Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling_Visie Landelijk Gebied
Tekst van het document
Notitie t.b.v. vormvrije m.e.r.-beoordeling Visie Landelijk gebied
Datum: 27 januari 2021 Opgesteld door: S. Kampkuiper (afdeling Bestemmen) Gecontroleerd door: J. Dijk (afdeling Beleid )
-1-
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING Initiatiefnemer en het bevoegd gezag Aanleiding en doel van deze notitie Plicht tot vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoud van de notitie
3 3 3 3 6
2 2.1 2.2
DE PLAATS EN DE KENMERKEN VAN HET PROJECT De plaats van het project De kenmerken van het project
8 8 9
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10
KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN Referentiesituatie voor effectbeschrijving Natuur Water en bodem Landschap, cultuurhistorie en archeologie Verkeer Luchtkwaliteit en geur Geluid Externe veiligheid Duurzaamheid en klimaat Sociale aspecten en leefbaarheid
15 15 16 19 20 22 22 22 23 23 24
4
CONCLUSIE
25
-2-
1 1.1
Inleiding Initiatiefnemer en het bevoegd gezag
Gemeente Enschede treedt op als initiatiefnemer en bevoegd gezag om een besluit te nemen over de mogelijke m.e.r.-plicht voor de structuurvisie.
1.2
Aanleiding en doel van deze notitie
De gemeente Enschede stelt de Visie landelijk gebied op die richting geeft aan het behoud en de ontwikkeling/verbetering van het landelijk gebied voor de komende tien jaar. Op basis van de kenmerken van de voorgenomen activiteiten geldt een plicht tot een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze plicht is onderbouwd in de volgende paragraaf (1.3). De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets, waarin aan de hand van in de Europese m.e.r-richtlijn opgenomen criteria wordt beoordeeld of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en al of niet sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De criteria hebben betrekking op de kenmerken van het project, de locatie van de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect (zie paragraaf 1.4). Het doel van voorliggende notitie is om te beschrijven wat de aard en omvang van de ontwikkelingen en de bijbehorende milieueffecten zijn en of deze zodanig zijn dat een m.e.r.-procedure (het opstellen van een MER) nodig is. Op basis van voorliggende notitie kan het bevoegd gezag (gemeente Enschede) beoordelen en besluiten of zij voor de structuurvisie een m.e.r.-procedure nodig acht. Het besluit om al dan niet een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen wordt benoemd in de structuurvisietekst.
1.3
Plicht tot vormvrije m.e.r.-beoordeling
1.3.1 Besluit m.e.r. Bij ruimtelijke plannen en besluiten, waaronder voorliggende structuurvisie, die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet bekeken worden of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen in ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.).is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r.
opgenomen indicatieve ‘drempelwaarden’. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben. Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.(beoordelings)procedure worden doorlopen. 1.3.2 Toetsing (structuur)Visie landelijk gebied aan Besluit m.e.r. In pararaaf 2.2. zijn de kenmerken van het project uitgebreid beschreven. Daaruit blijkt dat de visie veel vrij algemene ambities bevat en op een aantal punten meer concrete, kaderstellende uitspraken doet
-3-
voor latere ruimtelijke besluiten (zoals bestemmingsplannen) waarin beoogde ontwikkelingen uitgewerkt kunnen worden. Deze concrete uitspraken in de visie over beoogde ontwikkelingen zijn getoetst aan het Besluit m.e.r. door deze uitspraken/beoogde ontwikkelingen te toetsen aan de beschrijving van (mogelijk) relevante activiteiten uit Besluit m.e.r. en de bij deze activiteiten behorende drempelwaarden. D 9: Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan. Drempelwaarden: “In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 1°. een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of 2°. vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer.” In de visie worden onder andere uitspraken gedaan over het helpen van eigenaren van landgoederen en het aanmoedigen van beekherstelprojecten. Ook wordt aangegeven dat gemeentelijke grond (zeer beperkt bezit) voor landbouwers ingezet kan worden die meegaan in de ambities t.b.v. sluiten van kringlopen. Dat kan bijv. een kavelruil t.b.v. agrarische structuur betekenen. Er worden echter geen concrete landinrichtingsprojecten benoemd dan wel locaties of groottes van projecten. Daarnaast gaat het vooral om kleine ingrepen, zoals aanleg, herstel en beheer van kleine landschapselementen, natuurlijke akkerranden en natuurherstel langs beken.
Daarmee is er in de visie zeer waarschijnlijk geen sprake van landinrichtingsprojecten als bedoeld in Besluit m.e.r. en zeker geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde. D11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Drempelwaarden: “In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De concrete uitspraken in deze visie hebben geen betrekking op een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in Besluit m.e.r. Concrete ontwikkelmogelijkheden voor wonen, werken, (verblijfs)recreatie etc. zijn zeer beperkt en veelal alleen mogelijk zonder uitbreiding van het gebouwde volume. Voor een nieuwe woning moet bijvoorbeeld een grote oppervlakte aan bestaande bebouwing gesloopt worden. Daarnaast zal het gaan om verspreid liggende initiateven. Over toekomstige stadsuitbreidingen doet de visie geen concrete uitspraken, zowel niet qua locatie als grootte/aantallen. Enkele meer algemene uitspraken kunnen uiteindelijk mogelijk wel leiden tot een klein stedelijk ontwikkelingsproject, afhankelijk van de aard, omvang en locatie van het project. Dat is pas duidelijk zodra een project wordt uitgewerkt.
Het kan bijvoorbeeld gaan om een ‘experiment’ (bijv. pilot voor bijzondere woonvorm voor ouderen of tiny houses) of toevoeging van (kleinschalige) verblijfsaccommodaties en (kleinschalige) horeca en leisure-concepten. Met name bij een combinatie daarvan (visie beoogt concentratie in stadsrand) kan er mogelijk sprake zijn van een klein ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in Besluit m.e.r. Als er al sprake zou zijn van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in Besluit m.e.r. op basis van deze minder concrete uitspraken, dan zal dat in geen geval kunnen leiden tot een overschrijding van de bijbehorende drempelwaarden. D 14 De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Drempelwaarden: “In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1°. 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J), 2°. 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3),
-4-
3°. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), 4°. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1), 5°. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3), 6°. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2), 7°. 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), 8°. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3), 9°. 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3), 10°.1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7), 11°. 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3), 12°. 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4),of 13°. 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3).” Ten aanzien van veehouderij (en overige landbouw) geeft de visie aan dat er een belangrijke rol blijft voor de grondgebonden landbouw. Ambities richten zich op een duurzame bedrijfsvoering met kringlooplandbouw, verbrede bedrijfsvoering (naast agrarische productie bijv. waterbeheer, ecologie, landschap, recreatie, educatie) en meer op de stad betrokken bedrijfsvoering (afzet lokale/regionale kwaliteitsproducten aan stad).
De visie stelt daarvoor geen strakke kaders, maar probeert agrarische ondernemers te ondersteunen in het maken van keuzes in de richting van verduurzaming van hun bedrijfsvoering. Het is vervolgens vooral aan de ondernemer zelf om deze keuzen te maken. Een concrete uitspraak voor toetsing aan Besluit m.e.r. ten aanzien van veehouderij is dat nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven of verplaatste Enschedese bedrijven zich bij voorkeur moeten vestigen op bestaande locaties (agrarische bouwblokken). Dit betekent dat de visie geen concreet kader schept voor (locatie van) nieuwe veehouderijen of uitbreidingen van bestaande veehouderijen en de eventuele grootte daarvan. Over intensieve veehouderijen doet de visie geen uitspraken. Enkel de constatering dat concentraties van intensieve veehouderij ontbreken (er zijn slechts 4 intensieve veehouders aanwezig, zoals aangegeven in visie. Categorie D 14 van Besluit m.e.r. is daarmee niet van toepasing. D 27: De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond. Drempelwaarden: “In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. gronden met een agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 hectare of meer, of 2°.
gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 hectare of meer.” In de visie is de ambitie/opgave opgenomen dat er in de gemeente in de planperiode (t/m 2030) circa 170.000 bomen geplant worden, waarvan 120.000 in het landelijk gebied. Een groot deel van deze bomen zal geplant worden ter versterking van bestaand bos- of natuurgebied (versterken van de ‘groen-blauwe structuur’). Bebossing is in die gevallen niet ‘met het oog op een andere functie van de grond’ zoals bedoeld in Besluit m.e.r. Als we ‘worst case’ uitgaan van een evenredige verdeling van de nieuwe bomen over bos-/natuurgebied, agrarisch gebied en overig gebied, dan wordt circa 24% van de bomen in bos- en natuurgebied geplant, 69% in agrarisch gebied en 7% in overig gebied (o.b.v. grondgebruik CBS1). Dat betekent dat de 120.000 bomen als volgt verdeeld worden: 1. 28.800 bomen in bestaand bos- en natuurgebied. 1
Het landelijk gebied van Enschede omvat ongeveer 10.000 ha. Volgens CBS (2015) is daarvan: 6.913 ha agrarische grond (incl. landbouwgrond op landgoederen); 2.206 ha bos, 178 ha overige natuur en de rest bestaat uit water (spaarbekkens, kanalen etc.) en overige functies (bebouwing, recreatieterrein etc.).
-5-
2. 82.800 bomen in agrarisch gebied. 3. 8.400 bomen in overig gebied (in realiteit waarschijnlijk minder, want hier valt bijv. ook water en bestaande bebouwing onder) Zoals hiervoor aangegeven is bebossing door aanplant van bomen in bestaand bos- en natuurgebied geen bebossing ‘met het oog op een andere functie van de grond’, zoals bedoeld in Besluit m.e.r. De 28.800 bomen onder 1 tellen dus niet mee in toetsing aan de drempelwaarde. De bomen onder 2 tellen mee in toetsing aan de drempelwaarde onder 1° in Besluit m.e.r (100 ha). De bomen onder 3 tellen in mee in de drempelwaarde onder 2° (10ha). Een groot deel van de te planten bomen in agrarisch gebied zal, in lijn met de visie, worden geplant als versterking van bestaande houtwallen en lanen. Het gaat veelal om aanleg, herstel en beheer van kleine landschapselementen. Dat is niet te zien als ‘bebossing’ als bedoeld in Besluit m.e.r. Als we er toch worst case van uitgaan dat 80% van de bomen wordt ingezet t.b.v. bebossing, dan betekent dat een toename van: - Circa 30-40 hectare nieuw bos in agrarisch gebied (66.240 bomen)2 - Circa 3 a 4 hectare nieuw bos in overig gebied (6.720 bomen)2 Met de beschreven worst case aannames blijven de hoeveelheden bebossing ruim onder de drempelwaarden uit Besluit m.e.r. Overige categorieën Besluit m.e.r. De overige categorieën uit Besluit m.e.r. zijn niet van toepasing.
Relevant om daarbij te vermelden is dat de Visie landelijk gebied geen nieuwe concrete kaders schept voor: - De (grootschalige) opwekking van energie en de landschappelijke inpassing daarvan. Die kaders zijn opgenomen in de Energievisie, waarvoor een eigen planMER is opgesteld. - Waterhuishoudingsprojecten. Er worden wel ambities en opgaven uitgesproken (o.a. t.a.v. water vasthouden, water reguleren op perceelsniveau, beken laten meanderen en natuurvriendelijke oevers aanleggen), maar er zijn geen concrete locaties of projecten benoemd waar de visie een duidelijk kader voor schept. 1.3.3 Conclusie De ontwikkelmogelijkheden waarvoor de structuurvisie een kader biedt vallen deels onder activiteit D 27 en mogelijk onder activiteit D 9 of D11.2 van Besluit m.e.r. In alle gevallen blijven de ontwikkelingen ruimschoots onder de bijbehorende drempelwaarden. Hieruit volgt dat er een vormvrije m.e.r. beoordeling uitgevoerd moet worden voor de structuurvisie.
1.4
Inhoud van de notitie
Voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt, evenals voor de ‘gewone’ m.e.r.-beoordeling, dat deze inhoudelijk in moet gaan op de criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn inzake milieueffectbeoordeling (85/337/EEG zoals gewijzigd door de richtlijnen 97/11/EG en 2003/35/EG): 1. de kenmerken van het project: omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (m.n. door gebruikte stoffen of technologieën); 2. de plaats van het project (kwetsbaarheid van het omliggende milieu): bestaande grondgebruik, rijkdom, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen, opnamevermogen van het natuurlijke milieu (met name aandacht voor gebieden als wetlands, reservaten en 2
Worstcase aanname van circa 2.000 bomen/ha nieuw bos. Bronnen over aantal bomen per ha nieuw bos lopen uiteen. Staatsbosbeheer, in interview met NOS, gaat uit van circa 4.000 bomen per ha nieuw bos (500ha = ruim twee miljoen bomen/jaar): https://nos.nl/artikel/2339646-nederland-heeft-er-1-6-miljoen-bomen-bij-en-dat-is-nog-maar-hetbegin.html. Andere bronnen laten wat lagere aantallen bij nieuw bos zien, bijv. 2000 per ha: http://bosschemilieugroep.nl/wat-speelt-er/klimaatbos-rond-s-hertogenbosch.
-6-
natuurparken, speciale beschermingszones, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang); 3. de kenmerken van de potentiële effecten in samenhang met de kenmerken en plaats van het project: het bereik/grootte van het effect (afstand en getroffen bevolking), grensoverschrijdende effecten, complexiteit, waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Het is daarbij gebruikelijk om de effecten van het hele plan/project in beeld te brengen en niet alleen de effecten van de onderdelen waarvoor de plicht tot (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) geldt. De kenmerken van het project en de plaats van het project (criteria 1 en 2) worden in hoofdstuk 2 beschreven. De potentiële milieu-/omgevingseffecten worden in hoofdstuk 3 beschreven. Op basis daarvan wordt vervolgens in hoofdstuk 4 aangegeven of belangrijke nadelige milieugevolgen uit zijn te sluiten. Het bevoegd gezag neemt op basis van de inhoud van deze notitie een besluit of er een (volledige) m.e.r.(-beoordeling) nodig is.
-7-
2 2.1
De plaats en de kenmerken van het project De plaats van het project
De Visie landelijk gebied gaat over het grondgebied van de gemeente Enschede buiten het bebouwde stedelijke gebied. In onderstaande afbeelding is in hoofdlijnen de begrenzing aangegeven van de Visie landelijk gebied .
Afbeelding 2.1:Begrenzing visiegebied Het landelijk gebied van Enschede omvat ongeveer 10.000 ha op een gemeentelijke oppervlakte van 14.272 ha. De grootste grondgebruikers in het landelijk gebied (naar oppervlakte) zijn de landbouw, de landgoederen en de natuur. Deels is sprake van overlap tussen deze gebruikers, doordat de landgoederen zowel natuur, bos als landbouw kennen. In Enschede zijn 163 agrarische bedrijven gevestigd, waarvan 56 voltijds (cijfers 2017). De voltijdse bedrijven betreffen allemaal veehouders, waarvan 52 melkveehouders en 4 intensieve veehouders. De agrarische grond bestaat voor circa 80% uit grasland, 18% uit mais en een klein deel overig gewas. Het buitengebied kent een groot natuur- en bosnetwerk, waarvan een groot deel onderdeel is van landgoederen. De landgoederen liggen als een ring rond de stad. Het landelijk gebied bestaat maar liefst voor 25% uit historische landgoederen (2.500 ha), waarvan ongeveer een derde eigendom is van natuurorganisaties (vooral Landschap Overijssel). Daarnaast is er nog eens 10% (1.000 ha) landgoederen na 1960 gesticht. In het landelijk gebied van Enschede wonen 4.740 inwoners (3% van totaal gemeente; aug 2020), verdeeld over 2.365 woningen. Dit geeft een dichtheid van ruim 23 woningen per km2 landelijk gebied. Dat ligt ruim hoger dan het gemiddelde van Overijsel (13 per km2).
Voor een meer gedetailleerde beschrijving van het visiegebied wordt verwezen naar de Visie en bijbehorende bijlagen, waaronder een landschapsstudie en een landbouwstudie.
-8-
2.2
De kenmerken van het project
2.2.1 Motivering activiteit De gemeente wil met de Visie landelijk gebied richting geven aan de verandering, houvast bieden bij keuzen en actief bijdragen aan de toekomst van het landelijk gebied. De Visie gaat over het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving in het landelijk gebied. 2.2.2 Kenmerken van de activiteit In deze paragraaf wordt ingegaan op de onderdelen van de visie die mogelijk relevant zijn voor de te onderzoeken (milieu)aspecten in voorliggende notitie. Algemene ambities, ontwikkelprincipes en gebiedsaanpak De Visie Landelijk gebied geeft eerst enkele algemene ambities. Deze vormen een opmaat naar meer concrete uitspraken in het vervolg van de visie. De algemene ambities zijn op dit abstractieniveau niet zodanig vastomlijnd uitgewerkt dat zij als basis dienen voor latere besluiten met mogelijke milieueffecten. Vervolgens geeft de visie vier ontwikkelingsprincipes (de “vier V’s”). Deze geven aan of ontwikkelingen bijdragen aan de ambitie van de gemeente voor het landelijk gebied: Versterken groenblauwe structuur: stevige ecologische netwerken en een duurzaam natuurlijk watersysteem t.b.v. behoud van biodiversiteit, natuur en landschap. Vanuit het landschap ontwikkelen: ontwikkelstrategie a.d.h.v. kwaliteit van landschap: inpassen, aanpassen of transformeren.
Verbinden stad-land: versterken interactie tussen stad en buitengebied. Kan op veel manieren inhoud krijgen: fysieke projecten, economisch, met kennis, waardering en betrokkenheid. In stadsrand ontmoeting stad en land meest intensief met ruimte voor recreatieve ontwikkeling en interactie. Vernieuwen: ruimtelijke, economisch, sociaal en bestuurlijk. Vernieuwing is nodig, met behoud van wat goed en waardevol is, aangepast aan de huidige tijd. Experimenten nodig om te zien hoe nieuwe oplossingen er uit zien. Gaat vooral om procesbeschrijving/ gebiedsgericht werken. Onderstaande Visiekaart verbeeldt drie van deze vier ontwikkelingsprincipes. De ontwikkelprincipes geven enige richting aan hoe naar de wenselijkheid van ontwikkelingen wordt gekeken: om in het ‘hier en nu’ te kunnen beoordelen of een project, een maatregel of ander initiatief bijdraagt aan het vergezicht. In de visiekaart zijn geen concrete ontwikkelingen aangegeven. Het is een afwegingskader voor beoordeling van latere projecten.
-9-
Verbinden stad land
Afbeelding 2.2 Visiekaart De aanduiding van de vijf deelgebieden op de kaart betekent niet dat hier inhoudelijke keuzes voor concrete ontwikkelingen worden gemaakt in de visie. Het gaat om gebieden met prioriteit voor een integrale gebiedsaanpak (hoofdstuk 7 van de visie). Daarin draait het om het bereiken van een gezamenlijke oplossing (met inwoners en andere belanghebbenden), meervoudig grondgebruik in slimme combinaties en afweging van algemeen belang versus het private belang op een ‘weegschaal’ vernieuwde Gids buitenkans). Daarmee zijn de ontwikkelingsprincipes en de deelgebieden op zichzelf geen concreet kader waar rechtstreeks milieueffecten of latere besluiten/projecten met mogelijke milieueffecten aan verbonden kunnen worden. Wel zijn de ontwikkelprincipes in combinatie met de uitspraken in het vervolg van de visie relevant. Daarin worden per thema de ambities voor het buitengebied van Enschede beschreven en vervolgens een lijst met concrete opgaven/prestaties. Thema’s Groene Pijler van Enschede Behoud, versterking en vernieuwing van natuur, landschap en cultuurhistorie. Water, bodem en lucht zijn randvoorwaarden. Stilte en donkerte horen bij de beleving en zijn van belang voor de natuur. Het huidige en toekomstige gebruik van het landelijk gebied moeten in overeenstemming zijn met de draagkracht van de Groene Pijler.
Meer concreet geeft de visie het volgende aan: - verder invullen van de groenblauwe structuur, zowel de robuuste hoofdstructuur als de fijne dooradering van het hele landelijk gebied. Het gaat niet om grote uitbreiding van de oppervlakte natuurgebied, maar meer om:
- 10 -
Aanleg, herstel en goed beheer van kleine landschapselementen, zoals bosjes en houtwallen en (boeren)erven t.b.v. landschap en natuur. o Natuurlijke akkerranden, natuurherstel langs beken en natuurgericht beheer van wegbermen en slootkanten voor verdere dooradering en meer biodiversiteit. Waar mogelijk beperken verlichting in de openbare ruimte om lichtvervuiling en negatieve invloed op flora en vooral fauna te voorkomen. Het kan gaan om wegverlichting en licht van bedrijfsterrein, stallen en evenementen. Het aantal bomen in de gemeente uitbreiden. 170.000 bomen in de hele gemeente (incl. bebouwde kom). Er zijn geen locaties of projecten aangewezen. Waterhuishouding: Vooral tegengaan van verdroging. Water beter vasthouden door waterstanden te verhogen, waterlopen bij het beheer minder uitdiepen, de keuze van gewassen meer op de hydrologie afstemmen, het humusgehalte van de bodem verhogen etc. Door beken te laten meanderen en natuurvriendelijke oevers aan te leggen dragen ze -naast de aanpak van verdroging- bovendien meer bij aan natuur /biodiversiteit. o
-
-
Landbouw Ook in de toekomst ziet de gemeente een belangrijke rol in het buitengebied voor de grondgebonden landbouw. Bij voorkeur: - duurzame bedrijfsvoering met kringlooplandbouw als uitgangspunt. De productie van veevoer en de afzet van mest vindt in lokale samenwerking plaats. De melkveehouderijbedrijven maken gebruik van de omvangrijke schil aan kleinere nevenbedrijven die in Enschede aanwezig zijn. - verbrede bedrijfsvoering die naast agrarische productie bijdraagt aan bijvoorbeeld waterbeheer, ecologie (natuurinclusieve landbouw) , landschap, recreatie, educatie en energieproductie. - meer op de stad betrokken bedrijfsvoering, met meer directe afzet van lokale en regionale kwaliteitsproducten aan de stedelijke bevolking. Voor het realiseren van deze ambities stelt de visie geen strakke kaders, maar probeert agrarische ondernemers te ondersteunen in het maken van keuzes in de richting van verduurzaming van hun bedrijfsvoering. Het is vervolgens vooral aan de ondernemer zelf om deze keuzen te maken. In de visie gaat het vooral om een procesaanpak wat betreft landbouw. Concrete uitspraken betreffen: - Inzet van gemeentelijke grond (zeer beperkt bezit) voor landbouwers die meegaan in de hiervoor genoemde ambities t.b.v. sluiten van kringlopen en kavelruil t.b.v. agrarische structuur.
- Nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven of verplaatste Enschedese bedrijven vestigen zich bij voorkeur op bestaande locaties (agrarische bouwblokken). - Om ‘verstening’ van het landelijk gebied tegen te gaan geldt voor de bouw van nieuwe agrarische schuren het motto ‘nieuw voor oud’. De gemeente beperkt geen bestaande rechten, maar wil bij nieuwbouw in afwijking van het bestemmingsplan als voorwaarde stellen dat sloop plaatsvindt van de niet meer functionele bestaande schuren. Landgoederen De gemeente wil haar profiel als stad met veel landgoederen benadrukken en benutten. De eigenaar is echter als eerste aan zet voor het behoud en ontwikkeling. De gemeente steunt, binnen haar beperkte mogelijkheden, de landgoedeigenaren bij nieuwe ontwikkelingen. Daarbij staat het publieke belang voorop. Dat betekent dat een nieuwe ontwikkeling moet bijdragen aan de versterking van de Groene Pijler in de vorm van natuur, landschap en/of cultuurhistorie en liefst met vergroting van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landgoed. Daarbij is er een voorkeur voor ontwikkelingen die bijdragen aan de duurzame en toekomstgerichte exploitatie. Verder gaat het vooral om een procesaanpak voor bijvoorbeeld meer samenwerking tussen landgoederen waardoor concrete opgaven beter gehaald kunnen worden, zoals verjonging van de laanbeplanting (bijv.
bij splitsen landgoed beschouwt de gemeente het waar mogelijk als een ruimtelijke eenheid).
- 11 -
Wonen Bij wonen en andere ‘rode functies’ wordt het huidig beleid voortgezet. Belangrijke uitgangspunten zijn behoud van cultuurhistorische waardevolle gebouwen en structuren en beperking van gebouwd volume (verstening tegengaan), maar het landelijk gebied zit niet op slot: - Voormalige agrarische bebouwing: o als het gebouw zelf of het ensemble van een erf landschappelijk en cultuurhistorisch waardevol is, dan is hergebruik voor wonen en soms ook voor werken toegestaan via de regeling Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB). o overige gebouwen kunnen via de Rood voor Rood-regeling worden gesloopt. Een beperkt deel van het volume kan worden benut voor een nieuwe woning of uitbreiding van een bestaande woning. Daarmee is beperkt ruimte voor nieuwe woningen die bijdragen aan de kwaliteit van het landelijk gebied door bijdrage aan natuur en landschap en economische of maatschappelijke vitaliteit. - Experimenten zijn mogelijk, zoals pilots voor bijzondere woonvormen voor bijv. ouderen en mogelijkheden voor diverse inkomensgroepen. Voorkeur heeft clustering van meer woningen in één volume, liefst nabij dorpen of bestaande woningen.
- Onder voorwaarden meewerken aan omzetten van recreatiewoningen naar een woonbestemming (gebruiksovergangsrecht of uitsterfregeling), waarbij maximaal de legale omvang van de recreatiewoning aanwezig is en eigenaar moet passende bijdrage leveren aan omgevingskwaliteit in overeenstemming met de waardevermeerdering. - Bij toekomstige stadsuitbreiding (voor wonen én werken) weegt verlies aan groene kwaliteit moet mee bij locatiekeuze en dat moet elders in het landelijk gebied worden gecompenseerd. Exacte randvoorwaarden voor individuele initiatieven worden verder vooral uitgewerkt in een nieuwe Gids buitenkans (VAB, Rood voor Rood, recreatiewoningen etc.) en een uitbreiding van de welstandseisen. De visie doet geen uitspraken over concrete woonprojecten of potentiele locaties daarvoor. Recreatie en toerisme Vanuit elk deel van de stad is op korte afstand een route voor wandelen, fietsen en een plek voor sport, spel of luieren. Meer dan nu is op knooppunten van routes kleinschalige en kwalitatieve horeca aanwezig en/of zijn kleinschalige attracties te vinden. Enschede wil ook mensen van buiten aantrekken voor een (meerdaags) bezoek en daarbij invulling geven aan het begrip duurzaam toerisme met focus op het behoud van natuur, milieu, cultuur en de lokale bevolking. De vakantieganger en de vakantiebestemming profiteren op een positieve manier van elkaar.
Daarbij past ook het begrip ‘Slow toerisme’ met nadruk op de beleving van 'het lokale leven'. De bezoeker proeft lokale producten, beleeft de authenticiteit van de bestemming en waardeert de kwaliteit van het buitenleven. Concrete uitspraken over de aanpak: - Het versterken van routenetwerken voor wandelen en fietsen - Ruimte voor toevoeging en revitalisering van (kleinschalige) verblijfsaccommodaties, met kwaliteit en bij voorkeur in de stadsrand. Precieze voorwaarden in Gids buitenkans. - Nieuwe (kleinschalige) horeca en leisure-concepten, bij voorkeur in de stadsrand in nabijheid van ‘rondje Enschede’ en in bestaande en nieuwe gebouwen op historische landgoederen. Precieze voorwaarden in Gids buitenkans. - Evenementen moeten passen bij het karakter van de locatie. Het integrale evenementenbeleid van de gemeente geeft aan wat de mogelijkheden zijn. Niet-agrarisch werken In beginsel is geen plaats in het landelijk gebied voor bedrijven die op bedrijventerreinen thuishoren. Nieuwbouw van bedrijfsruimte of kantoren is ongewenst. In vrijkomende bestaande gebouwen is alleen plek voor bedrijven die qua aard, schaal en impact passen in het landelijk gebied en geen overlast en (verkeers-)hinder veroorzaken. Daarbij zal ook worden afgewogen of een niet-agrarisch bedrijf een bijzondere toegevoegde waarde heeft voor een duurzaam en
- 12 -
vitaal platteland. De herziene Gids buitenkans bevat nadere handvatten. De visie bevat daarmee weinig tot geen concrete uitbreidingsmogelijkheden op dit punt. Verkeer en vervoer Een verdere verhoging van de veiligheid wordt nagestreefd. Aandachtspunten zijn grote en brede landbouwvoertuigen en menging van verschillende verkeerssoorten. De ecologische kwaliteit van de bermen wordt verhoogd. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt wordt zorgvuldig omgegaan met het beheer van zand- en klinkerwegen en behoud van laanbomen. De visie geeft geen concrete projecten of locaties voor verbetering van veiligheid, bermen, laanbomen etc. Concreet krijgt verkeer in het landelijk gebied vooral aandacht als andere maatregelen worden voorbereid, zoals groot onderhoud of beheerplan voor openbare ruimte. Over verlichting wel een iets concretere uitspraak: de verlichting langs wegen in het buitengebied wordt waar mogelijk afgebouwd. Nieuwe openbare verlichting wordt alleen geplaatst op aantoonbaar gevaarlijke kruispunten en langs belangrijke fietsroutes. Leefbaarheid De leefbaarheid van het landelijk gebied wordt voor een groot deel via de andere thema’s ondersteund. Aanvullend geeft de visie een aantal punten t.a.v. leefbaarheid: toezicht en handhaving (inperken overlast en ondermijning), ruimte voor mantelzorg (geen grootschalige nieuwe zorgvoorzieningen) en gebiedsaanpak (proces).
Energie De Energievisie, met als onderdeel de beleidskaders voor zon en wind, bepalen de opgaven en nadere invulling aan locaties en condities voor de inpassing van zonnevelden en windturbines. De Gids buitenkans zal waar nodig nog verdere kaders uitwerken voor het ontwerp, beheer en de landschappelijk verantwoorde inpassing. Voor de Energievisie is een MER opgesteld. De Visie landelijk gebied schept geen nieuwe concrete kaders ten opzichte van de Energievisie. Wel gaat de visie wat verder in op de gebiedsaanpak die nodig is voor gebieden waar grootschalige opwekking met zon is voorzien. In zo’n aanpak worden verschillende opgaven die op een gebied afkomen op elkaar betrokken (energie, kringlooplandbouw, klimaatadaptatie (water en klimaat), biodiversiteit en landschap). Opgaven De visie noemt een aantal ‘opgaven’. Deze geven enige concrete en meetbare richting aan de ambities/thema’s. Nadrukkelijk wordt vermeld dat het geen realisatieplan is. Het is op hoofdlijnen met indicatieve begroting. De gemeente heeft op het moment van het opstellen van de Visie niet de middelen, de menskracht en de instrumenten beschikbaar om alle opgaven te realiseren. Het gemeentebestuur zal keuzes moeten maken tussen opgaven. De volgende opgaven zijn concreet/mogelijk ruimtelijk relevant: - Bloemrijke akkerranden: 15 ha in 2030 - Groen rond zonnevelden: 20% van perceel.
Dit is al vastgelegd in de energievisie/beleidsregel zonnevelden. Visie landelijk gebied schept hiervoor dus geen nieuw kader. - 120.000 bomen in landelijk gebied (is 70% van de 170.000 voor hele gemeente) - Structureel beheer van 50% van de houtwallen - 10 erven per jaar herinrichten qua beplanting volgens ontwerpeisen Twents landschap. - 5 hectare afronding van Natura 2000-gebieden door Provincie Overijssel. De Visie Landelijk gebied schept geen kader voor aankoop van deze gronden, - In 2025 alle geschikte gemeentelijke bermen en slootkanten natuurinclusief beheren - Gemiddeld per jaar 50 ha gemeentelijke grond voor lage pachtprijs uitgeven aan bedrijven die de doelen van deze Visie helpen invullen, zoals verduurzaming van de landbouw. - Tenminste 2 voedselbossen in 2030. Alleen stimulering. Niet zelf aanleggen
- 13 -
-
-
Versterking recreatief-toeristische routes: in 2030 is rondje Enschede compleet en zijn 5 nieuwe ondernemers aan de route verbonden. Daarnaast zijn 2 nieuwe themaroutes met grote belevingswaarde beschikbaar. 2030: verdubbeling van het aantal overnachtingen in het buitengebied. Rood voor Rood. Dit is al onderdeel van staand beleid. De Visie biedt hier geen fundamenteel nieuw kader voor. Reguleren water op perceelsniveau in samenwerking met eigenaren. Wegnemen of verminderen van bronnen van stikstofuitstoot.
Overige opgaven zijn niet ruimtelijk/tastbaar of zeer algemeen, zoals educatie over het landelijk gebied, aanmoedigen van een ‘afzet-organisatie’ voor streekproducten, ‘stappen zetten’ naar verduurzaming van landbouw, proeven t.a.v. organische stof in de bodem en helpen bij maken van toekomstplan voor landgoederen. 2.2.3 Planning en tijdsduur activiteit De Visie heeft als zichtjaar 2030. De meeste benoemde opgaven richten zich ook op 2030 of een kortere termijn, maar dat wil niet zeggen dat de visie en de benoemde opgaven dan stoppen. De uitvoering van de benoemde opgaven/bereiken van doelen is alleen mogelijk in de looptijd van de visie als voldoende middelen beschikbaar komen. 2.2.4 Cumulatie met andere projecten In het buitengebied vinden projecten verspreid plaats. De aard en omvang van deze projecten zal naar verwachting passen binnen de ambities en opgaven volgens de Visie Landelijk gebied. Ten aanzien van samenhang/cumulatie met andere ‘projecten’ gaat het vooral om ontwikkelingen waarvoor de visie landelijk gebied géén kader biedt, zoals (grootschalige) opwekking van energie. In hoofdstuk 3 wordt waar relevant ingegaan op gezamenlijke (cumulatieve) effecten. 2.2.5 Gebruik natuurlijke hulpbronnen De beoogde ontwikkelingen zoals beschreven in de Visie Landelijk gebied leggen geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
Wel zullen er keuzes gemaakt moeten worden tussen manieren van grondgebruik, zoals een keuze tussen landbouw en natuur of recreatie. Uiteraard zal er bij de uitvoering van projecten en in de gebruiksfase onder andere bouwmateriaal, elektriciteit en water nodig zijn. 2.2.6 Productie van afvalstoffen Tijdens de aanlegfase en gebruiksfase van projecten waarvoor de visie een (concreet) kader biedt vindt naar huidig inzicht geen productie plaats van stoffen die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende (afval)stoffen. Wel zullen naar verwachting oude gebouwen worden gesloopt welke voor een deel zijn voorzien van asbest. Het uit het landelijk gebied verwijderen van deze stof is een positieve ontwikkeling en in feite geen ‘productie’ van een gevaarlijke afvalstof. 2.2.7 Verontreiniging en hinder Bij zowel de aanleg als bij de ingebruikname van projecten waarvoor de visie een (concreet) kader biedt, zijn ten aanzien van verontreiniging/hinder voornamelijk de aspecten verkeer, geluid en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten worden nader beschreven in hoofdstuk 3 (kenmerken van de potentiële effecten). 2.2.8 Risico van ongevallen en veiligheid De beoogde activiteiten in en rond het visiegebied zorgen naar huidig inzicht niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden naar huidig inzicht geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
Externe veiligheid en verkeersveiligheid komen verder aan bod in hoofdstuk 3.
- 14 -
3
Kenmerken van de potentiële effecten
In dit hoofdstuk worden de potentiële effecten van het ‘project’ (de visie in dit geval) aangegeven. Per (milieu)aspect wordt in samenhang met de kenmerken en de locatie van het project bezien of zich bijzondere omstandigheden voordoen met betrekking tot potentiële milieueffecten. Daarbij gaat het niet alleen de effecten van de onderdelen waarvoor de plicht tot (vormvrije) m.e.r.(beoordeling) geldt, maar om effecten van het plan als geheel.
3.1
Referentiesituatie voor effectbeschrijving
Algemeen De effecten in een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling worden beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is de situatie die in de toekomst ontstaat als het project/plan niet doorgaat, bestaande uit de huidige situatie plus ‘autonome ontwikkelingen’. Of meer precies (Commissie m.e.r., 20183): huidige, feitelijke situatie: alle vergunde activiteiten die zijn gerealiseerd (of direct geactiveerd kunnen worden zonder nieuwe gebruiks- of bouwvergunning), uitgezonderd illegale activiteiten. toekomstige ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied (het studiegebied): dit zijn activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ook al gaat de voorgenomen activiteit/het plan niet door. Generieke, planoverstijgende ontwikkelingen: bijvoorbeeld normen/grenswaarden die binnen de planperiode moeten worden bereikt op grond van wetgeving (bijv. max uitstoot van stallen of vrachtwagens) of een autonome groei van het verkeer. Uitzondering Natura 2000: de referentiesituatie voor effecten op Natura 2000-gebieden bestaat alleen uit de feitelijke, huidige situatie. Referentiesituatie voor studiegebied van Visie Landelijk gebied In paragraaf 2.1 is de referentiesituatie voor een deel al gegeven, vooral wat ‘harde’ cijfers betreft. Enschede is een grote stad midden in een kleinschalige en groene omgeving, met afwisselend landbouw, landgoederen en kleine kernen.
Het visiegebied (het landelijk gebied van Enschede) bestaat vooral uit landbouwgrond (waarvan 80% weiland en 18% maïs), bos en overig natuurgebied. Landschap en landgoederen De stapsgewijze ontginning door de landbouw is bepalend geweest voor de vorming van uiteenlopende landschapstypen: het oude hoevenlandschap met essen en de latere veldontginningen. De kleinschalige afwisseling van bodemsoorten, hoogteligging en hydrologie heeft geleid tot een gevarieerd landschap en grondgebruik. Een groot deel van het landelijk gebied (ca 35%) bestaat uit landgoederen welke veelal een combinatie bevatten van bos, landschapselementen, landbouw en landhuizen. Deze zijn beeldbepalend voor een groot deel van het landelijk gebied rond Enschede. De landgoederen en oudere ‘erven’ geven het landelijk gebied een uniek karakter met verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis. De belangrijke dragers van het landschap, de landgoederen en de landbouw maken zich echter zorgen over hun voortbestaan. De landgoederen kunnen hun beheer niet op niveau houden. In de landbouw komen de verduurzaming, de verbreding en het verkorten van de ketens tussen productie en consumptie te langzaam op gang. Natuur, water en milieu De kleinschaligheid, afwisseling, de landgoederen en de grote hoeveelheid bos, houtwallen en natuur vormen een bron van natuurlijke diversiteit en een vrij rijke biodiversiteit.
De natuurlijke variatie wordt echter schraler. Bijzondere soorten hebben het moeilijk, algemene soorten komen daarvoor in de plaats. Dat komt door het intensieve landgebruik, de versnippering, de stikstofbelasting en de verdroging. Het buitengebied van Enschede heeft verder een vrij goede kwaliteit van water, bodem en lucht. Dat laatste hangt mede samen met het feit dat concentraties van intensieve veehouderij niet voorkomen. 3
Zie verder: http://www.commissiemer.nl/documenten/00000263.pdf
- 15 -
De waterhuishouding is echter uit balans. Landbouw en natuur worden telkens meer geplaagd door (gort)droge perioden. Heftige buien leveren lokaal wateroverlast op, vooral in stedelijk gebied. Recreatie De combinatie van stad en land zorgt voor een aantrekkelijke woon- en vestigingsklimaat. De hoge kwaliteit van het landelijk gebied is een waarde in zichzelf en biedt kansen voor Enschede als woon-, werk-, en recreatiestad. Het groene buitengebied is omvangrijk en draagt bij aan welzijn en gezondheid van alle bewoners. Door de scherpe overgang en de lange stadsrand is het landelijk gebied nooit ver weg. Het buitengebied kent een goede recreatieve ontsluiting met paden voor wandelaars en fietsers. De bezoekers uit Enschede zijn overwegend positief over hun bezoek aan het buitengebied. Toch is het toeristisch-recreatief potentieel van het landelijk gebied nog niet voldoende benut en zijn weinig nieuwe voorzieningen tot stand gekomen. Gronddruk en leefbaarheid Het landelijk gebied vormt nog steeds het rustige en groene contrast met de drukke en bebouwde stad, maar er staat ook veel druk op het landelijk gebied. De gronddruk is hoog, waardoor grote concurrentie om grond optreedt en de hoogste bieder bepalend is voor het toekomstige grondgebruik. Dat hoeft niet altijd de maatschappelijk meest gewenste gebruiksvorm te zijn.
Meervoudig grondgebruik komt niet vanzelf tot stand, omdat de samenwerking en de investeringen die daarvoor nodig zijn veel organisatie en inspanning vergen. Ondanks het succesvolle beleid om de verstening van het landelijk gebied te beperken, behoort de woningdichtheid in het landelijk gebied tot de hoogste van Overijssel. Stedelijke voorzieningen leggen druk op het landelijk gebied, zoals in de vorm van verharde wegen, leidingen, zonnepanelen en windturbines, recreatievoorzieningen en zandwinning. Door het intensieve gebruik komt de eigenheid van het Twentse landschap minder tot uiting. Enschede is nog steeds aantrekkelijk, maar dreigt af te glijden naar een landschap dat doorsnee is voor het hele oostelijke zandgebied. Tot slot krijgt de leefbaarheid krijgt te maken met ondermijning (achteruitgang van de landbouw, vrijkomende gebouwen), overlast van bezoekers (ontoereikend toezicht) en vergrijzing. Voor een meer uitgebreide beschrijving van het visiegebied, zie de Visie en de bijbehorende bijlagen, zoals een landschapsstudie, landbouwstudie en landgoederenstudie.
3.2
Natuur
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden In en nabij het buitengebied van Enschede liggen enkele Natura 2000-gebieden. Zie onderstaande afbeelding (geel gekleurde gebieden). Het Aamsveen (op grens met Duitsland) heeft het grootste ruimtebeslag in de gemeente. Andere gebieden liggen grotendeels of geheel buiten de gemeente. Dit zijn Lonnekermeer (ten noorden), Landgoederen Oldenzaal, Dinkelland (beiden ten noordoosten), Witte Veen en Buurserzand & Haaksbergerveen (beiden ten zuiden). De uitspraken/kaders in de visie geven geen concrete aanleiding tot het verwachten van negatieve effecten op natura 2000-gebieden. Wel is er een goede kans op positieve effecten als gevolg van een aantal ambities/opgaven, zoals de aanplant van nieuwe bomen, de afronding van Natura 2000-gebieden (5 ha), de ambitie om stikstofbronnen weg te nemen of te verminderen (in de praktijk zal dit vooral via de gebiedsgerichte aanpak van de provincie tot stand komen) en het tegengaan van verdroging.
- 16 -
Afbeelding 3.1 Natura 2000-gebieden (Bron: Atlas van Overijssel )
NNN: Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd) In het buitengebied van Enschede ligt een grote oppervlakte NNN. Zie onderstaande afbeelding. Ook zijn veel gebieden aangegeven als ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’. Dit is geen bestaande natuur en heeft (nog) geen ‘formele’ status. Hier zijn ontwikkelingen mogelijk, maar is er vanuit de provincie een ambitie om dit te combineren met natuurontwikkeling/het verbinden van natuurgebieden.
- 17 -
Afbeelding 3.2: NNN (Bron: Atlas van Overijssel ) De Visie Landelijk gebied heeft naar verwachting vooral een positieve invloed op het NNN. Een belangrijke ambitie/opgave van de Visie is namelijk het verder invullen van de groenblauwe structuur. Dat betreft zowel de robuuste hoofdstructuur als de fijne dooradering van het hele landelijk gebied. Het gaat niet om grote uitbreiding van oppervlakte natuurgebied, maar meer zalen als aanleg, herstel en beheer van kleine landschapselementen (bosjes, houtwallen incl. structureel beheer daarvan etc.), natuurlijke akkerranden (doel is 15 ha bloemrijke akkerranden in 2030), natuurherstel langs beken (o.a. natuurvriendelijke oevers), natuurgericht beheer van wegbermen en slootkanten. Andere ambities/opgaven met een mogelijk positieve uitwerking op het NNN zijn het waar mogelijk beperken verlichting in de openbare ruimte, het tegengaan van verdroging, het humusgehalte van de bodem verhogen en het meanderen van beken. Tot slot kan ook de ambitie op gebied van landbouw bijdragen, met een focus op een duurzame bedrijfsvoering met kringlooplandbouw als uitgangspunt en een verbrede bedrijfsvoering met onder andere natuurinclusieve landbouw. De visie stuurt daar echter niet sterk in.
Ook uit de landschapsstrategie ‘inpassen’ (ontwikkelingsprincipe ‘vanuit het landschap’) blijkt duidelijk dat NNN een belangrijke randvoorwaarde is om rekening mee te houden bij ontwikkelingen. De ambities/opgaven van de visie voor de stadsrandzone zijn wel een duidelijk aandachtspunt in relatie tot het deel van het NNN dat hier ligt. Met name op gebied van recreatie en toerisme richt de visie haar pijlen op de stadsrandzone. Dit betekent onder andere het versterken van routenetwerken voor wandelen en fietsen, extra (kleinschalige) verblijfsaccommodaties (verdubbeling van overnachtingen in buitengebied in 2030), nieuwe (kleinschalige) horeca en leisure-concepten in nabijheid van ‘rondje Enschede’
- 18 -
Wet natuurbescherming: beschermde planten- en diersoorten Het buitengebied van Enschede kent zoals beschreven in paragraaf 3.1 een vrij grote biodiversiteit. Diverse ambities/opgaven uit de visie dragen hier naar verwachting aan bij en daarmee ook aan de stand van beschermde planten- en diersoorten. De hiervoor genoemde ambities/opgaven onder NNN zijn doorgaans ook positief voor beschermde soorten. Ook geldt eveneens het risico op negatieve effecten van de mogelijke ontwikkelingen op toeristisch-recreatief gebied en dan met name de concentratie in de stadsrandzone. Conclusie en mitigerende maatregelen Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de kaders/ontwikkelingen in de visie op voorhand niet leiden tot (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, NNN en beschermde soorten. Mitigerende maatregelen zijn op voorhand niet nodig, maar de concentratie van ambities/opgaven in de stadsrandzone verdienen wel aandacht in relatie tot natuurwaarden. Bij concrete ontwikkelingen in het NNN zijn mogelijk mitigerende of compenserende maatregelen nodig. Daarnaast wordt aangeraden om bij ontwikkelingen in de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ en/of grenzend aan de NNN rekening te houden met natuurwaarden in het ontwerp.
Bij uitwerking in concrete projecten kan op basis van onderzoek pas exact aangegeven worden of er mogelijk sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Dat is op voorhand nog niet te bepalen en afhankelijk van de plek en het exacte project. Het kan nodig zijn om effecten op (beschermde) soorten te voorkomen/mitigeren. Dat kan onder andere door zorgvuldige locatie- en ontwerpkeuzes. Indien mitigerende maatregelen niet voldoende getroffen kunnen worden is er mogelijk een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk.
3.3
Water en bodem
Zoals aangegeven in paragraaf 3.1 is de waterhuishouding in Enschede uit balans. Landbouw en natuur ondervinden vooral problemen van droogte, maar lokaal is er ook wateroverlast. De visie bevat een aantal ambities/opgaven die bij verwezenlijken zorgen voor een positief effect ten aanzien van de waterhuishouding. Het gaat vooral om het tegengaan van verdroging. Dit kan onder andere door waterstanden te verhogen, waterlopen bij het beheer minder uit te diepen en beken te laten meanderen. De visie geeft geen aanleiding om te verwachten dat er een sterke verdere ‘verstening’ zal optreden in het buitengebied. De kans op een grote toename van verhard oppervlak (bestrating, daken etc.) is dan ook klein, waardoor er naar verwachting geen (relevante) afname van infiltratiemogelijkheden van hemelwater zal zijn. De visie heeft geen relevante invloed op de kwaliteit van de bodem, in de zin van verontreinigingen. Wel kan het ‘opruimen’ van vervallen/oude schuren en erven (bijvoorbeeld in kader van een Rood-voor-Roodregeling) ervoor zorgen dat asbest wordt afgevoerd uit het landelijk gebied. Conclusie en mitigerende maatregelen Er treden naar verwachting eerder positieve dan (relevante) negatieve effecten op als gevolg van beoogde ontwikkelingen in de structuurvisie. Ontwikkelingen moeten daarnaast altijd aan het gemeentelijk waterbeleid voldoen, bijvoorbeeld op gebied van waterberging.
Bij een concrete ontwikkeling zal in detail gekeken moeten worden naar de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse (en of en hoe de ontwikkeling doorgang kan vinden) en de mogelijke invloed van een ingreep op de eventuele verspreiding van verontreinigingen. Dit is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de structuurvisie.
- 19 -
3.4
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Landschap en cultuurhistorie In de visie is uitgebreid aandacht voor de manier waarop vanuit het landschap naar nieuwe ontwikkelingen wordt gekeken. Eén van de vier ontwikkelingsprincipes is ‘vanuit het landschap ontwikkelen’. Op basis van een landschapsstudie zijn ontwikkelstrategieën gekoppeld aan de kwaliteit van landschap: inpassen, aanpassen of transformeren. Deze strategieën zijn weergegeven op de visiekaart (zie paragraaf 2.2.2). Daarnaast zijn er allerlei ambities en opgaven in de visie opgenomen met naar verwachting positieve effecten op het landschap en cultuurhistorie: - Groen-blauwe ontwikkelingen, zoals herstel en goed beheer van kleine landschapselementen (waaronder houtwallen en (boeren)erven), natuurlijke akkerranden en het laten meanderen van beken. Er is onder andere een opgave opgenomen om 10 erven per jaar te herinrichten qua beplanting volgens ontwerpeisen Twents landschap. Naast dat dit positief is voor het landschap, maakt het ook (net als herstel houtwallen bijv.) de afleesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis beter. - Behoud van cultuurhistorische waardevolle gebouwen en structuren is een belangrijk uitgangspunt. Als een gebouw of erf landschappelijk/cultuurhistorisch waardevol is, dan is bijvoorbeeld hergebruik voor wonen en soms werken toegestaan via de regeling Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB).
- Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zorgvuldig omgaan met het beheer van zand- en klinkerwegen en behoud van laanbomen. Ook de ambities en opgaven ten aanzien van landbouw en landgoederen kunnen een groot positief effect op landschap en cultuurhistorie hebben, maar hierbij geeft de visie wel aan dat vooral de eigenaren/ondernemers zelf eerst aan zet zijn. Zoals aangegeven in paragraaf 3.1 zijn de (grond)druk en de woningdichtheid in het landelijk gebied van Enschede hoog. Bij voortdurende druk is er een risico dat de eigenheid van het Twentse landschap steeds minder tot uiting komt. Verrommeling ligt ook op de loer. Vooral in de stadsrandzone, waar veel ambities en opgaven met mogelijke invloed op het landschap samenkomen (recreatie/toerisme, pilots met vormen etc.) is dit een duidelijk aandachtspunt. Dit wordt verder versterkt wanneer ontwikkelingen samen komen in een gebied waar vanuit de Energievisie ook ontwikkeling is voorzien van (grootschalige) energieopwekking. Met een gebiedsproces, zoals beschreven in de visie, kan gezocht worden naar een goede totaalontwikkeling. Conclusie en mitigerende maatregelen Naar verwachting heeft uitvoering van de beoogde ontwikkeling in de visie een groot positief effect. Met name in de stadsrandzone is het tegengaan van verrommeling/te grote druk op het ruimtegebruik een uitdaging.
Hier zal duidelijk aandacht voor moeten zijn bij de nadere uitwerking van projecten. Uiteraard is er ook altijd aandacht nodig voor inpassing van projecten elders in de gemeente. De visie geeft hier kaders voor. De te actualiseren Gids buitenkans zal daar ook verdere handvatten in bieden. Archeologie Op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid (zie onderstaande afbeelding) valt het grootste deel van het visiegebied onder "Onderzoeksgebied B" (gebied met een middelhoge of hoge verwachting) of “Gebied met lage verwachting”. Voor een kleiner deel geldt "Onderzoeksgebied A". Hier worden bewoningsresten verwacht van de eerste erven van Enschede. Veel van deze erven liggen in de huidige bebouwde kom of in de stadsrandzone. Voor het overige deel van het buitengebied geldt dat de ondergrond verstoord (rood op de kaart) is of dat de verwachting onbekend is (geldt bijv. vaak bij open water).
- 20 -
Afbeelding 3.3 Gemeentelijke archeologische beleidskaart Bij ontwikkelingen wordt altijd getoetst aan het archeologisch beleid. Dit is doorgaans vertaald in bestemmingsplannen en straks in het omgevingsplan. Daarmee is archeologisch onderzoek naar eventuele waarden bij ingrepen met (veel) bodemingrepen geborgd. Voor "Onderzoeksgebied A" is er bijvoorbeeld een onderzoeksplicht voor ingrepen in de bodem met een verstoring dieper dan 50cm over een oppervlakte van tenminste 250 m2. En voor "Onderzoeksgebied B" bij dieper dan 50 cm over een oppervlakte van tenminste 2.500 m2. De exacte locatie en omvang van de toekomstige ontwikkelingen is nog niet bekend. Aangezien er relatief veel ambities/opgaven liggen voor ruimtelijke ontwikkelingen in de stadsrandzone en hier ook relatief veel locaties met een hoge verwachting liggen, is dit een aandachtspunt. De onderzoeksplichten zijn echter geborgd in bestemmingsplannen, waardoor het risico op verstoring van archeologische waarden zonder voorafgaand onderzoek klein is. Conclusie en mitogerende maatregelen Vanuit het oogpunt van archeologie zijn er op voorhand geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van toekomstige ontwikkelingen. Archeologisch onderzoek is mogelijk wel nodig bij de uitwerking van ontwikkelingen.
Daarnaast blijft bij toekomstige ontwikkelingen altijd de zogenaamde signalerings- en zorgplicht uit de Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet) gelden in geval van 'toevalsvondsten' van archeologische waarden. Maatregelen zijn op voorhand niet nodig.
- 21 -
3.5
Verkeer
De visie bevat niet veel concrete kaders/opgaven op gebied van verkeer. Wel zijn er ambities, zoals een verdere verhoging van de veiligheid, waarbij de menging van verschillende verkeerssoorten en met name grote en brede landbouwvoertuigen aandachtspunt zijn. Verlichting langs wegen wordt waar mogelijk afgebouwd. Conclusies en mitigerende maatregelen De beoogde ontwikkeling van het landelijk gebied zal naar verwachting niet voor een veel grotere verkeersdrukte of een afname van de verkeersveiligheid zorgen. Mitigerende maatregelen zijn op voorhand niet nodig. Bij het weghalen van verlichting is het handhaven van de verkeersveiligheid een aandachtspunt.
3.6
Luchtkwaliteit en geur
De maximaal toegestane concentraties van luchtverontreinigende stoffen zijn opgenomen in de Wet luchtkwaliteit. Deze normen worden nergens in Enschede overschreden. Verwacht wordt dat de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen in de toekomst zullen afnemen (omdat bedrijven en auto’s steeds schoner worden). De visie geeft geen concrete kaders/opgaven die een relevante positieve of negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit en geur. Nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven of verplaatste Enschedese bedrijven moeten zich bij voorkeur vestigen op bestaande locaties (agrarische bouwblokken). Daarmee komen er geen nieuwe bronnen van geurhinder nabij bestaande woningen. De visie doet geen uitspraken over intensieve landbouw (er zijn ook slechts 4 intensieve veehouderijen in Enschede). Niet-agrarische bedrijvigheid krijgt weinig nieuwe ruimte op basis van de visie. Conclusie en mitigerende maatregelen Luchtkwaliteit en geur worden naar verwachting niet relevant beïnvloed door de beoogde ontwikkeling van het landelijk gebied. Relevante emissies vanuit in de visie beoogde ontwikkelingen worden niet verwacht.
3.7
Geluid
Nieuwe geluidgevoelige objecten Het visiegebied (het buitengebied) ligt op punten binnen geluidscontouren van geluidgezoneerde industrieterreinen en (spoor)wegen. Op basis van de visie is nog niet duidelijk of binnen deze contouren nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd. Als in een concreet project blijkt dat dit aan de orde is, dan is dit eventueel mogelijk na het doen van geluidsonderzoek en zal waarschijnlijk een hogere grenswaarde nodig zijn. Nabij de N18 zijn in de Energievisie windmolens voorzien. Bij ontwikkeling van geluidgevoelige objecten moet daar rekening mee gehouden worden. Nieuwe bedrijven De Visie landelijk gebied laat onder andere ambities zien ten aanzien van nieuwe (lichte) horeca en verblijfsrecreatie. Dit kan plaatselijk zorgen voor extra geluid voor omwonenden en recreanten. Dit geldt ook voor het verkeer dat van en naar een nieuw horeca- of recreatiebedrijf gaat. Naar verwachting zal dit niet leiden tot wettelijke overschrijdingen, maar er kan wel sprake zijn van overlast. Gezien de ambities in de visie is dit met name een aandachtspunt in de stadsrandzone. Verder wordt aangegeven dat nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven of verplaatste Enschedese bedrijven zich bij voorkeur moeten vestigen op bestaande locaties (agrarische bouwblokken).
De visie doet geen uitspraken over intensieve landbouw (er zijn ook slechts 4 intensieve veehouderijen in Enschede). Niet-agrarische bedrijvigheid krijgt weinig nieuwe ruimte op basis van de visie.
- 22 -
Daarmee komen er naast (kleinschalige) recreatie en horecabedrijven naar verwachting geen nieuwe relevante geluidbronnen bij. Conclusie en mitigerende maatregelen De beoogde ontwikkelingen zijn uitvoerbaar vanuit wettelijk oogpunt. Bij concrete nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten nabij (spoor)wegen of gezoneerde industrieterreinen is waarschijnlijk een geluidonderzoek nodig. Hieruit kan blijken dat mitigerende maatregelen getroffen moeten worden en/of dat hogere grenswaarden moeten worden vastgesteld. Geluidhinder kan zoveel mogelijk worden voorkomen door voldoende afstand te houden tot nieuwe geluidgevoelige objecten of door slimme ontwerpkeuzes. Dat kan ook relevant zijn wanneer de wettelijke waarden niet worden overschreden, zoals bij realisatie van nieuwe recreatieve of horeca-functies nabij bestaande woningen.
3.8
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten (Bevi), transportroutes (Basisnet) of buisleidingen (Bevb). De visie vormt geen kader voor de ontwikkeling van nieuwe risicobronnen. Wel liggen in het buitengebied diverse bestaande risicobronnen. Het gaat onder andere om vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en rijkswegen. Ook liggen er hogedruk aardgasleidingen die onder het ”Besluit externe veiligheid buisleidingen” vallen. De visie heef de ambitie om beperkt nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. De locatie hiervan is echter nog niet bekend. Naar huidig inzicht leidt de visie niet tot grote nieuwe hoeveelheden mensen nabij bestaande risicobronnen of realisatie van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen plaatsgebonden risicocontouren. Conclusie en mitigerende maatregelen De mogelijkheden in het plan zorgen niet voor relevante effecten ten opzichte van de referentiesituatie. Maatregelen zijn op voorhand niet nodig, uiteraard is externe veiligheid altijd een aandachtspunt dat gecheckt moet worden bij concrete projecten.