Minima-effectrapportage gemeente Enschede 2025 def
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Enschede 2025 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Nouschka Veerman
17 september 2025
Minima-effectrapportage gemeente Enschede 2025
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Corinne van Gaalen Nouschka Veerman
Nibud, 17 september 2025 In opdracht van de gemeente Enschede
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Enschede. Met dit onderzoek wil de gemeente Enschede inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, september 2025
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.2.5 Huishoudens met een zorgvraag 1.2.6 Zelfstandig wonende 18-jarige 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.4 Stichting Leergeld 3.2.5 Bijles/ huiswerkbegeleiding 3.2.5 Extra geld voor jongeren voor cultuur en sport 3.2.7 Individuele studietoeslag 3.2.8 Vergoeding kosten werk 3.2.9 Bijzondere bijstand 3.2.10 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Belastingaftrek specifieke zorgkosten 3.3.3 Collectieve zorgverzekering 3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype 4.2 Armoedeval 4.2.1 Uitstroomval 4.2.2 Doorstroomval 4.3 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Voorwaarden 5.2 Bestedingsruimte en armoedeval 5.3 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Enschede? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen wordt in een begroting afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud minimumvoorbeeldbegrotingen, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen. 1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Enschede is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: 1. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 2. Een paar zonder kinderen onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 3. Een ouder paar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; 4. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 5. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 6. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 7. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 8. Een alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking; 9. Een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met een motorische beperking; 10. Een zelfstandig wonende 18-jarige.
1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Enschede is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstands-/AOW-niveau en voor 110, 120 en 130 procent van de bijstandsnorm.
Bij de zelfstandig wonende 18-jarige wordt hiervan afgeweken en kijken we naar de volgende drie inkomensniveaus: bijstandsniveau, het (netto) minimumjeugdloon en studiefinanciering Mbo. 1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er bij een hoger inkomen geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het Woononderzoek Nederland (WoON) van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen.
De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij sluiten we aan bij de wetgeving rondom passend toewijzen. Woningcorporaties moeten bij het toewijzen van sociale huurwoningen voldoen aan de passendheidsnorm. Dat betekent dat de woningcorporaties hun sociale huurwoningen moeten verhuren aan woningzoekenden met een inkomen dat volgens de wet 'past' bij de huurprijs. Zo wordt voorkomen dat mensen met de laagste inkomens in te dure huurwoningen gaan wonen, en andersom. De huren volgens het passend toewijzen zijn in 2025 € 682 voor één- of tweepersoonshuishoudens en € 731 voor huishoudens met drie of meer personen.1 1.2.5 Huishoudens met een zorgvraag In deze rapportage worden ook twee huishoudens met een zorgvraag onderzocht. De zorgprofielen van deze huishoudens, wijken af van de zorgprofielen zoals deze in eerdere rapportages werden gebruikt. Het Nibud heeft na de zomer van 2024 een landelijk onderzoek gedaan naar de meerkosten waarmee huishoudens die te maken hebben met een zorgvraag worden geconfronteerd2. In dat onderzoek zijn verschillende zorgprofielen gedefinieerd.
____________________
In overleg met de gemeente Enschede zijn twee van deze zorgprofielen in dit onderzoek doorgerekend: een alleenstaande met een licht verstandelijke beperking en een alleenstaande oudere met een motorische beperking. Bij deze huishoudens worden in de begroting extra kosten meegenomen die gemiddeld gezien vaak voorkomen bij personen met de betreffende beperking. Tegelijkertijd houden we ook rekening met de regelingen die de gemeente Enschede voor deze huishoudens kent. In paragraaf 3.3 worden de zorgprofielen van de huishoudens met een zorgvraag verder uitgewerkt. 1.2.6 Zelfstandig wonende 18-jarige In dit onderzoek kijken we ook naar de bestedingsruimte van een zelfstandig wonende 18-jarige. Hierbij kijken we naar de volgende drie situaties: Situatie waarin hij/zij niet werkt of studeert en bijstand ontvangt; Situatie waarin hij/zij werkt tegen het minimumloon dat geldt voor een 18-jarige; Situatie waarin hij/zij een mbo-opleiding (BOL) volgt en studiefinanciering ontvangt. Hier wordt dus niet wordt doorgerekend met een percentage van de bijstandsnorm, zoals dat bij de andere onderzochte huishoudtypen wel is gedaan. De bijstandsnorm voor zelfstandig wonende jongeren (18 tot 21 jaar) bedraagt € 338. Deze kan in de gemeente Enschede worden aangevuld vanuit de bijzondere bijstand, als geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplicht van de ouders.
De hoogte van deze aanvulling is gelijk aan het verschil tussen de jongerennorm en de reguliere norm of het netto minimumjeugdloon (alle bedragen exclusief vakantietoeslag). Voor een 18-jarige wordt gekeken naar het verschil met het minimumloon. De aanvulling vanuit de bijzondere bijstand is opgenomen bij de inkomsten (lokale tegemoetkoming). Voor de 18-jarige die studeert gaan we uit van een voltijd MBO-opleiding via de Beroeps Opleidende Leerweg, met het maximale bedrag aan studiefinanciering (basisbeurs en aanvullende beurs) vanaf augustus 2025. Dit komt neer op € 794 per maand. Daarnaast zijn studiekosten opgenomen: collegegeld voor het studiejaar 2025/2026 van € 1.458 per jaar plus schoolkosten (zoals leermiddelen, onderwijsbenodigdheden en excursie) van € 1.393 per jaar. Dit komt neer op een maandbedrag van € 238. Ten slotte zijn de kosten voor openbaar vervoer uit de begroting gehaald, omdat studenten in aanmerking komen voor een studentenreisproduct. Dit geldt ook voor de vervoerskosten in de post “sociale participatie”. De huur van de 18-jarige is in deze rapportage lager dan voor de overige eenpersoonshuishoudens, waarvoor we een huur van € 682 hanteren (zie paragraaf 1.2.4). Voor een 18-jarige is dit waarschijnlijk geen reëel bedrag, zeker gezien het feit dat voor jongeren tot 23 jaar geen huurtoeslag mogelijk is bij een huur boven € 477,20 per maand.
We gaan uit van een zelfstandige woning. Daarom wordt in deze rapportage gerekend met een huur van € 475, iets hoger dan in 2023 toen met € 450 werd gerekend. Ten slotte is bij de 18-jarige gekozen voor een minder uitgebreide zorgverzekering, namelijk GarantAanvullend. Dit is een basisverzekering, een aanvullende verzekering plus een tandartsverzekering. De premie bedraagt € 167,93 per maand. Deze premie hanteren we voor alle drie de onderzochte situaties.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft.
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstands-/AOW-niveau), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 sub c. Gemiddelde maandbegrotingen De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. In die begrotingen wordt het totaal besteedbaar maandinkomen weergegeven. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen en uitkeringen inclusief vakantiegeld, belastingteruggaven, zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag en kinderbijslag. De vakantietoeslag wordt meestal niet maandelijks uitgekeerd en de kinderbijslag wordt een keer per kwartaal uitbetaald. In de begrotingen zijn die bedragen opgenomen als gemiddelde maandbedragen. De toeslagen die worden getoond in de begrotingen zijn afhankelijk van het verzamelinkomen. Bij elk inkomensniveau hebben we het verzamelinkomen berekend dat bij het netto inkomen hoort. Hierbij hebben we rekening gehouden met de heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor paren gaan we uit van een situatie waarin slechts een van beide partners werkt.
Deze eenverdienerssituatie is financieel de minst gunstige situatie. Als beide partners werken, dan hebben zij bij hetzelfde bruto inkomen een hoger netto inkomen dan eenverdieners. Dat komt doordat beide partners dan recht hebben op heffingskortingen. Dat betekent ook dat we in dit rapport voor paren met kinderen tot 12 jaar geen rekening hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als beide ouders werken, dan hebben zij daar wel recht op en ziet de inkomenssituatie er iets beter uit dan in de begrotingen in dit rapport.
In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket inclusief het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken.
Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens.3
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud vier soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. Bijvoorbeeld de huur, energie of verzekeringen. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen ____________________
betalen. Het gaat bijvoorbeeld om witgoed, kleding of de reservering voor het eigen risico. • Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. Bijvoorbeeld de dagelijkse boodschappen. • Sociale Participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
In de begrotingen wordt gerekend met minimale bedragen. Naast de cijfermatige kant moet daarom rekening worden gehouden met drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Tegelijkertijd zien we dat huishoudens soms bewust afzien van het gebruik van inkomensondersteuning, omdat zij angst hebben dat zij het gekregen geld weer terug moeten betalen, zeker sinds het toeslagenschandaal. Ook hier moet aandacht voor zijn. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven.
In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.
Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. De volledige begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2025 zijn er op dit terrein een aantal onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen. Het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen zijn met ruim 5 procent verhoogd naar aanleiding van de hoge inflatie van de afgelopen jaren. Ook de toeslagen zijn aangepast: • Het kindgebondenbudget is iets omhoog gegaan, het maximale bedrag per kind gaat € 6 per maand omhoog voor ieder kind. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders gaat € 7 per maand omlaag; • De huurtoeslag verandert zodat alle meerpersoonshuishoudens ook een deel van de huur boven de aftoppingsgrens vergoed krijgen (40 procent) net als al voor alleenstaanden en ouderen het geval is; • De maximale zorgtoeslag stijgt met ongeveer € 8 per maand per persoon. Daar staat tegenover dat de premie basiszorgverzekering gemiddeld met € 10 per maand zal stijgen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting.
Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar 2025
2024
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, bijvoorbeeld inkomen of vermogen. Bij het inkomen wordt verwezen naar het toetsingsinkomen, ook wel verzamelinkomen genoemd. Dit bestaat uit: inkomen uit werk en woning (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De volgende toeslagen (2025) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het toetsingsinkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen
Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur4 volledige huurtoeslag tot aan de kwaliteitskortingsgrens. Vanaf deze huur wordt 65 procent vergoed, tot aan de aftoppingsgrens. Daarboven ontvangen huishoudens nog 40 procent huurtoeslag tot aan de maximale huurgrens. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen
____________________ 4
Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur
Kindgebonden budget Huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar kunnen in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens (waarbij gekeken wordt naar het toetsingsinkomen). Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het maximale bedrag per kind bedraagt € 209,25 per maand. Huishoudens met kinderen van 12 jaar of ouder, krijgen een extra bedrag per jaar. De maximale bedragen zijn: • tussen de 12 en 16 jaar: maximaal € 58,58 extra per kind per maand; • tussen de 16 en 17 jaar: maximaal € 78,00 extra per kind per maand. Alleenstaande ouders krijgen nog een extra bedrag: maximaal € 282,42 per maand per huishouden. Tabel 5: Kindgebonden budget
Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag per kwartaal
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Enschede voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Enschede kan kwijtschelding worden aangevraagd voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De afvalstoffenheffing bestaat uit een vast deel en een variabel deel. Het variabele deel wordt bepaald door het aantal keren dat de grijze container aan de weg wordt gezet. Voor het variabele deel kan maximaal € 31,60 kwijtgescholden worden. De gemeente toetst bij het vaststellen van de kwijtschelding aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen, behalve voor het variabele deel. In deze rapportage gaan we ervan uit dat de een- en tweepersoonshuishoudens 6 keer per jaar een container van 140 liter aanbieden en de meerpersoonshuishoudens 6 keer per jaar een container van 240 liter. Dat betekent dat een- en tweepersoonshuishoudens op bijstandsniveau volledige kwijtschelding kunnen krijgen. Meerpersoonshuishoudens betalen nog € 15,80 per jaar.
Bij een inkomen boven de norm wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. Bij het waterschap Vechtstromen is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, een norm van 100 procent van de toepasselijke bijstands/AOW-norm. Tabel 7: Gemeentelijke en waterschapsheffingen (tarieven 2025)
De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten en waterschappen de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen.
De gemeente Enschede maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers, maar houdt geen rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Het waterschap houdt zowel rekening met de verhoogde norm voor AOW’ers als met de kosten voor kinderopvang. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt apart berekend; gemeentelijke heffingen via GBTwente en waterschapslasten via GBLT. 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Voor inwoners met een laag inkomen biedt de gemeente Enschede een collectieve zorgverzekering aan van zorgverzekeraar Menzis. Er is een vaste basisverzekering en inwoners kunnen kiezen uit drie verschillende aanvullende pakketten. Ook zijn er verschillende tandartsverzekeringen. De gemeente levert een bijdrage aan de premie en er geldt een collectiviteitskorting. In het meest uitgebreide pakket (GarantVerzord 3) is het eigen risico volledig meeverzekerd. Voor inwoners die geen hoge zorgkosten verwachten is er een goedkoper pakket GarantAanvullend. De premie van dit pakket bedraagt € 167,93 per maand. Dit pakket wordt nog maar weinig gekozen. Tabel 8: Premie en bijdrage collectieve zorgverzekering gemeente Enschede 2025
Net als in de rapportage van 2023 rekenen we in de begrotingen met de premie van GarantVerzorgd 2. Uitzonderingen zijn de huishoudens met een zorgvraag, waarbij we rekenen met GarantVerzorgd 3. Voor de zelfstandig wonende 18-jarige gaan we uit van GarantAanvullend. Om voor de gemeentepolis in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Enschede een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Er geldt geen vermogensgrens. Bij inkomens boven 120 procent rekenen we met de premie van een gemiddelde zorgverzekering (de nominale premie van een basis- en aanvullende verzekering, inclusief een tandartsverzekering). Voor de huishoudens met een zorgvraag gaan we uit van een uitgebreider en dus duurder pakket. De bijbehorende premies zijn opgenomen onder de post “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. De post “eigen risico zorgverzekering” is voor het huishouden met een zorgvraag en een inkomen tot en met 120 procent op € 0 gezet, omdat het eigen risico is herverzekerd. Dat is bij de andere huishoudens niet het geval. Men zal dan zelf geld moeten reserveren om het eigen risico op te kunnen vangen.
3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Enschede is bedoeld voor inwoners vanaf 21 jaar tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, van wie het inkomen in de afgelopen 60 maanden niet hoger was dan de geldende bijstandsnorm en die geen zicht hebben op en inkomensverbetering in de toekomst. De hoogte van de IIT bedraagt per jaar: • € 114 voor alleenstaanden of alleenstaande ouders; • € 162 voor paren (zowel met als zonder kinderen); Huishoudens met kinderen kunnen een extra toeslag aanvragen: • € 65 per kind dat op 1 januari van het jaar waarover toeslag wordt aangevraagd jonger is dan 12 jaar; • € 130 per kind dat op 1 januari van het jaar waarover toeslag wordt aangevraagd tussen de 12 en 18 jaar is. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat niet elke inwoner van Enschede met een laag inkomen hiervoor in aanmerking komt. 3.2.4 Stichting Leergeld Kinderen van 0 tot 18 jaar kunnen via Stichting Leergeld een bijdrage ontvangen voor activiteiten op en buiten school. Stichting Leergeld hanteert een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm of een vergelijkbaar inkomen in verband met schulden of bijzondere omstandigheden. In totaal wordt 80 procent van de doelgroep bereikt.
Het gaat om de volgende vergoedingen: Voor kinderen die naar groep 1, groep 5 of de brugklas (eerste klas van het voortgezet onderwijs) gaan, kan een gevulde rugtas worden aangevraagd. De bedragen die hiervoor gelden zijn: Groep 1: € 36 Groep 5: € 40 Brugklas: € 95 We gaan ervan uit dat de basisschoolkinderen 4 jaar met de materialen kunnen werken die via deze regeling worden bekostigd. De kinderen van de brugklas zouden er 5 jaar (de gemiddelde duur van een middelbare schoolperiode) mee moeten kunnen werken. Om die reden hebben we de eenmalige toekenning verdeeld over een periode van respectievelijk 4 en 5 jaar. De vergoeding wordt verrekend met de post “onderwijs”. Schoolspullenpas: kinderen die naar klas 2, 3, 4, 5 of 6 van het voortgezet onderwijs gaan hebben schoolspullen nodig, zoals pennen, agenda, etui en schriften. Hiervoor kan bij Stichting Leergeld een schoolspullenpas worden aangevraagd. In de begrotingen van de huishoudens met oudere kinderen is dit verwerkt in de post “onderwijs”. We gaan hierbij uit van de bedragen zoals deze zijn opgenomen in de Schoolkostenmonitor 2022-2023.5 Kinderen op het voortgezet onderwijs die een grafische rekenmachine nodig hebben, kunnen een vergoeding bij Stichting Leergeld Enschede aanvragen.
____________________
In de begrotingen gaan we niet uit van een grafische rekenmachine, dit is daarom ook niet verrekend. Stichting Leergeld verstrekt een bijdrage voor schoolreizen en werkweken: Voor groep 1 tot en met 4: € 35 per schooljaar Voor groep 5 tot en met 6: € 55 per schooljaar Voor groep 7 tot en met 8: € 100 per schooljaar Voor onderbouw middelbare school: € 50 per schooljaar Voor bovenbouw middelbare school: € 450 per schooljaar Omdat het om een natura vergoeding gaat, rekenen we in onze begrotingen met de kosten uit de eerder genoemde Schoolkostenmonitor. Deze kosten liggen lager dan bovengenoemde bedragen, behalve voor de onderbouw van de middelbare school. Daarom hanteren we voor deze groep wel het bedrag van Stichting Leergeld (€ 50). De kosten voor schoolreizen en werkweken zijn verrekend met de post “onderwijs”. • Een Chromebook of laptop: Voor kinderen op de basisschool vanaf groep 6 kan een Chromebook worden aangevraagd, maximaal 1 per gezin. Kinderen die naar het voortgezet onderwijs gaan kunnen per kind een laptop of een Chromebook aanvragen. Voor de gezinnen met kinderen van 3 en 5 jaar is er geen vergoeding; zij gaan nog niet naar groep 6. Voor de gezinnen met oudere kinderen wel: ervan uitgaande dat een laptop of Chromebook 5 jaar lang (de gehele middelbare schoolperiode) meegaat, zijn de jaarlijkse (afschrijvings)kosten € 105 per kind.
Deze kosten zijn verrekend met de post “onderwijs”. Een smartphone voor kinderen die naar de brugklas gaan. Voor kinderen op de middelbare school neemt het Nibud de kosten van een smartphone mee in het inboedelpakket. Daarbij veronderstellen we dat die telefoon drie jaar lang meegaat. Voor het kind van 16 jaar is het (financiële) voordeel van deze regeling niet meer aanwezig. Dit is anders voor de 14-jarige; die kan nog steeds de telefoon gebruiken die hij/zij in de brugklas heeft verkregen. Daarom zijn in de begrotingen voor de gezinnen met het 14-jarige kind de (afschrijvings)kosten voor een smartphone uit de post “inboedel” gehaald. Ook de kosten van een abonnement worden vergoed. Dit is verrekend met de post “Telecom”. • Kinderen kunnen in aanmerking komen voor een fiets om bijvoorbeeld naar school, de sportclub of de muziekvereniging te gaan. Voor kinderen vanaf ongeveer 1,5 jaar kan een loopfiets worden aangevraagd. Stichting Leergeld werkt samen met een fietsenwinkel in Enschede. Bij deze fietsenwinkel kan een fiets (zonder versnellingen) worden uitgezocht uit het speciale assortiment van Leergeld. Drie gratis servicebeurten zijn inbegrepen. In de begrotingen worden bij de gezinnen met kinderen de kosten van een fiets per kind uit de post “vervoer” gehaald. Een vergoeding voor sport of cultuur, voor kinderen tot en met 17 jaar.
Stichting Leergeld werkt hiervoor samen met het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Er is een vergoeding voor de contributie of het lesgeld. Daarnaast is ook een vergoeding voor kleding, schoenen of attributen mogelijk. In de begrotingen is onder de post “sociale participatie” een bedrag opgenomen voor contributies en abonnementen voor sportieve en culturele activiteiten (zie bijlage 1).
Het Nibud gaat uit van een contributie van € 12,50 per maand voor kinderen van 4 tot 8 jaar, € 16 voor kinderen van 8 tot 16 jaar en € 21,50 vanaf 16 jaar . Deze bedragen zijn op de post “sociale participatie” in mindering gebracht. Voor sportkleding kan een vergoeding van € 100 per jaar worden aangevraagd. Dit is verrekend met de post “kleding”. Voor kinderen vanaf 6 jaar kan een vergoeding van zwemlessen worden aangevraagd. Voor kinderen vanaf 0,5 tot en met 3 jaar is peuterzwemmen mogelijk. Omdat het Nibud uitgaat van lidmaatschap van één (sport)club, worden de zwemlessen niet apart op de begroting in mindering gebracht. Een Jarige Job verjaardagsdoos. Kinderen tot en met 17 jaar kunnen in aanmerking komen voor een goed gevulde verjaardagsdoos. In de verjaardagsbox zitten alle benodigdheden voor een verjaardag: traktaties voor thuis en op school, ballonnen en slingers, cadeautjes, een taart en glazuur, slagroom en kaarsjes. Onderdeel van het sociale participatiebudget is het ontvangen van bezoek (zie bijlage 1). De gemiddelde kosten hiervan zijn € 12 per maand per persoon binnen het huishouden. We gaan ervan uit dat het geven van een kinderverjaardagsfeestje drie maandbedragen kost (€ 36). Deze kosten zijn bij de huishoudens met kinderen in mindering gebracht op het bedrag bij de post “sociale participatie”.
De Stichting Leergeld kan helpen bij de aankoop van een bril voor kinderen die hier niet (voldoende) voor verzekerd zijn. Omdat deze regeling niet op alle kinderen van toepassing is, is dit niet in de begrotingen verrekend. Omdat het voorkomt dat er thuis soms te weinig geld is voor het kopen van maandverband en tampons, wil de Stichting Leergeld hier graag bij helpen. Daarom kan 1 keer per 12 maanden een waardecheque van € 60 worden aangevraagd te besteden aan menstruatieproducten. In de begrotingen van huishoudens met oudere kinderen is dit verrekend met de post “persoonlijke verzorging”, waarbij we ervan uitgaan dat een van beide kinderen een meisje is. Voor kinderen van 0 tot en met 17 jaar kan een ID-kaart worden aangevraagd. We gaan ervan uit dat alleen de oudere kinderen een eigen ID-kaart nodig hebben. In de begrotingen is dit verrekend met de post “diversen”. 3.2.5 Bijles/ huiswerkbegeleiding Voor kinderen in groep 7 en 8 vergoedt de gemeente Enschede bijles/ huiswerkbegeleiding. De regeling kent een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. In de begrotingen zijn geen kosten voor onderwijsbegeleiding meegenomen, omdat wij hier niet a priori van uitgaan. Daarom worden deze kosten ook niet in mindering gebracht.
3.2.5 Extra geld voor jongeren voor cultuur en sport Jongeren tussen de 18 en 23 jaar met een laag inkomen (maximaal 120 procent van de bijstandsnorm voor een alleenstaande), kunnen jaarlijks in aanmerking komen voor € 100 als bijdrage aan allerlei sportieve, culturele of educatieve activiteiten. Bijvoorbeeld voor een theatervoorstelling, lidmaatschap van een sportschool of sportvereniging, creatieve cursus, een festivalkaartje of bioscoopbezoek.
De regeling is doorgerekend in de begroting van de zelfstandig wonende 18-jarige. Dit geldt niet voor de 18-jarige student; studenten die recht hebben op studiefinanciering of WTOS komen niet voor de regeling in aanmerking. 3.2.7 Individuele studietoeslag De individuele studietoeslag is een inkomensondersteunende maatregel voor studenten en leerlingen, die door een structurele lichamelijke of psychische arbeidsbeperking naast hun studie niet structureel kunnen bijverdienen. Het moet gaan om een opleiding waarbij recht is op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering (Wsf) of op een basistoelage op grond van de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS). Studenten die een Wajong-uitkering ontvangen hebben geen recht op studietoeslag, maar ontvangen een toeslag van het UWV. De individuele studietoeslag wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat we ervan uitgaan dat geen van de (leden van de) onderzochte huishoudens van deze toeslag gebruik hoeft te maken. Voor de zelfstandig wonende 18-jarige die studeert zou deze toeslag relevant kunnen zijn, in het geval dat sprake is van een arbeidsbeperking. Ook daar gaan we in deze rapportage niet van uit. 3.2.8 Vergoeding kosten werk De gemeente Enschede verstrekt een vergoeding voor de kosten om werk of een traject van de gemeente te doen.
Het gaat bijvoorbeeld om reiskosten, werkkleding, werkschoenen of een fiets. De regeling is alleen bedoeld voor inwoners met een traject naar werk, een participatiebaan of studie en wordt daarom niet in de begrotingen doorgerekend. 3.2.9 Bijzondere bijstand De gemeente Enschede verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Van het meerinkomen boven 110 procent van de geldende norm, wordt 35 procent als draagkracht beschouwd. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering zijn de huishoudtypen met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. 3.2.10 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten.
In de gemeente Enschede kunnen ouders die werken of een arbeidsmarktgericht traject volgen en die kinderopvang nodig hebben bijzondere bijstand aanvragen. De vergoeding is het verschil in de meerprijs tussen de maximale uurprijs van het Rijk en de opvanglocatie. Er is geen vergoeding voor de verplichte eigen bijdrage. In deze rapportage gaan we uit van het uurtarief van het Rijk; bijzondere bijstand is dan niet aan de orde.
Kinderopvang Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van 3 jaar. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. We gaan uit van 45 weken kinderopvang per jaar. Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering (die geen arbeidsmarktgericht traject volgt) hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat er twee dagdelen per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen boven bijstandsniveau), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang maar van de peuteropvang, omdat de niet-werkende partner op de kinderen kan passen. In de gemeente Enschede mogen alle kinderen van 2 en 3 jaar twee dagdelen per week naar de peutergroep. Dit geeft ze later een goede start op de basisschool. (Kinderen met een VVE-indicatie mogen vier dagdelen per week naar de peutergroep, maar van een dergelijke indicatie wordt in deze rapportage niet uitgegaan.) Ouders zonder werk komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag.
De gemeente Enschede kent een vergoeding voor peuteropvang, die afhankelijk is van het belastbaar gezinsinkomen. Bij een laag inkomen komen de kosten uit op € 11,42 per maand. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek worden de begrotingen van twee huishoudens met extra zorgkosten opgesteld: Een alleenstaande met een licht verstandelijke beperking; Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking.6 Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de algemene voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt beschreven welke extra kosten de huishoudens met een zorgvraag hebben en welke vergoedingen van de gemeente daartegenover staan. 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. ____________________
Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is. 3.3.2 Belastingaftrek specifieke zorgkosten Bepaalde specifieke zorgkosten zijn aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Voor de huishoudens die we hebben doorgerekend gaat het om vervoerskosten, medicijnen en extra kosten voor kleding en beddengoed. Voor de aftrek geldt een drempel. Niet in alle gevallen wordt de drempel gehaald. 3.3.3 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Enschede een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: GarantVerzorgd 3. Via dit pakket is onder meer de eigen bijdrage Wmo vergoed. Ook is het volledig eigen risico meeverzekerd. 3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, zijn zogenoemde zorgprofielen opgesteld.
Vervolgens wordt bepaald welke extra kosten deze huishoudens hebben en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in samenwerking met Ieder(in), in opdracht van het Ministerie van VWS. Alleenstaande met een licht verstandelijke beperking In deze situatie bespreken we een alleenstaande met een licht verstandelijke beperking. De persoon woont zelfstandig in een woongroep en heeft dagbesteding. De meerkosten bestaan voornamelijk uit een hogere premie voor een uitgebreidere zorgverzekering en bijdragen voor verschillende vormen van begeleiding: ambulante begeleiding, budgetbeheer en begeleiding voor activiteiten buitenshuis. Daarnaast zijn er beperkte meerkosten voor onder andere ziekenhuisbezoek en dieetadvies (zie tabel 9). Tabel 9: Meerkosten alleenstaande met een licht verstandelijke beperking Meerkosten
Alleenstaande oudere met een motorische beperking Het profiel voor de AOW-gerechtigde met een motorische beperking ziet er als volgt uit: Het gaat om een alleenstaand persoon met een minimuminkomen die vanwege een motorische beperking rolstoelgebonden is. De beperking is niet ontstaan door een andere chronische aandoening. Deze persoon woont in een flatwoning met lift. Voor mobiliteit buitenshuis maakt hij/zij gebruik van een scootmobiel. Het opladen hiervan heeft een hogere energierekening tot gevolg. Voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en verder weg gelegen bestemmingen wordt gebruik gemaakt van de regiotaxi en Valys. Overige meerkosten betreffen hogere stookkosten vanwege veel alleen thuis zitten, een uitgebreidere zorgverzekering, lidmaatschap van twee patiëntenverenigingen, begeleiding bij het sporten, kledingslijtage en extra waskosten, eigen bijdrage Wmo voor woningaanpassingen, eigen betalingen van medicijnen in verband met chronische ontstekingen en bloedsomloopproblemen, en vakantie in een aangepaste recreatiewoning (zie tabel 10). Tabel 10: Meerkosten alleenstaande oudere met een motorische beperking Meerkosten
Aanpassingen in de begroting voor beide huishoudens met een zorgvraag Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen. De extra kosten van beide huishoudens met een zorgvraag zijn in de begrotingen als volgt verrekend: Hogere huur in verband met aanwezigheid lift De oudere woont in een flatwoning met een lift. Dit geeft een hogere huur van gemiddeld € 67 per maand. Dit wordt voor een deel (40 procent) gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Daarnaast zijn er servicekosten voor de lift van € 24 per maand. Ook deze kosten kunnen gedeeltelijk vanuit de huurtoeslag worden vergoed. De rest komt voor rekening van de oudere zelf.
Hogere energierekening Vanwege het gebruik van hulpmiddelen waaronder een scootmobiel, die thuis opgeladen moet worden, heeft de oudere met een zorgvraag een hogere energierekening. Daarnaast heeft deze persoon hogere stookkosten omdat zij vaak thuis is en veel stilzit. Dit scheelt in totaal € 28 per maand en wordt verrekend met de post “energie”. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit hangt van de oorzaak van de motorische beperking af. In deze rapportage gaan we uit van compensatie vanuit de bijzondere bijstand, rekening houdend met de draagkracht. Collectief vraagafhankelijk vervoer Beide huishoudens met een zorgvraag maken voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en andere bestemmingen gebruik van de regiotaxi en Valys in plaats van het reguliere openbaar vervoer. De extra kosten per maand komen uit op € 17 voor de alleenstaande met een licht verstandelijke beperking en € 10 voor de oudere. Daarnaast veronderstellen we dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post ”vervoer”. Een uitgebreidere zorgverzekering De huishoudens met een zorgvraag hebben een uitgebreide aanvullende zorgverzekering nodig.
In deze rapportage rekenen we voor de huishoudens met een zorgvraag met GarantVerzorgd3, een uitgebreider pakket dan GarantVerzorgd2, dat we voor de overige huishoudens hanteren. Ook voor de huishoudens met een inkomen boven 120 procent van de norm (die niet in aanmerking komen voor de gemeentepolis) rekenen we met een uitgebreider aanvullend pakket dan voor de huishoudens zonder zorgvraag. Overige verzekeringen Voor de oudere met een zorgvraag rekenen met een uitgebreidere inboedelverzekering, wat € 2 per maand kost. Deze kosten zijn verrekend met de post “overige verzekeringen”. Lidmaatschap patiëntenvereniging De huishoudens met een zorgvraag zijn lid van twee patiëntenverenigingen. Hiervoor rekenen we € 3 per maand. Dit is meegenomen bij de post “contributies en abonnementen”. Begeleiding bij het sporten De kosten van een sportabonnement zijn opgenomen bij de post “sociale participatie”. De alleenstaanden met een zorgvraag zullen echter ook een begeleider nodig hebben. We gaan uit van een bezoek aan het zwembad. De extra kosten van € 25 per maand zijn opgeteld bij de post “sociale participatie”. Kledingslijtage en extra waskosten De oudere met een zorgvraag maakt extra kosten in verband met kledingslijtage en extra waskosten. Voor de extra waskosten gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 6 per maand.
De slijtage van kleding die daar het gevolg van is geeft extra kosten van € 31 per maand. Voor de extra waskosten en de extra kosten vanwege kledingslijtage is bijzondere bijstand mogelijk, waarbij we rekening houden met de draagkracht. Kosten die eventueel zelf nog betaald moeten worden zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “was- en schoonmaakartikelen” en “kleding”.
Eigen bijdrage Wmo Beide huishoudens met een zorgvraag betalen de eigen bijdrage Wmo. Deze eigen bijdrage bedraagt € 21 per maand maar wordt volledig vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering van de gemeente, GarantVerzorgd3. Voor de huishoudens die niet voor de gemeentepolis in aanmerking komen (met een inkomen boven 120 procent van de geldende bijstandsnorm) nemen we de eigen bijdrage Wmo op bij de post “eigen betalingen zorg”. Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen van de oudere met een zorgvraag rekenen we € 22 per maand. Ook deze eigen bijdrage wordt volledig vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering. Voor de huishoudens die met een inkomen boven 120 procent van de bijstandsnorm nemen we de eigen bijdrage voor medicijnen op bij de post “eigen betalingen zorg”. Eigen betaling dieetadvies De alleenstaande met een verstandelijke beperking maakt extra kosten vanwege een dieetadvies. Dit kan vergoed worden vanuit de bijzondere bijstand. In de begrotingen is de verrekend met de post “eigen betalingen zorg”, waarbij rekening is gehouden met de draagkracht. Vakantie in een aangepaste recreatiewoning Omdat de oudere rolstoelgebonden is, zal daar bij de vakantiewoning rekening mee gehouden moeten worden. Dit leidt tot extra kosten, die neerkomen op € 7 per maand. Dit is verrekend met de post “sociale participatie”.
Attentiekosten Huishoudens met een zorgvraag krijgen ook vaak hulp van buren, vrienden, etc. Als dank voor deze hulp zullen zij graag iets terugdoen. We rekenen hiervoor € 8 per maand. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “eigen betalingen zorg”.
4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2. Hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. Het saldo van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft het beeld weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in onderstaande tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren: het huishouden houdt geld over of komt geld te kort. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit in rood weergegeven. Dat is in de gemeente Enschede bij geen van de onderzochte huishoudtypen het geval. Wanneer het huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau, dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Dit geeft een armoedeval weer. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering € 102 per maand resteert nadat alle uitgaven zijn gedaan. Dit loopt op naar € 395 bij 130 procent. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 11: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, exclusief IIT
4.1
Huishoudtype
100
110
120
130
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
102
109
246
395
02. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
95
147
302
405
03. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen
411
435
558
708
04. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
534
548
611
725
05. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
376
370
507
466
06. paar met 2 jonge kinderen
336
388
543
612
07. paar met 2 oudere kinderen
205
257
413
324
08. alleenstaande tot AOW-leeftijd met licht verstandelijke beperking
67
74
201
294
09. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met motorische beperking
281
341
365
402
Bestedingsruimte per huishoudtype
1. Alleenstaande In de gemeente Enschede heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau een positief saldo van € 102 nadat alle noodzakelijke uitgaven (inclusief sociale participatie) zijn voldaan. Bij 110 procent van de norm is de bestedingsruimte maar iets hoger met € 109. Dit loopt op naar € 395 op 130 procent. 2. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van € 95 per maand. Dit loopt op naar € 405 op 130 procent.
3. Ouder paar Een ouder paar met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen heeft een bestedingsruimte van € 411 per maand. Bij 110 procent is het saldo € 435; dit loopt op naar € 708 bij een inkomen op 130 procent. Deze saldi zijn flink hoger dan van een paar onder de AOW-leeftijd. Het maandelijkse AOW-bedrag voor een paar is bijna € 275 hoger dan de bijstandsnorm, wat de hogere bestedingsruimte van het oudere paar grotendeels verklaart. 4. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft ruim voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin € 534 vrij te besteden over. Op 110 procent is de bestedingsruimte iets hoger met € 548; bij de inkomensniveaus boven 110 procent loopt de bestedingsruimte op tot € 725 op 130 procent. 5. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: € 376 op bijstandsniveau. Op 110 procent daalt de bestedingsruimte iets naar € 370. Vervolgens loopt dit bedrag loopt tot € 507 op 120 procent en daalt het weer naar € 466 op 130 procent. In de volgende paragraaf komen deze dalingen van de bestedingsruimte bij een hoger inkomensniveau uitgebreider aan bod.
De bestedingsruimte van het eenoudergezin met oudere kinderen is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en de hogere tegemoetkoming voor oudere kinderen vanuit de Stichting Leergeld. 6. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van € 336 per maand. Dit loopt op naar € 612 bij 130 procent. Dat het paar met jonge kinderen meer ruimte heeft dan het paar zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren. 7. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Net als het eenoudergezin met oudere kinderen heeft het paar met oudere kinderen te maken met een armoedeval op 130 procent. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van € 205. Dit loopt op naar € 413 op 120 procent. Op 130 procent vallen er tegemoetkomingen vanuit het minimabeleid weg en daalt de bestedingsruimte naar € 324. Hier gaan we in paragraaf 4.2 dieper op in.