Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling_Visie Landelijk Gebied
Tekst van het document
3.9
Duurzaamheid en klimaat
In de visie is veel aandacht voor duurzaamheid en klimaat, zoals kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw. De visie geeft op veel van deze punten echter weinig concrete opgaven. Het gaat vooral om aanmoedigen en processen, waarbij vooral de eigenaren/ondernemers zelf als eerste aan zet zijn. Wel geeft de visie bijvoorbeeld duidelijk aan dat ingezet wordt op het tegengaan van verdroging (zie paragraaf 3.3) en wordt gemeentelijke grond ingezet (tegen lage prijs) voor landbouwers die meegaan in ambities van de visie, zoals het sluiten van kringlopen. Ook is er een concrete opgave opgenomen voor het realiseren van twee voedselbossen voor 2030, al is het de vraag of dit duurzamer is dan bijvoorbeeld verbouw en (lokale) verkoop door een landbouwbedrijf. Op gebied van (grootschalige) energieopwekking geeft de visie geen nieuwe kaders, omdat deze al gegeven worden vanuit de Energievisie. Conclusie en mitigerende maatregelen De visie zorgt niet voor negatieve effecten op gebied van duurzaamheid en klimaat (mitigatie is niet nodig). In vervolgprojecten/-visies is het wenselijk dat concrete kaders worden opgenomen (buiten energie) voor het treffen van maatregelen op gebied van duurzaamheid en klimaat.
- 23 -
3.10
Sociale aspecten en leefbaarheid
De visie zorgt net voor negatieve effecten voor zover het gaat om zaken als gedwongen verhuizingen of een afname van voorzieningen. Dat laatste wordt wellicht zelfs beter in de stadsrandzone. Voor diezelfde stadsrandzone is er tegelijkertijd een risico dat het ‘drukker’ wordt in het gebied en er minder rust wordt ervaren zodra er meer toeristische-recreatieve ontwikkelingen zijn (verblijfsrecreatie, horeca, wandelpaden etc.) of bijvoorbeeld een ‘pilot’ op gebied van wonen (zoals tiny houses of een woonvorm voor ouderen). De andere kant van diezelfde medaille is dat er lokaal meer levendigheid zal zijn, wat door veel mensen als positief wordt ervaren. Een ander aandachtspunt op gebied van sociale veiligheid is de ambitie om verlichting langs wegen in het buitengebied waar mogelijk af te bouwen. En nieuwe openbare verlichting wordt alleen geplaatst op aantoonbaar gevaarlijke kruispunten en langs belangrijke fietsroutes. Deze ambitie mag niet leiden tot een groot gevoel van onveiligheid. Op een aantal ‘zachtere’ punten doet de visie ook relevante uitspraken ten aanzien van leefbaarheid. Zo is toezicht en handhaving belangrijk voor het inperken van overlast en ondermijning (criminaliteit in leegstaande bebouwing bijvoorbeeld) en is ruimte voor mantelzorg nodig (geen grootschalige nieuwe zorgvoorzieningen).
Een gebiedsaanpak (proces) is nodig om de leefbaarheid te waarborgen zodra er meerdere of grote ontwikkelingen in een gebied gaan gebeuren, zoals een zonneveld en natuurinrichting. Voor een goed woonklimaat is tot slot ook het voorkomen van (veel) milieuhinder van belang. Dat kan vooral door afstand te houden tussen gevoelige functies (zoals woningen) en bronnen van hinder en drukte (zoals industrie, veehouderijen, drukke wegen en recreatieve voorzieningen). Conclusie en mitigerende maatregelen Op voorhand zijn er geen grote negatieve effecten ten aanzien van sociale aspecten en leefbaarheid te verwachten, maar bij nadere uitwerking van projecten is er wel aandacht voor nodig. Met name op plekken waar nieuwe ontwikkelingen samen kunnen komen, zoals de stadsrandzone. Met een gebiedsproces en het houden van voldoende afstand tussen gevoelige functies en bronnen van hinder en drukte (ook als wettelijke waarden niet worden overschreden), kan een goed woonklimaat geborgd worden.
- 24 -
4
Conclusie
Deze notitie gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn vanwege de aard van het voornemen (Visie Landelijk gebied), de kenmerken van de omgeving of de impact van het voornemen op de omgeving, die aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor de structuurvisie. In hoofdstuk 3 zijn de mogelijke effecten van het voornemen beschreven en zijn waar nodig mogelijkheden aangegeven om de mogelijke negatieve effecten te mitigeren, compenseren of anderszins op te lossen. Het overheersende beeld is dat voor de meeste onderzochte aspecten vooral positieve of neutrale effecten van de visie te verwachten zijn. Uitvoering van de beoogde ontwikkelingen volgens de visie zorgt over het algemeen dus voor een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie. Ten aanzien van een aantal aspecten geldt dat er op onderdelen kans is op (licht) negatieve effecten en/of moeten nadere onderzoeken worden uitgevoerd zodra de beoogde ontwikkelingen meer concreet worden uitgewerkt (bijvoorbeeld in een bestemmingsplan). De exacte maatregelen zijn op basis van de visie nog niet aan te geven. Op basis van de beschreven effecten in hoofdstuk 3 kan het bijvoorbeeld gaan om: - Flora en fauna: Bij een project kan het op basis van onderzoek nodig zijn om effecten op (beschermde) soorten te voorkomen/mitigeren. Dat kan onder andere door zorgvuldige locatieen ontwerpkeuzes.
Dit is afhankelijk van de aard, de locatie en het tijdstip van een ontwikkeling. Eventueel is dan een ontheffing van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk, indien mitigerende maatregelen niet voldoende getroffen kunnen worden. - NNN: bij een concrete ontwikkeling in NNN zijn mogelijk mitigerende of compenserende maatregelen zijn mogelijk. Daarnaast wordt aangeraden om bij ontwikkelingen in de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ en/of grenzend aan de NNN rekening te houden met natuurwaarden in het ontwerp. - Bodem: Bij een concrete ontwikkeling zal gekeken moeten worden naar de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse (en of en hoe de ontwikkeling doorgang kan vinden). - Landschap: Met name in de stadsrandzone is het tegengaan van verrommeling/te grote druk op het ruimtegebruik een uitdaging. Hier zal duidelijk aandacht voor moeten zijn bij de nadere uitwerking van projecten. - Archeologie: Archeologisch onderzoek is mogelijk nodig bij de uitwerking van ontwikkelingen. - Geluid: Bij concrete nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten nabij (spoor)wegen of gezoneerde industrieterreinen is waarschijnlijk een geluidonderzoek nodig. Geluidhinder kan zoveel mogelijk worden voorkomen door voldoende afstand te houden tot nieuwe geluidgevoelige objecten of door slimme ontwerpkeuzes.
Dat kan ook relevant zijn wanneer de wettelijke waarden niet worden overschreden. Sociale aspecten en leefbaarheid: Met name op plekken waar nieuwe ontwikkelingen samen kunnen komen, zoals de stadsrandzone, is aandacht nodig. Dat kan met een gebiedsproces en bijvoorbeeld het houden van voldoende afstand tussen gevoelige functies en bronnen van hinder of drukte. Conclusie en te nemen besluit bevoegd gezag Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de Visie Landelijk gebied, mede gelet op een integrale beoordeling van alle relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Oftewel, voor alle beschreven (milieu)aspecten (zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang), bezien in samenhang met de kenmerken van het project en de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving /locatie van het project, zijn geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu te verwachten. Bij uitwerking in concrete projecten kan mitigatie of vervolgonderzoek nodig blijken, zoals hiervoor benoemd, maar deze noodzaak staat op voorhand niet vast. Ook met inachtneming van eventueel benodigde mitigerende maatregelen of vervolgonderzoek zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten.
- 25 -
Op basis van de informatie in voorliggende notitie neemt het bevoegd gezag (het college van B&W van gemeente Enschede) een m.e.r.-beoordelingsbesluit waarin zij aangeeft of een volledige m.e.r.procedure nodig is.
- 26 -