CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Kinderarmoede thesis Trinks_MA_BMS

Stedelijke commissie - EWIO 12 januari 2026, gemeente enschedeBij agendapunt: Beeldvormend: Halfjaarlijkse rapportage Rondkomen met je inkomen december 202537.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Kinderarmoedebeleid binnen de gemeente Enschede Een onderzoek naar de te verwachten effecten Door Vera D. Trinks 2391015

Ingediend ter gedeeltelijke vervulling van de eisen voor de graad Master of Science, opleiding Public Administration, University of Twente 2025 Supervisors: Eerste supervisor: René Torenvlied, Prof. Dr. Tweede supervisor: Veronica Junjan, Dr.

Voorwoord Beste lezer, Met veel plezier presenteer ik hier mijn masterthesis over kinderarmoede binnen de gemeente Enschede. Als klein kind heb ik meerdere keren rondgelopen in de sloppenwijken van Sri Lanka. Hier heb ik gezien wat armoede betekent voor veel kinderen in de wereld: wonen in een huis vlak bij een rivier die telkens overstroomt, waardoor alles op hoge planken staat, zodat het niet kapot zou gaan tijdens deze overstromingen en het regenseizoen. Als drieling met je ouders in een huis wonen, gemaakt van restafval, waar niet eens een toilet is. Vaak was een vrouw samen met haar kind of kinderen achtergelaten door haar man en moesten ze zich alleen redden. Ook onverwachte geboortes van een of meerdere kinderen zorgden voor financiële problemen. Mijn vader werkte tijdens mijn jeugd bij een goededoelenorganisatie die deze ouders en kinderen ondersteunde om een beter leven op te kunnen bouwen. Hij was daardoor periodes weg van huis, maar ik ben hierdoor meerdere keren samen met mijn moeder op Sri Lanka geweest om hem op te zoeken, waarbij ik heb aanschouwd hoe het leven kan zijn in een land waar vaak slechte sociale voorzieningen zijn, waardoor er moet worden ingegrepen door hulporganisaties. Als kind ben je voor je het weet tikkertje aan het spelen met de andere kinderen en zie je dat er ondanks de ellende toch gelachen kan worden.

Deze kinderen haalden uit de kleine dingen hun plezier. In Nederland leven we in een andere wereld met veel meer sociale voorzieningen en ondersteuning. Er is sprake van relatieve armoede. Enschede is onder andere vanuit haar textielverleden een arme stad waar mensen hun best doen om uit de armoede te komen. Kinderarmoede is tegenwoordig nog steeds een probleem, ondanks dat deze wel afneemt. In een ideale wereld zou kinderarmoede niet hoeven te bestaan. Vanuit deze achtergrond is mijn interesse gewekt om dit onderwerp te onderzoeken. Ik heb veel geleerd over hoeveel verschillende factoren en mechanismen er zijn als er gekeken wordt naar kinderarmoede. Het is een opeenstapeling van problemen die moet worden aangepakt om verbetering te zien. Hiernaast heb ik veel geleerd over hoe de praktijk werkt binnen een gemeente en hoe beleid wordt gemaakt en uitgevoerd. Dit zijn waardevolle lessen die ik mee ga nemen in de volgende fase van mijn leven. Allereerst wil ik mijn ouders bedanken voor alle steun die ik heb gehad tijdens mijn opleiding en onderzoek. Ten tweede wil ik mijn vrienden en studiegenoten bedanken voor de leuke gesprekken. Als derde wil ik alle docenten bedanken die mij zo ver hebben gebracht in mijn carrière. Hierbij extra veel dank voor de begeleiding van René Torenvlied en Veronica Junjan.

Tot slot wil ik de gemeente Enschede, de respondenten, en alle andere mensen die mij hebben ondersteund tijdens dit onderzoek bedanken voor alle hulp die zij hebben geboden. Ik wens u veel leesplezier. Met vriendelijke groet, Vera Trinks

2

Samenvatting Het doel van deze thesis is om te achterhalen wat de te verwachten effecten zijn van maatregelen die de gemeente Enschede neemt om kinderarmoede te verminderen. De gemeente staat namelijk op nummer 3 van de topgemeenten waar men de minste kans heeft om armoede achter zich te laten (Lam et al., z.d.), het armoedepercentage staat met 4,3% op nummer één van Overijssel (CBS, 2024a), en er is veel onderwijsachterstand (CBS, 2024c). Deze thesis heeft een ex-ante onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het kinderarmoedebeleid van de gemeente Enschede. Om de context te bepalen is eerst een beschrijving gemaakt van problemen binnen de gemeente. Hierna zijn uit verschillende beleidsdocumenten oorzaak-gevolg en doel-middel relaties afgeleid, welke zijn vergeleken met belangrijke factoren en mechanismen uit de wetenschappelijke literatuur die kinderarmoede kunnen veroorzaken, versterken en verminderen. Naar aanleiding van deze analyse zijn twee interviews afgenomen met medewerkers van de gemeente Enschede voor meer diepgang en om een beeld te krijgen van de praktijk. Uit de analyse blijkt dat de aanpak van de gemeente Enschede aansluit op de factoren en mechanismen. Ondanks deze aansluiting en een daling in de armoedecijfers is er nog steeds sprake van kinderarmoede.

Uit de Nibud minima-effectrapportage (Van Gaalen & Wieman, 2023) blijkt dat de bijstand vanuit de Rijksoverheid onvoldoende is en dat de gemeente pleisters plakt om dit inkomen aan te vullen. Daarom verwacht dit onderzoek dat kinderarmoede in Enschede deels kan worden voorkomen, maar dat zonder extra middelen vanuit de Rijksoverheid de (kinder)armoede niet volledig kan worden weggenomen.

English abstract This aim of this thesis is to determine the expected effectiveness of measures taken by the municipality of Enschede to reduce child poverty. The municipality ranks third among the top municipalities where citizens have the least chance of escaping poverty (Lam et al., n.d.). Its poverty rate is 4.3%, which is the highest in Overijssel (CBS, 2024a), and there is a high level of educational disadvantage (CBS, 2024c). This thesis has conducted ex-ante research on the effectiveness of the child poverty policy of the municipality of Enschede. First, several problems within the municipality were described to provide context. Following this, multiple policy documents were analysed to determine cause-effect and goalmeans relationships. These were compared to key factors and mechanisms that have been identified in the scientific literature to cause, amplify or reduce child poverty. Subsequently, two interviews were conducted to further contextualize the analysis and to explore how these dynamics operate in practice. The analysis shows that the policy of the municipality of Enschede aligns with the factors and mechanisms. However, despite this alignment and declining poverty rates, child poverty persists. The Nibud minimaeffectrapportage (Van Gaalen & Wieman, 2024) shows that welfare support from the national government is insufficient.

The municipality tries to prevent major problems by providing various support programs, which is still insufficient for many. This is why this research expects that child poverty can be prevented partially. However, without extra means through intervention of the central government, (child)poverty is not expected to fully resolve.

3

Inhoudsopgave Voorwoord ......................................................................................................................................... 2 Samenvatting ..................................................................................................................................... 3 English abstract ................................................................................................................................. 3 1.

Introductie .................................................................................................................................. 7 1.1 Kinderarmoede, kansenongelijkheid en onderwijs in Enschede ........................................................ 7 1.2 Drie grote mechanismen voor kinderarmoede ................................................................................ 8 1.3 Onderzoeksvragen ...................................................................................................................... 9 1.4 Wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie ...................................................................... 10

2.

Theorie ..................................................................................................................................... 11 2.1 Definitie kinderarmoede ............................................................................................................ 11 2.2 Intergenerationele armoede ....................................................................................................... 11 2.2.1 Achtergrond: opgroeien in de welvaartstaat .................................................................................. 12 2.3 Zeven perspectieven van oorzaken intergenerationele armoede ..................................................... 13 2.4 Neurologisch mechanisme ........................................................................................................ 14 2.5 De dynamiek op school.............................................................................................................. 15 2.6 Nederlands kinderarmoedebeleid ............................................................................................... 16 2.6.1 Factoren en mechanismen in Nederland ...................................................................................... 16 2.7 Aanknopingspunten voor beleid .................................................................................................. 17

3.

Methodologie ............................................................................................................................ 19 3.1 Onderzoeksontwerp .................................................................................................................. 19 3.2 Steekproefstrategie ................................................................................................................... 19 3.3 Datacollectie methodes en analyse ............................................................................................ 19 3.4 Conceptualisatie ...................................................................................................................... 20 3.4.1 Kinderarmoede ............................................................................................................................. 20 3.4.2 Conceptueel kader ....................................................................................................................... 21 3.4.3 Mechanismen en factoren ............................................................................................................ 21 3.4.4 Beleid en beleidstheorie reconstructie .........................................................................................

22 3.4.4.1 De beleidscyclus ................................................................................................................... 22 3.4.4.2 Het beleidskompas ................................................................................................................ 22 3.4.4.3 Agendavorming en beleidsdoelen .......................................................................................... 23 3.4.4.4 Realistic Evaluation ............................................................................................................... 23 3.4.4.5 Soorten beleidsinterventies typologie .................................................................................... 24 3.4.4.6 Beleidstheorie reconstructie .................................................................................................. 24 3.5 Operationaliseren van de variabelen ........................................................................................... 25 3.6 Validiteit en betrouwbaarheid ..................................................................................................... 26 3.7 Ethische verantwoording ............................................................................................................ 26

4

4. Analyse ........................................................................................................................................ 27 4.1 Wat is de omvang en achtergrond van de kinderarmoedeproblematiek in Enschede? ....................... 27 4.1.1 Huishoudens in armoede .............................................................................................................. 27 4.1.2 Kinderen in armoede ..................................................................................................................... 28 4.1.3 Schulden en groeiende afhankelijkheid jeugdzorg, en kansenongelijkheid .................................... 30 4.2 Reconstructie kinderarmoedebeleid van de gemeente Enschede ................................................... 31 4.2.1 Het globale kinderarmoedebeleid van de gemeente Enschede ..................................................... 32 4.2.1.1 Coalitieakkoord 2022-2026 .................................................................................................... 32 4.2.1.2 Enschede begroting 2025 en visie opgave ‘Inclusief Enschede’ .............................................. 35 4.2.2 Beleidstheorie oorzaak-gevolg en doel-middel schema’s .............................................................

36 4.2.2.1 Beleidstheorie oorzaak-gevolgrelaties schema ...................................................................... 36 4.2.2.2 Beleidstheorie doel-middel schema ...................................................................................... 37 4.2.3 Aansluiting van het beleid op de theorie/veronderstellingen ......................................................... 38 4.2.3.1 Coalitieakkoord ‘samen trots op Enschede’ 2022-2026 ......................................................... 38 4.2.3.2 Strategienota Kansrijk Enschede 2023-2033 .......................................................................... 39 4.2.3.3 Kadernota Rondkomen met je inkomen ................................................................................. 41 4.2.3.4 Strategienota Duurzame Jeugdzorg ........................................................................................ 42 4.2.3.5 Lokaal Educatieve Agenda ..................................................................................................... 43 4.2.3.6 Regiovisie en centrumgemeente Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ............................ 44 4.2.3.7 Conclusie oorzaak-gevolg en doel-middel analyse ................................................................ 45 4.2.4 Analyse instrumenten/doelstellingen van alle beleidsdocumenten samen ...................................

46 4.2.4.1 Intergenerationele armoede .................................................................................................. 46 4.2.4.2 Nadruk op de familie (welvaartstaat effect) ............................................................................ 47 4.2.4.3 Perspectief 1: middelen en investeringen van de familie ........................................................ 48 4.2.4.4 Perspectief 2: de familieachtergrond ..................................................................................... 48 4.2.4.5 Perspectief 3: de effecten van de woonwijk............................................................................ 49 4.2.4.6 Perspectief 4: het behalen van mijlpalen................................................................................ 49 4.2.4.7 Perspectief 5: rendement mijlpalen ....................................................................................... 50 4.2.4.8 Perspectief 6: belastingen en uitkeringen............................................................................... 50 4.2.4.9 Neurologisch mechanisme .................................................................................................... 51 4.2.4.10 Schoolklimaat ......................................................................................................................

52 4.2.5 Wat zijn de te verwachten effecten van dit beleid? ........................................................................ 53 5. Conclusie en discussie ................................................................................................................. 56 5.1 Beantwoording centrale onderzoeksvraag.................................................................................... 56 5.2 Wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie ...................................................................... 57 5.2.1 Wetenschappelijke relevantie ....................................................................................................... 57 5.2.2 Maatschappelijke relevantie ......................................................................................................... 58 5.3 Limitaties onderzoek ................................................................................................................. 58 5.4 Aanbevelingen beleidsmakers .................................................................................................... 59 5.5 Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek .................................................................................. 60 6. Referenties ................................................................................................................................... 61 7.

Bijlagen ........................................................................................................................................ 73 Bijlage 1: AI-statement .................................................................................................................... 73 Bijlage 2: Voorbeeld interviewvragen ................................................................................................ 74 Bijlage 3: Oorzaak-gevolg schema op basis van Coalitieakkoord 2023-2026 .......................................... 77

5

Bijlage 4: Doel-middel schema op basis van Coalitieakkoord .............................................................. 78 Bijlage 5: Oorzaak-gevolg schema op basis van strategienota Kansrijk Enschede ................................... 79 Bijlage 6: Doel-middel schema op basis van strategienota Kansrijk Enschede ....................................... 81 Bijlage 7: Kadernota Rondkomen met je Inkomen analyse ................................................................... 83 Bijlage 8: Doel-middel analyse op basis van Evaluatie kadernota “Rondkomen met je inkomen” van 2024 84 Bijlage 9: Doel-middel analyse Strategienota Duurzame Jeugdzorg ...................................................... 85 Bijlage 10: Lokaal Educatieve Agenda ............................................................................................... 88 Bijlage 11: Regiovisie en centrumgemeente Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ............................ 90

6

1. Introductie Het doel van deze thesis is om te onderzoeken wat de te verwachten effecten zijn van maatregelen die de gemeente Enschede neemt om kinderarmoede te verminderen. Volgens het CBS (2024a) had de gemeente Enschede in 2023 met 4,3% het hoogste armoedepercentage van Overijssel. Een jaar eerder kwam uit onderzoek (CBS, z.d.-a) dat inwoners van Enschede met 5,9% het hoogste risico van Overijssel lopen om in armoede te leven. Ondanks dat er van 2022 tot 2023 een daling in armoedecijfers was te zien, zowel landelijk als binnen de gemeente Enschede, blijft Enschede op nummer één van Overijssel staan (Klerks, 2024; NJi, 2024).

1.1 Kinderarmoede, kansenongelijkheid en onderwijs in Enschede Onderzoek vanuit het CBS (z.d.-b) toont aan dat het percentage van mensen die in Enschede in armoede leeft van 6% in 2022 naar 4,3% in 2023 is gegaan. Hierbij is het opmerkelijk dat de nieuwe meetmethode, die in 2023 is ingegaan (CBS, 2024a), het armoedepercentage in Enschede hoger inschat vergeleken met de vorige meetmethode. Ondanks dat is er nog steeds een daling te zien. Voor kinderen die in armoede leven is dit van 6,9% in 2022 naar 4,6% in 2023 gegaan. Alhoewel het opmerkelijk is dat dit percentage voor kinderen hoger ligt, kan dit ook in de landelijke cijfers worden gezien. Volgens het CBS (z.d.-a) leefde in 2022 3,4% van de Nederlanders in armoede, wat in 2023 is gedaald naar 3,1%. Voor kinderen die in armoede leven was dit 4% in 2022 en 3,6% in 2023. Naast armoede scoort Enschede ook hoog op kansenongelijkheid. De gemeente staat op nummer 3 van de topgemeenten waar men de minste kans heeft om armoede achter zich te laten. Dit kwam uit grootschalig onderzoek vanuit de Erasmus Universiteit (Lam et al., z.d.). Dit onderzoek is nog niet gepubliceerd, maar wordt wel geciteerd door de gemeente Enschede (Instellingen voor kinderopvang, onderwijs & de gemeente Enschede, 2023).

Door te kijken op de daaruit volgende Nationale Kansenkaart (https://kansenkaart.nl/), die al openbaar toegankelijk is, kan op meer subcategorieën worden gefilterd. Hieruit volgt dat bijvoorbeeld in de gemeente Enschede tussen 2015 en 2019 34,2% van de kinderen die in groep 8 zaten ouders hadden met een laag inkomen, waarmee ze wederom aan de top van Overijssel staan, met de gemeente Almelo op de tweede plaats. In Enschede had de postcode 7544 het hoogste percentage van kinderen die in groep 8 zaten met ouders met een laag inkomen: 59,1%. Als er wordt gekeken naar onderwijsachterstanden geeft het CBS (2024c) aan dat Enschede van 20% onderwijsachterstand in 2020 naar (een verwachte) 19% in 2024 is gegaan, wat een kleine daling is. Ook blijkt uit Figuur 1 dat de verwachte achterstand in 2024 per gebied verschilt, waarbij Enschede-Zuid met 27% achterstand samen met Boswinkel – Stadsveld (24%) en Twekkelerveld – T.H.T. (24%) in de top 3 staat (CBS, 2024c). Het bereiken van de doelgroepen is een belangrijk onderdeel van de beleidsuitvoering. Stichting Leergeld Enschede & Jeugdfonds Sport & Cultuur zijn grote partners van de gemeente en bereikten 78% van de rechthebbenden (2023), terwijl dit cijfer landelijk op 40% ligt (Bergboer, 2024b). De gemeente bereikte 97% van de rechthebbenden op de energietoeslag (Louwes, 2023).

7

.

Figuur 1: Verwachte Onderwijsachterstanden Enschede 2024 (CBS, 2024c).

In conclusie, de gemeente Enschede heeft dus ondanks een daling in de percentages te maken met de effecten van een hoge mate van intergenerationele armoede, kansenongelijkheid, en onderwijsachterstanden. Echter, op bepaalde beleidsonderdelen bereikt ze een hoog percentage van de doelgroep.

1.2 Drie grote mechanismen voor kinderarmoede Nu de context binnen de gemeente Enschede duidelijk is gemaakt worden een aantal begrippen en bijbehorende theorie uitgelegd. In de onderstaande tekst wordt gebruik gemaakt van Nederlandse onderzoeksrapporten om de Nederlandse context duidelijk te maken. In de theoriesectie worden deze aangevuld door wetenschappelijke theorieën uit verschillende landen en contexten. Kansengelijkheid kan op verschillende niveaus worden gemeten en wordt binnen dit onderzoek gezien als de kans die je hebt om uit de armoede te komen. Het Nederlands Jeugdinstituut zegt dat er sprake is van kansenongelijkheid binnen het onderwijs als “leerlingen met dezelfde talenten door hun specifieke achtergrond niet dezelfde resultaten behalen in het onderwijs” (NJi, z.d.). Intergenerationele armoede betekent dat armoede generatie op generatie wordt doorgegeven. Dit komt door verschillende factoren, zoals ziekte binnen de familie, schulden, gebrek aan financiële kennis, verslaving of pech (Van Lanen et al., 2023).

Naast dat er factoren en mechanismen zijn die direct invloed hebben op het financiële functioneren van het gezin, zijn er ook factoren en mechanismen die indirect invloed hebben op het welzijn en de toekomst van het kind, bijvoorbeeld de wijk waar ze opgroeien, de aandacht die er voor het kind is, en stress door ruzie in het gezin, wat impact heeft op de mentale ontwikkeling (Visser, 2019). Daarnaast wordt school als een belangrijk middel gezien om te stijgen op de sociale ladder. Het ene kind kan beter leren dan het andere, dus ondersteuning is een belangrijke factor, zowel thuis als op school, maar als een kind niet genoeg wordt gestimuleerd en hierdoor een lager schooladvies krijgt, dan kan deze hier zijn hele leven last van hebben (NJi, z.d.). Het bovenstaande meenemende gaat dit onderzoek uit van drie belangrijke mechanismen waaruit beleid gericht op kinderarmoede kan volgen: dat kinderarmoede komt door (1) intergenerationele armoede, dat het (2) een scholingsprobleem is, en (3) dat het komt door kansenongelijkheid. De gemeente Enschede 8

probeert de kansenongelijkheid en kinderarmoede te verminderen door de komende jaren in te zetten op het verbeteren van kansen voor kinderen door ieder jaar 3 miljoen euro te investeren, zodat in 2033 de gemeente Enschede uit de top 3 is (ter Harkel, 2023). De focus ligt hierbij op de scholen, want er is een relatie tussen de plek waar een kind opgroeit en de kansen die hij of zij krijgt op school, wat onder andere te zien is op de kansenkaart (Lam et al., z.d.). Daarom wordt er meer ingezet op de achtergestelde wijken met de minste kansen door bijvoorbeeld in te zetten op meer schoolbibliotheken, buitenschoolse activiteiten, een ‘huiskamer’, coaches, en meer hulpcentra voor ouders, waarbij de nadruk op laagdrempeligheid ligt. Daarnaast investeert Enschede ook in armoedebeleid, wat goed lijkt te gaan, maar de gemeente merkt dat er problemen zijn met de bekendheid van verschillende voorzieningen en dat er sprake is van wantrouwen in de organisaties of schaamte (Bergboer, 2024b). Dit onderzoek gaat in op de huidige stand van de wetenschap over kinderarmoede, de omvang en achtergrond van kinderarmoede binnen de gemeente, belangrijke factoren en mechanismen om op in te zetten, hoe de aanpak van de gemeente hierop aansluit en wat de te verwachten effecten van het beleid zijn.

1.3 Onderzoeksvragen Om het bovenstaande te onderzoeken is de volgende hoofdvraag geformuleerd: Wat zijn de te verwachten effecten van maatregelen van de gemeente Enschede ten aanzien van het verminderen van kinderarmoede? De volgende deelvragen zijn gebruikt om de hoofdvraag te beantwoorden: 1. Wat is er in de wetenschappelijke literatuur bekend over factoren en mechanismen die bijdragen aan kinderarmoede? 2. Wat is de omvang en achtergrond van de kinderarmoedeproblematiek in Enschede? 3. In hoeverre sluit het beleid van de gemeente Enschede aan bij de factoren en mechanismen die bijdragen aan kinderarmoede? a. Welk beleid voert de gemeente Enschede uit ten behoeve van het verminderen van kinderarmoede? b. Wat zijn de te verwachten effecten van dit beleid? De eerste deelvraag dient om een globaal beeld te scheppen over wat er in de huidige wetenschap bekend is over kinderarmoede. Deze gaat in op de probleempercepties die in de wetenschap en praktijk te vinden zijn. Hiernaast wordt er ingegaan op factoren en mechanismen die een grote rol spelen bij kinderarmoede, waaruit een referentiekader is opgesteld. De tweede deelvraag dient om te peilen hoe kinderarmoede zich uit binnen de gemeente Enschede, waarbij wordt gekeken naar de factoren en mechanismen die binnen de gemeente een grote rol spelen.

Zo wordt de context waarbinnen het kinderarmoedebeleid zich afspeelt duidelijk gemaakt. De derde deelvraag gaat in op het kinderarmoedebeleid van de gemeente Enschede. Hier wordt een overzicht gegeven van het huidige kinderarmoedebeleid. Deze wordt vergeleken met de factoren en mechanismen die eerder zijn onderzocht. Als aanvulling hierop worden inzichten gedeeld vanuit verschillende interviews vanuit de gemeente Enschede. Uiteindelijk is er een conclusie getrokken over de te verwachten effecten van het kinderarmoedebeleid. Op basis hiervan zijn verschillende aanbevelingen geformuleerd.

9

1.4 Wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie Afgelopen tijd is er sprake van veel inflatie (CBS, 2025). Dit zorgt ervoor dat het duurder is om in het levensonderhoud te voorzien, vooral als je bij de groep hoort die al lastiger kon rondkomen. Enschede behoort tot de top 3 steden waar kinderen de minste kansen hebben om te stijgen op de sociale ladder (Lam et al., z.d), oftewel, als ze uit een arm gezin komen, dan hebben ze een hogere kans om arm te blijven. Het is dus lastig om deze intergenerationele armoedecirkel te doorbreken als je uit Enschede komt. De gemeente zet zich in om de kansen van deze kinderen te vergroten. Daarom heeft dit onderzoek het kinderarmoedebeleid vergeleken met welke factoren en mechanismen volgens de wetenschap belangrijk zijn om op in te zetten om kinderarmoede te verminderen. De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek ligt in het toetsen van de bruikbaarheid van het beleidswetenschappelijke analysekader voor het reconstrueren van de beleidstheorie en het toetsen van de veronderstellingen hierin op grond van een reconstructie van het veldproces. Zo is er inzicht gegeven in de effectiviteit en legitimiteit van het huidige kinderarmoedebeleid. Dit heeft geleid tot verschillende conclusies en aanbevelingen.

Hiernaast is het maatschappelijk van belang om kinderarmoede te voorkomen als er wordt gekeken naar het verdrag van de Universele Verklaring van de Rechten van het Kind, het Kinderrechtenverdrag uit 1989 (Cohen, 1989). Als de belangrijkste rechten van een kind worden bestudeerd, dan kan er worden gesteld dat, als er sprake is van kinderarmoede, er niet volledig wordt voldaan aan deze rechten. Hierbij kan worden gedacht aan dat kinderen veel stress ervaren, er niet altijd voldoende voedsel is, ze soms geen veilige thuissituatie hebben, op straat dreigen te komen te staan met hun gezin, en er minder tijd kan worden doorgebracht met hun ouders, doordat deze te druk zijn met werken om rond te komen en problemen op te lossen. In paragraaf 5.2 worden deze verder toegelicht op basis van de analyse in hoofdstuk 4.

10

2. Theorie In dit hoofdstuk wordt er ingegaan op wat er in de wetenschap bekend is over kinderarmoede. Er wordt beschreven wat voor factoren en mechanismen van belang zijn om kinderarmoede te begrijpen en te kunnen bestrijden. Hiernaast wordt een omschrijving gegeven van Nederlands kinderarmoedebeleid en worden er aanknopingspunten voor beleid gegeven. Dit hoofdstuk omschrijft de veldtheorie (de causale factoren en mechanismen) die belangrijk is om later de beleidstheorie, oftewel de achterliggende gedachten van het kinderarmoedebeleid, samen met de interventies, te kunnen bestuderen. In de methodologie wordt een beschrijving gegeven van verschillende belangrijke theorieën over hoe beleid tot stand komt en wat hierbinnen mogelijk is. Deze theorieën zijn bedoeld als achterliggend kader voor het maken van beleid. Daarom zijn deze in de methodologie opgenomen.

2.1 Definitie kinderarmoede Kinderarmoede is een uitgebreid en multidimensionaal probleem. Vranken et al. (2006) definiëren kinderarmoede als volgt: “een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen” (Vranken et al., 2006, p. 31). Vandenbroeck & Van Lancker (2014) voegen hier treffend aan toe dat kinderarmoede gaat om kinderen die in een arm gezin leven, want ze zijn immers afhankelijk van hun ouders. In de huidige wetenschap zijn er verschillende factoren en mechanismen bekend die ingaan op kinderarmoede en armoede over het algemeen. Deze spreiden zich uit over verschillende gebieden, waaronder de invloed van armoede tijdens de zwangerschap en de beginjaren van een kind, intergenerationele armoede, kansenongelijkheid, gezondheid en onderwijs. Zoals Vranken et al. (2006) al benadrukten bestaan er meerdere gebieden waar kinderarmoede voor sociale uitsluiting zorgt. Dit betekent voor dit onderzoek dat geprobeerd is een overzicht te maken van welke grote factoren en mechanismen bijdragen aan kinderarmoede. In de volgende sectie worden verschillende gebieden toegelicht die kinderarmoede kunnen verklaren.

2.2 Intergenerationele armoede Kinderarmoede en chronische (langdurige) armoede zijn met elkaar verbonden. De duur en de timing waarin iemand in zijn leven in armoede verkeert zijn cruciaal als het gaat om de effecten ervan (ChaseLansedale & Brooks-Gunn, 1995; Harper et al., 2003). De overdracht van intergenerationele armoede kan zich bijvoorbeeld uiten in hoe armoede in de familie wordt doorgegeven aan jongere generaties, met name van ouder naar kind (Harper et al, 2003). Het begint al bij de zwangerschap, waarbij de gezondheid van de moeder doorwerkt in de ontwikkeling van het kind (Walker et al., 2011). Verder wordt er ook aandacht geschonken aan hoe het publieke stelsel een bijdrage levert aan het voorkomen van kinderarmoede door via belasting te investeren in bijvoorbeeld educatie van een jongere generatie. Het publieke stelsel wordt gezien als middel om intergenerationele armoede te doorbreken (Harper et al., 2003), maar in de praktijk is het vaak lastig om onderscheid te maken tussen de privé-overdracht en publieke-overdracht. Harper et al. (2003) focussen zich daarom op de combinatie van factoren/processen gerelateerd aan het welzijn van een kind in zijn jeugd, wat ervoor zorgt dat armoede wordt overgedragen.

Hierbij wordt geprobeerd onderscheid te maken tussen de intergenerationele overdracht van armoede en armoede die tijdens het leven van de persoon ontstaat en van invloed is. Harper et al. (2003) noemen verschillende soorten kapitaal die worden doorgegeven: “Wat wordt overgedragen omvat financiële, materiële en omgevingsgoederen (zoals grond, vee, levensonderhoud, materiaal, geld of schulden); menselijk kapitaal (zoals educatie/opleiding, coping strategieën, fysieke gezondheid of ziekte); en houdingen, cultuur en andere kennis en tradities (zoals status, vooroordelen, normen van aanspraak en waardesystemen, 11

overlevingsstrategieën, verwantengroep, politieke toegang). Deze soorten kapitaal kunnen zowel positief zijn (geldmiddelen, positieve ambities) als negatieve (schuldenslavernij, slechte voeding, genderdiscriminatie).” (Harper et al., 2003, p. 536) Deze verschillende factoren zijn van belang om te overwegen tijdens het maken van kinderarmoedebeleid, aangezien in Nederland verschillende culturen door elkaar heen leven. Sommige van deze factoren kunnen via de overheid worden gestuurd, maar niet alles kan in hokjes worden geplaatst. Een aanpak op maat lijkt belangrijk, wat wordt bevestigd door Harper et al. (2003), die aangeven dat de individuele context vaak wordt benadrukt als wordt onderzocht hoe armoede is ontstaan en hoe deze doorbroken kan worden. Volgens Moore (2001) zijn er sociale, economische, politieke en omgevingsfactoren, zoals hierboven genoemd, die zowel de positieve als negatieve kant op kunnen werken. Door ervoor te zorgen dat de nadelige effecten die het kind meekrijgt van deze factoren tijdens het leven worden beperkt of opgelost, net als het voorkomen dat deze aan een nieuwe generatie worden doorgegeven, kan armoede tijdens de levensloop en intergenerationele armoede worden opgelost. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er 2 verschillende vlakken zijn die aandacht vereisen om impact te maken: armoede tijdens de levensloop en intergenerationele armoede.

Verder geeft Moore (2005) aan dat door onderzoek te doen naar chronische armoede en de oorzaken ervan kan worden bepaald wat de relatieve positie is van groepen arme mensen, waardoor er in het beleid prioriteit kan worden gegeven. Er worden belangrijke momenten in het leven omschreven, zoals van school gaan en kinderen krijgen. Deze worden gezien als belangrijke factoren die van invloed zijn op de kwetsbaarheid van deze groepen. Een intergenerationeel perspectief is belangrijk, omdat veel factoren van armoede tijdens de jeugd doorwerken naar hun volwassene leven en volgende generaties. Er wordt aangegeven dat beleidsinterventies voor jongvolwassenen en adolescenten, naast interventies tijdens hun jeugd, cruciaal zijn om een positief verschil te maken voor de lange termijn. Hiernaast spreken Harper et al. (2003) over hoe armoede zich op het individuele level en op microniveau afspeelt en hoe de omgeving eromheen het macroniveau omvat. Een voorbeeld op microniveau kan zijn dat een moeder van een arm gezin op zoek moet gaan naar ondersteuning, omdat haar inkomen niet toereikend is. Hiervoor heeft ze kennis nodig van haar omgeving, moet ze over een drempel kunnen stappen om hulp te vragen en bijvoorbeeld bij de voedselbank eten gaan halen. Voor haar kinderen moet ze ondersteuning aanvragen voor bijvoorbeeld schoolartikelen, kleding, sport of muziekles.

Verder wordt er tegenwoordig veel digitaal aangevraagd, dus digitale geletterdheid, in combinatie met geletterdheid, is nodig om te begrijpen wat er wordt aangeboden. Vanuit het macrolevel moeten stichtingen zoals de voedselbank of kledingbank aandacht besteden aan het bereiken van hun doelgroep, voldoende kunnen voorzien in artikelen, en eventuele culturele of taalbarrières doorbreken. Daarnaast zijn bijvoorbeeld doelstellingen vanuit de overheid, subsidies van stichtingen, onderzoek en beleid bepalend voor verschillende omgevingsfactoren die een rol spelen om kinderarmoede, armoede tijdens de levensloop, en intergenerationele armoede te doorbreken. We kunnen hieruit concluderen dat de familieachtergrond erg belangrijk is om in een welvaartstaat intergenerationele armoede te doorbreken. 2.2.1 Achtergrond: opgroeien in de welvaartstaat Aanvullend op het bovenstaande geven verschillende landen een andere invulling aan het macroniveau. Parolin et al. (2024) hebben onderzoek gedaan naar intergenerationele armoede binnen vijf welvarende landen: Amerika, Australië, Denemarken, Duitsland en Engeland. Als er wordt gekeken naar het verschil in percentages tussen een kind dat zijn hele jeugd in armoede heeft geleefd en later ook arm is, of als deze niet opgroeit in armoede en later arm wordt, dan valt Amerika negatief op met 43%.

Dit betekent dat kinderarmoede zorgt voor een 43% hogere gemiddelde armoede score voor (jong)volwassenen in vergelijking met als er geen kinderarmoede zou zijn geweest, oftewel, dit wijst op het percentage kans op intergenerationele armoede. In vergelijking met Denemarken (8%), Duitsland (15%), Engeland (16%), en 12

Australië (21%) stelt het onderzoek dat factoren buiten het gezin om in sommige landen een grotere rol spelen, zoals in Amerika het geval is. Doordat Denemarken een grote welvaartstaat is, worden de effecten van armoede grotendeels beperkt, omdat er veel ondersteunende middelen zijn. De armoede die er nog speelt is dan voornamelijk te verklaren door de familieachtergrond. In Amerika is dit het tegenovergestelde, omdat de familieachtergrond weinig kan betekenen voor het verbeteren van de positie, omdat ze harder hun best moeten doen in een land waar weinig ondersteuning is vanuit de overheid.

2.3 Zeven perspectieven van oorzaken intergenerationele armoede Op basis van figuur 4 van Parolin et al. (2024, p. 259) stelt dit onderzoek een vertaalde versie voor van dit model, wat ingaat op zeven perspectieven die invloed hebben op intergenerationele armoede. Deze perspectieven zijn te zien in Figuur 2. Hierin wordt de educatie van de ouders, het werk van de ouders, of beide ouders aanwezig zijn tijdens de opvoeding, net als de woonwijk als directe invloed gezien op de armoede die een kind ervaart tijdens zijn jeugd. Educatie, werk, en de gezinssamenstelling (van de volwassene uit het gezin) worden gezien als mediatoren die de effecten van kinderarmoede kunnen verminderen om zo armoede op volwassen leeftijd te verminderen. De pijl van armoede tijdens de jeugd naar armoede tijdens het volwassene leven wijst erop dat de armoede uiteindelijk direct invloed heeft op de kansen die iemand heeft in zijn volwassene leven, net als de invloed van de familieachtergrond en plaats waar ze wonen. De pijl die van de kenmerken van de ouders en de woonwijk naar armoede op volwassen leeftijd wijst geeft aan dat ook zonder kinderarmoede de achtergrond bijdraagt aan de kans om als volwassene arm te worden.

Figuur 2: Zeven perspectieven van Intergenerationele armoede, vertaald en gebaseerd op Parolin et al. (2024, p. 259). De verschillend genummerde perspectieven geven het volgende weer: (1) de middelen en investeringen van de familie, (2) de familieachtergrond, (3) de effecten van de woonwijk, (4) het behalen mijlpalen, (5) rendement mijlpalen (6) belastingen en uitkeringen, en (7) een resterende ‘poverty penalty’.

Uit dit model volgen zeven perspectieven die een verklaring geven waarom kinderarmoede doorwerkt tot in de volwassenheid, wat in deze studie is gemeten in de verschillende landen die hierboven zijn genoemd. Perspectief 1, de middelen en investeringen van de familie, gaat in op de economische aspecten als verklaring van armoede. Hierbij kan gedacht worden aan geld voor eten en drinken, de huur van het huis, minder tijd van ouders om aan hun kind te besteden i.v.m. werk, en het betalen van bijles. Perspectief 2, de familieachtergrond, legt uit dat ondanks dat beide gezinnen hetzelfde verdienen, de achtergrond van de ouders, zoals hun educatie, culturele normen en waarden, de opvoedstijl, en de stabiliteit van het gezin invloed hebben op het functioneren van het kind als volwassene en zo de kans op armoede kunnen verhogen of verlagen. Perspectief 3 gaat in op hoe het kan dat waar iemand woont zijn kansen kan bepalen, wat invloed heeft op onder andere de kwaliteit van de scholen, de cultuur in de buurt, en de hulpverlenende instanties. Deze drie perspectieven dragen zowel direct als indirect bij aan de kans op armoede tijdens het volwassen leven. Perspectief 4, het behalen van mijlpalen, en perspectief 5, het 13

uiteindelijke rendement ervan, kunnen samen worden gezien als hoe bepaalde mijlpalen, zoals het behalen van een schooldiploma, werk krijgen, promotie krijgen, een huis kopen en een gezin stichten ervoor kunnen zorgen dat iemand zijn armoedekans daalt of stijgt. Het rendement kan worden gezien als hoe iemand die bijvoorbeeld een mbo- of hbo-diploma behaalt hierdoor een betere baan kan krijgen, maar hiervoor moet deze wel een baan kunnen vinden, wat afhankelijk is van de omgeving. Perspectief 6, belastingen en uitkeringen, licht toe hoe naast de hiervoor toegelichte mediatoren de overheid zelf ook de armoede kan verlichten door middel van een sociaal vangnet, zoals in een welvaartstaat gebeurt. Perspectief 7 gaat over de resterende ‘poverty penalty’, de onderdelen die niet verklaarbaar zijn via dit model van Parolin et al. (2024), omdat niet alles kon worden meegenomen in het model. Dit gaat onder andere over de kwaliteit van de gezondheidszorg, de fysieke en mentale gezondheid, de kwaliteit van de school, kinderopvang, financiële geletterdheid, discriminatie en de cultuur. Deze perspectieven kunnen worden samengevat in vier perspectieven: (1) het perspectief van de familieachtergrond en middelen, (2) het perspectief van de leefomgeving, (3) het perspectief van het benutten van kansen en (4) het perspectief van de rol van de overheidsvoorzieningen.

2.4 Neurologisch mechanisme Tot nu toe is er aandacht besteed aan hoe verschillende factoren en mechanismen intergenerationele armoede mogelijk maken. Deze sectie gaat in op hoe chronische stress op jonge leeftijd invloed heeft op de ontwikkeling van het kind.

Figuur 3: Toxische stress en de invloed op de ontwikkeling van een kind, simpele versie gebaseerd op McEwen & McEwen (2017, p. 449).

Stress is schadelijk voor het lichaam, waarbij chronische stress een extra nadelige invloed heeft, vooral tijdens de jeugd, wat helaas bij veel kwetsbare gezinnen het geval is (McEwen & McEwen, 2017). De achtergrond van het huishouden waarin een kind zich begeeft is van belang, waaronder het inkomen, de educatie van de ouders en de buurt waar iemand woont valt (Guo & Stearns, 2002; Pescosolido et al., 2008; Shanahan et al., 2008). Daarnaast kan extra tegenslag door bijvoorbeeld misbruik, verwaarlozing, en een chaotisch huishouden meer stress veroorzaken (Miller et al., 2009). Als deze hevige stress lang duurt en niet kan worden weggenomen of verlicht door een sterk sociaal vangnet, dan kan deze leiden tot een vorm van chronische stress, wat toxische stress heet. Deze type stress is schadelijk voor de ontwikkeling van het brein en lichaam (Boyce et al, 2012). Dit uit zich onder andere in vatbaarheid voor ziekten, mentale problemen, gedragsproblemen, problemen met het zelfregulerend vermogen, en cognitieve problemen, wat weer invloed heeft op hun geschiktheid voor school, (latere) schoolprestaties, en het functioneren op hun werk (Duncan et al., 2010; Landecker & Panofski, 2013; Shonkhoff, 2012).

In Figuur 3 is het bovenstaande weergegeven in een schema, wat gebaseerd is op een ingewikkelder figuur wat grondiger ingaat op het brein, wat voor dit onderzoek overbodig complex is (McEwen & McEwen, 2017, p. 449). Berger (2011) en Ursache et al. (2012) geven aan dat zelfregulerende capaciteiten bestaan uit onder andere:

14

“...aandachtsspanne, doorzettingsvermogen, een beloning kunnen uitstellen om er meer voor terug te kunnen krijgen (delayed gratification), het kortetermijngeheugen, en de capaciteit om informatie uit het brein op te halen voor het oplossen van een probleem of een doel te bereiken.” (McEwen & McEwen, 2017, p. 452) Onder cognitieve prestaties wordt door Farah et al. (2006) verstaan hoe goed de hersengebieden (samen)werken voor bijvoorbeeld “de taalvaardigheid, het werkgeheugen, de verwerking van beloningen, en ruimtelijk inzicht” (McEwen & McEwen, 2017, p. 452). Toch kan de uitwerking hiervan deels worden voorkomen door de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg en steun vanuit de sociale netwerken, oftewel, een sociaal vangnet: een solide en warme basis zijn waar een kind zich in kan ontwikkelen door onder andere goede zorg van de ouders en de familie, net als het hebben van behulpzame buren en steun vanuit de omgeving (McEwen & McEwen, 2017). Dit netwerk kan echter ook een slechtere basis zijn, waarbij het kind zijn stress niet kan verlichten en zo negatieve gevolgen ontwikkelt. Ondanks dat er veel schade kan worden gedaan aan het brein en lichaam, kan deze bij jonge kinderen deels of volledig worden omgekeerd, want de hersenen zijn nog flexibel (neuroplasticiteit).

McEwen & McEwen (2017) benadrukken bijvoorbeeld hoe sociale interventies en relaties, zoals de band tussen de moeder en haar kind, sociale ondersteuningsnetwerken, en stelselmatig goede kinderopvang de invloed van stress kunnen verminderen. Saitadze & Lalayants (2021) benadrukken dat door positief opvoeden (‘positive parenting’) en een woonomgeving waarin veel cognitieve stimulatie is voor een kind (bijvoorbeeld het kunnen knutselen, rekenen, lezen en ander educatief materiaal) de effecten van het leven in armoede worden verminderd. In conclusie, het sociale vangnet is erg belangrijk om de effecten van stress te verlichten en/of te voorkomen. Juist omdat kinderen nog flexibel zijn is dit erg waardevolle informatie om zo de kansen in hun latere leven te vergroten. Indirect kan dit ook worden gekoppeld aan overheidsinterventies zoals buurthuizen, gezondheidszorg, psychologen, en financiële support. Dit wordt echter niet expliciet benoemd in het artikel.

2.5 De dynamiek op school Een aanvulling op deze informatie is het Pygmalion-effect wat zich binnen de klas afspeelt (Rosenthal & Jacobson, 1968). Dit is een theorie die voortbouwt op de selffulfilling prophecy (zelfvervullende voorspelling) (Merton, 1948), waarbij de verwachtingen van een normaal niet voorkomende uitkomst ertoe leidt dat deze uitkomt door middel van de verandering van het gedrag. Rosenthal & Jacobson (1968) deden een onderzoek op een basisschool waarbij ze een psychologische test hadden gedaan bij kinderen en daarbij de uitkomsten hadden vervalst, waardoor er een groep was die het laatbloeier-label kreeg. Dit was doorgegeven aan de leraren, die op basis van deze valse informatie hun gedrag subtiel aanpasten, wat ervoor zorgden dat de ‘laatbloeiers’ daadwerkelijk betere vooruitgang lieten zien dan de groep die dit label niet kreeg. Voortbouwend onderzoek op het effect geeft aan dat dit te maken heeft met vier factoren (Harris & Rosenthal, 1986): (1) een warm klimaat wordt gecreëerd door de leraren, bijvoorbeeld de non-verbale uitstraling en positieve opmerkingen van de leraar, wat wordt gevoeld door het kind. (2) De input-factor, waarbij de laatbloeiers onder andere meer aandacht en meer uitdaging krijgen. (3) De mate waarin het kind de gelegenheid krijgt om antwoord te geven.

(4) De feedback-factor, waarbij de laatbloeiers meer positieve feedback te horen krijgen bij een goed antwoord dan de andere groep. Als er een fout antwoord wordt gegeven, dan wordt deze op een constructieve manier verduidelijkt door de leraar, waarbij deze meer tijd wil besteden aan deze groep vergeleken de andere groep. Het Pygmalion-effect is een positieve selffulfilling prophecy, waarbij een gerelateerde theorie ingaat op hoe lagere verwachtingen leiden tot een 15

slechtere uitkomt, wat het Golem-effect wordt genoemd (Babad et al., 1982). Ondanks dat het Pygmalioneffect zich afspeelt in de klas, kan dit samen met de selffulfilling prophecy ook worden verplaatst naar de rol van de ouders en omgeving voor de ontwikkeling van het kind. Als het kind opgroeit en geprezen wordt bij goede prestaties en geholpen en ondersteund wordt bij minder goede, dan krijgt deze meer kans om te slagen en zich te ontwikkelen.

2.6 Nederlands kinderarmoedebeleid Als er naar kinderarmoede wordt gekeken vanuit Nederlands beleid zijn er 3 grote visies te vinden. Hier wordt een korte samenvatting gegeven. Er wordt gebruik gemaakt van bronnen die ingaan op de Nederlandse context, want de wetenschappelijke theorie legt de nadruk soms net anders. Er is overlap met de theorie. Echter, deze bronnen zijn meer gebaseerd op Nederlandse casestudies, data vanuit het Nederlands Jeugdinstituut en handreikingen. Bij intergenerationele armoede is er sprake van een vicieuze cirkel, waarbij een kind dat in een arm gezin wordt geboren minder kansen heeft in het leven dan iemand uit een rijker gezin. Hierdoor heeft deze meer kans op armoede in zijn verdere leven (Van Lanen et al., 2023). Er kan sprake zijn van langdurige armoede, wat bijvoorbeeld door ziekte, jong moederschap, scheidingen en schulden kan ontstaan en zich vervolgens doorzet. De geldzorgen veroorzaken veel stress binnen het gezin, wat invloed heeft op de ontwikkeling van het kind (NJi, z.d.; Kalthoff & Nederlands Jeugdinstituut, 2018; Van Lanen et al., 2023). Er is bijvoorbeeld een gevoel van onveiligheid, ongezonder eten, minder hulp bij het huiswerk, uitsluiting van uitjes, en schaamte (NJi, z.d.; NJi, 2024).

Als er wordt gekeken naar armoede als een scholingsprobleem, dan gaat het over de ontwikkeling van het kind, niet alleen op school, maar ook buiten school, zowel intellectueel als sociaal (NJi, z.d.). Voordat kinderen beginnen in groep 1 zijn er bijvoorbeeld al een aantal kinderen die achterstand hebben opgelopen doordat hun ouders arm zijn en in moeilijke situaties verkeren, waardoor er bijvoorbeeld minder tijd is voor hun kind, wat de ontwikkeling beperkt (Kalthoff & Nederlands Jeugdinstituut, 2018). Kinderen uit een arm gezin maken ook meer kans op een minder voorspoedige schoolcarrière dan kinderen uit een rijker gezin. Verder is er minder geld om kinderen sport- of muziekles te geven, net als verrijkende schooluitjes (Kalthoff & Nederlands Jeugdinstituut, 2018). Kansenongelijkheid heeft bijvoorbeeld te maken met de buurt waarin iemand opgroeit, net als het inkomen van de ouders, de culturele achtergrond, of de ouders uit het buitenland komen of niet en hun beheersing van de Nederlandse taal (Lam et al., z.d.; NJi, z.d.). Hierbuiten kan worden gedacht aan wat de gemeente aan ondersteuning kan bieden, aangezien dit per gemeente kan verschillen. Dit is onder andere terug te zien in de kansenkaart (Lam et al., z.d.).

Sommige gemeenten en zelfs postcodegebieden scoren aanzienlijk slechter op de kansenkaart als het bijvoorbeeld gaat om de kans om een huis te kunnen kopen, in de jeugdzorg terecht te komen, een laag uurloon te krijgen, te voldoen aan een goed niveau van taalvaardigheid of rekenvaardigheid, en om als eindadvies havo te hebben of als startkwalificatie een hboopleiding of hoger te hebben (Lam et al., z.d.). 2.6.1 Factoren en mechanismen in Nederland Onderzoek vanuit het CBS door Beiro & Kromhout (2024) laat verschillende factoren zien die samenhangen met kansenongelijkheid van schoolgaande kinderen. Hier worden factoren genoemd vanuit de thuissituatie, zoals het hoogst behaalde onderwijs van de ouders/verzorgers, het huishoudinkomen en recente arbeidsverleden, de herkomst, en stabiliteit van de gezinssituatie (Beiro & Kromhout, 2024). Ook worden factoren benoemd die zich buiten de thuissituatie afspelen, zoals de woonomgeving en de kwaliteit van onderwijs. Deze factoren kunnen op verschillende manieren worden ingevuld door personen en scheppen daarmee verschillende contexten waarin bepaalde mechanismen zich in grotere of kleinere mate afspelen. 16

Visser (2019) benoemt mechanismen die een rol spelen bij intergenerationele armoede op macro-, meso-, en microniveau. Op macroniveau bestaan er invloeden zoals een economische crisis, natuurrampen, of modernisering door AI. Op mesoniveau zijn er bijvoorbeeld groepen mensen met een bepaalde cultuur waar stigmatisering optreedt, wat daarmee van invloed is op de kansen die een groep krijgt op de arbeidsmarkt. Op microniveau zijn er mechanismen binnen de gezinssituatie en het individu, bijvoorbeeld coping strategieën, wat een verklaring is hoe stress wel of niet invloed krijgt op het gezin en op het kind door actie of geen actie te nemen om de stress te beheersen. Een voorbeeld van hoe factoren en mechanismen samenhangen staat in de handreikingen van Kassenberg & Lusse (2022). Kinderarmoede heeft verschillende gevolgen voor het kind, zoals stress, minder mentale ruimte voor leren, een lager schooladvies, gezondheidsproblemen, schaamte en niet mee kunnen doen aan activiteiten op school en in de vrije tijd. Deze gevolgen ontstaan door onderliggende mechanismen, zoals financiële stress van ouders, tijdgebrek voor ondersteuning van het kind, sociale uitsluiting, gezondheidsproblemen door schaamte en stress door ontoereikende overheidsondersteuning.

De factoren die deze mechanismen versterken of verzwakken zijn onder andere de wijk waar het gezin woont, het inkomen van de ouders, en de stabiliteit van de gezinssituatie. Uiteindelijk valt te concluderen dat de Nederlandse zienswijze aansluit op de voorgaande factoren en mechanismen. Deze spelen zich af binnen dezelfde categorieën: sociale, economische, politieke, omgevings- en biologische factoren.

2.7 Aanknopingspunten voor beleid Uit de bovenstaande analyse zijn verschillende perspectieven, factoren en mechanismen gekomen die richting kunnen geven aan beleidsinterventies. Er kan worden afgeleid dat de omgeving en het sociale vangnet een grote rol speelt bij de verwerking van stress in het lichaam. Hierbij wordt de nadruk gelegd op tegenslagen die een kind krijgt door de familiesituatie en eventuele mishandeling, verwaarlozing en chaos in huis. Voor beleid betekent dit dat er moet worden ingezet op de beginjaren van een kind, de thuissituatie, het voorkomen van sociaal isolement en het uitbreiden van het sociale vangnet, gecombineerd met gerichte en adequate hulpverlenende middelen. Daarnaast moet de gezondheid van het kind worden gevolgd, aangezien deze veel nadelige effecten kan ondervinden van veel stress. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2025) heeft in 2018 een actieprogramma gestart genaamd ‘Kansrijke Start’. Hierbij wordt bijvoorbeeld aangegeven dat 1 op de 6 kinderen in Nederland “een minder goede start [maakt] door bijvoorbeeld vroeggeboorte/laag geboortegewicht en blootstaan aan medische of sociale risicofactoren zoals stress, rook, slechte voeding of gebrek aan liefdevolle aandacht” (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2025).

Deze aanpak richt zich op 10 maanden voor de geboorte tot 2 jaar, waarbij kwetsbare ouders worden ondersteund, zodat de negatieve impact op de kinderen zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit wordt gedaan door ondersteuning vanuit het medische en sociale domein, naast het informele netwerk. Omdat Nederland een welvaartstaat is kan de overheid veel negatieve gevolgen van kinderarmoede voorkomen door middel van beleidsinterventies, belasting en uitkeringen. De familieachtergrond wordt daarom belangrijker (Parolin et al., 2024). Educatie, werk en de gezinssamenstelling zijn belangrijk om armoede tegen te gaan. Door educatie vergroot iemand zijn kansen om een baan te vinden, waarmee deze zijn gezin kan onderhouden. De gezinssamenstelling, zoals of iemand kinderen krijgt, hoeveel kinderen, en of beide partners aanwezig zijn, kan daarbij bepalend zijn voor hoeveel geld er nodig is voor onderhoud, de steun die vanuit de overheid wordt gegeven en de stabiliteit en het stressniveau binnen het gezin. Als deze persoon weer in armoede verkeert als volwassene is de cirkel rond. Voor het beleid betekent dit dat iemand wederom een goede kans moet krijgen om een opleiding te kunnen volgen, met daarbij voldoende ondersteuning (Instellingen voor kinderopvang, onderwijs & de gemeente Enschede, 2023).

Daarnaast is een ontwikkelingstraject als ondersteuning om bijvoorbeeld een passende baan te vinden of een vervolgopleiding succesvol te kunnen afronden iets wat als een meerjarig traject kan worden 17

opgestart (Instellingen voor kinderopvang, onderwijs & de gemeente Enschede, 2023). Aansluitend hierop is het behalen van bepaalde mijlpalen een belangrijke indicator voor iemands toekomstige positie. Deze mijlpalen kunnen zowel positief zijn, zoals het behalen van diploma’s, een huis huren of kopen en naar een andere buurt verhuizen, als negatief, zoals zwangerschap als tiener of jongvolwassene, school vroegtijdig verlaten, en in het criminele circuit komen. Een voorbeeld hoe hierop wordt ingezet kan worden gezien bij De Gelijke Kansen Alliantie, georganiseerd vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2023). Deze zet in op kansengelijkheid op het gebied van scholing, thuis en de leefomgeving door gebruik te maken van een netwerk van scholen, gemeenten en maatschappelijke partners. Ze leveren bijvoorbeeld brugfunctionarissen op scholen, helpen gemeenten om interventies te bedenken en verbinden hulpverlenende organisaties die zich inzetten op verschillende gebieden, waaronder extra onderwijs, mentoring en coaching, taalbevordering, soepele overgangen, sport en cultuur, ouderbetrokkenheid, professionalisering, armoede en gezondheid, non-cognitieve vaardigheden, en loopbaanleren (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2024).

Aansluitend hierop zijn er als kind bepaalde effecten die zich binnen het educatieve systeem afspelen die bepalend kunnen zijn voor de vooruitgang, zoals het eerder benoemde Pygmalion-effect (Rosenthal & Jacobson, 1969). De dynamiek in de klas en daarmee de ondersteunende rollen van leraren en mentoren die bepaalde vooroordelen hebben kunnen schadelijk zijn, maar ook positief werken. Voor beleid betekent dit dat er binnen scholen aandacht nodig is voor hoe leraren omgaan met kinderen uit arme gezinnen en hoe door positieve behandeling deze meer kansen krijgen op een succesvolle educatie. In Nederland speelt het eindadvies vanuit groep 8 een belangrijke rol om het opleidingsniveau te bepalen. Echter, sommige middelbare scholen verzetten zich hiertegen door niet te kijken naar het basisschooladvies vanwege het Pygmalion-effect (Van den Hurk, 2020). Hiernaast is er onder andere vanuit de WOA (Werkplaats Onderwijsonderzoek Amsterdam) en NRO (Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek) een handreiking opgesteld genaamd ‘Lesgeven vanuit Hoge Verwachtingen’, die docenten een manier geeft om les te geven op basis van het Pygmalion-effect, wat ervoor zorgt dat de kinderen betere prestaties laten zien (Gaikhorst et al., 2022).

18

3. Methodologie In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het onderzoeksontwerp, de steekproefstrategie, de datacollectie methodes, de analyse, de conceptualisatie, het operationaliseren van de variabelen, de validiteit en betrouwbaarheid en de ethische verantwoording.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=4d450a37-7ee7-48b6-b1bd-644210a42b00