CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 10 juni 2024, gemeente enschedeBij agendapunt: Projectafwijkingsbesluit (PAB) circulaire parkeergarage Capitool t.h.v. nummer 2511.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beoordeling

In dit geval wordt geen voorziening gerealiseerd met een zelfstandige verkeersaantrekkende werking. Het project draagt in niet betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt geen gevoelige bestemming zoals bedoeld in het kader van het besluit gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. 4.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval waarbij een gevaarlijke stof is betrokken. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundige waarde, is onafhankelijk van de aard van de omgeving en kan worden weergegeven als een contour die punten met een even hoog risico met elkaar verbindt. Aan het plaatsgebonden risico is een (wettelijke) grenswaarde verbonden: een overlijdenskans van 10-6 (1 op een miljoen) per jaar. Binnen de plaatsgebonden risico-contour van 10-6 mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden geprojecteerd. Binnen de 10-5-contour mogen zich geen bestaande kwetsbare objecten bevinden.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat een groep van 10 of meer personen in één keer het dodelijke slachtoffer worden van een incident met gevaarlijke stoffen. Bij de bepaling van het groepsrisico wordt, in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, de feitelijke situatie van de omgeving betrokken: de locatie van de aanwezige bebouwing en de bevolkingsdichtheid. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek waarin het mogelijke aantal dodelijke slachtoffers ten gevolge van een calamiteit wordt afgezet tegen de kans dat deze gebeurtenis optreedt. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenoemde oriëntatiewaarde. Als het groepsrisico tengevolge van het plan groter wordt of als het groepsrisico ten gevolge van de bestaande situatie groter is dan de oriëntatiewaarde, moet het geaccepteerde groepsrisico worden verantwoord. 4.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het projectgebied is hierin weergegeven met de rode contour.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart, projectgebied is rood omlijnd (Bron: risicokaart.nl)

Opslag Propaan en Propeen Ten noorden van het projectgebied ligt een opslag voor propaan en propeen bij het bedrijf Demcon. Het projectgebied ligt niet binnen de plaatsgebonden contouren. Buiten de contouren van de propaantank ligt de letaliteitsgrens onder de 1%. Het projectgebied valt om deze reden buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Buisleiding Gasunie B.V. Ten zuiden van het projectgebied ligt een aardgasleiding van I&M transport. Het betreft een buisleiding met een maximale werkdruk van 4000 bar en een uitwendige diameter van 159 mm. De buisleiding heeft geen risicocontour voor wat betreft het plaatsgebonden risico. De buisleiding ligt op circa 210 meter van het projectgebied. Het invloedsgebied van de buisleiding reikt niet tot het projectgebied. De buisleiding is hiermee niet van belang. Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het projectgebied: ▪ ▪ ▪ ▪

4.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ ▪

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. De locatie bevindt zich op een bedrijventerrein, hier is sprake is van een gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

4.5.3 Beoordeling 4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing ▪ ▪

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. Een parkeergarage wordt in dit kader niet aangemerkt als een milieugevoelig object. Er is dan ook geen sprake van enige belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende functies. Opgemerkt wordt dat het projectgebied in het geldende bestemmingsplan is voorzien van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurzone’. Deze geurcontour is opgenomen vanwege de rioolwaterzuivering ten zuiden van het projectgebied. Aan deze aanduiding zijn echter geen bepalingen toegekend. Daarnaast wordt in de parkeergarage niet langdurig door personen verbleven en is het niet aan te merken als milieugevoelig object zoals hiervoor beschreven. De geurcontour vormt dan ook geen belemmering voor het plan. 4.5.3.3 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling.

Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In de VNG lijst met richtafstanden wordt een parkeergarage aangeduid met SBI-code 5221 en worden parkeergarages aangemerkt als een milieucategorie 2-inrichting. De grootste richtafstand betreft 10 meter voor het aspect geluid, uitgaande van omgevingstype gemengd gebied. In de directe omgeving zijn geen milieugevoelige objecten aanwezig. 4.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.6.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Lonnekermeer’ bevindt zich op circa 4 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien de omvang van het plan en de afstand tot Natura 2000-gebieden, zorgt alleen het aspect stikstof voor mogelijk significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Hiertoe is een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat tijdens de aanlegfase in een periode van 1 jaar een uitstoot van 0,00 mol/ha/ja plaatsvindt op omliggende Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase blijft de uitstoot onder de 0,00 mol/ha/ja. PM, stikstofberekening Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied ligt niet binnen de concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde concreet begrensde NNN ligt op circa 350 meter afstand. Gezien het feit dat er sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.6.3

Soortenbescherming

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend plan wordt een groenvoorziening met een gazon en bomen verwijderd en een vijver gedempt. Voor deze gronden is een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit de quickscan opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze onderbouwing. Vleermuizen Binnen de groenvoorziening zijn geen vaste verblijfplaatsen, onmisbare vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen aanwezig. Beschermde zoogdieren en amfibieën Binnen de groenvoorziening worden vaste rust- en voortplantingsplaatsen van overige beschermde zoogdieren en amfibieën uitgesloten. Vogelsoorten In de bomen, het struweel en de oevers van de vijver is een broedbiotoop voor algemene vogelsoorten aanwezig. Er zijn geen nestplaatsen van broedvogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig of te verwachten.

Overig Binnen de groenvoorziening zijn geen wettelijk beschermde reptielen, vissen, ongewervelden of flora aangetroffen of te verwachten. Concluderend kan worden gesteld dat het verstoren van broedbiotopen van alle aanwezige vogels altijd moet worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor half maart en na eind juli of door het projectgebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedssfeer van het project. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Hiermee rekening houdende is het plan uitvoerbaar op het aspect ecologie. 4.6.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten en plannen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Het projectgebied is op basis van het geldende bestemmingsplan “Kennispark 2013” niet voorzien van een dubbelbestemming met betrekking tot archeologische verwachtingswaarden. De gemeente Enschede heeft hiernaast een beleidskaart archeologie gepubliceerd. De verwachtingswaarde voor het projectgebied is ‘Gebied met lage verwachting’. Deze gebieden zijn vrijgesteld van het verplichte archeologische onderzoek. Bij eventuele vondsten blijft de meldplicht vanuit de Monumentenwet van kracht en moet contact worden opgenomen met de gemeente Enschede. 4.7.2

Cultuurhistorie

Het projectgebied kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Enschede, geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Algemeen

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Op provinciaal niveau zijn de omgevingsvisie en de bijbehorende omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. 4.8.2

Beoordeling

Algemeen Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan. De watertoets In onderhavig plan is gebruik gemaakt van de online watertoets. Na evaluatie werd in de toets geconcludeerd dat de ‘Normale procedure’ van toepassing is. Het waterschap is gecontacteerd naar aanleiding van deze uitkomst. Wanneer antwoord wordt ontvangen op het voorleggen van onderhavig plan, wordt dit antwoord toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. PM, reactie van het Waterschap

4.9

Besluit Milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. In deze paragraaf vindt deze vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. 4.9.2

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 4 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Lonnekermeer’. Uit de AERIUS-berekening is gebleken dat er zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een uitgebreide omgevingvergunningsprocedure. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Indien het project wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat de drempelwaarde niet wordt benaderd danwel overschreden wordt. Het gaat slechts om een parkeergarage met een omvang van circa 1.800 m2. Het project is hiermee vele malen kleiner dan de gestelde oppervlakte van 100 hectare of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gelet op de aard van de omligging (bedrijvigheid/kantoren), de centrale ligging op het Kennispark Twente, de functie van de voorziening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing (parkeergelegenheid) en het feit dat ten gevolge van het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden, maakt dat gelet op de concrete omstandigheden geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject 4.9.3

Conclusie

Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig en er hoeft geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6

VOOROVERLEG

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke bij het plan in het geding zijn.

6.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2

Provincie Overijssel

In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt voorliggend plan voorgelegd aan de provincie Overijssel.

6.3

Waterschap Vechtstromen

In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt voorliggend plan voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1

Verkennend (water)bodem onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 2

AERIUS berekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 3

Quickscan natuurtoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Enschede, Capitool ong. (realisatie parkeergarage) Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 4

Watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=c8bdb491-370e-4737-ba60-16187ee7d8cc