Joan Coststraat_Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
worden de woningen voorzien van groene daken.
Circulaire economie Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen en bedrijven voor de verwerking van afval.
Biodiversiteit Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren.
Overige actiepunten Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet of hooguit indirect van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
23
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.
5.1
Milieu
In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. 5.1.1
Milieueffectrapportage
Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. 2. 3. 4.
het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.
Toetsing bestemmingsplan "Joan Coststraat" aan het Besluit m.e.r. Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel de ontwikkeling van 16 woningen mogelijk te maken in het plangebied. Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. 5.1.2
Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar.
Milieuhinder van bestaande bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied voor woningen in het plangebied
24
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
Van bestaande functies en bedrijven rond het plangebied, is door middel van nader onderzoek beoordeeld of de feitelijke (bedrijfs)activiteiten een knelpunt opleveren voor een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Door Arcadis is op 2 maart 2022 een memo opgesteld met kenmerk D10051407:0 inzake de milieuzonering in en direct rondom het plangebied. Deze memo is als bijlage bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan gevoegd. In deze memo wordt geconcludeerd dat het plangebied alleen binnen de richtafstand ligt van een textielbedrijf. Op een kortere afstand dan het plangebied zijn echter al woningen in de omgeving van het textielbedrijf gelegen. Die woningen zijn maatgevend voor het bedrijf. Aangezien bij die woningen al aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit dient te worden voldaan (bij een gemengd gebied is dat 50/45/40 dB(A), respectievelijk in de dag-, avond- en nachtperiode), zou het bedrijf geen milieuhinder op moeten leveren voor de woningbouwontwikkeling. Het textielbedrijf moet niet alleen voldoen aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, maar ook aan de regels voor geur, stof en gevaar uit het Activiteitenbesluit. Hiermee worden de woningen in het plangebied voldoende beschermd tegen eventuele milieuhinder van het textielbedrijf.
Milieuhinder van nieuwe bedrijfsactiviteiten in het plangebied In het plangebied wordt ook een opslagruimte mogelijk gemaakt voor statische opslag. Daarbij gaat het om stalling van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven. De VNG-lijst met bedrijfstypen (bijlage 1 bij de regels van het voorliggende bestemmingsplan) kent als het gaat om de opslagfunctie alleen SBI 2008 52109 -Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte). Het gaat daarbij om een bedrijfstype van milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Bij dergelijke bedrijven gaat het onder andere om opslaggebouwen voor particuliere opslag waar meerdere mensen gebruik kunnen maken van kleine opslagunits. Als gevolg daarvan vindt er bij dat bedrijfstype mogelijk regelmatige verplaatsing van goederen met de bijbehorende verkeersbewegingen plaats. Dat is bij statische opslag als bedoeld in dit bestemmingsplan niet het geval. Daarbij is sprake van minder verplaatsing van goederen en ook minder verkeersbewegingen. Daarom wordt statische opslag beschouwd als een bedrijfstype als bedoeld in milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. De genoemde richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Het plangebied betreft echter geen zuiver woongebied, maar een gemengd gebied.
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging (zoals een mix van wonen met andere functies als winkels, horeca en bedrijven. In de directe omgeving van het plangebied liggen, naast wonen, ook bestemmingen als Bedrijf, Bedrijf - Garage, Gemengd en Kantoor. Als er sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Uitzondering hiervoor is de afstand voor het aspect gevaar die niet verlaagd kan worden indien er sprake is van een gemengd gebied. Dit heeft te maken met het feit dat voor activiteiten waarbij gevaar maatgevend is voor de richtafstanden vaak ook specifieke regelgeving (zoals het Bevi, het Vuurwerkbesluit of een stof als vermeld in de publicatiereeks gevaarlijke stoffen(PGS)) van toepassing is. Echter ook bij een beperkt aantal activiteiten vermeld in de VNG-lijst is gevaar bij de bepaling van de richtafstanden het maatgevende aspect zonder dat dit samenhangt met het (mogelijk) van toepassing zijn van het BEVI, het Vuurwerkbesluit of een PGS). Het gaat daarbij o.a. om kerncentrales, munitiegroothandels of de opslag van gevaarlijke stoffen. Het verlagen van deze afstand kan alleen indien in de regels een BEVI-inrichting, opslag van vuurwerk en alle opslagen van gevaarlijke stoffen uitgesloten worden. Dit is in het voorliggende bestemmingsplan het geval in de regels.
Daarom kan als richtafstand voor het aspect gevaar bij de statische opslag ook 0 meter worden gehanteerd. Hierdoor kan de statische opslag weliswaar worden beschouwd als milieucategorie 1, maar desondanks toch een richtafstand hebben van 0 meter. Aan die afstand wordt aan alle zijden van de opslagruimte voldaan.
Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.3
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
25
worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.
Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan "Joan Coststraat" Het plangebied heeft nu de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Maatschappelijk'. Hier heeft bedrijvigheid plaatsgevonden. Op dit moment is het plangebied leeg en bestaat het uit braakliggend terrein. Voor de realisatie van de woningen, krijgt het plangebied een gevoeligere bestemming. Bodemonderzoek moet uitwijzen of de bodem geschikt is voor deze gevoeligere bestemming. Op 17 augustus 2021 is een bodemonderzoek uitgevoerd door Lievense Milieu met kenmerk SOL012710.RAP002. Een rapportage van dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan gevoegd. Er was een aanvulling op dit onderzoek noodzakelijk. Die aanvulling d.d. 15 december 2021 met kenmerk SOL012710.BRF001 is als bijlage 7 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan gevoegd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygïenisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Bij graafwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de puinhoudende laag. Te zien aan de gradatie puin/zand is deze laag, in termen van afvoer van materiaal, te beschouwen als afval. Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat het materiaal uit deze laag wordt afgevoerd naar een erkend verwerker.
Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.1.4
Wet geluidhinder
In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidsgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. Het plangebied is gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de Boddenkampsingel, Boddenkampstraat, Hengelosestraat en Joan Coststraat. Voor de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Boddenkampsingel en de Hengelosestraat geldt op grond van de Wet geluidhinder een onderzoeksverplichting. Voor de overige wegen geldt geen onderzoeksverplichting op grond van de Wet geluidhinder omdat het 30 km-wegen betreft.
Ondanks dat op 30 km-wegen de Wet geluidhinder niet van toepassing is moet op grond van uitspraken van de Raad van State bij een ruimtelijke procedure wel aandacht worden besteed aan de geluidsbelasting vanwege 30 km-wegen. Railverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai zijn voor het plangebied niet relevant. Wegverkeerslawaai Wettelijk kader In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat zich aan weerszijden van een weg een zone bevindt. De breedte van
26
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur. Volgens artikel 76a/77 van de Wgh moet bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan of een projectbesluit, waarin nieuwe woningen of andere geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, binnen onderzoekszones van wegen, als bedoeld in artikel 74 van de Wgh, akoestisch onderzoek worden verricht. De binnen het plangebied te realiseren woningen zijn gelegen in stedelijk gebied binnen de zone van bestaande wegen. Op woningen bedraagt de voorkeurswaarde 48 dB (artikel 82, eerste lid Wgh). Indien deze waarde wordt overschreden kan onder voorwaarden een hogere waarde worden verleend tot ten hoogste 63 dB (artikel 83, tweede lid Wgh). Voor vervangende woningen bedraagt de ten hoogste vast te stellen hogere waarde 68 dB (artikel 83, vijfde lid Wgh).
Het vaststellen van een hogere waarde is pas mogelijk indien aangetoond wordt dat maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen bij de ontvanger) om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doeltreffend zijn (bezwaren stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard), en voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Geluidnota Enschede (verder Geluidnota). De Geluidnota is op 3 april 2018 door Burgemeester en Wethouders (gedeeltelijk herzien) vastgesteld. Bij de beoordeling van het geluid van 30 km-wegen wordt aangesloten bij de grenswaarden en systematiek van de Wet geluidhinder en het hogere waarde beleid uit de Geluidnota. Akoestisch onderzoek Om de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai in beeld te brengen is door Arcadis een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport “Woningbouw Joan Coststraat Enschede, akoestisch onderzoek verkeerslawaai, Slokker Vastgoed; referentie D10053816:21; d.d. 28 april 2022”. Het rapport is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Resultaten akoestisch onderzoek Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Boddenkampsingel en de Hengelosestraat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh) wordt voldaan.
Vanwege het wegverkeer op de 30 km-wegen (Boddenkampstraat en Joan Coststraat) wordt eveneens aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. De cumulatieve geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de verschillende wegen bedraagt ten hoogste 54 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh). In het Bouwbesluit is voor de gevelwering van woningen een minimale eis van 20 dB opgenomen. Uitgaande van de minimale eis voor de gevelwering zal het binnenniveau in de woningen ten hoogste 34 dB bedragen. Daarmee wordt met de minimale eis van 20 dB voor de gevelwering net niet voldaan aan de nieuwbouweis van 33 dB voor het binnenniveau uit het Bouwbesluit en de Geluidnota. Het betreft hier nieuwbouwwoningen. Van nieuwbouwwoningen is de gevelwering ruimschoots hoger dan de minimale eis van 20 dB uit het Bouwbesluit. Aan de nieuwbouweis van 33 dB voor het binnenniveau zal dan ook ruimschoots worden voldaan. Aanvullende geluidwerende voorzieningen zijn niet noodzakelijk. Conclusie wegverkeerslawaai Op de te realiseren woningen wordt vanwege wegverkeerslawaai voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De cumulatieve geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai is zodanig dat geen aanvullende geluidwerende voorzieningen noodzakelijk zijn om een binnenniveau van 33 dB in de woningen te garanderen.
Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" is gelegen buiten de onderzoekszone van de spoorlijn Enschede-Hengelo. Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" is niet gelegen in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het bestemmingsplan niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
27
Luchtvaartlawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" is niet gelegen in de nabijheid van het (voormalige) vliegveld Twente en ook niet gelegen binnen de geluidszone van het vliegveld.
Conclusie Wet geluidhinder Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.5
Luchtkwaliteit
Het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen is geregeld in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wm en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a.
er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
b.
een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
c.
een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
d. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Luchtkwaliteit en het plangebied “Joan Coststraat” Met het bestemmingsplan worden 16 woningen, 150 m2 bedrijfs-/opslagruimte en naastgelegen parkeervoorziening mogelijk gemaakt. De woningen en bedrijfs-/opslagruimte worden niet aangesloten op het gasnet. Tevens wordt met het bestemmingsplan het feitelijke gebruik van de noordoosthoek van het plan vastgelegd. Het feitelijk gebruik betreft het bestemmen van de buitenruimte van een wooncomplex als wonen (zonder bouwvlak) en het bestemmen van 9 parkeervakken. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 woningen als niet in betekenende mate zijn aan te merken. Het aantal van 16 woningen voldoet hier ruimschoots aan. Naast de woningen worden ook een bedrijfs-/opslagruimte en parkeervoorziening mogelijk gemaakt. Voor de luchtkwaliteit zijn uitsluitend de verkeersbewegingen relevant. Het aantal verkeersbewegingen is gezien de omvang van de bedrijfs-/opslagruimte en parkeervoorziening zeer beperkt. Het aantal verkeersbewegingen van de bedrijfs-/opslagruimte en parkeervoorziening en die van de 16 woningen zal ruimschoots lager zijn dan van 1.500 woningen die als niet in betekenende mate worden aangemerkt.
Het plan kan daarmee gezien worden als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2021 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Conclusie luchtkwaliteit Uit het oogpunt van luchtkwaliteit (art 5.16 WM, lid 1 onder b) ligt er geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
28
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
5.1.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.
Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.
Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water zijn de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen het wettelijk kader. Momenteel is nieuwe weten regelgeving in voorbereiding voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.
Basisnet Weg Binnen het plangebied of in de directe nabijheid van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" is geen weg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg.
Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water.
Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Joan Coststraat" of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
29
spoor.
Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen risicocontouren kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding.
Toename verhard oppervlak In de 'oorspronkelijke situatie' was het terrein grotendeels verhard, vandaar dat de waterbergingsopgave voor het bestemmingsplan 20 mm bedraagt. In de huidige situatie ligt het terrein braak. De hoeveelheid verhard oppervlak in de Joan Coststraat neemt toe, met een totale hoeveelheid van 2901 vierkante meter. Het gebied zal in de nieuwe situatie grotendeels bebouwd worden. Door waterberging op nieuwe bebouwing te realiseren wordt versnelde afvoer van regenwater tegengegaan. Deze waterberging wordt gerealiseerd op een deel van de daken en onder de weg.
Hemelwaterafvoer Hemelwater op de particuliere en openbare terreinverharding wordt opgevangen en minimaal 20 mm hiervan wordt geborgen. De woonontwikkeling zorgt voor een toename aan verharding en daarmee zonder maatregelen voor een versnelde afvoer van hemelwater. Het hemelwater dient gebufferd te worden en moet zoveel mogelijk infiltreren. De vereiste berging aan de hand van de toename in verhard oppervlak bedraagt 74,3 m3. 16,3 m3 van deze berging wordt gerealiseerd in vegetatiedaken. De resterende benodigde berging van 58 m3 wordt gerealiseerd door middel van een DIT-riool in combinatie met grindkoffer onder de rijbaan. Overtollig regenwater (>20 mm) afkomstig van de percelen en het openbaar terrein voert tijdelijk af via een gemengd stelsel in de Joan Coststraat. Na de herinrichting van de Joan Coststraat wordt overtollig regenwater afgevoerd naar een hemelwatersysteem in de Joan Coststraat.
Afvalwaterafvoer Afvalwater wordt aangesloten op het gemengd rioolsysteem in de Joan Coststraat.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De plannen voorzien op dit moment niet in het realiseren van oppervlaktewater.
Grondwater en ontwatering De gemiddelde hoogste grondwaterstand in het plangebied ligt naar verwachting op circa NAP +36,5 m. De vereiste ontwateringsdiepte van woonstraten is 70 cm, wat een minimaal wegpeil levert van NAP +37,2 m. Het minimale hoogteverschil tussen vloerpeil en wegpeil (as-rijbaan) bedraagt 20 cm (voorkeur 30 cm), wat leidt tot een vloerpeil van minimaal NAP+37,4 m. Een gedeelte van het plangebied ligt onder deze hoogtes, bij het bouwrijp maken zal lokaal en in beperkte mate worden opgehoogd. De weg in het plangebied sluit twee keer aan op de Joan Coststraat. Bij de noordwestelijke ontsluiting is het wegniveau het laagst, waardoor de ontwateringsdiepte hier slechts 40 cm zou zijn en niet voldoen aan de eis van 70 cm. Ophogen van de Joan Coststraat is geen mogelijkheid gezien de bestaande te behouden infrastructuur. Alleen het toepassen van drainage om de hoge grondwaterstanden af te toppen zou hier
30
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
helpen. In de natte periodes van het jaar liggen de grondwaterstanden relatief dicht aan het maaiveld (0,40 tot 0,90 m-mv). Dit beperkt de mogelijkheden om berging in de ondergrond te realiseren. Gedurende de natte periodes zal het DIT-riool drainerend werken en de grondwaterstandpieken aftoppen. In droge perioden zal het DIT-riool infiltrerend werken en het grondwater aanvullen.
Afwatering Hemelwater op het perceel wordt deels opgevangen in een vegetatiedak. Het overtollig hemelwater wordt op de perceelsgrens bovengronds aangeboden. Hemelwater op de openbare ruimte voert af via kolken naar het DT-riool. Vanuit het DT-riool wordt de grindkoffer gevuld. Bij gevuld systeem of bij hevige neerslag treedt een overloop in werking naar het riool in de Joan Coststraat. In eerste instantie is het ontvangend riool een gemengd riool. Bij de herinrichting van de Joan Coststraat zal de overloop aangesloten worden op een door gemeente aangelegd hemelwatersysteem. Wanneer de berging vol staat bij hoge grondwaterstanden dient de overloop voldoende te kunnen afvoeren en mag er geen water op straat ontstaan. Bij een overbelast systeem zal het water oppervlakkig via de goot in het wegprofiel afvoeren naar de Joan Coststraat. De benodigde vloerpeilen levert hoger gelegen woonkavels dan de aangrenzende percelen. Het regenwater dat valt op de woonkavels (achtertuinen) mag in geen geval afvoeren naar deze aangrenzende bestaande percelen. Voorzieningen op eigen terrein om het regenwater van de woonkavel op te vangen (bergen+infiltratie) en bovengronds af te voeren op de openbare weg dient als eis opgenomen te worden in het kavelpaspoort.
De voorzieningen moeten bij de aanvraag van de bouwvergunning zijn uitgewerkt, zodanig dat aantoonbaar is gemaakt dat wateroverlast op de woonkavel en daarbuiten niet kan optreden. Waterhuishouding- en rioleringsplan Aanvullend op bovenstaande is het Waterhuishouding- en rioleringsplan woonontwikkeling Joan Coststraat, Enschede opgesteld. Dit plan is als bijlage 9 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan gevoegd. Op basis van het plan kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding conform waterhuishoudkundig plan geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Joan Coststraat” Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding conform waterhuishoudkundig plan geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3
Natuur
5.3.1
Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
31
Beschermde natuurgebieden en het plangebied “Joan Coststraat” Het plangebied ligt ten noorden van het centrum van Enschede. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden zijn Lonnekermeer op ca. 5,5 km ten noorden van het plangebied en Aamsveen op ca. 5,7 km ten zuiden van het plangebied. De voor deze gebieden aangewezen habitattypen en habitats van soorten zijn allen gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Andere Natura 2000 gebieden in de omgeving zijn gelegen op meer dan 6 kilometer afstand van het plangebied. Andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie Eventuele negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden als gevolg van andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kunnen op voorhand worden uitgesloten. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied. Voor andere verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kan een nadere toetsing aan hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming achterwege blijven. Stikstofdepositie In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is door RHO Adviseurs een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd.
In het onderzoek is de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase bepaald. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de memo “Stikstofemissie en depositie; project Enschede – Joan Coststraat; kenmerk 20211809; d.d. 25 april 2022”. De memo is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Conclusie Wet natuurbesscherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het voorliggende plan geen significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden zal hebben en daarmee in overeenstemming is met het bepaalde in de Wet natuurbescherming voor wat betreft het hoofdstuk Gebiedsbescherming. 5.3.2
Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten
In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.
Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.
Beschermde soorten en het plangebied “Joan Coststraat” Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een 16 woningen en een opslagruimte te realiseren op een braakliggend terrein in de kern van Enschede. In het plangebied staat een aantal bomen en is begroeiing aanwezig. Het terrein ligt al enige tijd braak. Onderzoek zal moeten aantonen of er beschermde dier- en plantsoorten te verwachten zijn in het plangebied. Als bijlage 11 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is een quickscan natuurtoets en bomeninspectie gevoegd van Ecogroen (d.d. 28 januari 2022, kenmerk
32
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
21-673). In deze quickscan wordt geconcludeerd dat het plangebied een geschikt biotoop biedt voor egels, zowel als verblijfsplaats als qua foerageergebied. Als gevolg hiervan zal nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de daadwerkelijke aanwezigheid van egels in het plangebied. Ecotierra heeft op 4 juli 2022 een aanvullend briefrapport (kenmerk N2022-JMW-3015) opgesteld van het nader onderzoek naar de egels. Dat rapport is als bijlage 12 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan gevoegd. Bij het aanvullend onderzoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van de egel vastgesteld. Op basis van de bevindingen en conclusies in deze en de vorige onderzoeksrapportages kan op voorhand met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de voorgenomen herontwikkeling kan worden uitgevoerd zonder verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3 (beschermde planten- en diersoorten). Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Ten aanzien van inheemse vogelsoorten geldt dat geadviseerd wordt werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (1 maart tot 1 september) te laten plaatsvinden. Mochten werkzaamheden onverhoopt binnen deze periode mochten plaatsvinden, wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelschouw te laten uitvoeren.
Voor het overige concludeert het onderzoek dat er geen noodzaak tot vervolgstappen voor overige beschermde diersoorten bestaat.
Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van planten- en diersoorten op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald.
Het NNN en het plangebied “Joan Coststraat” Het plangebied van het bestemmingsplan “Joan Coststraat” is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN zijn op ca. 1,3 kilometer gelegen, ten noordwesten van het plangebied. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. Conclusie NNN Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het NNN geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
33
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planopzet
Algemeen
Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.
een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.
b.
c. d.
Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan "Joan Coststraat" is gekozen voor een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan omdat de beoogde eindsituatie van het plangebied al bekend is.
Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Joan Coststraat" is gekozen.
6.2
Indeling planregels
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels; Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 - Algemene regels; Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.
34
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan “Joan Coststraat”. In Artikel 1, Begrippen, zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2, Wijze van meten, geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving - de juridische vertaling - van de verschillende in het plangebied voorkomende en op de verbeelding opgenomen bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels wordt conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a. b. c. d. e. f.
g.
bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); afwijken van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); afwijken van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk is); wijzigingsbevoegdheid (regels die aangeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden onderdelen van het plan gewijzigd kunnen worden).
Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, bestaande uit de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik van gronden. Deze artikelen bevatten regels die als doel hebben de rechtstoestand tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan vast te leggen. De "Slotregel" geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
6.3
Beschrijving van het plan
6.3.1
Bestemmingen
Bedrijf - opslag (artikel 3) De bestemming "Bedrijf - opslag" is toegekend aan de locatie waar de opslagruimte kan worden gerealiseerd. In de regels is bepaald dat hier alleen statische opslag kan plaatsvinden. Statische opslag is gedefinieerd als 'opslag en/of stalling van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze ter plaatse worden bewerkt, verwerkt, gerepareerd of verhandeld. De opslag valt onder milieucategorie 1 zoals genoemd in de VNG bedrijvenlijst'. De zinsnede 'geen regelmatige verplaatsing' houdt in dat de goederen niet meer dan 1 keer in de week worden verplaatst en dat er geen sprake is van een dagelijkse aan- of afvoer ervan. In de bouwregels is bepaald dat de opslagruimte niet groter mag zijn dan 150 m 2 en niet
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
35
hoger dan 4 meter. Tevens is in de specifieke gebruiksregels bepaald dat opslag van gevaarlijke stoffen en goederen expliciet als strijdig gebruik wordt gezien.
Verkeer-Verblijfsgebied (artikel 4) De gronden met de bestemming “Verkeer-Verblijfsgebied” zijn bestemd voor de weg in het plangebied, de parkeerplaatsen en de groeninrichting. De parkeerplaatsen en groeninrichting zijn met een nadere aanduiding op de verbeelding aangegeven. In de regels is bepaald dat ter plaatse van deze nadere aanduidingen 'parkeren' en 'groen' respectievelijk uitsluitend parkeerplaatsen en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Deze bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' richt zich met name op langzaam verkeer en draagt het karakter van een verblijfsgebied. Dit zijn voornamelijk de 30 km/uur zones waar de verblijfsfunctie belangrijker is dan de verkeersfunctie. De inrichting van de wegen is hierop afgestemd. Op de voor “Verkeer-Verblijfsgebied“ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van deze bestemming, zoals straatmeubilair, nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen.
Wonen (artikel 5) De bestemming “Wonen” is toegekend aan de gronden waar uitsluitend of in hoofdzaak wordt gewoond. De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis. Binnen de bestemming "Wonen" is het gebruik van woningen voor onzelfstandige bewoning (kamerverhuur) niet toegestaan. Per bouwvlak op de verbeelding is één woning toegestaan. In de regels is bepaald dat de woningen maximaal 7 meter hoog mogen worden gebouwd. Echter is in het ontwerp een afwisseling voorzien tussen 6 woningen met 2 lagen en 10 woningen met 3 lagen. Daarom is in de regels aangegeven dat 11 woningen een maximale hoogte van 10 meter mogen hebben. Deze hoogte van 10 meter is niet toegestaan over de hele oppervlakte van deze woning. Slechts 60% van de oppervlakte van de hoogste bouwlaag mag een hoogte van 10 meter hebben. Dit versterkt de speelse afwisseling in bouwhoogten. Een dakterras of daktuin is toegestaan op de 2e bouwlaag. 6.3.2
Overige aanduidingen en figuren
Binnen de in het plan voorkomende bestemmingen en dubbelbestemmingen kunnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden worden geregeld door het gebruik van functieaanduidingen, bouwaanduidingen, maatvoeringsaanduidingen en figuren.
Bouwvlak: Het bouwvlak is het gebied binnen de grenzen waarvan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bebouwing gerealiseerd dient te worden.
Functieaanduidingen: Functieaanduidingen worden gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een gedeelte van een bestemming nader in te kaderen. Zo kan met een functieaanduiding worden aangegeven dat ter plaatse alleen een bepaalde, met name genoemde, functie is toegestaan of juist expliciet is uitgesloten. Zo is binnen de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied een functieaanduiding voor parkeren en groen opgenomen.
Maatvoeringsaanduidingen: Maatvoeringsaanduidingen zijn alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen (goothoogte, bouwhoogte, bouwdiepte, inhoud, breedte), percentages (bebouwd oppervlak, gebruiksoppervlak) en dakhellingshoeken van gebouwen. Daarnaast kunnen maatvoeringsaanduidingen ook iets over aantallen zeggen, zoals het maximum aantal woningen, winkels of parkeerplaatsen.
36
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
6.3.3
Algemene regels
anti-dubbeltelregel (artikel 6) De anti-dubbeltelregel is een wettelijk voorgeschreven regel die bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan bij de beoordeling van latere bouwplannen voor die grond buiten beschouwing blijft. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt.
algemene bouwregels (artikel 7) In de algemene bouwregels zijn de bouwregels opgenomen voor het onderkelderen van gebouwen en terreinen en voor het bouwen van nutsvoorzieningen.
algemene gebruiksregels (artikel 8) In de algemene gebruiksregels zijn naast een algemeen gebruiksverbod ook enkele op specifieke situaties gerichte gebruiksregels opgenomen. In het algemeen gebruiksverbod is geregeld dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel dat niet in overeenstemming is met de in dit bestemmingsplan aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming(en). Van deze regel uitgezonderd is het van het afwijkend gebruik dat door burgemeester en wethouders is toegestaan bij een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving. De op specifieke situaties gerichte gebruiksregels hebben betrekking op het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in combinatie met wonen, kamerverhuur, het verbod op de verkoop, vervaardiging, verwerking en opslag van vuurwerk, het verbod op het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidzoneringsplichtige inrichting en het verbod op het gebruik van gronden en bouwwerken als risicovolle inrichting.
algemene afwijkingsregels (artikel 9) In de algemene afwijkingsregels is geregeld onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders in concrete gevallen bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen (algemene) bouw- en/of gebruiksregels.
algemene wijzigingsregels (artikel 10) In de algemene wijzigingsregels is geregeld onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders in bepaalde concreet genoemde gevallen onderdelen van het bestemmingsplan kunnen wijzigen. Deze wijzigingsbevoegdheden liggen in het verlengde van de afwijkingsbevoegdheden zoals genoemd in de algemene afwijkingsregels maar hebben doorgaans een grotere impact op de woon- en leefomgeving. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan een wijzigingsbevoegdheid voor het in geringe mate wijzigen van bestemmings- en/of bouwgrenzen om een gewenst en voor het overige in het bestemmingsplan passend bouwplan mogelijk te kunnen maken.
algemene procedureregels (artikel 11) In de algemene procedureregels wordt verwezen naar de wettelijk voorgeschreven procedureregels voor de toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden, aangevuld met enkele specifieke gemeentelijke procedureregels. De algemene procedureregels bevatten ook het afwegingskader voor de toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden.
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
37
6.3.4
Overige regels
In artikel 12 'overige regels' zijn regels opgenomen die aanvullende werking hebben op de bouw- en gebruiksregels in het bestemmingsplan. Parkeren en laden en lossen (artikel 12.1) Dit artikel bevat de regels voor het op eigen terrein realiseren van voldoende voorzieningen voor parkeren, van zowel auto's en fietsen als parkeervoorzieningen voor mindervaliden. Dit artikel bevat ook de regels voor het op eigen terrein in voldoende mate voorzien in voorzieningen voor het laden en lossen van goederen. Bij de beoordeling of in voldoende mate wordt voorzien in parkeer- en/of laad- en losvoorzieningen wordt getoetst aan de parkeernormen zoals die zijn vastgelegd in de beleidsregel 'Parkeernormennota Enschede 2017'. Het artikel bevat een dynamische verwijzing voor het geval de parkeernormennota tussentijds mocht worden gewijzigd of vervangen door een nieuwe parkeernormennota.
Bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater (artikel 12.2) Dit artikel bevat de regels voor het bij nieuwbouw op eigen terrein realiseren van voldoende voorzieningen voor het bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater. Deze regeling is de ruimtelijke vertaling van het gemeentelijke beleidskader zoals dat is vastgelegd in de Watervisie en in het Gemeentelijk Rioleringsplan. 6.3.5
Flexibiliteit
De planregels vormen het juridisch bindend kader dat aangeeft waar en hoeveel er gebouwd mag worden en waar het voor gebruikt mag worden. De planregels kunnen niet in alle ontwikkelingen voorzien. In sommige gevallen is een bepaalde ontwikkeling wenselijk, maar niet passend binnen de planregels. In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze invulling gegeven wordt aan de diverse flexibiliteitsbepalingen in de planregels.
Afwijkingsregels De afwijkingsregels van de bouw- of gebruiksregels maken het mogelijk dat burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij om afwijkingen van geringe aard en omvang. De bestemming van de grond waarop de afwijking betrekking heeft, wijzigt daardoor niet. Om hiervan gebruik te kunnen maken, moet een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving' aangevraagd worden. Burgemeester en wethouders maken vervolgens de afweging of de vergunning verleend kan worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader dat in deze paragraaf verder wordt toegelicht. Daarnaast kunnen bij een afwijkingsbevoegdheid specifieke toepassingscriteria genoemd zijn, waar aan moet worden voldaan.
Wijzigingsbevoegdheden De wijzigingsbevoegdheden maken het mogelijk dat burgemeester en wethouders het bestemmingsplan op door de gemeenteraad concreet benoemde onderdelen inhoudelijk kunnen wijzigen. Dat kan een wijziging van een bestemming of een aanduiding zijn, al dan niet in combinatie met een wijziging van de daarbij behorende bouw- en/of gebruiksregels maar ook alleen een wijziging van de planregels zonder dat daarvoor ook de verbeelding hoeft te worden gewijzigd. Bij een verzoek tot toepassing van een wijzigingsbevoegdheid wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader dat in deze paragraaf verder wordt toegelicht. Daarnaast kunnen bij een wijzigingsbevoegdheid specifieke toepassingscriteria genoemd zijn, waar aan moet worden voldaan. In tegenstelling tot bij een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid het bestemmingsplan wel inhoudelijk gewijzigd. Een wijzigingsplan doorloopt een afzonderlijke planologische procedure die nagenoeg gelijk is aan die van een bestemmingsplan.
Afwegingskader Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid wordt het algemene beoordelingskader gehanteerd zoals in onderstaand overzicht is weergegeven. Daarnaast kunnen voor 38
bestemmingsplan Joan Coststraat (vastgesteld)
toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid nog specifieke toepassingscriteria gelden. Op deze wijze worden aanvragen zoveel mogelijk op dezelfde criteria beoordeeld en geeft het gebruikers/eigenaren van gronden in het plangebied meer duidelijkheid en rechtszekerheid over de toepassing van de flexibiliteitmogelijkheden in de planregels.
Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria: Woon- en leefklimaat: Er dient rekening gehouden te worden met het in stand houden van een goed woon- en leefklimaat, hierbij dient gelet te worden op: - de verkeersaantrekkende werking, deze mag geen onevenredige gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van de locatie en zijn directe omgeving; - de parkeerbehoefte mag niet tot gevolg hebben dat de parkeerdruk op de openbare ruimte wordt vergroot; - overlast door lawaai, stank en/of trillingen; - lichttoetreding en bezonning, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitstraling naar (bebouwing op) aangrenzende gronden; - de eventuele gevolgen voor het aanwezige uitzicht; - de aanwezigheid van voldoende privacy; - mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater; - mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor het voorkomen van hittestress; - mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor een duurzame energievoorziening.
Straat- en bebouwingsbeeld: In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan: - een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing); - de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen; - gevelbeelden; - de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing; - de hoogtedifferentiatie; - de situering van gebouwen op het perceel. Bepalend daarbij is de specifieke situatie ter plaatse van de locatie waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft en hoe zich die verhoudt tot zijn directe omgeving. Een hoekpand aan een belangrijke stedenbouwkundige structuur vraagt immers om een andere benadering dan een woongebouw in een woonhofje ergens in een groene buitenwijk. Verkeersveiligheid: Ter waarborging van de verkeersveiligheid moet rekening gehouden worden met: - de toename van de verkeersintensiteit; - overlast door lawaai, stank en/of trillingen; - benodigde uitzichthoeken van wegen; - de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg; - de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden; - de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte.
Sociale veiligheid: Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is moet rekening gehouden worden met: - de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek; - de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte wordt ingeperkt. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding