CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

landbouwanalyse Kadaster en WUR

Raadsvergadering 6 juli 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Visie landelijk gebied Enschede16.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

38

4.3

Ontwikkelingen in de landbouw vanuit het bewustzijn van consumenten In onze samenleving is sprake van een toenemend bewustzijn van consumenten (‘consumer concerns’) als het gaat om gezondheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn en herkomst producten (streekproducten). De toenemende welvaart in ons land brengt met zich mee dat een deel van de consumenten bereid en in staat is om een meerprijs te betalen voor duurzame, lokaal geproduceerde producten. Ook wordt het landelijk gebied als recreatieve ruimte steeds belangrijker, waarbij ook de kansen voor concrete verdienmodellen voor de landbouw toenemen.

4.3.1

Consumentenwensen Onder invloed van de veranderende eisen en wensen van burgers en consumenten komt in de melkveehouderij in ons land - naast de autonome ontwikkeling van schaalvergroting en intensivering - steeds meer aandacht voor differentiatie in melkstromen en melkprijs. Met name de supermarkten vragen van de grote zuivelbedrijven om voorwaarden te stellen aan de primaire landbouwbedrijven voor verduurzaming van de productie. In ruil daarvoor ontvangen de veehouders een meerprijs. Zo heeft zuivelbedrijf Aware onlangs een contract gesloten met Albert Heijn voor de levering van melk van boeren die op hun bedrijf meer aandacht besteden aan natuur en biodiversiteit. Betrokken boeren ontvangen daarvoor 3 cent per liter extra. Het bedrijf Friesland Campina is een campagne gestart om zijn melkplas op te delen in 7 melkstromen met ieder eigen voorwaarden en melkprijzen. De Top Zuivellijn, die de hoogste duurzaamheidseisen kent, was snel overtekend. Het lijkt erop dat de boeren deze richting in grote getale gaan ondersteunen.

4.3.2

Streekproducten Daarnaast krijgen consumenten steeds meer aandacht voor streekproducten en stadslandbouw (landbouw in of nabij de stad die voor haar afzet gericht is op stedelijke centra in de buurt). Dit geldt zeker voor gebieden met of nabij grotere stedelijke centra, zoals Enschede. Een deel van de consumenten is in toenemende mate bereid en (financieel) in staat om voor dergelijke producten een meerprijs te betalen. Herkenbaarheid en authenticiteit worden steeds belangrijkere trends bij consumenten. Van onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn verwacht de consument dat deze standaard onderdeel te zijn van de manier waarop in de gangbare land- en tuinbouw wordt geproduceerd. Daarvoor wordt in sommige gevallen wel een meerprijs betaald (o.a. voor scharrelkippen en scharrelvlees). Deze ontwikkelingen worden met name gestuurd via wetgeving en keurmerken.

4.3.3

Verbreding Ook de verbreding van bedrijfsactiviteiten is van belang voor de toekomst van de landbouwsector in ons land. Het gaat om activiteiten als agrarisch natuurbeheer, zorg, educatie, toerisme en paardenpensions. Bij de schets van de landbouw in Enschede is opgetekend dat de verbreding in Enschede opvallend veel lager ligt dan het landelijke beeld. Dat is vooral opmerkelijk omdat de situatie in Enschede juist heel geschikt lijkt voor verbreding. Vanuit de landbouw gezien beperkt het kleinschalige landschap uitbreiding en intensivering van de productie. Verbreding biedt een voor de hand liggend alternatief om een achterblijvend inkomen uit de gangbare landbouw aan te vullen. Van de zijde van de stedeling is het kleinschalige landschap aantrekkelijk om het landelijk gebied in te gaan en

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 39

het boerenbedrijf op te zoeken. Stad en land zijn in de hele gemeente nabij. De fysieke afstand is overal klein. Dit maakt Enschede tot heel kansrijk gebied voor verbrede landbouw. 4.4

Ontwikkelingen in het landbouwbeleid

4.4.1

Kringlooplandbouw De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft in 2018 een nieuwe beleidslijn gepresenteerd, waarin het begrip kringlooplandbouw centraal staat. Volgens deze beleidslijn moet de landbouw zich richten op het optimaliseren van kringlopen. De ecologische voetafdruk van ons huidige landbouwsysteem moet kleiner worden en de landbouwsector moet meer georganiseerd worden op basis van kringlopen: voerproductie zoveel mogelijk in eigen land, afvalstromen uit de voedingsmiddelenindustrie verwerken in veevoer en de import van soja en ander veevoer aan banden leggen. De landbouw moet weer ‘natuur inclusief’ worden, dat wil zeggen volgens natuurlijke principes ingericht en georganiseerd. In een natuur inclusieve landbouw vormen natuur en biodiversiteit de grondslag voor de bedrijfsvoering in de grondgebonden landbouw en het verdienmodel van de boer is daar ook op ingericht. De verwerkende industrie moet de inspanningen van boeren op het gebied van natuur en biodiversiteit belonen via de prijs van de producten en consumenten moeten bereid zijn om meer voor dergelijke producten te betalen. De retail heeft hierbij volgens de minister een speciale verantwoordelijkheid, want zij moet die natuur inclusieve producten ook daadwerkelijk in de winkel gaan leggen (zie ook 4.3.1).

Bij kringlooplandbouw hoort ook dat akkerbouw en veehouderij op regionale en nationale schaal samenwerken. De kringlopen van voer en mest die vroeger heel gewoon waren in de landbouwsector moeten in ere hersteld worden, waarmee de afhankelijkheid van bedrijven van de wereldmarkt kan worden verminderd. Overigens moet de visie op kringlooplandbouw nog handen en voeten krijgen. De minister heeft het toekomstbeeld neergezet. Het ministerie werkt, in samenwerking met andere overheden, sectororganisaties en marktpartijen aan de uitwerking. .

4.4.2

Grondgebondenheid De LTO Vakgroep Melkveehouderij en Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) hebben in september 2017 de Commissie Grondgebondenheid ingesteld. Die heeft in april 2018 het rapport “Grondgebondenheid als basis voor een toekomstbestendige melkveehouderij” uitgebracht. Volgens de commissie is sprake van voldoende grondgebondheid als 65 % eiwit van eigen land (of van nabijgelegen melkveehouderijbedrijven, akkerbouwbedrijven en particulieren) afkomstig is. Voor het kunnen en mogen aangaan van buurtcontracten moet tenminste 50% van de eiwitvoorziening van het bedrijf van de eigen grond komen. Volgens dit advies moet een grondgebonden melkveebedrijf in ons land minimaal in 65% van de eigen eiwitbehoefte kunnen voorzien met eiwit van eigen grond, of verkregen via buurtcontracten met bedrijven binnen een straal van 20 km. Deze straal is gelijk aan de norm uit de Meststoffenwet. De verwachting is dat deze eisen op termijn door de zuivelindustrie gehanteerd zullen worden als ‘licence to deliver’ (leveringsvoorwaarde). Eisen voor grondgebondenheid zijn een prikkel voor samenwerking tussen verschillende bedrijven in de melkveehouderij. Het ene bedrijf kan een surplus aan eiwit verkopen aan de buurman die een tekort heeft. Ook kunnen bedrijven onderling afspraken maken over

40

afstemming van de eiwitproductie voor de gezamenlijke bedrijven. Dat past in de trend dat bedrijven in toenemende mate hun bedrijfsbeslissingen afstemmen met ondernemers in de buurt. Samen staat men sterker. 4.4.3

Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) van de EU gaat in 2021 een nieuwe periode in. In de aanloop voeren de EU-lidstaten daarover al uitgebreid discussie. De ontwikkeling die veel betrokkenen aan zien komen is dat de hectaretoeslagen, waarop boeren uit de grondgebonden landbouw nu nog zonder voorwaarden aanspraak kunnen maken, in de toekomst waarschijnlijk gekoppeld worden aan maatschappelijke diensten. Dat houdt in dat wanneer boeren na 2021 alleen maar melk produceren, zonder rekening te houden met milieu, klimaat of ‘consumer concerns’, zij waarschijnlijk geen aanspraak meer kunnen maken op hectaretoeslagen. Vanuit Brussel is de komende jaren een stevige sturende kracht richting verduurzaming van de Nederlandse landbouw te verwachten. Dat biedt kansen voor de boeren in het landelijk gebied van Enschede.

4.5

Ontwikkelingen in de fysieke omgeving Deze paragraaf gaat in op een aantal ontwikkelingen in de fysieke omgeving, die van invloed zijn op de ontwikkelingen in de landbouw in het landelijk gebied van Enschede.

4.5.1

Klimaat Veranderingen in het weersbeeld de afgelopen jaren (waarbij met name de grote aantallen clusterbuien en de bijbehorende wateroverlast in landelijk en stedelijk gebied opvallen, maar ook de langere periode van droogte zoals we die in de zomer van 2018 gezien hebben) leiden tot de conclusie dat ons klimaat relatief snel en fundamenteel aan het veranderen is. De opwarming van de aarde gaat door, de zeespiegel stijgt. Het klimaat is een urgent politiek en maatschappelijk thema en het recente Klimaatakkoord vraagt van de landbouw om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. Daarbij wordt vooral ingezet op andere en aangepaste landbouwmethoden en bijdragen aan de energietransitie (zie ook onder 4.5.2). Verder krijgt de landbouw steeds meer te maken met wateroverlast en droogte. Dat heeft gevolgen voor het gebruik en de inrichting van het landelijk gebied. Maatregelen voor klimaatadaptatie hebben ook betrekking op de landbouw in Enschede: water vasthouden (weer laten meanderen van beken, waterbekkens, verhogen van humusgehalte van de bodem) en beperkingen voor beregening en waterafvoer kunnen aan de orde komen.

4.5.2

Energietransitie Dè ontwikkeling waarin onze maatschappij zich momenteel bevindt op het gebied van de energievoorziening is de omvorming van een economie gebaseerd op fossiele grondstoffen naar een economie gebaseerd op ‘biobased’ grondstoffen. Daarbij gaat het om wind- en zonne-energie, geothermie, productie van plantaardige grondstoffen, mestvergisting, energiebesparing en om het terugdringen van de emissie van methaan uit de veehouderij. De landbouw kan langs verschillende lijnen een belangrijke rol spelen in die energietransitie. De duurzame opwekking van elektriciteit met zonnevelden en windturbines is een nieuwe functie in het landelijk gebied. Deze functie vraagt ruimte en is daardoor in concurrentie met de landbouw, moet ingepast worden in het landschap en is daarnaast een nieuwe

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 41

economische drager. Grondeigenaren in heel Nederland worden intensief benaderd door projectontwikkelaars met de vraag of zij hun grond beschikbaar willen stellen voor zonnepanelen. Die vraagstelling leidt tot veel discussie over de wenselijkheid en inpassing. Weinig discussie bestaat over de plaatsing van zonnepanelen op de daken van boerderijen en schuren op het erf. Aantrekkelijk is de combinatie met de sanering van asbestdaken, die op 31 december 2024 opgeruimd moeten zijn. Voor deze combinatie van sanering en het aanbrengen van zonnepanelen zijn tot 2021 speciale subsidies beschikbaar. De landbouw kan ook grondstoffen gaan leveren voor de productie van energie (biomassa) of voor productieprocessen in de chemische industrie. Meer in algemene zin is het van belang dat de overheid en andere betrokken organisaties nadenken over aanpassing van de bestaande wet –en regelgeving om de ontwikkeling richting biobased economy beter mogelijk te maken. Zo vallen heel veel producten nu nog onder de Afvalstoffenwet en zijn daarmee niet te gebruiken in de voedsel- of de energie-keten. Als daar meer ruimte komt, komt er ook mee ruimte voor boereninitiatieven op dit gebied. De vergisting van mest kan bijdragen aan zowel de energietransitie als aan het voldoen aan de mestwetgeving. Een vraagstuk voor de veehouderij is de uitstoot van methaan, een sterker broeikasgas dan CO2.

Rundvee stoot methaan uit. Voor deze methaanemissie gelden nog geen normen. In de komende jaren is wel meer aandacht voor methaan in de veehouderij te verwachten.

4.5.3

Bodemvruchtbaarheid Een goede en duurzame landbouwproductie begint bij een gezonde en weerbare bodem. Door de technologieontwikkeling en de nadruk op de kostprijs zijn de bodemvruchtbaarheid en het bodemleven de afgelopen decennia niet zo in beeld geweest in de landbouwsector in ons land. Zonder een goede bodemstructuur en een goede bodemgezondheid kan een landbouwsysteem uiteindelijk niet in stand blijven. Dat geldt zowel voor de melkveehouderij als voor de akkerbouw in ons land. In de Nederlandse landbouw is meer aandacht nodig voor bodembiodiversiteit en het tegengaan van bodemdegradatie (o.a. verslemping). Een ruime vruchtwisseling is daarbij van belang en ook het gebruik van groenbemesters zou verder gestimuleerd kunnen worden. In dit verband wordt er in ons land al nagedacht over de teelt van andere gewassen (o.a. quinoa en soja van eigen bodem), maar het ook zou goed zijn dat er ook op dit vlak meer afstemming komt tussen melkveehouderij en akkerbouw. Een voorbeeld daarvan is het opnemen van grasklaver in de vruchtwisseling van akkerbouwbedrijven. Dat kan nuttig en zinvol zijn voor de Nederlandse melkveehouderij omdat dat een bijdrage kan leveren aan het versterken van de grondgebondenheid van die melkveebedrijven (zie paragraaf 4.4.2) .

4.5.4

Biodiversiteit2 De biodiversiteit staat in Nederland onder druk, mede als gevolg van de intensivering van de landbouw in de afgelopen decennia. Een groot aantal soorten bijen en insecten, die van

2

Biodiversiteit wordt gebruikt om de verscheidenheid van het leven op aarde aan te duiden. Het gaat om de verschillende soorten planten, dieren, micro-organismen en schimmels, het genetisch materiaal dat zij bevatten, de levensgemeenschappen die zij vormen en de ecosystemen waarin zij leven. De begrippen biodiversiteit en

42

belang zijn voor de voedselvoorziening, worden met uitsterven bedreigd, vogels van het boerenland hebben het moeilijk en de genetische basis van onze landbouw wordt steeds smaller. In het Deltaplan Biodiversiteitsherstel slaan een groot aantal wetenschappers en belangenorganisaties alarm omdat onze natuur en voedselvoorziening in gevaar komen. In deze verkenning wordt nader ingegaan op twee elementen: stikstof en het mestbeleid. De hoge stikstofbelasting bedreigt de biodiversiteit in de natuurgebieden. Om het uitsterven van soorten tegen te gaan is het streven zones van extensieve landbouw rondom de Natura 2000 gebieden te leggen, waardoor de milieubelasting op die natuurgebieden vermindert. In deze zones ontstaan kansen voor agrarisch natuurbeheer. Landelijk en vanuit de EU komt geld voor agrarisch natuurbeheer beschikbaar. Hierdoor wordt agrarische natuurbeheer telkens aantrekkelijker als aanvullend verdienmodel. In het mestbeleid is de afgelopen decennia vooral ingezet op technieken om de uitstoot van ammoniak vanuit de landbouw te beperken, zoals bijvoorbeeld de mestinjectie. Deze technieken gaan ten koste van de (bodem-)biodiversiteit. Ook de milieubelasting vanuit de landbouw als geheel moet teruggedrongen worden om de biodiversiteit in het landelijk gebied op termijn in stand te houden.

In dat kader is de huidige inzet van overheid, wetenschap en bedrijfsleven op natuur inclusieve landbouw een interessant gegeven.

4.6

Samenvattende beschouwing De nationale trends in dit hoofdstuk gaan over milieu, klimaatverandering, energietransitie, de veranderende eisen van consumenten, de ontwikkeling in het landbouwbeleid en veranderende fysieke omstandigheden. Deze ontwikkelingen hebben voor de hele Nederlandse landbouw betekenis en werken ook door naar de landbouw in Enschede. Samengevat wijzen de eisen vanuit fosfaat, ammoniak en stikstof in de richting van een minder intensief gebruik van de grond, ook in het landelijk gebied van Enschede. Aangezien de melkveehouderij in Enschede een iets hogere veebezetting kent dan gemiddeld in heel Nederland, zal de gemiddelde bedrijfsgrootte in het gebied moeten toenemen om aan toekomstige milieuwetgeving te voldoen. Een alternatief is vermindering van de omvang van de veestapel per bedrijf. Ook samenwerking van de melkveebedrijven met het grote aantal kleinere (neven)bedrijven in Enschede kan aan een oplossing in deze richting bijdragen. De milieueisen voor geur en fijnstof zijn gericht op een gezonde leefomgeving hebben vooral betekenis voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. De veranderende opstelling van de consument biedt vooral kansen in Enschede. Deze zijn nog maar beperkt benut. De nabijheid van de consumenten in de stad en het aantrekkelijke kleinschalige landschap zijn een ideale voedingsbodem voor streekproducten en verbreding.

De landbouw verwerft aanvullende inkomsten én behoudt tegelijk het landschap. De ontwikkelingen in het landbouwbeleid (sluiten van kringlopen, grondgebonden, koppeling van het EU-beleid aan maatschappelijke diensten) geven aanleiding voor een minder natuur worden regelmatig als synoniemen gebruikt. 'Natuur' heeft echter doorgaans een ruimere betekenis en kan bijvoorbeeld ook duiden op allerlei niet-biologische aspecten zoals bodem, reliëf en weer.

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 43

intensief gebruik van de grond en verbreding van het verdienmodel in de landbouw. Daarvoor zijn in Enschede wel degelijk kansen aanwezig. Daarvoor bieden ook de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving aanknopingspunten. Vanuit klimaatadaptatie komen maatregelen tegen verdroging in beeld, die uitstekend kunnen aansluiten bij maatregelen voor de versterking van de biodiversiteit en bodemvruchtbaarheid. De energietransitie biedt kansen én bedreigingen voor Enschede. Zonnevelden vragen om ruimte, die dan niet beschikbaar is voor landbouw op een meer extensieve grondslag. Energieopwekking kan wel een verbreding geven van de economische basis van de landbouwbedrijven in Enschede. Mestvergisting combineert de productie van biogas met het voldoen aan de mestregels. Bij sanering van asbestdaken kan een zonnedak worden aangebracht. Alles overziende zijn er verschillende alternatieve verdienmodellen voor de Nederlandse boeren denkbaar, die ook gelden voor het landelijk gebied van Enschede. Samengevat zijn er drie verdienmodellen te onderscheiden, die als volgt in te delen zijn: -

Prijs van het product

-

Ecosysteemdiensten

-

GLB Het eerste verdienmodel zit in de prijs van het product. Hiervoor is al betoogd dat steeds meer consumenten gaan voor duurzaam geproduceerd voedsel en ook bereid zijn om daar een meerprijs voor te betalen. Ook de verwerkende industrie is bezig met diversificering van de productie en dus ook diversificering van de prijs die boeren voor hun producten krijgen. In Enschede zijn deze ontwikkelingen op dit moment nog minder zichtbaar, maar de algemene ontwikkelingen op dit gebied in de retail en in de zuivelindustrie bieden in dit opzicht zeker ook kansen voor bedrijven in Enschede. Een tweede verdienmodel voor boeren en tuinders ligt in de toekomst in de verbreding van hun bedrijfsactiviteiten en in de zogenaamde ‘ecosysteemdiensten’. Dit heeft betrekking op het feit dat als een boer bereid is om in zijn productieproces rekening te houden met klimaat, natuur of landschap, hij daar dan wellicht een aparte vergoeding voor kan krijgen van de overheid. Dat kan zowel de nationale, de provinciale als de gemeentelijke overheid zijn. Ook het waterschap kan hierbij een rol spelen als het gaat om zogenaamde ‘blauwe’ diensten. Dat wil zeggen mogelijke bijdragen van boeren aan waterberging, het vasthouden van water of het verbeteren van de waterkwaliteit middels spuit- en mestvrije zones langs waterlopen.

Ook hiervoor zien wij zeker kansen voor landbouwbedrijven in het landelijk gebied van Enschede. Een laatste verdienmodel wat wij hier voor de grondgebonden boeren in het landelijk gebied van Enschede zien is dat van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB). Eerder is al betoogd dat daarbij een ontwikkeling gaande is waarbij de hectaretoeslagen uit het GLB in toenemende mate gebonden zullen worden aan maatschappelijke diensten van de ontvangers van die premies. Juist in het landelijk gebied van Enschede liggen er kansen voor boeren om maatschappelijke diensten te leveren, waarmee zij ook in de volgende periode van het GLB aanspraak kunnen blijven maken op hectaretoeslagen. Het is van belang dat de landbouwsector in het landelijk gebied van Enschede zich op korte termijn buigt over deze vraagstukken en beziet hoe ze daar op termijn op in kan spelen.

44

5 5.1

Analyse vanuit het gebied zelf Inleiding In dit hoofdstuk leest u hoe een represenatieve dwarsdoorsnede van de agrariërs in het landelijk gebied van Enschede zelf hun toekomst tegemoet zien. Om het toekomstperspectief van de landbouw in de gemeente Enschede goed in beeld te brengen is met 16 personen een gesprek gevoerd en is een workshop gehouden, waarbij zo’n 50 betrokkenen uit het gebied aanwezig waren. De interviews zijn gehouden met de ondernemers van 13 agrarische bedrijven en 3 vertegenwoordigers van bij het landelijk gebied betrokken organisaties. De 13 agrarische bedrijven betroffen één varkenshouder en 12 melkveehouders. De bedrijfsgrootte van de 12 melkveehouders varieert van circa 20 tot 75 hectare. De grond van het de meeste van deze bedrijven is grotendeels in eigendom; drie bedrijven zijn overwegend pachtbedrijven. De bedrijfsvoering van de geinterviewde melkveebedrijven kent een grote verscheidenheid. Van de dertien geinterviewde bedrijven heeft slechts één bedrijf geen opvolger (voor heel Enschede heeft bijna de helft geen opvolger). De gemiddelde bedrijfsgrootte van de melkveebedrijven is met 56 ha ook wat groter dan de Enschedese doorsnee van 42 ha. Van één bedrijf is het aantal koeien niet bekend. Van de overige elf bedrijven is het gemiddelde 89 koeien (tegen heel Enschede 74 koeien).

Daarmee is de gemiddelde veebezetting in de steekproef met 1,6 koeien per hectare ongeveer gelijk aan het gemiddelde in heel Nederland, maar iets lager dan wat in Enschede voor alle 52 melkveebedrijven geldt (1,76). Aansluitend aan de individuele gesprekken is een workshop georganiseerd, waarbij alle agrarische ondernemers uit het gebied zijn uitgenodigd. De ervaringen en verwachtingen van de geinterviewden zijn hierbij voorgelegd ter herkenning. Deze werden breed gedragen en aangevuld door de circa 50 aanwezigen. De resultaten van de gesprekken en de workshop zijn in de volgende paragrafen samengevat en gegroepeerd rond enkele thema’s, die de landbouwsector in de toekomst beinvloeden.

5.2

Bedrijfsvoering Onder dit thema wordt beschreven wat de drijfveer van de betrokken ondernemers is en hoe zij hun toekomst zien, waaronder groei en verbreding.

5.2.1

Drijfveer Duidelijk komt naar voren dat de jongere generatie agrariërs (de bedrijfsopvolgers) in het gebied een andere inslag heeft in hun bedrijfsvoering dan hun ouders. De jongeren hebben over het algemeen een bredere visie op het leven en op de bedrijfsvoering. Geluk is voor hen een belangrijke drijfveer. Het gaat erom dat je in je werk je passie kwijt kunt, aan het eind van de week de rekeningen kunt betalen en daarnaast ruimte overhoudt voor een sociaal leven. Jongeren maken vaak een bewuste keuze om boer te worden, het is niet langer vanzelfsprekend om het familiebedrijf over te nemen. Ook valt op dat het gemiddelde opleidingsniveau van de bedrijfsopvolgers in het gebied hoog is. De “jonge” boeren acteren binnen diverse studie en kennisclubs. Het wordt belangrijk gevonden om met collega’s ervaringen en kennis uit te wisselen.

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 45

5.2.2

Toekomstverwachting Voor de toekomst brengen de betrokken ondernemers verschillende accenten aan. In algemene zin streeft iedereen naar een mooi rendabel bedrijf, een eerlijk gemaakt product, plezier in het werk, ruimte voor ondernemersschap en begrip vanuit de omgeving. De manier waarop de ondernemers hun toekomstbeeld invullen verschilt. Een deel van de boeren zet de trend van de afgelopen tijd in grote lijn door. Dat betekent meegaan in de maatschappelijke en economische ontwikkelingen, zoals de landbouw dat al decennia doet. Daarbij hoort een geleidelijke groei van de veestapel. Diverse boeren willen de nieuwe stal die zij gebouwd hebben volledig benutten. Met name door de fosfaatregelgeving is de veestapel ingekrompen, dan wel zijn de groeiambities (tijdelijk) neerwaarts bijgesteld. Andere agrariers leggen de nadruk op optimalisatie van de bedrijfsvoering. Dat kan met een vergroting van de veestapel (stal vol, groeien tot de melkrobots optimaal zijn benut), maar ook met kringlooplandbouw: met meer grond extensiever boeren en bijvoorbeeld voldoen aan de toplijn-eisen van Friesland Campina. Een van de ondernemers is met een biologische bedrijfsvoering al vergaand geëxtensiveerd. Enkele boeren zien toekomst in verbreding: recreatie, klimaatopgave, verkoop aan huis, zo mogelijk met een eigen (keur)merk.

5.2.3

Verbreding en verduurzaming In het algemeen ontstaat meer aandacht voor verbreding en verduurzaming. Dit uit zich doordat veel ondernemers dichter bij de consument willen staan en hun product soms ook zelf willen aanbieden. Er is een tweedeling zichtbaar tussen ondernemers die handelen uit intrinsieke motivatie en ondernemers voor wie subsidies de prikkel zijn om maatregelen te treffen. Voor deze laatste groep geldt dat de maatregelen uiteindelijk zorgen voor bewustwording en men gemotiveerd raakt om zelf opvolgende maatregelen te treffen om het bedrijf verder te verduurzamen dan wel verbreden. Bovenaan staat wel dat er een verdienmodel mogelijk moet zijn om aanpassingen te kunnen doen. Biologische landbouw en agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLB) bieden zeker mogelijkheden in het gebied, maar een afzetmarkt of goede vergoeding zijn wel een vereiste. Voor het ANLB komt nog extra geld beschikbaar door het besluit in Den Haag om GLB-gelden over te hevelen van pijler 1 naar pijler 2. Gesteld wordt ook dat de biologische en de gangbare landbouw elkaar naderen voor wat betreft de milieubelasting. Het is de vraag wat dan op termijn de meerwaarde op milieugebied is van de biologische landbouw.

Verduurzaming lijkt voor een deel van de ondernemers teruggaan naar het model van het gemengde bedrijf van vroeger tijden: de mest van de koeien en varkens wordt gebruikt in de akkerbouw en de akkerbouwproducten worden deels gebruikt als stro voor de dieren en als veevoer. De afgelopen decennia zijn bedrijven in verregaande mate gespecialiseerd en is het evenwicht veranderd en deels verloren gegaan. De huidige tendens is om de kringloop op een eigentijdse wijze weer deels te herstellen met het streven naar grondgebonden en /of kringlooplandbouw. Een gehanteerde norm voor grondgebonden veehouderij is dat tenminste 65% van het benodigde eiwit voor het vee van eigen land komt. Veel boeren in Enschede halen deze norm al. Een ander punt is de mestverwerking. De fosfaatnorm belemmert melkveebedrijven in hun groei. Voor de intensieve veehouderij is de mestverwerking een zorgpunt.

46

5.2.4

Groei De agrariërs willen hun bedrijf op een economisch verantwoorde wijze kunnen uitoefenen en economisch gezond aan hun kinderen doorgeven. Evenwicht tussen werk en een sociaal leven lijkt een aan belang toenemend uitgangspunt. Verantwoord boeren kan volgens een deel van de bedrijven binnen de huidige bedrijfsgrootte, ook in de toekomst. Het groeien in melkvee-eenheden is niet heilig en een enkeling denk zelfs over krimp, in combinatie met verbreding. Anderen zoeken bewust werk buiten de landbouw, in combinatie met hun melkveebedrijf. Dat verbreedt hun blikveld en zorgt voor een stabiel inkomen. Toch streven een belangrijk deel van de bedrijven onverminderd naar geleidelijke groei van het aantal koeien. Enkele ondernemers bekijken of ze, met het oog op opvolging (bij meer kinderen), een tweede locatie kunnen starten. Groei kan ook bestaan uit verdere automatisering (bijvoorbeeld een melkrobot) en extensivering (meer grond bij gelijkblijvende veestapel). Op deze wijze wil men de bedrijfsvoering versimpelen en langs die weg de kosten verlagen en het rendement handhaven. Diverse boeren zien de beperkte beschikbaarheid van grond als een rem op de groei of voor de gewenste extensivering.

5.2.5

Samenwerking Op dit moment wordt het aantal samenwerkingsvormen in het gebied als beperkt ervaren. Men staat wel open voor het verkennen van mogelijkheden tot meer samenwerking tussen bedrijven, met de landgoederen, tussen stad en land en met de overheid. Samenwerken binnen de sector, dat wil zeggen investeringen met meerdere boeren, kan interessant zijn en de vergunningprocedure versimpelen. Hierbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld het gebruik van mestvergisters, maar ook aan het delen van kennis en data, Samenwerking tussen landgoederen en boeren in het gebied biedt mogelijkheden voor het realiseren van natuur en kan daarmee gekoppeld worden aan bewustwording op het gebied van klimaat, natuur en bodem. Er liggen zeker kansen voor de landbouw in het gebied om met landgoedeigenaren en terreinbeherende organisaties samen te werken. Enschede is een stad met veel inwoners én met een omvangrijk landelijk gebied. Veel van de agrarische ondernemers zien kansen om boeren en burgers dichter bij elkaar te brengen, met wederzijds voordeel. Het aanbieden van streekproducten en het oppakken van stadslandbouw kan deze bewustwording verhogen en tegelijkertijd een verdienmodel vormen in de nabijheid van de grote stad.

Zo wordt de kloof tussen boer en burger verkleind, door begrip te creëren bij de consument voor het agrarische bedrijf door te laten zien wat erbij komt kijken om een product te produceren. Daaruit volgt de bereidheid om meer te betalen voor een verantwoord product. Men zoekt naar mogelijkheden tot samenwerken met bijvoorbeeld een initiatief als de Food Factory in Enschede. Een aantrekkelijk landelijk gebied met natuur, bos, landgoederen én landbouw draagt bij aan het woon- en vestigingsklimaat in Enschede. De waarde daarvan moet leiden tot een beloning voor de beheerders van het landschap. Zorglandbouw en recreatie in het landelijk gebied kunnen daar aan bijdragen en zorgen voor neveninkomsten voor landbouwbedrijven. De agrariërs voelen weinig betrokkenheid van de gemeente met de vraagstukken in het landelijk gebied. De ervaring van de landbouwsector is dat weinig budget, kennis en urgentie voor het landelijk gebied bestaat. De wens bestaat dat de gemeente met haar beleid meer steun geeft aan het behoud van de landbouw en daarmee aan het beheer van

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 47

het landelijk gebied. Voor een goede ontwikkeling van het landelijk gebied is een intensiever samenwerking tussen gemeente en agrariërs nodig. Deze vorm van samenwerking heeft zeker zijn invloed op de maatschappelijke bewustwording van de burger. 5.2.6

Maatschappelijke bewustwording De geïnterviewde landbouwers tonen veel belangstelling voor hun omgeving en voor maatschappelijke ontwikkelingen. Zij zijn zich ervan bewust dat de landbouw in moet spelen op de maatschappelijke vragen en opgaven, zoals klimaat, energie, landschap en biodiversiteit. Veel boeren willen het begrip bij burgers voor het boerenbedrijf verhogen en actief bijdragen aan het verkleinen van de eerder genoemde kloof tussen boer en burger. Zij zijn bereid om uitleg te geven over hun bedrijfsvoering en om te laten zien wat het betekent om landbouwer te zijn. Een deel van de agrariër vindt zichzelf overigens niet de meest aangewezen persoon om daar zelf invulling aan te geven. Ook zijn veel ondernemers nog op zoek naar een manier om invulling te geven aan hun rol in de samenleving.

5.3

Beleid, wet- en regelgeving Vanuit de landbouw in het gebied worden beleid, wet- en regelgeving beleefd als een beperking voor een succesvolle bedrijfsvoering, het verdienmodel en innovatie. De ervaring is dat er teveel verschillende regels zijn, die ook tegenstrijdigheden bevatten. Enige voorbeelden van de genoemde tegenstrijdigheden zijn: Ø

65% van de eiwitbehoefte van eigen grond halen zorgt ervoor dat men de gronden intensiever moet beheren. Dat is tegenstrijdig aan de wenselijkheid om biodiversiteit en bodem te verbeteren. Het halen van de 65% eiwit norm wordt overigens door de aanwezige veehouders niet als probleem ervaren. Hier wordt op de meeste bedrijven zelfs al aan

Ø

voldaan. Voorwaarde is daarbij dat de huidige grond beschikbaar blijft voor landbouw. De derogatienorm, waarin de 80/20 verhouding tussen gras en mais is vastgesteld, beperkt de agrariër in zijn bedrijfsvoering. Wanneer een veehouder die in aanmerking wil komen voor derogatie minder dan 80% grasland heeft, mag hij maar 170 kg stikstof uit dierlijke mest op zijn grasland uitrijden in plaats van 250 kg. Boeren zijn welwillend om een ander gewas te proberen om de bodem te verbeteren, maar worden hierin dus beperkt door de bovengenoemde norm die minimaal 80% gras en maximaal 20% andere gewassen , bv mais, graan, luzerne op het bedrijf toelaat. De mais is nodig als ruwvoer. Het telen van andere gewassen gaat van dit percentage af en dat is niet wenselijk in verband met de voorziening in het ruwvoer. Als het mogelijk is om in het mestbeleid de dierlijke mestgift op te hogen (waarbij dan wel het gebruik van kunstmest verminderd of verboden wordt), dan kun je ook meer doen aan het versterken van het organische stof gehalte van de bodem.

Ø

De wetgeving legt zaken vast in data. Bijvoorbeeld niet het land op om te bemesten voor 15 februari. Gepleit wordt om data niet vast te leggen in de wetgeving, maar te kijken naar de omstandigheden in het veld, dat is veel beter voor een duurzaam klimaat. Niet iedereen denkt daar hetzelfde over, want waar gelijktijdig voor gewaarschuwd wordt is: ‘geen regels’ is erger dan ‘regels waar je het niet mee eens bent’. De regels zijn namelijk wel ergens op gefundeerd. De overheid moet over de langere termijn zekerheid bieden. Welke maatregelen er ook voorgesteld worden, er moet altijd oog zijn voor het verdienmodel. Dit mist nu vaak. Dit is overigens meer de verantwoordelijkheid van de landelijke overheid dan die van de gemeente.

48

5.4

Natuurlijke omstandigheden

5.4.1

Klimaat Biedt klimaatverandering een kans voor de landbouw in het landelijk gebied van Enschede of moet dit juist als een bedreiging worden gezien? De algemene stellingname van de betrokken ondernemers hierbij is dat het een kans betreft, mits er maar een goede vergoeding tegenover staat. Zo kan waterberging bijvoorbeeld een verdienmodel zijn, mits in te passen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrariërs. Het belang van water wordt gezien en agrariërs staan open voor watermaatregelen. De provincie zou op dit gebied wellicht vouchers voor groene en blauwe diensten beschikbaar kunnen stellen, waar ondernemers dan op in kunnen tekenen voor diensten die op hun bedrijf goed passen.

5.4.2

Natuur en biodiversiteit De boeren zien zelf ook dat de biodiversiteit in de afgelopen jaren in het gebied teruggelopen is. Mocht het lukken om dat element op termijn onderdeel te laten zijn van de prijzen die boeren uitbetaald krijgen, dan zal daar vanzelf meer aandacht aan besteed worden. Friesland Campina beoogt dat ook al met haar Biodiversiteitsmonitor. Voor het verhogen van het humusgehalte, om meer vocht vast te kunnen houden, is al veel aandacht in de praktijk. Bij het aanwijzen van nieuw te vormen natuur zou de grondslag een afwegingsfactor moeten zijn. Geen goede grond omzetten naar natuur. Er is bereidheid om natuur en landschap te onderhouden, mits het ook een bijdrage levert aan de bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld randenbeheer zou men best willen als er ook een bijdrage in de kosten voor beschikbaar is.

5.4.3

Bodem Het gebied houdt al op diverse manieren rekening met de bodemgesteldheid en de Ø

bodemvruchtbaarheid. Daarbij gaat het met name om; Voorzichtig zijn met ploegen, een zekere mate van bodembewerking is wel gewenst.

Ø

Gebruik kleinere machines (d.w.z. machines met lagere wieldruk op de ondergrond, dat kunnen ook rupsbanden zijn die de druk van een zware machine verdelen). Hier worden ook de loonwerkers bij betrokken.

5.5

Energietransitie

5.5.1

Vragen en opmerkingen De landbouw is zich bewust van de maatschappelijke opgave om energie duurzaam op te wekken en te streven naar een energie neutrale bedrijfsvoering. Deze opgave en de gevolgen voor het landelijk gebied roepen wel veel vragen en opmerkingen op. Vragen zijn er bijvoorbeeld rond de effectiviteit van maatregelen. Zo wordt gesteld dat de CO2-opname van grasland relatief groot is en dat deze opname niet wordt meegeteld in de klimaatprestaties van de sector . Door sommige ondernemers wordt verondersteld dat een zonneveld per saldo geen CO2-besparing oplevert: de opwekking van de duurzame elektriciteit van het zonneveld bespaart minder CO2 dan het grasland zou opnemen. Windturbines leveren in Twente, zo wordt door enkelen naar voren gebracht, ook te weinig op omdat het in deze regio niet hard genoeg waait. Daarnaast zijn er landschappelijke bezwaren en zijn er zorgen over de grond die nodig is voor met name zonnevelden. Die gaan ten koste van de landbouw. De afname van landbouwgrond is zeer ongewenst en het

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 49

duurzaam opwekken van elektriciteit moet niet op het landelijk gebied worden afgewenteld. Ook wordt gesteld dat de landbouw een relatief kleine sector is en weinig broeikasgassen uitstoot, waardoor maatregelen ook weinig bijdragen aan het tegengaan van de klimaatverandering. Tot slot wordt naar voren gebracht dat het elektriciteitsnet de toename van duurzaam opgewekte energie niet aankan. 5.5.2

Zonne-energie op daken Veel agrariërs zien mogelijkheden voor het opwekken van zonne-energie op daken. Daarbij wijzen ze op de mogelijkheden voor gebouwen in de stad, maar velen zijn ook bereid om hun eigen schuren en huizen vol te leggen met panelen. De combinatie met asbestsanering wordt genoemd. Bezwaren tegen zonnepanelen op daken worden niet of nauwelijks genoemd. Wel wordt gewezen op een mogelijk gebrek aan aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnet.

5.5.3

Zonnevelden Zonnevelden zijn een nieuwe ruimtevrager in het landelijk gebied. De zonnevelden gaan direct ten koste van landbouwgrond en ook zijn er zorgen over de bodemkwaliteit en de biodiversiteit onder de zonnevelden. Zonnevelden zijn, zo wordt gesteld, moeilijk zo in te passen dat de kwaliteit van het kleinschalige landschap in stand blijft. Eigenaren ervaren dat de energietransitie en de daarmee gepaard gaande inmenging van energiemaatschappijen en speculanten de grondmarkt verstoren. Zonnevelden concurreren met de landbouw en de verwachting van de landbouwers is dat dit een opdrijvend effect op de grondprijs heeft. Zonnevelden zijn meer kosteneffectief bij grote oppervlaktes, omdat voor kleinschalige velden de aansluitkosten relatief hoger zijn. Terwijl het draagvlak voor kleinschalige zonnevelden groter is dan voor hele grote oppervlaktes. Voor stoppers kan het genereren van extra inkomen uit zonnevelden mee gaan spelen in de afweging om gronden vast te houden.

5.5.4

Wind Het voordeel van het duurzaam opwekken van elektriciteit met wind ten opzichte van zon is dat windturbines veel minder agrarische grond in beslag nemen. Ondanks bezwaren vanuit landschappelijk oogpunt en vanuit de woonomgeving zien diverse geïnterviewden zeker mogelijkheden voor windenergie in het gebied. Daarbij denken ze vaak aan kleine windmolens (tot 15 meter) die hun eigen bedrijfsvoering energieneutraal kunnen maken. Vragen zijn er wel over de opbrengst van dergelijke kleine turbines - vangen kleine molens wel voldoende wind? Als dat niet het geval is kunnen grote molens worden overwogen, afhankelijk van de locatie. Daarvan zal de buurt moeten kunnen meeprofiteren en aangetoond moet kunnen worden dat ze voldoende wind vangen en voldoende opbrengen.

5.5.5

Biogas Biogas wordt interessant om in te investeren wanneer de kostprijs van energie omhoog gaat. Dit zou in de toekomst kunnen gebeuren, wanneer energie schaarser wordt. Bij circa 140 koeien zijn biogasinstallaties rendabel. Zulke grote bedrijven zijn er weinig in het gebied, dus dan moet door samenwerking voldoende volume worden gehaald. Er zou in de regio ook onderzoek gedaan kunnen worden naar de teelt van energiegewassen . De vraag is welke saldo’s die met zich meebrengen, wellicht liggen daar kansen.

50

5.6

Gronddruk Kringlooplandbouw leidt tot de noodzaak van extensivering van de productie, dat betekent dat er meer hectares nodig zijn om dezelfde productie te kunnen handhaven. Druk op de grond vanuit regelgeving en eventueel ook vanuit de kringlooplandbouw kan er op termijn voor zorgen dat er te weinig grond beschikbaar is om de gewenste bedrijfsgrootte op peil te houden. De maatschappelijke behoefte om grond te gebruiken voor de energietransitie levert een nieuwe vrager op de grondmarkt op. Vanuit de landbouw wordt gevraagd om eerst te kijken naar locaties die weinig of geen waarde hebben voor de landbouw: langs wegen, overhoeken, op daken van bedrijfsgebouwen ook in bebouwd gebied etc. De suggestie wordt gedaan dat de gemeente haar gronden inzet voor de bedrijven uit Enschede. Daarmee zou de gemeente lucht te geven in deze situatie en op die manier meewerken aan het realiseren van kringlooplandbouw in het gebied.

5.7

Rol overheden Op de vraag wie aan zet is om de ontwikkelingen in het landelijk gebied van Enschede meer te sturen, wordt aangegeven dat dat vooral de provincie is. Zij moet daar beleid op zetten en daar geld voor beschikbaar stellen. De gemeente kan dan faciliteren met beleid, bijvoorbeeld op het gebied van de zonneparken. Het waterschap is ook een partij die daarbij in beeld is, bijvoorbeeld in de vorm van vergoedingen voor waterberging. Voor de gemeente moet het volgens de betrokken agrariërs vooral van belang zijn om de concurrentiepositie van de agrarische sector in het landelijk gebied in de gaten te houden. Dan kan zij de meest zinvolle bijdrage leveren aan een duurzame toekomst van de sector in het landelijk gebied. Dit zou kunnen door zorg te dragen voor een gedegen ruimtelijk ordeningsbeleid. Tot slot: geef als gemeente de goede voorbeelden, bijvoorbeeld door in bermen ook bloemenmengsels toe te passen of op daken van gemeenschapsgebouwen zonnepanelen toe te passen.

5.8

Samenvatting Vanzelfsprekend is de agrarische sector gericht op de instandhouding en verduurzaming van de landbouw in Enschede. Daarvoor zijn in eerste instantie de agrarische ondernemers zelf aan zet. De landbouw staat voor grote uitdagingen zoals o.a. voor het meer sluiten van kringlopen. Uit de gesprekken komt naar voren dat de ondernemers hun verantwoordelijkheid willen nemen en toekomst zien voor hun bedrijf. De jongere generatie landbouwers zien de landbouw minder dan hun ouders als een manier van leven. Zij zijn begaan met hun bedrijf, maar willen ook ruimte overhouden voor een sociaal leven. De boeren hebben een toekomstverwachting die aansluit bij hun eigen situatie en verwachtingen: een geleidelijke groei, zoals dat de laatse decennia gebruikelijk is of meer nadruk op een optimale bedrijfsvoering zonder groei in aantallen koeien, mogelijk wel meer grond en automatisering. Verbreding en verduurzaming zijn nadrukkelijk in beeld. Bij elke keuze hebben de boeren te maken met wet- en regelgeving. Die ervaren ze overwegend als een last, vooral als de regelgeving niet eenduidig is. Het is frustrerend als regelgeving verplicht om keuzen te maken die niet in het belang zijn van het bedrijf, maar ook niet van de omgeving.

Uit de gesprekken blijkt dat de agrariers in het landelijk gebied van Enschede zich bewust zijn dat de landbouw deel uitmaakt van een brede maatschappelijke omgeving. Dat heeft gevolgen voor hun bedrijfsvoering en hun toekomstmogelijkheden. Een aantal ziet bedreigingen, velen zijn gericht op het benutten van de kansen die zij zien. Daarbij hebben

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 51

ze hulp nodig van de gemeente Enschede. De vraag aan de overheid en dus ook aan de gemeente Enschede is om meer faciliteiten te bieden voor de ontwikkeling van de landbouw, zodat de landbouw op haar beurt kan zorgen voor het behoud van het kleinschalige landschap als tegenhanger van het bebouwd gebied. Veel landbouwers willen de band tussen stad en land verbeteren, met voordeel voor de hele gemeenschap. Ook versterking van de samenwerking binnen het landelijk gebied, tussen bedrijven en met landgoederen biedt perspectief. Op de landbouw komen tal van opgaven af, die voortkomen uit veranderingen in de natuurlijke omstandigheden. De klimaatverandering heeft gevolgen voor de waterhuishouding; verdroging en perioden met wateroverlast. In directe realatie tot het agrarisch grondgebruik staat de afname van biodiversiteit en de teruggang van bodemleven en bodemvruchtbaarheid. Op deze punten kan de landbouw bijdragen aan een ommekeer. De energietransitie stelt het landelijk gebied voor een grote opgave. Dat roept vragen en opmerkingen op. Overigens zijn niet alle vormen van duurzame opwekking van energie omstreden. Zon op daken en biovergisting (mestverwerking) zijn kansrijk. Zonnevelden roepen talrijke bezwaren op: van vragen over de effectiviteit, over landschappelijke inpassing en vooral over het gebruik van schaarse landbouwgrond. Dat laatste bezwaar heeft windenergie minder.

Kleine windturbines hebben de voorkeur boven grote turbines. Wel wordt gesteld dat de opbrengst van kleine turbines te laag kan zijn.

52

6

Constateringen en perspectieven

6.1

Constateringen

1.

Enschede roept bij veel mensen meer de associatie op van een stedelijke dan een landelijke gemeente. Toch kent de gemeente Enschede een omvangrijk en hoog gewaardeerd buitengebied met heel gevarieerd grondgebruik. Van de 14.000 ha die Enschede groot is, wordt iets minder dan een derde deel gebruikt voor de bebouwing van de stad, een derde is in gebruik bij de landbouw en ruim een derde door uiteenlopende functies zoals bos, water, natuur, wegen en het vliegveld. De oppervlakte van het landbouwgebied neemt langzaam wat af.

2.

De betekenis van de landbouw voor de Enschedese gemeenschap bestaat in hoofdlijn uit twee onderdelen. De landbouw levert een bijdrage aan de lokale economie: inkomen en werk. De omvang daarvan is op gemeentelijke schaal bescheiden, maar vrij stabiel. De andere bijdrage van de landbouw betreft de woon- en leefomgeving. De landbouw vormt van oudsher de drager van lokale gemeenschappen en geeft mede vorm aan het gevarieerde en kleinschalige landschap van Enschede. Het landelijk gebied is om die redenen een gewaardeerd woongebied en uitloopgebied voor de stadsbewoners. Wel komen de afgelopen decennia vragen op over de invloed van de landbouw. De landbouw moderniseert, het aantal bedrijven en de sociale samenhang nemen af. De grootschalige landbouw past minder bij het kleinschalige landschap. Zij heeft te maken met steeds aanscherpende milieuregels en afname van biodiversiteit en bodemvruchtbaarheid. Hoe deze afname te keren is een belangrijk issue.

3.

Het gebruik van de landbouwgrond (4700 ha) is versnipperd over 327 bedrijven, waarvan de helft (164 bedrijven) met bedrijfsgebouwen buiten de gemeentegrens ligt. Van de 163 Enschedese bedrijven zijn 52 melkveebedrijven en 4 intensieve veehouders. Deze volwaardige bedrijven (56 stuks) hebben samen minder dan de helft van de landbouwgrond van Enschede in gebruik. Dat betekent dat de meerderheid van de landbouwgrond in gebruik is bij bedrijven van buiten Enschede en bij boeren die hun bedrijf hebben afgebouwd en/of de landbouw als bijverdienste hebben.

4.

De belangrijkste bedrijfstak is de melkveehouderij en het grondgebruik bestaat in hoofdzaak uit grasland en maisteelt voor veevoer. De verkaveling is overwegend redelijk, de gronddruk is het hoogste in het deelgebied Lonneker. De grondprijs in Enschede is lager dan in de omliggende gemeenten, maar hoger dan in vergelijkbare zandgebieden zoals de Achterhoek en Salland.. De melkveebedrijven zijn in doorsnee kleiner gemiddeld in Nederland. Net als in de rest van Nederland heeft circa de helft geen opvolger. Bij de bedrijven met een opvolger zijn twee toekomstvisies zichtbaar: meegaan in de landelijke tendens van uitbreiding van de melkveestapel of optimalisatie van de bedrijfsvoering met gelijkblijvende veestapel: automatiseren, extensiveren en/of verbreden.

5.

De eisen van het nationale en EU-beleid voor de melkveehouderij bevorderen een extensiever grondgebruik met een minder hoge veebezetting, het sluiten van kringlopen en het inspelen op wensen van consumenten. De lokale omstandigheden met het kleinschalige landschap en de nabijheid van de stad bieden kansen voor verbreding: het vermarkten van landbouwproducten en het leveren van aanverwante diensten (landschapszorg, waterbeheer, recreatie, educatie) aan stedelingen.

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 53

6.

Opvallend is dat de bedrijven in Enschede op dit moment beduidend minder verbreding kennen (agrotoerisme, verkoop aan huis, loonwerk) dan elders in Nederland. Toch zeggen veel agrariërs dat zij open staan voor maatschappelijke ontwikkelingen en het contact met de stad en de stedeling als een mogelijkheid zien voor toekomstige ontwikkeling van hun bedrijven. Zij vragen daarbij steun van de gemeente in de vorm van aandacht en faciliteiten. Die steun ervaren zij op dit moment in onvoldoende mate.

7.

Een nieuwe vorm van verbinding met de stad betreft de energietransitie. De claim om landbouwgrond aan te wenden voor het opwekken van energie met zon en wind roept veel reacties op: vragen en weerstand. Dat geldt niet voor alle maatregelen. Zon op daken en biovergisting (mestverwerking) zijn vaak acceptabel. Het gebruik van landbouwgrond voor zonnevelden heeft weinig tot geen steun, windturbines nemen niet veel grond in gebruik, maar vallen letterlijk wel erg in het oog. Een windmolen wordt door een groot deel van de agrariërs geaccepteerd als alternatief voor zonnevelden, vanwege de lagere grondbehoefte.

6.2

Perspectieven

1.

Het doortrekken van de huidige trend in de landbouw betekent dat het aantal agrariërs in de gemeente Enschede dat een volwaardig inkomen uit de landbouw kan halen blijft dalen en dat het grondgebruik over nog meer kleine nevenbedrijven versnippert. Het ongewisse toekomstperspectief van de betreffende agrarische bedrijven biedt weinig zekerheid over de continuïteit van het beheer van het kostbare kleinschalige landschap van het landelijk gebied in Enschede.

2.

De grotere melkveehouderijbedrijven in Enschede staan - net als elders in Nederland - op een kruispunt: uitgaan van de melkproductie als verdienmodel of verbreden met inkomsten uit met de landbouw verbonden diensten, zoals landschapszorg, klimaat-maatregelen, recreatie, natuurbeheer, educatie en dergelijke. Veel boeren in Enschede zien de race naar verlaging van de kostprijs van melk niet als hun gewenste toekomst.

3.

Vanwege alle naast elkaar bestaande functies in het landelijk gebied (landbouw, natuur, verbreding), die alle extra ruimte vragen, is de gronddruk in het landelijk gebied van Enschede relatief hoog. Daar komen nog eens de nieuwe claims bij voor het duurzaam opwekken van energie en voor klimaatadaptatie. Aanbeveling is in te zetten op gebiedsgerichte processen om alle opgaven te kunnen uitvoeren. De noodzaak hiertoe wordt zeker gezien vanuit de betrokken grondeigenaren.

4.

Grondeigenaren in het landelijk gebied van Enschede hebben een sterke troef in handen. Zij bepalen de kwaliteit van het landelijk gebied (landschap, cultuurhistorie, biodiversiteit etc.). De Enschedese landbouw is zich bewust van het boeren rondom een grote stad. De kansen om in de stad – land relatie nieuwe verdienmodellen te ontwikkelen liggen hier meer voor de hand dan in echte plattelandsgemeenten. Het aantrekkelijke landelijk gebied is een positieve factor voor het vestigingsklimaat in Enschede. Dit is toeristisch gezien een unique selling point: natuur dicht bij cultuur en andersom. Deze combinatie biedt zeker mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen voor plattelandstoerisme en landbouw in het gebied. In die zin zou ook de Nota Buitenkans van de gemeente Enschede geactualiseerd kunnen worden.

5.

Bestuurlijk en ambtelijk ligt het zwaartepunt in Enschede in het stedelijk gebied. De landbouw en het landelijk gebied krijgen daardoor relatief minder aandacht. Toch heeft het kenmerkende Twentse landschap in het landelijk gebied van Enschede kwaliteiten die voor

54

de toekomst behouden moeten blijven: landschap, natuur, biodiversiteit, bodemeigenschappen. Daarnaast geeft het landelijk gebied van Enschede waarde aan de stad als tegenhanger en complement van het stedelijk leven. De continuïteit van deze waarden van het landelijk gebied loopt door de geschetste ontwikkelingen in de landbouw gevaar. Een voortgaande rationalisatie en schaalvergroting tast het landschap, de biodiversiteit en het milieu aan. Als echter economisch perspectief ontbreekt, dan kan de landbouw haar rol van medebeheerder van het landelijk gebied op termijn niet voortzetten. De gemeente kan zich derhalve niet afzijdig houden en moet beleid voeren dat de landbouw en het landelijk gebied ondersteunt bij een ontwikkeling die de landbouw perspectief geeft in haar rol als beheerder van het kleinschalige en kostbare landschap. De gemeente moet onder meer bezien hoe de eigen grondposities in het landelijk gebied benut kunnen worden om de gewenste ontwikkeling te steunen. 6.

Tegen die achtergrond zou de gemeente Enschede in gesprek moeten gaan met de agrariërs in het landelijk gebied van Enschede over hun toekomstige verdienmodel. Uitgaande van de driedeling die in hoofdstuk 4 geschetst wordt zou daarbij met name gekeken kunnen worden naar het stimuleren van stadslandbouw en korte ketens in de regio (hetgeen een hogere productprijs voor agrariërs op kan leveren) en naar het verlenen van maatschappelijke diensten door agrariërs (ecosysteemdiensten) op het gebied van verdroging, waterberging, bodemvruchtbaarheid en energieproductie. Bij dat laatste zouden ook andere betrokken overheden als de provincie Overijssel en het Waterschap Vechtstromen betrokken kunnen worden.

7.

Gemeente en STAWEL zouden in kunnen zetten in op soepele en op elkaar afgestemde gemeentelijke regelgeving voor de landbouw in het landelijk gebied van Enschede, met daarin ook ruimte voor innovatieve experimenten. De gemeente zou daarin samen met de landbouw op kunnen trekken naar provincie en Rijk.

8.

Samenwerking tussen ondernemers kan nieuwe verdienmodellen ondersteunen, maar ook de maatschappelijke bewustwording bij de burger voor de ontwikkelingen in het landelijk gebied verhogen. Subsidies zijn een goed middel om de landbouw in het landelijk gebied van Enschede meer klimaatbewust te maken. Deel vouchers uit aan agrariërs voor het nemen van maatregelen op dit gebied.

9.

De grotere grondbezitters in het landelijk gebied van Enschede (waaronder de terreinbeherende organisaties en de landgoedeigenaren) wordt aanbevolen om te onderzoeken hoe zij pachters kunnen ondersteunen bij het inspelen op de in dit rapport geschetste veranderende randvoorwaarden waarbinnen zij hun bedrijf voeren. Met name het inpassen van duurzame energieproductie aan de bedrijfsvoering en het kunnen voldoen aan strengere vereisten van het milieubeleid.

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 55

Bijlagenoverzicht

1

Verkavelingsindex

De analyse van de verkavelingsstructuur geeft aan de hand van een aantal kengetallen een beeld van de verkavelingssituatie in het landelijk gebied van Enschede. Deze analyse wordt uitgevoerd volgens de verkavelingsindex die ontwikkeld is door DLG, LTO en Kadaster. Aan de hand van de verkavelingsindex kan de kwaliteit van de agrarische structuur in beeld worden gebracht, op basis van de volgende kengetallen: - gemiddeld percentage huiskavel per bedrijf; - gemiddelde oppervlakte huiskavel per bedrijf; - gemiddeld aantal veldkavels per bedrijf; - gemiddelde oppervlakte veldkavel per bedrijf. Elk kengetal wordt ingeschaald in de klassen ‘slecht, matig, redelijk, goed en uitstekend’ waar een bepaald puntenaantal bij hoort. Daarnaast heeft elk kengetal een eigen weging waarmee het puntenaantal vermenigvuldigd wordt. Het ‘gemiddelde percentage huiskavel’ weegt twee keer zwaarder dan de overige kengetallen, omdat dit aspect het belangrijkste is voor de opbouw van de agrarische structuur voor veehouderijbedrijven. De optelsom van de scores van de kengetallen leidt uiteindelijk tot een eindscore per deelgebied waaraan tevens de waardering ‘slecht, matig, redelijk, goed of uitstekend’ gegeven wordt. De indeling van de scores per kengetal verschilt per landschapstype, aangezien in elk landschapstype de verkavelingssituatie anders is opgebouwd.

Zo is in een grootschalig landschap zoals oostelijk en zuidelijk Flevoland een ‘gemiddeld oppervlak huiskavel’ goed bij 56 tot 72 ha, terwijl dit in een kleinschalig landschap als het landelijk gebied van Enschede al goed is bij 18 tot 24 ha. Om te bepalen welk landschapstype waar van toepassing is worden de CBSlandbouwgebieden als uitgangspunt gebruikt. Met andere woorden voor elk CBSlandbouwgebied is een landschapstype vastgesteld. Hierin worden de volgende types gehanteerd: • laagveen en zandgebieden (kleinschalig) • jonge ontginningslandschappen en tussenvormen; • grootschalige polders; • Oostelijk/Zuidelijk Flevoland (grootschalig). De verkavelingssituatie van het landelijk gebied van Enschede is beoordeeld op basis van het landschapstype ‘kleinschalig landschap / laagveen en zandgebieden’. In is de scoretabel van de verkavelingsindex opgenomen voor dit landschapstype.

1. Kleinschalig / laagveen en zandgebieden Veehouderij - indeling verkavelingskenmerken

kwalificatie overall - kaart

punten

uitstekend goed redelijk matig slecht

5 4 3 2 1 weging-->

toestand factoren gemiddelde gemiddeld gemiddeld oppervlakte aantal % huiskavel per veldkavels per huiskavel bedrijf bedrijf >80 60 - 80 40 - 60 20 - 40 < 20 4

>24 ha 18 - 24 ha 14 - 18 ha 6 - 14 ha <6 2

<2 2 tot 4 4 tot 6 6 tot 8 >=8 2

gemiddelde oppervlakte veldkavel per bedrijf >6 ha 4 tot 6 3 tot 4 2 tot 3 <2 2

totaalscore na weging 45 - 50 37 - 44 27 - 36 19 - 26 10 -18

Figuur 23. Scoretabel verkavelingsindex Om de berekening uit de verkavelingsindex te kunnen maken is het nodig om de huiskavels en veldkavels van de agrarische bedrijven te selecteren. Als uitgangspunt hiervoor is het

56

Bestand Agrarische Bedrijfsinformatie (BAB) 2017 gebruikt waarin de gegevens over eigendom, pacht en gebruik opgenomen zijn uit de CBS Landbouwtellingen 2017. Dit bestand is gekoppeld aan de Basisregistratie Kadaster (BRK) met als actualiteitsdatum 1 juli 2017, waarna alle huis- en veldkavels van de agrarische bedrijven geclusterd zijn. Vervolgens is het Nationaal Wegen Bestand voor wegen en spoorwegen over de kaart gelegd, waarbij huiskavels die doorsneden worden door wegen en spoorwegen aangemerkt zijn als veldkavel. Hetzelfde is gedaan met grote waterwegen. Voor de verkavelingsanalyse zijn alleen de bedrijven groter dan 10 hectare meegenomen in de tellingen en de berekeningen. Resultaat van deze selectie is een databestand van alle huis- en veldkavels waarmee de verkavelingsindex berekend is. Daarin wordt uitgegaan van 100 agrarische bedrijven in het landelijk gebied van Enschede. Alle kengetallen combinerend scoren alle deelgebieden redelijk op de verkavelingsindex, met uitzondering van Boekelo waar door een geringere huiskavelgrootte en huiskavelpercentage matig gescoord wordt.

Figuur 24. Grafische weergave verkavelingsbarometer

Rapport Landbouwanalyse landelijk gebied Enschede 57

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=f116aa1a-c122-4660-8288-6c740600a5cb