CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Reactienota Visie landelijk gebied Enschede -geanonimiseerd

Raadsvergadering 6 juli 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Visie landelijk gebied Enschede34.552 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Reactienota Visie landelijk gebied Enschede Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Gemeente Enschede April 2021

2

1. Reactienota Visie landelijk gebied Enschede De Visie landelijk gebied Enschede gaat over het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving in het landelijk gebied van Enschede. De Visie bevat een centrale ambitie voor de periode 2020 – 2030, een viertal ontwikkelingsprincipes, geeft voor negen thema’s een analyse, ambitie en aanpak, beschrijft twintig opgaven, vijf gebiedsaanpakken en negen te ontwikkelen of vernieuwen instrumenten. Het ontwerp van de Visie heeft ter visie gelegen tussen 10 februari en 23 maart 2021. Op het ontwerp zijn 42 zienswijzen ingediend. Vanwege de privacy zijn de reacties alleen met een nummer aangeduid. De indiener krijgt bericht onder welk nummer zijn of haar zienswijze is geregistreerd. De zienswijzen worden in deze Reactienota per zienswijze samengevat en van een reactie en conclusie voorzien. Ook is in deze Reactienota een aantal punten opgenomen waar de gemeente zelf tot aanscherping van de Visie is overgegaan. Dit worden ‘ambtshalve wijzigingen’ genoemd. Die aanpassingen gaan over de correctie van type, stelfouten en andere (kleine) onjuistheden en komen verder voort uit actuele of nieuwe inzichten bij de gemeente. Alleen de grotere correcties zijn vermeld en toegelicht. Een aantal onderwerpen komt in een groter aantal zienswijzen terug.

Niet telkens met precies dezelfde woorden en argumenten, maar vaak met een overeenkomstige boodschap voor de gemeente. Deze onderwerpen zijn van een gemeenschappelijke en eensluidende reactie voorzien. In elke zienswijze is vervolgens naar die eensluidende reactie verwezen. Enkele zienswijzen zijn gelijkluidend of bestaan voor een groot deel uit dezelfde tekst. Dan wordt voor de gemeentelijke reactie naar de eerste zienswijze verwezen met deze inhoud. Tot slot verwijzen diverse zienwijzen naar elkaar. Dat is telkens in de samenvatting vermeld. Samengevat kent deze Reactienota de volgende drie hoofdstukken: - Behandeling van onderwerpen die in diverse zienswijzen aan de orde zijn gesteld - Samenvatting en reactie per zienswijze - Ambtshalve wijzigingen

3

2. Onderwerpen die in diverse zienswijzen aan de orde komen Een aantal onderwerpen komt in diverse zienswijzen terug. Niet telkens met dezelfde woorden omschreven of met gebruik van dezelfde argumenten, maar wel vaak met een gelijksoortige achterliggende boodschap. Bij één onderwerp (J: intensivering landbouw en biodiversiteit) zijn de argumenten niet gelijkgericht. Om de complete reactie in samenhang te kunnen geven en herhaling te voorkomen gaat dit hoofdstuk in op de onderwerpen die in diverse zienswijzen naar voren zijn gebracht. In de zienswijze wordt de reactie niet herhaald, maar wordt verwezen naar deze gebundelde reactie. In een aantal gevallen is de gebundelde reactie van een aanvulling voorzien, die alleen op de zienswijze van de indiener van toepassing is.

Onderwerp A: Overleg en participatie Zienswijzen Veel zienswijzen gaan in op de wijze waarop de inwoners van het landelijk gebied en de gemeente met elkaar in contact staan en op de manier waarop de verschillende belangen in het landelijk gebied gehoord worden. Gevraagd wordt om inwoners tijdig bij initiatieven en veranderingen te betrekken en om naar de inwoners te luisteren. Bij de opsomming van instrumenten (gereedschapskist) moet het overleg met inwoners en bedrijven bovenaan staan. In de ontwerp-Visie worden als gesprekspartners vooral genoemd inwoners, (agrarische) bedrijven, organisaties en andere overheden. Gemist worden de eigenaren/pachters van grond. Ook wordt in een zienswijze gesteld dat de dorpen ontbreken als gesprekspartner, in tegenstelling tot Stawel, buurtkringen en andere partijen. Vermeld wordt verder dat tussen de buurtkringen grote verschillen bestaan en dat zij niet altijd voldoende boeren en burgers in een gebied vertegenwoordigen. Dat is ook een punt bij de rol die Stawel vervult. Een indiener adviseert de gemeente om menskracht en middelen beschikbaar te stellen om de professionaliteit van de buurtkringen op te krikken. Een indiener vraagt zich af of de Visie genoeg oog heeft voor de bewoners zonder agrarische achtergrond.

Becijferd wordt dat slechts 14% van de inwoners van het buitengebied een agrarische binding met het landelijk gebied hebben en dat de niet-agrarische bewoners van het buitengebied weinig in de Visie worden genoemd. Een indiener constateert met instemming dat de contacten met de gemeente de laatste tijd intensiever zijn geworden. Een andere indiener stelt dat uit de ontwerp-Visie blijkt dat is geluisterd naar inbreng, maar ook dat de deskundigheid bij de gemeente niet altijd op voldoende niveau is om bij initiatieven voortgang te boeken. Een volgende indiener sluit daarop aan en stelt dat het besluitproces bij de gemeente soepeler kan verlopen. Een geautomatiseerde vorm van voortgangsbewaking voor plannen kan helpen, ook in het contact met de burger. Het is nodig dat voor 70% van het grondgebied een goede overlegvorm wordt gekozen. Want de 3% van de inwoners die in het landelijk gebied wonen, worden niet vanzelf voldoende gehoord. Als structurele vorm voor overleg en participatie stelt een zienswijze voor een Adviesorgaan (Buitengebied 2021) in te stellen, dat kan helpen om de ambitieuze plannen operationeel te maken en de integraliteit te bevorderen. Enkele andere visies stellen voor een Stadsdeelcommissie voor het buitengebied in te stellen, waardoor de Gemeenteraad aandacht voor het landelijk gebied inbouwt in haar besluitvorming.

Een andere suggestie is te experimenteren met burgerfora. De regio kan daarbij het voortouw nemen om draagvlak te verkrijgen. De belangstelling voor een bezoek aan het buitengebied is vergroot door de corona-pandemie. Dat is volgens een indiener een blijvende ontwikkeling, die volop kansen biedt in het verder vergroten van maatschappelijke betrokkenheid en burgerparticipatie. Diverse indieners bieden aan om op een of andere wijze bij te dragen aan het beleid en de uitvoering daarvan. Het gaat om de indieners met nummer 1, 2, 7, 9, 11, 16, 17, 21, 23, 27, 30, 35, 36. Reactie gemeente Diverse zienswijzen vragen om de inwoners van het buitengebied meer stem te geven. De gemeente vindt dat een bijzonder positief signaal, ook omdat dit aangeeft dat de mensen in het landelijk gebied bereid zijn om zich in te 4

zetten voor de ontwikkeling van het landelijk gebied. Uit de zienswijzen klinkt immers door dat indieners niet alleen aan hun eigen belangen denken maar ook een breed besef hebben van de kwaliteit van het landelijk. Zij komen op voor wat zij van (publieke) waarde vinden in het hele buitengebied. Dat blijkt ook uit het aanbod van verschillende indieners om met kennis of anderszins in overleg te treden met de gemeente en een bijdrage te leveren aan de verdere invulling en de realisatie van het beleid dat in de Visie is opgenomen. De gemeente gaat daar graag op in. De gemeente wil geen belangrijke partijen in het landelijk gebied uitsluiten en als de Visie die suggestie geeft, dan wil de gemeente die wegnemen. De Visie zal daarom ook eigenaren en pachters noemen, de dorpen en ook de bewoners van het landelijk gebied die geen agrarische achtergrond hebben. Ook al heeft de gemeente twijfel of het in een zienswijze becijferde percentage van 14% bewoners met een agrarische achtergrond niet heel laag uitkomt. Van belang is de representativiteit van de vertegenwoordigende organen.

Kunnen de buurtkringen wel spreken namens boeren en burgers uit hun gebied, zoals een zienswijze stelt? Is het zinvol om met experimenten, zoals burgerfora, ook de mensen een stem te geven die nu niet worden bereikt en gehoord? Aan Stawel zal de gemeente de vraag stellen hoe zij zich kunnen inspannen om zoveel als mogelijk het hele brede en diverse geluid uit het landelijk gebied op te pakken en wat nodig is om hen daarbij te ondersteunen. Het overleg met inwoners, bedrijven eigenaren en bezoekers van het landelijk gebied is van groot belang. De gemeente vindt voor de versterking daarvan de instelling van een nieuw adviesorgaan niet voor de hand liggen. Een adviesorgaan voegt niet veel toe aan wat al bestaat met het Groenberaad en in het overleg en de samenwerking met Stawel. De gemeente denkt, zoals hiervoor gesteld, wel dat Stawel de bestaande functie van intermediair / deskundig contact tussen inwoners (zowel met als zonder agrarische achtergrond), bedrijven, eigenaren, dorpen en gemeente nog wat meer kan uitbouwen. Denk aan de rol van de buurtkringen, de eigenaren, de niet agrarische bewoner en de dorpen in het algemeen bestuur van Stawel. De gemeente ziet ook niet veel in een nieuw adviesorgaan omdat een dergelijk orgaan het landelijk gebied niet echt kan vertegenwoordigen.

Een adviesorgaan is immers geen afspiegeling van de bevolking en legt ook geen verantwoording af aan de inwoners. Dat is wel het geval bij toevoeging van een Stadsdeelcommissie buitengebied. Die suggestie uit enkele zienswijzen gaat het College aan de Raad met een positief advies in overweging geven. Conclusie In hoofdstuk 8 van de Visie (instrumenten) wordt de tekst over overleg met inwoners etc. naar voren gehaald en vervangen door onderstaande tekst. Bewoners, bedrijven en eigenaren van het landelijk gebied voelen zich niet altijd goed gehoord. Veel van het overleg heeft vooral betrekking op de meer stedelijke vraagstukken die in de gemeente spelen. Landbouwers en landgoedeigenaren vinden het lastig om bij de gemeente een aanspreekpunt te vinden die het voor hun van belang zijnde beleid overziet, de procedures van de gemeente kent en kan helpen bij het doorlopen van de juiste stappen om hun plannen tot goedkeuring te krijgen. Het is van groot belang dat de gemeente bereikbaar en aanspreekbaar is voor haar inwoners, bedrijven en eigenaren in het landelijk gebied en de haar toevertrouwde wettelijke taken adequaat uitvoert. De gemeente is in de afgelopen jaren over het geheel genomen wat reactief en staat te veel op afstand van het landelijk gebied.

Het ontbreekt aan een vaste overlegstructuur met de diverse partners in het landelijk gebied (maatschappelijke organisaties, dorpen, buurtkringen) en aan verankering van beleidsprocessen aan het werk van de Raad. Ook beschikt de gemeente niet over een vast aanspreekpunt voor belangrijke groepen in het landelijk gebied zoals de landbouwbedrijven en de landgoedeigenaren. Bij de vaste overlegstructuren is niet altijd duidelijk of deze het landelijk gebied in de volle breedte vertegenwoordigen. Dit leidt tot de volgende vier voorstellen: 1. 2.

Verbeteren van de vaste overlegstructuren met het landelijk gebied met aandacht voor de representativiteit (wie worden vertegenwoordigd en zijn er groepen die niet gehoord worden). Voorstel aan de Raad om met ingang van de volgende raadsperiode een Stadsdeelcommissie Landelijk Gebied in stellen.

5

3.

4.

Versterking van het ambtelijk apparaat en/of van Stawel als vast en deskundig aanspreekpunt voor allerhande zaken in het landelijk gebied voor onder meer de landbouw, de landgoederen, de natuur- en landschapsorganisaties. Deze versterking is ook nodig om partijen en opgaven te koppelen en cofinanciering te regelen. Aanstelling van een wijkregisseur in het landelijk gebied, die fungeert als aanspreekpunt voor inwoners en bezoekers. De wijkregisseur is een laagdrempelig ‘oog en oor’ voor allerhande zaken die in het landelijk gebied spelen en is in staat om vroegtijdig signalen op te pakken voor onderwerpen die beleidsmatige aandacht vergen. De wijkregisseur corrigeert ongewenst gedrag waar hij/zij dan zelf kan en schakelt toezicht en handhaving in waar nodig.

Onderwerp B: Boter bij de visie, prioriteiten en programmering Zienswijzen Een aantal zienswijzen haakt aan bij de constatering in de Visie dat de gereserveerde middelen niet toereikend om de ambitieuze plannen te realiseren. Plannen zoals het herstel van houtwallen, aankoop van grond voor het breed toegejuichte plan voor extra bomen, dreigen volgens deze opvatting een loos gebaar te zijn. Is het plan wel reëel en uitvoerbaar? Het wordt wenselijk gevonden dat de Visie accenten aanbrengt en aangeeft welke problemen/opgaven de hoogste prioriteit verdienen. Gevraagd wordt hoe keuzes worden gemaakt. Gemist wordt een consistente prioritering die niet varieert per gebied of thema en een tijdslijn waarbinnen getoetst kan worden en monitoring kan plaatsvinden. Ook ontbreekt een link naar bestaand beleid waardoor “quick-wins” kunnen worden gerealiseerd. Gevraagd wordt om herijking en om slimmer om te gaan met externe middelen. De diverse overheidslagen (Rijk, provincie, regio en waterschap) en hun vaste partners zouden hun programma’s inhoudelijk en financieel beter onderling moeten afstemmen. Ga aan de slag om geldstromen, zoals ZON, Erfgoeddeal, GGA Stikstof, Bossenstrategie te bundelen en kom tot een integraal uitvoeringsprogramma. Een enkele indiener wil meehelpen met het opzetten en deelnemen aan een dergelijk programma.

Het gaat om de indieners met nummer 1, 5, 7, 8, 9, 27, 30, 36. Reactie gemeente De gemeente presenteert in de Visie een brede blik op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Het nu al stellen van prioriteiten en focus aanbrengen op enkele onderwerpen gaat ten koste van het overzicht en de samenhang. Keuzen maakt de Visie echter wel degelijk in de ambitie, met de vier ontwikkelingsprincipes en met de selectie en invulling van de thema’s en de gebiedsaanpak. De Visie brengt bewust geen volgorde aan in de realisatie van de twintig opgaven en de ontwikkeling van de negen instrumenten. De Visie landelijk gebied schetst de ambities voor de komende tien jaar in volle omvang. Naarmate de middelen beschikbaar komen kan uitvoering worden gegeven aan de opgenomen maatregelen. Dat niet alles in één keer kan, betekent nog niet dat de ambitie verdwijnt. Naarmate zich kansen voordoen kan de invulling plaatsvinden. Bij de aanbieding van de Visie aan de Gemeenteraad doet het College van B&W een onderbouwd voorstel voor het aanbrengen van prioriteiten bij het in werking treden van de Visie. In dat voorstel is ook aangegeven hoeveel menskracht en middelen beschikbaar moeten komen om deze prioriteiten te kunnen doorvoeren. Het primaat ligt daarmee waar dat thuishoort: bij de gekozen volksvertegenwoordiging.

Naarmate de Raad menskracht en middelen beschikbaar stelt, kunnen de prioriteiten in de uitvoering worden aangebracht. Enkele indieners wijzen op de noodzaak en mogelijkheden om beleid (inhoud) en geldstromen (realisatie) beter te bundelen. Dit sluit geheel aan bij de constatering aan het einde van Hoofdstuk 8 van de Visie om aansluiting te zoeken bij de programma’s van andere overheden en te werken aan een meer gezamenlijke programmering. Met de provincie is ook al op bestuurlijk niveau gesproken over deze mogelijkheden. De gesprekken daarover zullen worden voortgezet en worden verbreed naar het waterschap en bijvoorbeeld Landschap Overijssel.

6

Conclusie De Visie geeft richting aan de gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied van Enschede voor de komende tien jaar. De op uitvoering gerichte maatregelen (opgaven) en instrumenten in de Visie, hebben ook betrekking op deze hele periode. Het is daarmee ook verklaarbaar en goed te verdedigen dat de menskracht en middelen nog niet afdoende beschikbaar zijn voor de hele uitvoeringsperiode. Bij de aanbieding van de Visie aan de Gemeenteraad voegt het College een voorstel om prioriteit te geven aan een aantal opgaven en instrumenten. Het is aan de Gemeenteraad om dat voorstel over te nemen of aan te passen. De Visie zelf verandert daarmee niet. De zienswijzen onderstrepen de noodzaak en de mogelijkheden van cofinanciering: een gezamenlijke programmering met andere overheden en grote gebiedspartijen. Op basis van de zienswijzen is de Visie zelf niet aangepast; wel is bij de aanbieding van de Visie aan de Gemeenteraad het gevraagde voorstel met prioriteiten gevoegd.

Onderwerp C: Waarderingskaart voor het landschap Zienswijzen Diverse zienswijzen gaan in op de landschapsstudie (bijlage bij de Visie), de daarin opgenomen waardering van het landschap en de strategie om vanuit het landschap te ontwikkelen met een onderscheid naar inpassen, aanpassen en transformeren. Een drietal zienswijzen gaat in op de gebruikte methodiek, andere zienswijzen gaan in op de rol van de landschapswaardering in het gemeentelijke beleid en een aantal zienswijzen stelt vraagtekens bij de waardestelling op een bepaalde plek in het landelijk gebied of is het oneens met die waardestelling. a.

De gebruikte methodiek Een indiener is het op zich eens met de indelingsmethode en de gebruikte criteria. Een probleem heeft deze indiener met de grofmazigheid van de indeling. Een element van hoge kwaliteit in een groter gebied met een basiskwaliteit wordt door de grofmazigheid niet opgemerkt. Hierdoor ontstaat een grote kans dat kleinere waardevolle elementen niet in het beleid worden meegenomen, zoals kleinere natuurgebieden als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Dat kan ten koste gaan van kleinere waardevolle elementen in een gebied met basiskwaliteit bij bijvoorbeeld de keuze voor de ontwikkeling van grootschalige zonnevelden. Indiener vraagt om de indeling zo fijnmazig te maken dat dit probleem wordt voorkomen. Een ander algemeen punt is dat de kaart volgens een indiener een precieze plaatsbepaling lastig maakt. Kunnen bijvoorbeeld meer wegen op de kaart worden gezet?

b.

De rol van de landschapswaardering Een indiener herkent de transformatiegebieden als voormalige landbouwontwikkelingsgebieden, in het verleden bedoeld voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijen. De gebieden lijken voort te komen uit de waarderingskaart, die is opgezet vanuit natuurlijk / ecologisch opzicht. Die waardering houdt geen rekening met de economische waarde. Transformatie lijkt ten koste te gaan van de landbouw en wordt in enkele zienswijzen gezien als een gerichte keuze voor de aanleg van zonnevelden. Het tegenovergestelde wordt ook benoemd. Enkele zienswijzen vragen om een hogere landschapswaardering en/of om een ruime zone rond de eigen locatie met een landgoed, zodat zekerheid wordt verkregen dat ongewenste functies ver weg worden gehouden. Doordat een koppeling ontbreekt tussen het belang en de waarde van landgoederen en de direct omliggende percelen schiet de bescherming van de landgoederen tekort, zo wordt gesteld. Een andere Indiener pleit ervoor om het verhaal van het landschap, dat ook in de analyse van het rapport van het bureau H+N+S naar voren komt, als uitgangspunt te nemen voor de keuzes in de Visie.

c.

De waardestelling op diverse locaties Tot slot wordt voor diverse locaties de waardestelling niet juist geacht.

Het gaat om de indieners met nummer 3, 11, 13, 15, 16, 19, 26, 28, 30, 39, 42

7

Reactie gemeente Ad a) de gebruikte methodiek De waarderingskaart is opgesteld door een onafhankelijk en deskundig bureau (H+N+S). De typering en waardering zijn dan ook geen ‘onderhandelingsresultaat’ maar een deskundigenoordeel. De gemeente wil met de studie het complete landschap van de gemeente Enschede in grote lijnen in beeld brengen en met een uniforme methode waarderen. Dat legt de basis voor een manier van denken vanuit het landschap en biedt een uitgangspunt en handelingsperspectief voor toekomstige ontwikkelingen. Deze opzet en bedoeling brengt een zekere grofmazigheid met zich mee. De studie maakt geen indeling op kavelniveau. Gewerkt is vanuit grotere eenheden waarbij de verschillende landschapstypen in de gemeente als uitgangspunt zijn genomen. Deze aanpak heeft tot gevolg dat bijna overal binnen de grote eenheden enclaves voorkomen met andere waarden, zowel historisch als natuurlijk. Bij initiatieven zal dan ook altijd maatwerk nodig zijn. Bij zonnevelden groter dan 2 ha is een gebiedsaanpak met een integrale benadering voorgeschreven. Daarbij moet maatwerk geleverd worden, waarbij bestaande waarden met meer detail worden bekeken én de omwonenden worden betrokken. De landschapsstudie biedt een methodiek en overzicht; bij initiatieven zal altijd ter plekke moeten worden gekeken.

Op die manier beschikt de gemeente over een aanpak die recht doet aan alle bestaande waarden. De kaart is niet bedoeld voor zeer precieze plaatsbepaling. Een bepaalde mate van globaliteit is gewenst omdat landschapsgrenzen niet exact op de meter zijn te trekken. De beleving van het landschap zal niet ingrijpend veranderen bij een perceelsgrens en moet ook wat ‘losgemaakt’ worden van de richting waarop wordt gekeken. Om toch een meer precieze plaatsbepaling mogelijk te maken zijn de digitale kaarten beschikbaar. Ad b) de positie van de landschapswaardering Het is een misverstand dat de ligging in een transformatiegebied betekent dat voor deze gebieden gekozen wordt voor zonnevelden. De uitgevoerde landschapswaardering geeft de ontstaansgeschiedenis en huidige kwaliteit van het landschap weer. Daaraan wordt een strategie gekoppeld, die past bij het ontwikkelingsprincipes: ‘vanuit het landschap ontwikkelen’ (hoofdstuk 4 van de Visie). De zienswijze die pleit om het verhaal van het landschap als uitgangspunt te nemen voor de keuzes wordt onderschreven. De ontwikkelingsstrategie ‘vanuit het landschap ontwikkelen’ geeft daaraan uitwerking. De Visie onderscheidt -in vervolg op de landschapswaardering- drie strategieën vanuit het landschap.

De eerste strategie heeft betrekking op landschappen met een zeer hoge kwaliteit en de bijpassende strategie ‘’inpassen’ gaat dan ook uit van het behoud van het veelal gave landschap. Elk initiatief moet zorgvuldig worden ingepast in aansluiting op de gebiedskenmerken. De tweede strategie ‘aanpassen’ hoort bij een landschap met een hoge waardering. Dit landschap vraagt om herstel en het weer herkenbaar maken van structuren en lijnen die het landschapstype versterken. Bij het landschap met een basiskwaliteit is de oude landschappelijke identiteit geen uitgangspunt bij de vormgeving van nieuwe ontwikkelingen. Hier geldt een ontwerpopgave voor het maken van een nieuw landschap met een eigen identiteit en samenhang. In de gebieden met basiskwaliteit liggen veruit de meeste mogelijkheden voor grootschalige ontwikkelingen van verschillende aard. Grootschalige (kringloop)landbouw, waterberging, natuurontwikkeling, zonnevelden, recreatieve ontwikkelingen etc. De landschapswaardering maakt geen keuze voor de functie, maar geeft aan wat landschappelijk gezien mogelijk is in dit type gebied. Samengevat geldt dat de landschapswaardering niet moet worden gezien als een planologische bescherming tegen zonnevelden of een keuze voor zonnevelden. Het is de leidraad voor de ontwikkelstrategie ‘vanuit het landschap ontwikkelen’ zoals die in Hoofdstuk 4 van de Visie is opgenomen.

Deze landschapsstrategie vormt een belangrijk uitgangspunt voor de beoordeling of en hoe nieuwe ontwikkelingen in het landschap passen. Dat kan een landbouwkundige ontwikkeling zijn, een recreatieve of gericht zijn op energieopwekking, watermaatregelen etc. De landschapsstrategie maakt daarin geen keuze. Ad c) de waardering van locaties Enkele zienswijzen vinden de waardering van aangegeven locaties niet juist. Bij de zienswijzen zelf wordt uitgelegd 8

dat het door het onafhankelijk bureau gemaakte deskundigen-oordeel wel een goede onderbouwing kent. Conclusie Het belang van het landschap in Enschede wordt onderstreept door de zienswijzen die uitvoerig aandacht besteden aan de landschappelijke kwaliteiten en de uitgevoerde studie naar de waardering van het landschap. Uit de zienswijzen blijkt dat de Visie dit belangrijke ontwikkelingsprincipe niet voldoende duidelijk uitlegt. Daarom is met de bovenstaande elementen een nadere toelichting gegeven in hoofdstuk 1 (waar het landschapsonderzoek wordt genoemd) en in hoofdstuk 4 (over de ontwikkelingsprincipes). In hoofdstuk 1 wordt kort de methodiek toegelicht. Ook is naar dit hoofdstuk de kaart over de landschapswaardering verplaatst. Hoofdstuk 4 gaat in op de rol van de waardering in het beleid.

Onderwerp D: Aanplant van 170.000 bomen (waarvan 120.000 in het buitengebied) Zienswijzen Diverse indieners reageren op het voorstel in de ontwerp-Visie om bomen aan te planten in het landelijk gebied. De indieners vragen om verduidelijking van de plannen van de gemeente, willen niet dat bomenaanplant ten koste gaat van landbouwgrond en brengen punten naar voren over onder meer onderhoud, soortkeuze en wateronttrekking. Het gaat om de indieners met nummer 7, 14, 22, 25, 26, 29, 33, 34, 36. Reactie gemeente Het voornemen om het aantal bomen in het buitengebied te planten heeft veel voordelen. Bomen leggen beduidend meer CO2 vast dan ander grondgebruik, zoals grasland. Zie ook https://www.cbs.nl/nlnl/nieuws/2017/45/bossen-en-bodems-stoten-meer-co2-uit-dan-ze-vastleggen. Bomen verhogen de biodiversiteit, geven schaduw bij extreme hitte en kunnen bijdragen aan het benadrukken en herstel van het (coulisse)landschap en van de landgoederen. Bomen kunnen ook een functie vervullen binnen de agrarische bedrijfsvoering. Denk daarbij aan agroforestry in de zin van opbrengsten, maar ook aan ontwikkelingen als voedselwallen voor koeien, schaduwplekken in hete zomers en plaagdierbestrijding. Bomen, mits goed ingepast, maken het landelijk gebied meer aantrekkelijk, ook voor recreanten. Om deze redenen is de opgave in de Visie opgenomen. De aanplant van bomen legt wel beslag op grond.

In de bij de ontwerp-Visie gevoegde evaluatie (blz 26) is uitgegaan van circa 1000 bomen per hectare. In het landelijk gebied van Enschede gaat het dan om 120 ha voor 120.000 bomen. Dat zal echter geen aaneengesloten bos zijn, maar een samenstel van solitaire bomen, laanbomen, houtwallen, bosjes en mogelijk ook wat omvangrijker bos. Bomen kunnen ook onderdeel zijn van de groenstructuur, die rond zonnevelden wordt vereist. Bomenaanplant vindt plaats als vervanging en herstel van al aanwezige lanen, houtwallen of bosjes. Het gaat niet om rationeel verkavelde landbouwgrond, dat omgezet wordt in een groot bos. De bomenaanplant zal altijd afgewogen moeten worden tegen andere claims om grond. De grondeigenaar zal niet zonder redenen landbouwgrond in bos omzetten. Al is het maar omdat de marktwaarde van de grond dan flink omlaaggaat. Bomen vragen verder onderhoud, afhankelijk van de soort onttrekken ze meer of minder water aan de bodem en niet alle bomen zijn goed bestand tegen de klimaatverandering. Verstandige keuzen zijn nodig. Het op te stellen Natuur- & Landschapsplan zal daar nader op ingaan. De Visie geeft aan dat bosuitbreiding over het geheel genomen positief kan bijdragen aan de kwaliteiten van het landelijk gebied. Deze gemeentelijke beleidslijn komt overeen met het beleid van onder meer het Rijk, de provincie Overijssel (1,1 miljoen bomenplan) en Landschap Overijssel.

Dit is echter geen eendimensionale keuze. Telkens en voor elke plek zullen de voor- en nadelen van aanplant moeten worden afgewogen in overleg met de omgeving. De beleidsinzet voor uitbreiding van bos/bomen is voor de gemeente belangrijker dan het halen van het exacte aantal 120.000 bomen in het buitengebied in 2030. Conclusie De Visie wordt aangevuld met een toelichtende tekst in aanvulling in hoofdstuk 5 onder het thema Groene Pijler, aanpak, aansluitend op de tekst over bomenaanplant, na ‘…om in Nederland 37.000 ha nieuw bos te planten.’: 9

‘De aanplant kan plaatsvinden in de vorm van solitaire bomen, laanbomen, houtwallen, bosjes en mogelijk ook wat omvangrijker bos. Bomen kunnen ook onderdeel zijn van de groenstructuur, die rond zonnevelden wordt vereist. Het kan ook gaan om de vervanging en herstel van al aanwezige lanen, houtwallen of bosjes. Voor zover de gemeente betrokken is zullen bij het besluit tot aanplant van enige omvang telkens de voor- en nadelen worden afgewogen in overleg met de omgeving.’

Onderwerp E: Energietransitie Zienswijzen Een flink aantal indieners spreekt zich uit tegen zonnevelden en/of windturbines in het landelijk gebied. De indieners geven veelal de voorkeur aan zon op dak en in restruimten in het stedelijk gebied en bij wegen en parkeerruimten. Wek de energie op waar het wordt gebruikt dus op industrieterreinen en in het stedelijk gebied. Hierdoor ontstaat ook geen overbelasting van het net en geen kosten voor het aanleggen van een dure kabel. Begin bij besparing en kijk ook naar alternatieven zoals een drijvend zonneveld op de waterplas aan de Haaksbergerstraat, waterkracht etc. De mogelijkheden daarvoor worden volgens indieners niet voldoende benut. Onvoldoende is onderbouwd dat op ‘slechts’ 20% van de daken zonnepanelen kunnen worden geplaatst. Hou verder vast aan de evenredigheid zon op dak – zon op land. Maak zon op dak zo makkelijk mogelijk: weinig bureaucratie, lagere OZB-belasting en dwing netbeheerders de infrastructuur op orde te brengen. Met de gebiedsgerichte aanpak wordt de duurzame energieopwekking in het buitengebied neergelegd. Zonnevelden in het landelijk gebied zijn ongewenst om landschappelijke redenen en ze verminderen de biodiversiteit. De leefbaarheid wordt een stuk minder, het gebied verliest waarde voor wandelaars en fietsers.

Belangrijk bezwaar is ook het ruimtebeslag, de gronddruk en prijsopdrijving die dat teweegbrengt en de beperkingen die hieruit voortkomen voor de landbouw: de ontwikkelkansen van de agrarische bedrijven nemen af, zeker voor jonge ondernemers. De grondschaarste beperkt de mogelijkheden voor het verder doorvoeren van kringlooplandbouw. Het past niet bij elkaar: het aansturen op kringlooplandbouw en natuurinclusief boeren en tegelijkertijd landbouwgrond willen gebruiken voor het opwekken van energie. Ook wordt gesteld dat door zonnevelden het grasland verdwijnt dat veel CO2 vastlegt. Het gaat om de indieners met nummer 2, 3, 6, 8, 9, 10, 11, 14, 19, 20, 21, 22,25, 26, 29, 34, 37, 39, 40. Reactie gemeente De keuze voor de duurzame opwekking van elektriciteit met zon en wind wordt gemaakt in de Energievisie van de gemeente. Daarin wordt allereerst beschikbare ruimte benut op daken, restruimten en langs autowegen. Maar dat is niet toereikend om aan de doelen te voldoen voor duurzame opwekking van elektriciteit, die in de Energievisie staan. Om daaraan te voldoen is ook ruimte nodig in het buitengebied. De locaties en inpassing vindt zo plaats dat natuur en landschap zoveel mogelijk worden ontzien en de overlast voor bewoners beperkt blijft. Bij zonnevelden groter dan 2 ha wordt een gebiedsgerichte aanpak gevolgd, die in hoofdstuk 7 van de Visie landelijk gebied staat beschreven.

Daarin worden alle opgaven in een gebied bij elkaar genomen en afgewogen, samen met de inwoners. Een aantal zienswijzen gaat in op de gronddruk en grondprijs. De grondprijs is de resultante van een groot aantal factoren, waaronder de rentestand, schaarste, de ligging, de planologische functie, bodemkwaliteit etc. Ook kan de vraag naar grond voor zonnevelden, zeker lokaal, invloed hebben. Bedacht moet worden dat het tot 2030 in Enschede gaat om iets meer dan 1% van de oppervlakte van het totale buitengebied en dat de vraag zich veelal richt op langjarig gebruik (geen aankoop). Overigens legt het grasland dat op de zonnevelden verdwijnt maar in beperkte mate CO2 vast. Volgens het CBS (cijfers 2013) leggen bos en andere vegetaties in Nederland jaarlijks bijna 3.6 megaton CO2 vanuit de atmosfeer vast in biomassa. Dat komt ongeveer overeen met 2% van de jaarlijkse uitstoot van CO2 in Nederland. De landbouw legt van die 3.6 megaton omstreeks 21% vast, bossen -op een veel beperkter oppervlakte- circa 60%. 10

Koolstofvastlegging per ecosysteemtype, afgezet tegen het areaal van dit ecosysteemtype, en de koolstofvastlegging per hectare (2013). De grootte van de bollen is recht evenredig met het aandeel in de totale vastlegging in Nederland.

Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/45/bossen-en-bodems-stoten-meer-co2-uit-dan-ze-vastleggen Dit alles neemt niet weg dat zonnevelden een grote verandering aanbrengen in het landschap, lokaal de gronddruk verhogen en vraagtekens bestaan over de invloed op bodemleven en de biodiversiteit. Daar staat tegenover de noodzaak om de CO2-uitstoot terug te brengen en bij de energievoorziening over te schakelen op hernieuwbare bronnen. Ook de gemeente Enschede wil haar bijdrage leveren en daarvoor zijn op zorgvuldig gekozen locaties goed ingepaste zonnevelden en windturbines nodig. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding de Visie landelijk gebied aan te passen over de energieopgave van de gemeente Enschede en de maatregelen in het landelijk gebied. Voor de energieopgave wordt verder verwezen naar de Energievisie.

Onderwerp F: Na gebruik ook groenzone rond zonneveld terug naar landbouw Zienswijzen Een aantal zienswijzen vraagt om een zonneveld aan het einde van de levensduur inclusief groenstructuur terug te brengen naar haar oorspronkelijke gebruiksfunctie, dus met een agrarische functie. Gevraagd wordt om de Visie op dit punt aan te passen. Een zienswijze stelt ook dat niet is verzekerd dat tegen het einde van de economische levensduur de exploitant van een zonneveld de panelen ook echt opruimt. Het is lucratiever voor de eigenaar om failliet te gaan en de gemeenschap met het probleem te laten zitten. Het gaat om de indieners met nummer 21, 22, 26, 29, 39. Reactie gemeente In de beleidsregels zonne-energie, die horen bij de (ontwerp-) Energievisie staat dat als het zonneveld niet meer wordt voortgezet de grond weer geschikt gemaakt moet worden voor het oorspronkelijke grondgebruik en dat groenstructuren die door de aanleg van het zonneveld tot stand zijn gekomen, worden gehandhaafd. De Visie landelijk gebied voegt daaraan toe dat aanleg en onderhoud van de groenstructuur zodanig moet zijn dat het landschap beter achterblijft, als een zonneveld weer wordt opgeheven. De groenstructuur maakt in een transformatiegebied onderdeel uit van een nieuw vormgegeven landschap.

In de periode van naar verwachting minimaal 20 jaar dat het zonneveld in stand blijft, ontwikkelt de aanplant zich tot een volwassen groenstructuur dat onderdeel is van het landschap. Als in 2040 of nog (veel) later het zonneveld wordt opgeheven, heeft de groenstructuur zich ontwikkeld, net als de landbouw en onze kijk op de gewenste ontwikkeling van het landelijk gebied. Mogelijk zien wij de aangelegde groenstructuur dan ook als een welkome aanvulling op het landbouwkundig systeem. Denk aan de ontwikkeling van circulaire landbouw en “agro-forestry”-systemen waar nu onderzoek naar gedaan wordt. Ook streeft de Visie naar fijnmazige dooradering van het landelijk gebied. De groenstructuren bij zonnevelden dragen daaraan bij. Ook daarbij past het niet om te verplichten de groenstructuur met het zonneveld te verwijderen. 11

Stel dat wel wordt afgesproken om de groenstructuur bij een zonneveld standaard te rooien bij het opheffen van een zonneveld. Dan wordt nu al besloten dat voor natuur en landschap (en mogelijk ook voor de landbouw) waardevolle bomen en struiken met bijbehorende fauna met onder meer insecten en vogels verdwijnen. Dat is strijdig met de gemeentelijke opvatting over de gewenste ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarom is gekozen om uit te gaan van behoud van de nu nog nieuwe groenstructuur. Het is aan de volgende generatie(s) om in 2040 of later om met de kennis van dat moment eventueel anders te beslissen en delen of gehele groenstructuren te verwijderen. Bij het contracteren van de zonnevelden zal aandacht worden besteed aan het opnemen van zekerheden om de zonnevelden na afloop van het gebruik ook echt op te ruimen. Conclusie De zienswijzen vormen geen aanleiding tot aanpassing van de Visie landelijk gebied.

Onderwerp G: Gronddruk en inzet gemeentelijke grond Zienswijzen De druk op het buitengebied is hoog. Door grond te reserveren voor onder meer energie (zonnevelden) en natuur kunnen landbouwers moeilijker invulling geven aan kringlooplandbouw en andere gewenste ontwikkelingen zoals biodiversiteit en landschapselementen. Vooral de energietransitie zorgt voor een enorme verstoring van de grondmarkt. Een grootschalig zonneveld kan tot wel € 40.000 subsidie krijgen per hectare, de landbouwer ontvangt maximaal € 360 als aan alle eisen is voldaan. Gevraagd wordt om de gemeentelijke grond in gebruik te geven aan bedrijven uit Enschede en bij voorkeur aan jonge agrarische melkveehouders. Dat geeft een meer duurzaam toekomstperspectief, zeker als de grond voor een periode van meer dan 2 jaar wordt uitgegeven. Een indiener vindt het prima als de gemeente daarbij extra eisen stelt, mits de prijs meebeweegt. Een indiener heeft vanuit landbouwkundig oogpunt minder moeite met windmolens dan met zonnevelden. Het gaat om de indieners met nummer 8, 9, 22, 25, 26, 34. Reactie gemeente De gemeente onderkent dat veel opgaven op het landelijk gebied afkomen en dat deze opgaven een behoefte aan grond met zich meebrengen. Al in hoofdstuk 1 van de Visie is onder het kopje ‘meer claims dan grond’ het dilemma benoemt.

Méér ruimte maken is echter niet mogelijk, wel kan ruimte slimmer worden gebruikt door functies te combineren en door keuzen te maken. In gebiedsprojecten wil de gemeente verschillende opgaven met elkaar verbinden om zo de ontwikkeling in goede banen te leiden en met meervoudig grondgebruik de gronddruk wat te beperken. Vanuit haar publieke rol hecht de gemeente bij de afweging van initiatieven meer aan het algemeen belang dan het private belang. De vier ontwikkelingsprincipes in de Visie geven daarbij een handvat om tot de afweging te komen. De nog te herziene Gids buitenkans werkt nadere regels uit. Dat de diverse gebruiksvormen van grond (natuur, landbouw, bos, recreatie, zonnevelden etc.) een verschillend verdienmodel kennen en daarmee ook met andere grondkosten kunnen rekenen is niet aan de gemeentelijke overheid. Wel komt het in de zienswijze genoemde bedrag van € 40.000 over als zware overschatting. De gemeente heeft een beperkte oppervlakte grond in eigendom in het landelijk gebied. De bij de Visie gevoegde ‘Evaluatie landelijk gebied Enschede’ geeft op blz 36 de kaart van de bezittingen in mei 2020. Het doel waarvoor gronden zijn aangekocht blijven voorop staan bij het inzetten van deze gronden. Bij het tijdelijk in gebruik geven van die gronden zal de gemeente, zoals in de Visie staat, de ambities van deze Visie betrekken.

Dat zal voor landbouwgrond veelal gebruik zijn voor het verder ontwikkelen van kringlooplandbouw. Nadrukkelijk wordt gesteld dat de beperkte omvang van het gemeentelijke grondbezit maakt dat de betekenis voor het ontwikkelen van kringlooplandbouw bescheiden is. Ook kan de grond nodig blijken te zijn voor andere gemeentelijke doelen. De spelregels voor uitgifte moeten nog worden uitgewerkt. Daarbij zal -met rekenschap van andere doelen van de 12

gemeente- maximaal worden ingezet op het ondersteunen van duurzaamheid, kringlooplandbouw van Enschedese landbouwbedrijven. De eisen die de gemeente stelt zullen in de prijs voor het gebruik tot uitdrukking komen. De gemeente moet daarbij algemene spelregels in acht nemen, zoals voor rechtsgelijkheid, die beperkingen met zich mee kunnen brengen om eisen te stellen en om bepaalde groepen uit te sluiten of te bevoordelen. Conclusie De Visie is al in overeenstemming met de zienswijzen en om die reden is geen aanpassing aangebracht.

Onderwerp H: economische dragers Zienswijzen Een aantal zienswijzen gaat over het versterken van de economische basis van landbouwbedrijven en landgoederen. De suggesties gaan over verbreding van de bedrijfsvoering met bijvoorbeeld recreatieve voorzieningen en natuur en landschapsonderhoud. Uit groenblauwe diensten kunnen agrarische bedrijven een verdienmodel halen zodat het landschap wordt onderhouden en verduurzaming kan plaatsvinden. Dat verdient zich ook weer (deels) terug, omdat het buitengebied het visitekaartje is voor toerisme. De gemeente wordt gevraagd om impulsen te geven, door bijvoorbeeld planologische ruimte te bieden aan initiatieven of landbouwers in te schakelen bij bermbeheer, betaalde ecosysteemdiensten te ondersteunen en pioniers behulpzaam te zijn bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van verdienmodellen met lokale en eerlijke producten. Gevraagd wordt om passende en meerjarige vergoedingen in samenwerking met landgoederen, groenorganisaties, Landschapsfonds Enschede en een fonds landelijk gebied. Daarbij wordt gesteld dat de versterking van de groenblauwe structuur niet van bovenaf moet worden opgelegd. Een verdienmodel moet de basis vormen. Het gaat om de indieners met nummer 3, 8, 9, 11, 14, 26.

Reactie gemeente Als de grondeigenaren en (agrarische) bedrijven en landgoederen voldoende inkomsten kunnen verkrijgen, zijn zij veelal ook beter in staat om de Groene Pijler met landschap en natuur te beheren en in stand te houden. Daarom wil de gemeente met de betrokkenen de zoektocht aangaan naar verdienmodellen die daaraan bijdragen. Vooraf gelden daarbij drie kanttekeningen. Voorop staat dat de landgoedeigenaar of de agrariër in eerste instantie zelf aan zet zijn bij het verkrijgen van voldoende verdiensten. De gemeente gaat niet op de stoel van de eigenaar of ondernemer zitten. Ook is geen sprake van dwang. Ten tweede moet er balans zijn tussen beschermen en benutten. Een voorziening die verdiensten oplevert moet niet ten koste gaan van de kwaliteit van de Groene Pijler. Daarom bevat de Gids buitenkans afwegingsregels en wordt bijvoorbeeld via een Fonds landelijk gebied een verplichte afdracht in het vooruitzicht gesteld bij bepaalde initiatieven. De derde kanttekening is dat de gemeente beperkte mogelijkheden heeft, die samengevat bestaan uit planologische mogelijkheden, directe ondersteuning met middelen en ondersteuning met kennis en contacten. Deze reactie gaat op alle drie deze mogelijkheden in. -

Planologische ruimte Een landgoedeigenaar ziet bijvoorbeeld mogelijkheden om met recreatieve voorzieningen inkomsten te genereren, waarmee het beheer van het landgoed duurzaam in stand kan blijven. De Visie geeft in grote lijnen de mogelijkheden weer en de Gids buitenkans werkt uit wanneer en onder welke voorwaarden daarvoor ruimte wordt geboden. Altijd gaat het daarbij om balans tussen de voordelen van het initiatief en de bescherming van de kwaliteiten van het landelijk gebied.

-

Directe ondersteuning De gemeente ondersteunt de toename van groenblauwe diensten. De gemeente beschikt echter maar in beperkte mate over de middelen om zelf structurele afspraken te maken. Daarvoor is samenwerking nodig met andere overheden en partners die geld willen steken in het beheer van natuur en landschap. In de Visie staat wel dat de gemeente het berm- en slootkantbeheer op een duurzamer en meer ecologische wijze wil uitvoeren en dat wordt bezien of daarbij landbouwers kunnen worden ingeschakeld. Ook wil de gemeente meer houtwallen onder een beheerregeling brengen, als daarvoor middelen beschikbaar komen. De 13

gemeente heeft bijvoorbeeld de bloemrijke akkerranden opgenomen in de opgaven van hoofdstuk 6. -

Ondersteuning met kennis en contacten De eigenaren en ondernemers zijn als eerste aan zet bij behoud en ontwikkeling van het eigen landgoed of de bedrijfsvoering van het landbouwbedrijf. In hoofdstuk 5 van de Visie is zowel onder het thema landbouw als onder het thema landgoederen opgenomen dat de gemeente wil ondersteunen met samengevat kennis en contacten, door verbindingen te leggen, stimulansen te geven etc. Dat wil niet zeggen dat alles kan en mag wat de eigenaar of de ondernemer voorstelt, maar wel dat de gemeente de zoektocht naar economische dragers op landgoederen en nieuwe verdienmodellen in de landbouw wil ondersteunen en begeleiden.

Conclusie De gemeente steunt (landgoed)eigenaren en (agrarische) ondernemers in het landelijk gebied bij hun zoektocht naar verdienmodellen die hen in staat stellen een deel van het landelijk gebied duurzaam en groen te beheren. De Visie geeft de bescheiden mogelijkheden van de gemeente daarvoor weer. De Visie hoeft op dit punt niet te worden aangepast. De mogelijkheden om deze ondersteuning in te vullen hangt mede af van de personele en financiële ruimte voor de opgaven die in hoofdstuk 6 van de Visie zijn opgenomen zoals onder meer: bloemrijke akkerranden, beheer van houtwallen en landschapselementen, duurzaam berm- en slootkantbeheer, verduurzaming landbouw, toekomst landgoederen.

Onderwerp I: Kringlooplandbouw Zienswijzen De Visie maakt niet duidelijk wat met het in de Visie veelgenoemde begrip kringlooplandbouw wordt bedoeld. De melkveehouders in Enschede zijn daar al volop mee bezig, sinds 2017 volgens de verplichte kringloopwijzer. Daarmee kan de melkveehouder duurzaam voedsel produceren en tegelijkertijd kosten besparen. Ook al is het begrip nog vaag, wel duidelijk is dat landbouwbedrijven niet intensiever worden en grond nodig hebben. Het gaat om de indieners met nummer 8, 14, 34. Reactie gemeente Kringlooplandbouw is een belangrijke pijler onder het landelijke beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In overleg met de sector wordt de kringlooplandbouw uitgewerkt. Uit het realisatieplan ‘Op weg met nieuw perspectief’ van het ministerie van LNV valt op te tekenen: Bij kringlooplandbouw is het doel om waardevol voedsel te produceren met zo min mogelijk effecten op natuur, milieu en klimaat. De waarde van kringlooplandbouw is daardoor meer dan de som van de afzonderlijke delen: naast het verminderen van emissies, het beter benutten van biomassa voor in eerste instantie voeding of bodem en het versterken van de verbinding tussen landbouw en natuur, levert het ook een weerbaar en veerkrachtig landbouwen voedselsysteem op, in economisch, ecologisch en sociaal opzicht.

Zo kan de landbouw haar belangrijke bijdrage blijven leveren aan onze economie. In een stelsel van kringlooplandbouw gebruiken akkerbouw, veehouderij en tuinbouw in de eerste plaats grondstoffen uit elkaars ketens en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en de voedingsketens.

14

Conclusie In de Visie is bij het onderwerp landbouw de hierboven staande toelichtende tekst opgenomen over kringlooplandbouw.

Onderwerp J: Intensivering van de landbouw en biodiversiteit Zienswijzen Een drietal zienswijzen constateert dat het alarmerend slecht gaat, spreekt over een dramatische achteruitgang of een explosieve daling van de biodiversiteit. De biodiversiteit in Enschede is zeker geen uitzondering. In de Visie klinkt deze urgentie niet voldoende door. Herstel van de groenblauwe dooradering wordt een belangrijke sleutel tot herstel genoemd. Een indiener is trots op het mooie buitengebied, maar mist biodiversiteit. Dat komt mede doordat weilanden tot de millimeter worden bewerkt. Er zouden meer groenstroken moeten zijn en land braak worden gelegd, zodat weer plek ontstaat voor patrijzen en kwartels. Wellicht kunnen boeren daar een jaarlijkse vergoeding voor krijgen. Vier andere zienswijzen stellen dat de uitspraak in de Visie niet is onderbouwd dat deze achteruitgang van de biodiversiteit het gevolg is van het intensieve landbouwgebruik. De melkveehouderij in Enschede is immers relatief extensief en agrarische ondernemers zijn actief bezig meer natuurinclusief te denken en doen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, kunstmest en dierlijke mest zijn de afgelopen 30 jaar sterk gereduceerd, het aantal bedrijven is drastisch gedaald en er is nagenoeg geen intensieve veehouderij meer. De landbouw is de laatste tientallen jaren extensiever geworden.

Het gaat om de indieners met nummer 2, 8, 11, 14, 24, 25, 27, 30. Reactie gemeente De teruggang van de biodiversiteit is een mondiaal vraagstuk. Net als Nederland geen uitzondering is op wereldschaal, is ook Enschede binnen Nederland geen uitzondering, ook al wordt het landelijk gebied van Enschede relatief extensief gebruikt. Dat blijkt al direct uit de verhouding tussen het aantal hectaren in gebruik voor bos, natuur en landbouw. Het landschap is nog steeds afwisselend met veel natuurlijke elementen tussen de weilanden en akkers. Enschede kent echter ook een dicht bewoond en drukbezocht buitengebied met veel verkeersbewegingen en daardoor ook verstoring. Het areaal dat voor landbouw gebruikt wordt, met name gras en mais kent een beperkte natuurlijke variatie. Een aantal agrariërs wil bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit, maar dat betekent extensivering van de bedrijfsvoering met minder opbrengsten of hogere kosten. Ondersteunende maatregelen en middelen zijn nodig om hier stappen in te maken. De Visie landelijk gebied wil 15

ondersteuning bieden. Bloemrijke akkerranden is een voorbeeld, de ontwikkeling van kringlooplandbouw levert een bijdrage, de inzet van gemeentelijke grond daarbij kan behulpzaam zijn. Het zijn echter vooral de ondernemers zelf en omstandigheden die voortkomen uit de landelijk regelgeving en de vraag van de consumenten die doorslaggevend zijn bij de ontwikkeling naar een landbouw met meer biologische variatie. Het planbureau voor de leefomgeving geeft overigens nadere informatie over de teruggang van de biodiversiteit. Het verlies aan biodiversiteit in Nederland is grotendeels veroorzaakt door landbouw en verstedelijking, zowel door areaalverlies als door milieudruk en versnippering. 70 procent van het Nederlands landoppervlak wordt dan ook agrarisch gebruikt. Verwacht wordt dat de nu nog bescheiden druk van klimaatverandering op de Nederlandse biodiversiteit in de toekomst zal toenemen (Verboom et al. 2010). https://themasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/jaargang-2014/natuur/biodiversiteit-en-oorzaken-van-verliesin-europa Conclusie De Visie wordt naar aanleiding van de zienswijzen niet aangepast.

Onderwerp K: de versterking van de band tussen boer en burger Zienswijzen In drie zienswijzen wordt uitdrukkelijk benoemd dat het buitengebied van Enschede meer aandacht verdient. De kwaliteit van het buitengebied onderscheidt Enschede van andere steden en is misschien wel de beste secondaire arbeidsvoorwaarde voor werkenden. Indiener vindt het prachtig om te lezen dat de Visie deze kwaliteit onderkent, de intentie heeft om het besef van waarde bij de inwoners te vergroten en meer verbinding te maken tussen stad en platteland. Het is daarom van belang om een krachtig buitengebied te behouden. Een indiener noemt de landbouw de belangrijke economische factor. De landbouw is samen met de landgoederen de drager van een vitaal, veerkrachtig en aantrekkelijk landelijk gebied. Indieners benadrukken het belang van het betrekken van de stadsburger bij het buitengebied. Mensen die in de stad wonen zijn over het algemeen minder geïnteresseerd in hoe wordt omgegaan met het buitengebied, simpelweg omdat ze daar niet in de buurt wonen of amper komen. Als men het buitengebied meer waardeert, zal er ook minder afval gedumpt worden. Met verplichte boerderijbezoeken van basisschoolkinderen betrek je de jeugd bij wat er allemaal groeit en bloeit in het buitengebied. Een indiener ontvangt al jaren klassen en dat geeft veel positiviteit van beide kanten.

Gevraagd wordt om een proactieve rol te pakken om meer verbinding tussen de mensen en activiteiten van de stad en het buitengebied aan te brengen. De terugtredende overheid lijkt op zijn retour. Voor het versterken van de verbinding tussen stad en platteland adviseert een indiener om de groenblauwe structuren in het stedelijk gebied (pleinen, straten, parken, singels, radialen en beken) ook op te nemen in de Visie landelijk gebied. Want ze vormen samen met het groen in het buitengebied een groot lommerrijk stadslandschap met ecologische verbindingen en verbinding in de beleving van fietsers en wandelaars. Het gaat om de indieners met nummer 2, 7, 9, 21, 30. Reactie gemeente De genoemde zienswijzen geven treffend weer wat de betekenis is van het buitengebied voor de hele stad. Dat het buitengebied grote waarde heeft voor het woon-, werk-, en leefklimaat in de hele gemeente is een belangrijk motief om zwaarder dan in het verleden in te zetten op zowel het behoud en de versterking van het buitengebied zelf als op de verbinding tussen stad en land. Daarbij gaat het om het over en weer bezoek, om het benutten van elkaars economische mogelijkheden, om fysieke verbindingen van bijvoorbeeld water en natuur en om het menselijk contact tussen de bewoners van stad en buitengebied.

De zienswijzen ondersteunen het belang van het ontwikkelingsprincipe (hoofdstuk 4) dat inzet op het versterken van de relatie tussen stad en landelijk gebied. Zoals in enkele zienswijzen is genoemd zijn het contact, kennis en begrip over elkaar van belang. De gemeente wil bijvoorbeeld kennis aanbieden om het waardebesef en de kennis over het buitengebied te vergroten. Daarvoor 16

werkt de gemeente samen met anderen onder de noemer van ‘educatie’ (zie onder de opgaven in hoofdstuk 6) aan het vergroten van kennis en betrokkenheid met alle facetten in het landelijk gebied. Een bijzonder element van de hoge kwaliteit van de leefomgeving in Enschede zijn de groene lobben van het buitengebied die tot ver in de stad reiken. In een van de zienswijzen wordt gesteld dat ook andersom moet worden gekeken naar de groenblauwe structuren in de stad die verbinding hebben met het buitengebied en daarmee een samenhangend geheel vormen. Naar aanleiding van deze zienswijze wordt op de Visiekaart deze relatie met verbindende groene pijlen zichtbaar gemaakt. Deze hebben ook betekenis voor de ontwikkeling van het groen in het stedelijk gebied. Voor recreatie en toerisme is het van belang dat de doorlopende groene structuren zichtbaar en beleefbaar zijn. Conclusie De zienswijzen ondersteunen de Visie en bieden extra motivering voor het ontwikkelingsprincipe en de activiteiten die de verbinding tussen stad en land versterken. De voordelen die de hele gemeente en alle inwoners en bedrijven ondervinden van het unieke samenstel van stad en land wordt te vaak als vanzelfsprekend opgevat. Het is een kwaliteit die moet worden gekoesterd en versterkt. Ook in economisch opzicht is investeren in de kwaliteit van het buitengebied een investering in de hele stad.

In het ambitiehoofdstuk wordt de unieke positie en de grote waarde van de verbinding tussen stad en land nog wat prominenter naar voren gebracht. Op de Visiekaart worden de fysieke groene verbindingen zichtbaar gemaakt.

17

3. Samenvatting en beantwoording per zienswijze Indiener 1 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze In algemene zin vinden wij het een mooie visie, met aandacht voor verschillende urgente thema’s, die uitnodigt om concreet mee te denken over oplossingen/maatregelen. Het lijkt ons echter wel wenselijk dat in de visie meer accenten worden aangebracht: welke problemen/opgaven verdienen de hoogste prioriteit? Wat wordt als eerste opgepakt? Daarnaast kunnen wij ons voorstellen dat meer focus de leesbaarheid van de visie vergroot. Bij het thema ‘Verkeer en vervoer’ adviseren wij om in de ambitie en aanpak meer aandacht te geven aan het belang van gezond bewegen. Het is voor ons onvoldoende duidelijk wat de ambitie van de gemeente Enschede hierop is.

Bij het thema ‘Leefbaarheid’ missen wij de aandacht voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van (noodzakelijke) voorzieningen voor ouderen. In de visie wordt gesproken over ‘de nabijheid van de stad met alle voorzieningen…’, maar geldt dit ook voor ouderen?

Beantwoording gemeente De gemeente neemt dit compliment met dank in ontvangst.

De reactie staat in het hoofdstuk met de gebundelde reacties onder onderwerp B.

De gemeente onderstreept het belang van gezond bewegen. Een aantrekkelijk en toegankelijk buitengebied draagt daar op een laagdrempelige manier aan bij. Mede om die reden gaat de Visie in op het ontwikkelen en in stand houden van routes en kiest de Visie voor een gebiedsaanpak in de ‘stadsrand’. In de tekst onder het thema ‘recreatie’ wordt het beleefbaar maken van het buitengebied onderstreept. Door het buitengebied meer aantrekkelijk en beleefbaar te maken wordt ook het gezond bewegen bevorderd. Het beleid voor gezond bewegen staat in het Sportbeweeg- en leefstijlakkoord. https://sportaal.nl/assets/Uploads/Sport-Beweeg-enLeefstijlakkoord-Enschede-definitief.pdf Dat gaat ook om bewegen in het buitengebied, waarbij de Visie landelijk gebied meehelpt om routes in stand te houden en waar mogelijk aan te vullen. De stad is nabij, maar dat neemt niet weg dat de voorzieningen in het buitengebied over het algemeen op wat grotere afstand liggen dan in de stad. Dat geldt voor iedereen, dus ook voor ouderen die verkiezen in het buitengebied te wonen. Wel zijn veel voorzieningen -ook die voor ouderen- steeds beter digitaal toegankelijk, denk bijvoorbeeld aan vormen van thuiszorg die via beeldverbindingen mogelijk worden. Mede daarom draagt de gemeente bij aan goede internetverbindingen op het platteland.

Ondersteunend bij het tegengaan van eenzaamheid zijn (digitale) communicatiemiddelen (o.a. bellijnen en de digitale wijkwijzer) en de mogelijkheid gebruik te maken van vervoersvoorzieningen als een buurtbus (Boekelo) of AutoMaatje. Ook het door Wijkteams Enschede geïndiceerde vervoer – regiotaxi – is mogelijk indien de situatie daarom vraagt. In de regio wordt bovendien 18

Zienswijze

Ten aanzien van ‘Energie’ geldt ‘het streven dat in 2030 tenminste 20% van de daken met zonnepanelen is belegd’ en er wordt voorkeur gegeven aan ‘de plaatsing van zonnepanelen op daken, parkeerterreinen en andere onbenutte ruimtes in de bebouwde kom’. Indiener onderstreept deze voorkeur, vanuit gezondheidskundig perspectief en het behoudt van een groene omgeving. Een groene omgeving heeft een aangetoond positief effect op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen die in een groene omgeving wonen, werken en recreëren. Bij ‘Instrumenten’ en ‘Gereedschapskist’ staat ‘Overleg met inwoners en bedrijven’ vrij onderaan. Wij zien graag dat inwoners tijdig bij initiatieven / veranderingen worden betrokken. Daarom stelt indiener voor om hen eerder in het rijtje te noemen. Ten slotte denkt indiener graag mee bij de verdere uitwerking van de opgaven en gebiedsaanpakken.

Beantwoording gemeente samengewerkt aan de MaaS pilot Twente (Mobility as a Service). Een app (genaamd: GOAN) maakt de vervoersmogelijkheden zichtbaar, zoals openbaar vervoer, deelauto, regiotaxi en ook AutoMaatje. Deze zienswijze steunt de keuze, die is gemaakt in de gemeentelijke Energievisie, om daken, parkeerterrein en andere onbenutte ruimtes zoveel als mogelijk met zonnepanelen te beleggen. De keuzen rond de energietransitie zijn toegelicht in het hoofdstuk met de gebundelde reacties onder onderwerp E.

De reactie staat in het hoofdstuk met de gebundelde reacties onder onderwerp A.

De gebiedsaanpak is van belang en bij de uitwerking is inbreng van indiener heel welkom.

Conclusie: De reactie op de gebundelde zienswijzen en de daaraan te verbinden conclusies staan in hoofdstuk 2. Onder het thema Recreatie in hoofdstuk 5 van de Visie is extra aandacht besteed aan het beleefbaar maken van het buitengebied. Bezoek aan het buitengebied brengt ‘als vanzelf’ veelal ook gezond bewegen met zich mee. De overige delen van deze zienswijze ondersteunen de Visie en geven geen aanleiding tot het aanpassen van de tekst.

Indiener 2 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze Geen windmolens en zonneparken in het landelijk gebied. Windmolens komen te dicht bij woningen en geven geluidsoverlast en slagschaduw, verpesten het landschap en zijn schadelijk voor vogels. Op zonneparken leeft niets, staat een groot hek heen en is pure verkwisting van het landschap. Leg eerst daken van huizen en bedrijven vol met zonnepanelen of leg ze langs de autowegen. Er zijn zoveel alternatieve plaatsen. We zijn trots op ons mooie buitengebied, maar ik mis biodiversiteit. Dat komt mede doordat weilanden tot de millimeter worden bewerkt. Er zouden meer groenstroken moeten zijn en land braak worden gelegd, zodat weer plek ontstaat voor bv patrijzen en kwartels. Wellicht kunnen boeren daar een jaarlijkse vergoeding voor krijgen. Indiener vraagt om goed te luisteren naar de bewoners in het buitengebied.

Beantwoording gemeente De reactie staat in het hoofdstuk met de gebundelde reacties onder onderwerp E.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=3e6872ba-9141-4289-81c0-6cebb09e2d0b