CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota zienswijzen BP Stadsveld-Pathmos 2019_anonieme versie

Raadsvergadering 1 februari 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Stadsveld-Pathmos 2019"12.181 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Door expliciet te benoemen dat hobbymatig gebruik is toegestaan is het voor de gebruikers duidelijker dan wanneer alleen ‘grondgebonden bedrijven’ worden genoemd. 2. We hebben de term ‘activiteiten’ gebruikt als gevolg van het expliciet benoemen van hobbymatig agrarisch gebruik. Het zou vreemd zijn om te spreken over een hobbymatig bedrijf. Het gaat verder enkel om grondgebonden agrarische activiteiten. Zoals indiener aangeeft zijn hobbymatige activiteiten ook toegestaan in een agrarische bestemming als ze niet expliciet worden benoemd. Wij zien daarmee geen relevant verschil tussen de nieuwe tekst ‘uitvoeren van grondgebonden agrarische activiteiten, zowel bedrijfsmatig als hobbymatig’ en de oude tekst ‘exploitatie van grondgebonden agrarische bedrijven’. Enkel dat de nieuwe tekst duidelijker is wat ons betreft. In lijn met gedachtegang over nieuwe planregels voor het buitengebied en mede n.a.v. opmerking van indiener hebben wij de aanleg van nieuwe paardrijbakken en de verplaatsing en vergroting van bestaande paardrijbakken in het vast te stellen plan alleen nog mogelijk gemaakt via een afwijking met een omgevingsvergunning. Als een aanvraag leidt tot een ruimtelijk niet acceptabele situatie zal de afwijkingsvergunning niet worden verleend.

Nr

Zienswijze

Beantwoording gemeente Verder zijn de regels in het nieuwe plan ons inziens duidelijker dan in plan ‘Stadsveld – Pathmos 2009’ op gebied van paardrijbakken. De bouwmogelijkheden zijn nader gespecificeerd ten opzichte van het huidige plan. Dit betekent o.a. een maximale omvang en dat een eventuele stapmolen binnen deze maximale omvang moet vallen. In het huidige plan is niet expliciet aangegeven of een stapmolen wel of niet is toegestaan.

23

De tekst bij artikel 31.2 onder d is weggevallen.

Dank voor de opmerking. Per abuis was lid d opgenomen. Hier hoort geen tekst bij. Lid d is verwijderd.

Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot een aantal aanpassingen in het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp plan. Een volledig overzicht van wijzigingen is bij voorliggende nota gevoegd en wordt als bijlage bij de bestemmingsplantoelichting gevoegd.

Indiener 11 Samenvatting en beantwoording zienswijze *nummers niet afkomstig uit zienswijze Nr* Zienswijze 1. Indiener begrijpt het belang van beheren en beschermen van cultuurhistorisch erfgoed en hecht aan het in stand houden van naoorlogse stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden, zoals het ontwerp bestemmingsplan beoogt. Indiener moet ook (al dan niet verplicht) aandacht besteden aan andere belangen, zoals het transformeren van haar woningen naar een optimaal en modern comfort met een zo laag mogelijk energiegebruik. Dat vergt uitgebreide bouwkundige maatregelen (isolatie daken en gevels) en het aanbrengen van zonnecellen en -boilers. Dit belang kan en zal botsen met het beschermen van oude waarden. Voor deze transitie mist indiener duidelijkheid m.b.t.: 1. rechtvaardiging van de aanwijzing van de beschermde structuren en panden; 2. de bescherming met vergunningplicht en voorwaarden. Deze 2 punten worden hierna uiteengezet. 2.

1. Aanwijzing van de beschermde structuren en panden. De selectie van te beschermen objecten is niet gemotiveerd. In de plantoelichting wordt het proces van selectie van structuren en panden uiteengezet.

Beantwoording gemeente Wij hebben begrip voor de positie van woningcorporaties en snappen dat zij voor taken/uitdagingen staan waarbij volkshuisvestelijke waarden en energieopgaven een belangrijke rol spelen. Zoals besproken met indiener kunnen deze uitdagingen vaak ook samengaan met het cultuurhistorisch belang. Het gaat altijd om een integrale afweging.

In de toelichting is inderdaad het proces van selectie beschreven. Dit is door indiener op punten wat anders geïnterpreteerd dan bedoeld is. Excuses daarom als de tekst op deze punten wat onduidelijk is. De CHWK, opgesteld i.h.k.v. de structuurvisie Cultuurhistorie (2014), vormde de eerste basis voor de bescherming van waarden in bestemmingsplan Cultuurhistorie. De CHWK was

Nr*

Zienswijze De CHWK kan op zichzelf de selectie van structuren en panden niet rechtvaardigen. Er is geen motivatie bij de CHWK en niet alle panden op de CHWK hebben een beschermde status. Een nadere inventarisatie kan vervolgens leiden tot het toevoegen of afvoeren van panden en structuren van de kaart. Kennelijk is de ‘Stedenbouwkundige en cultuurhistorische verkenning’ in de bijlage de nadere inventarisatie die de selectie rechtvaardigt (het resultaat van het selectieproces). Een interessante beschrijving, maar er worden geen criteria voor selectie genoemd en er wordt geen concrete selectie gemaakt in dit stuk. Ook bij de beschrijving van de te beschermen structuren en panden (par 3.2.3) is er geen concrete waardering o.b.v. criteria. Ook is niet duidelijk of dat wat beschreven is het te beschermen aspect is.

Beantwoording gemeente opgezet als dynamisch, een momentopname van de dan beschikbare kennis. Bij een nieuw bestemmingsplan onderzoek je het gebied nauwkeuriger op de aanwezige waarden. Er komen met bijna elk groot nieuw bestemmingsplan waarden in beeld die (nog) niet op de CHWK stonden (bij opstelling CHWK was bijv. informatie over na-oorlogse waarden nauwelijks voorhanden) en vaak ook niet meer verwerkt gaan worden in de CHWK. Het bestemmingsplan is de enige plek waar panden en structuren op een juridisch zekere manier beschermd kunnen worden. De CHWK heeft in die zin vooral nog een informatieve rol. De ‘Stedenbouwkundige en cultuurhistorische verkenning’ in de bijlage is niet de nadere inventarisatie t.b.v. de selectie van de panden en dus niet het resultaat van de selectie. Het schetst enkel de opzet van de wijk en onderbouwt mede de aanwijzing van panden en vooral van structuren (waarom zijn deze belangrijk in de geschiedenis en de herkenbaarheid van het gebied). De in de plantoelichting beschreven inventarisaties hebben geresulteerd in rapporten en lijsten met mógelijk aan te wijzen panden en structuren. De rapporten en lijsten zijn niet bij het bestemmingsplan gevoegd, omdat deze niet geschreven zijn t.b.v. de plantoelichting (kan voor verwarring zorgen). De uiteindelijke selectie van karakteristieke panden heeft plaatsgevonden o.b.v.

criteria die zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Koesteren cultuurhistorie’ welke bekend is bij indiener. Van een aantal karakteristieke panden was de stedenbouwkundige waarde meer van belang dan het (architectonische) beeld. Daarmee zou een aanduiding als karakteristiek pand een te zware bescherming zijn. Om dat onderscheid scherp te kunnen maken en deze panden (en omgeving) op de juiste manier (en dus minder zwaar) te beschermen is de aanduiding ‘cultuurhistorische structuur’ toegevoegd naast ‘karakteristiek’. Onder andere in het overleg van 12 mei 2020 met indiener hebben wij per object en structuur van indiener toegelicht waarom deze zijn aangewezen. Dit is ook in de plantoelichting opgenomen. Om het onderscheid tussen ‘cultuurhistorische structuur’ en ‘karakteristiek’ scherp te maken en houden (voor toekomstige plannen) wordt nu ook de beleidsregel ‘Koesteren cultuurhistorie’ aangevuld met criteria en een afwegingskader voor cultuurhistorische structuren. Zoals afgesproken met indiener kunnen zij reageren op het concept van de aangepaste beleidsregel. Zodra de concept beleidsregel gereed is, nemen wij hier contact over op. Wij hebben de tekst in de toelichting aangepast op een aantal punten n.a.v. uw zienswijze.

Nr* 3.

Zienswijze Volgens indiener is het belang van bescherming afhankelijk van de relatieve waarde van het object en de mate waarin het bedreigd is. Het staat niet vast dat er veel meer en betere voorbeelden elders in de stad aanwezig zijn. Indiener wordt mogelijk in meerdere wijken geconfronteerd met bescherming van panden en structuren die elders in de stad in overmaat aanwezig zijn en waarvan bescherming op stedelijk niveau overbodig is.

Beantwoording gemeente Gemeenten moeten bij het opstellen van bestemmingsplannen verplicht rekening houden met cultuurhistorische waarden. Dus ook als er nog geen compleet stadsbreed beeld is. Deze verplichting is sinds 2012 vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening.

4.

Indiener is bereid met een contra-expertise aan te tonen dat bepaalde panden of structuren niet beschermd hoeven te worden. Daartoe moeten de criteria waaraan getoetst moet worden wel duidelijk zijn om daar een opdracht voor te kunnen geven.

Het staat indiener vrij een contra-expertise uit te laten voeren door een deskundig bureau. Zoals aangegeven in antwoord op punt 2 staan de criteria voor aanwijzing van karakteristieke panden in de beleidsregel en worden de criteria voor structuren expliciet gemaakt in een update van de beleidsregel. Een contra-expertise kan overigens ook nog op het moment dat indiener concrete sloop- of verbouwingsplannen heeft. Zoals besproken wordt op dat moment op basis van argumenten (waar een contra-expertise onderdeel van kan zijn) bepaald of een vergunning voor het plan (of een aangepast plan) verleend kan worden. Bij een karakteristiek pand zal de inzet op behoud zijn. Bij een pand met alleen de aanduiding cultuurhistorisch structuur gaat het om het behouden van de stedenbouwkundige opzet, maat, schaal en/of de historische waardevolle (landschappelijke) aanleg. Dit kan ook door vernieuwing.

5.

2. Bescherming in de planregels Algemeen bezwaar: het gaat om het beschermen van de beeldbepalendheid van structuren en panden. O.b.v. meerdere regels in het plan geldt echter dat ook werkzaamheden die niet zichtbaar zijn vanuit openbaar toegankelijk gebied vergunningplichtig zijn. Dat gaat verder dan het te beschermen belang. In de regelingen in artikel 25.2 onder a (bouwen binnen ‘waarde – cultuurhistorie’) en artikel 30.3.3 (regels ‘cultuurhistorische structuur’) is de vergunningplicht wél beperkt tot vanuit openbaar toegankelijk gebied zichtbare werkzaamheden.

De regels voor bescherming van bebouwing met aanduiding ‘karakteristiek’ of dubbelbestemming ‘waarde – cultuurhistorie’ zijn zoveel mogelijk ongewijzigd overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Cultuurhistorie. De regeling voor cultuurhistorische structuren is nieuw.

Zeldzaamheid is één van de criteria waar wij naar kijken bij selectie, maar niet het enige. Het gaat er om dat de gewaardeerde objecten en structuren bijdragen aan de herkenbaarheid van de wijk. We zijn daarbij selectief, zoals ook blijkt uit het beperkte deel van de panden en structuren in het plangebied dat uiteindelijk is aangewezen. Zoals besproken met indiener is er nog geen uitvoerig stadsbreed beeld van alle aanwezige waarden en de verhouding daartussen. Deze behoefte is er zeker, maar vanwege beperkingen in tijd en budget op gebied van cultuurhistorie wordt op dit moment gebiedsgewijs onderzocht zodra zich een nieuw bestemmingsplan aandient.

Wij zijn het echter eens met indiener dat het ‘zichtbaarheidscriterium’ (waarneembaar vanuit openbaar toegankelijk gebied) meer consequent in de regels doorgevoerd moet worden. Het ‘zichtbaarheidscriterium’ ontbreekt ons inziens echter alleen in artikel 25.3 (slopen binnen dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’) en artikel 28.7 (regels aanduiding ‘karakteristiek’). Hier is het zichtbaarheidscriterium toegevoegd als uitzondering op het verbod. In artikel 25.4 onder a en artikel 30.3.3 lid b is ons inziens, in tegenstelling tot de opvatting van indiener, al wel sprake van een vereiste van zichtbaarheid vanuit openbaar gebied. Hier is overigens wel een kleine verduidelijking doorgevoerd (zie beantwoording punt 8).

Nr* 6.

Zienswijze De vergunningplicht en/of mogelijkheid om vergunning te verlenen is afhankelijk gemaakt van aantasting van cultuurhistorische waarden. Het begrip is wel gedefinieerd, maar niet uitgewerkt. Daarmee is niet duidelijk welke aspecten beschermd worden, zodat ook niet duidelijk is wanneer er een vergunningplicht is en wanneer deze verleend kan worden. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Beantwoording gemeente De cultuurhistorische waarde van objecten en structuren is niet te vatten in een uitputtende lijst. In het bestemmingsplan hebben we bewust geen algemene lijst met waarden of de waarden per object of structuur opgenomen. Het is geen exacte wetenschap. Er is altijd een oordeel van een deskundige nodig. Ook als er wel een lijst zou zijn, zou er vaak discussie ontstaan over wat een bepaald aspect betekent. Dat kan ook nadelig uitpakken voor een eigenaar, omdat de focus dan komt te liggen op exacte onderdelen en niet op het gehele plaatje van het karakteristieke object. In de beleidsregel ‘Koesteren Cultuurhistorie’ is het afwegingsproces voor een vergunning voor karakteristieke panden beschreven. Criteria in de afweging zijn niet expliciet opgesomd. Het onderdeel ‘belangenafweging’ is wel uitgewerkt in een aantal stappen. Dat geeft een behoorlijk inzicht in de afweging en welke onderdelen daar bij spelen, zoals mogelijke transformatieruimte, bouwtechnische mogelijkheden en kosten. Het is een ‘weegschaal’ waarin het belang van behoud wordt afgewogen tegen het individuele belang. Zoals aangegeven onder punt 2 zijn we bezig met een update van de beleidsregel, waarbij de corporaties op het concept kunnen reageren. Na de update bevat de beleidsregel ook een proces voor cultuurhistorische structuren en de belangenafweging daarbij.

Niet iedere ingreep in een cultuurhistorische structuur of aan een karakteristiek pand is vergunningplichtig. Dit volgt in feite al uit lid 28.7.1 (en vergelijkbaar in 30.3.3): “Ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning wijzigingen aan te brengen in de uitwendige karakteristiek van bebouwing.” (NB: in het vast te stellen plan is ‘uitwendige karakteristiek’ vervangen door ‘karakteristieke hoofdvorm en/of karakteristieke elementen’). Om dit te benadrukken is in artikel 28.7.2 en 30.3.3 onder c (de uitzonderingen op de verboden) toegevoegd dat er geen verbod is (en dus geen vergunningplicht) als er bij een werkzaamheid, op basis van het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige, geen sprake is van een wijziging van de karakteristieke hoofdvorm en/of karakteristieke elementen van de bebouwing (artikel 28.7.2) danwel dat een werkzaamheid in een deel van een cultuurhistorische structuur plaatsvindt dat niet bijdraagt aan de waarde van die structuur (artikel 30.3.3 onder c). Dit uiteraard nog afgezien van de overige uitzonderingen in 28.7.2 en 30.3.3 onder c (normaal beheer en onderhoud, zichtbaarheid vanuit openbaar gebied etc) en geheel vergunningvrije ingrepen waarbij er geheel geen toetsing aan het bestemmingsplan plaatsvindt (zoals zonnepanelen of een dakkapel aan de achterzijde).

Zie verder ook beantwoording zienswijze indiener 1 voor een nadere toelichting op de betekenis van de aanduiding in de praktijk.

7.

Artikel 25.2 (bouwen in dubbelbestemming ‘waarde-cultuurhistorie’):

Het artikel is wat betreft bouwen en slopen zoveel mogelijk ongewijzigd overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Cultuurhistorie.

Nr*

8.

9.

Zienswijze In artikel 25.2 (bouwen) missen de voorschriften zoals deze wel zijn opgenomen in artikelen 25.3 (slopen) en 25.4 (overige werken) onder b en d. Het betreft aanvullende criteria op basis waarvan geen verbod voor werkzaamheden geldt danwel een vergunning verleend kan worden. De bepalingen onder b en d geven meer afwegingsruimte. Niet is te zien waarom dit niet voor bouwen is opgenomen. Artikel 25.4 (overige werken in ‘waarde cultuurhistorie’): Nagenoeg alle werken en werkzaamheden, geen gebouwen zijnde, zijn vergunningplichtig, omdat ze ofwel aan lid a onder 1 voldoen (zichtbaar vanuit openbaar gebied; geen beperking qua type werkzaamheden) ofwel aan lid a onder 2 voldoen (verharden, rooien, graven etc; geen beperking qua zichtbaarheid vanuit openbaar gebied).

Artikel 25.4 lid a onder 1 geeft aan dat er ook een vergunningplicht geldt als werken van invloed zijn op bouwwerken en andere werken die zichtbaar zijn vanuit openbaar toegankelijk gebied. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat de invloed van werkzaamheden zichtbaar moet zijn vanuit openbaar toegankelijk gebied. 10. Artikel 28.7 (karakteristieke objecten): de karakteristiek is bepalend voor vergunningplicht, maar niet is hier per object beschreven wat de karakteristiek is. Er wordt aangegeven dat het de uitwendige delen betreft, maar niet dat het zichtbaar moet zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied. Als toets voor de vergunningaanvraag geldt vervolgens de beleidsregel ‘Koesteren cultuurhistorie’. Deze beschrijft de procedure voor vergunningverlening, maar geeft geen concrete criteria waaraan getoetst kan worden. Niet duidelijk is wanneer wijzigingen aan een pand verboden zijn en wanneer een vergunning verleend kan worden. 11. Artikel 30.3 (cultuurhistorische structuur): In artikel 30.3.3 lid a ontbreekt het vereiste van zichtbaarheid voor vergunningplicht voor bijv. bijgebouwen.

Beantwoording gemeente Wij kunnen ons echter vinden in de suggestie van indiener en hebben de bedoelde leden b en d daarom ook opgenomen in artikel 25.2.

Bedoeling van artikel 25.4 lid a is dat de werkzaamheden moeten voldoen aan beide voorwaarden, dus aan 1 EN 2, niet aan 1 OF 2. Het is dus geen ‘kennelijke misslag’ zoals indiener aangeeft, maar om de regeling extra duidelijk te maken is de redactie aangepast in lid a: “voor zover de volgende omstandigheden beide van toepassing zijn”

Wij zijn het eens met deze opmerking. De redactie van lid a onder 1 is als volgt aangepast: “de werken of werkzaamheden zijn aanwezig in of zijn zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied danwel hebben een invloed die zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied”.

Zoals aangegeven bij punt 6 hebben we bewust geen lijst met uitputtende waarden per object (of structuur) opgenomen. Zie antwoord bij punt 5 t.a.v. zichtbaarheid vanuit openbaar toegankelijk gebied. De beleidsregel ‘Koesteren Cultuurhistorie’ bevat inderdaad een afwegingsproces voor vergunningverlening. Het geeft daarbij wel een behoorlijk inzicht in onderdelen die een rol spelen in de belangenafweging. Zie verder het antwoord op punt 6.

Ons inziens blijkt helder uit de regeling dat het zichtbaarheidscriterium ook voor bijgebouwen etc geldt. De extra zin waarin bijgebouwen, tuinmuren en hekken worden benoemd is een verduidelijking van de zin daarvoor waardoor het helder is dat deze ook onder ‘bouwkundige wijzigingen’ en ‘bebouwing’ vallen.

Nr* Zienswijze 12. Zelfde opmerkingen als onder punten 8 en 9, maar dan voor cultuurhistorische structuur. 13. Conclusie Indiener verzoekt het ontwerp nader te onderbouwen en te heroverwegen. Met de huidige motivering dient de bescherming van de panden en de structuren waarbinnen deze zich bevinden te vervallen.

Beantwoording gemeente In artikel 30.3.3 lid b zijn dezelfde aanpassingen doorgevoerd als in artikel 25.4 lid a, zoals aangegeven onder punten 8 en 9. Wij hebben de toelichting op punten aangepast t.b.v. de duidelijkheid. Ook hebben wij de planregels aangescherpt, mede o.b.v. de zienswijze van indiener (zie hiervoor). Zoals op 12 mei 2020 besproken met indiener vervalt de aanduiding ‘karakteristiek’ voor de panden Paulus Potterstraat 28-134 (code K19 in plantoelichting). De overige cultuurhistorische aanduidingen op het bezit van indiener in het plangebied blijven gehandhaafd.

Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot een aantal aanpassingen in het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp plan op gebied van cultuurhistorie. Deze en andere aanpassingen zijn doorgevoerd en samengevat in het overzicht van wijzigingen. Deze is bij voorliggende nota gevoegd en wordt als bijlage bij de bestemmingsplantoelichting gevoegd.

Indiener 12 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze Zienswijze is identiek aan indiener 11, maar dan voor de aangewezen cultuurhistorisch waardevolle panden en structuren in bezit van indiener.

Beantwoording gemeente Zoals op 12 mei 2020 besproken met indiener vervalt de aanduiding ‘karakteristiek’ op het pand Thomas de Keijserstraat 1-91/Wethouder Nijhuistraat 130-136 (code K25 in plantoelichting) en is structuur S3 (omgeving Bruggertstraat/Rembrandtlaan) aangepast door de laagbouw niet meer op te nemen. Zie de nota van wijzigingen voor de exacte aanpassingen tussen ontwerp en vast te stellen plan. De overige cultuurhistorische aanduidingen op bezit van indiener in het plangebied (dit bezit is onderdeel van structuren S2 en S3) blijven gehandhaafd. Naar onze beleving kon indiener zich op basis van het met hen gevoerde overleg daar ook in vinden, zoals ook is vastgelegd in het gespreksverslag van 12 mei 2020. Zie beantwoording zienswijze indiener 11 voor de overige punten in de zienswijze.

Conclusie: Zie zienswijze indiener 11.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=81cd74a9-60fe-462f-b881-b12ba5f01d10