteiten en gevallen aan die leiden tot de plicht een milieueffectrapport op te stellen. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Ook gelden verplichtingen wanneer een voorgenomen project valt onder de genoemde activiteiten, maar niet onder de drempelwaarden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het project waar deze Ruimtelijke Onderbouwing voor is geschreven maakt een functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is niet in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. opgenomen. Het zonnepark betreft bijvoorbeeld geen landinrichtingsproject (D9). De ontwikkeling van een zonnepark valt pas onder deze categorie als deze onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject (het project dient een voldoende substantieel karakter te hebben).

Ook valt het project niet onder categorie D22.1; hiervan is sprake bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Het zonnepark wekt alleen energie op, geen stoom en warm water. Ook categorie D11.2 is niet van toepassing, aangezien het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft en het zonnepark een relatief beperkt oppervlak beslaat. Voor de volledigheid verwijzen wij naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018 en zaaknummer 18/689, waarin bevestigd wordt dat een vergelijkbaar project niet valt binnen de categorie D van het Besluit m.e.r. en er geen beoordeling nodig is. Deze uitspraak is op 14 augustus 2019 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en na te zien onder het zaaknummer 2019:2770. Conclusie Voor het voorgenomen plan is geen m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. benodigd. Het zonnepark valt niet onder het Besluit milieueffectrapportage.

4.11 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder meer door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt gewoonlijk de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen.

36

De ontwikkeling van de zonneweide(s) incl. batterijopslag levert geen hinder of gevaar op voor omliggende gevoelige functies. Wel worden transformators en omvormers geplaatst, zowel voor het PV-systeem als voor de batterijopslag. In de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” valt dit onder de activiteit “elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen < 10 MVA”. De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 30 meter. In dit plan liggen de dichtstbijzijnde woningen op een ruim grotere afstand (75/105 meter), zie paragraaf 4.7 Geluid. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en realisatie van de zonneweide incl. batterijopslag.

4.12 Niet-gesprongen explosieven De ruimtelijke ordening en het milieubeleid stellen zich ten doel goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Als gevolg van gevechtshandelingen uit het verleden kunnen conventionele explosieven in het plangebied zijn achtergebleven. Bij het spontaan aantreffen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog ontstaat mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane vondsten van conventionele explosieven kunnen daarnaast resulteren in kosten bij de uitvoeringswerkzaamheden waardoor het plan mogelijk financieel niet uitvoerbaar is. Aan de hand van de huidige risicokaart voor explosieven ligt het betreffende perceel (LNK00-E-6246) in onverdacht gebied, zoals Figuur 17 uitwijst.

Figuur 17: Ligging plangebied op de gemeentelijke risicokaart voor explosieven. Conclusie Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en realisatie van de zonneweide incl. batterijopslag. De locatie is onverdacht.

37

4.13 Verkeer en parkeren In de bouwperiode van naar verwachting drie maanden zal periodiek vracht/bouwverkeer via de Klein Boekelerveldweg rijden. Geschat wordt dat tijdens de bouwpiek (twee maanden) dagelijks enkele vrachtwagenladingen naar het bouwterrein komen en diverse personenwagens van de installatieploegen. Mogelijk leidt dit in zeer beperkte mate tot tijdelijke verkeers- of geluidsoverlast voor omwonenden. Voor de aansluiting van het zonnepark op het openbare elektriciteitsnetwerk zal netbeheerder Enexis een aparte stroomkabel moeten trekken naar het perceel vanuit de Klein Boekelerveldweg. Hiervoor zal klein graafmaterieel worden ingezet, en deze werkzaamheden zullen lokaal mogelijk beperkte verkeershinder opleveren. Het zonnepark is na oplevering een beveiligde energiecentrale. Dat betekent dat er geen vrije toegang is voor het publiek en dat toegang voor onderhoud, begrazing en eventuele rondleidingen strikt geregeld zal zijn. Het aantal verkeersbewegingen in de omgeving neemt niet significant toe. Conclusie Het aspect verkeer/parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en realisatie van Zonnepark Klein Boekelerveldweg incl. batterijopslag.

4.14 Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets verplicht bij gemeentelijke bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten. De watertoets is een procesinstrument, waarbij het waterschap en de initiatiefnemer onderlinge afstemming zoeken. In Bijlage 6 is de watertoets te vinden. In het kader van dit project worden geen wooneenheden gerealiseerd en er is geen hemelwateropvang. De panelen en de constructie worden uitgevoerd met materialen die geen afvalstoffen afscheiden (niet-uitlogend). Bovendien komt geen afvalwater vrij, ook niet tijdens het bouwproces. De projectlocatie wordt ook niet afgegraven. De beantwoording van de vragen uit de watertoets heeft ertoe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en grootte van het plan hebben geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Conclusie Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie, aangezien de bestaande greppels ongemoeid worden gelaten. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen relevante invloed op de waterhuishouding, wat tot een positief advies van waterschap Vechtstromen heeft geleid.

38

5. Uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Ook is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

5.2 Economische uitvoerbaarheid In artikel 6.12, lid 1 Wro is bepaald dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. In artikel 6.12, lid 2 is echter opgenomen dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is. Voorliggend project betreft een particulier initiatief dat op particuliere gronden plaatsvindt. Met initiatief zijn geen kosten voor de gemeente gemoeid, anders dan kosten die op basis van de gemeentelijke legesverordening in rekening zullen worden gebracht. Het verhaal van kosten is daarmee anderszins verzekerd, waarmee het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de planontwikkeling is uitvoerig gesproken met omwonenden van het zonnepark en andere belanghebbenden. Details hierover zijn te vinden in Bijlage 7 en 8, waarin zowel de procesparticipatie rond het initiatief als de financiële participatie aan de orde komt. De onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt conform de procedure die voor het verkrijgen van de vereiste omgevingsvergunning moet worden doorlopen ter inzage gelegd. Gedurende die termijn kan eenieder reageren op het planvoornemen en zijn zienswijze geven en later eventueel bezwaar en vervolgens beroep instellen. De maatschappelijke uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.

39

6. Conclusies In de voorgaande hoofdstukken is de realisatie besproken van een nieuw zonnepark incl. batterijopslag in een plangebied met een omvang van circa 1,75 hectare op grond aan de Klein Boekelerveldweg in Enschede. De ontwikkeling voorziet in de plaatsing van een zonnepark met batterijopslag op gronden die in het bestemmingsplan zijn aangemerkt met bestemming ‘Agrarisch Stadsrandzone’. Met de realisatie van het zonnepark wordt voorzien in de productie en opslag van hernieuwbare energie. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is een toets naar relevante beleids-, milieu- en omgevingsaspecten uitgevoerd. Uit de toetsing aan de verschillende milieu- en haalbaarheidsaspecten blijkt dat voldaan wordt aan de wet- en regelgeving voor wat betreft de diverse aspecten en dat geen nadelige effecten te verwachten zijn op de bestaande situatie in en in de omgeving van het projectgebied.

40

Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10:

Inpassingsplan en beheerplan Inpassingstekening AERIUS-calculatie realisatiefase AERIUS-calculatie exploitatiefase Rapport Quickscan Wet natuurbescherming Watertoets Communicatie- en participatieplan Plan voor financiële participatie Toetsing PGS-37-1 EOS Enschede Faunascan steenuil Klein Boekelerveldweg

Update november 2023 Bijlage 1B: Bijlage 2B: Bijlage 3B: Bijlage 4B: Bijlage 9B:

Inpassingsplan en beheerplan Inpassingstekening AERIUS-calculatie realisatiefase AERIUS-calculatie exploitatiefase Toetsing PGS-37-1 EOS Enschede

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=7a718347-3802-4268-b339-358bd3c973a1