CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Hoge Boekelerweg 399_vastgesteld_1_Bijlagen toelichting

Raadsvergadering 13 mei 2024, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Hoge Boekelerweg 399"17.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen Toelichting Bestemmingsplan Hoge Boekelerweg 399

Status: Vastgesteld

Hoge Boekelerweg 399

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Quick Scan Natuurtoets

4

Bijlage 2

Stikstof Aerius

53

Bijlage 3

Inrichtingsrapport

63

2

bestemmingsplan Hoge Boekelerweg 399 (vastgesteld)

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Hoge Boekelerweg 399 (vastgesteld)

3

Bijlage 1 Quick Scan Natuurtoets

4

bestemmingsplan Hoge Boekelerweg 399 (vastgesteld)

RAPPORTAGE quickscan Wet natuurbescherming Hoge Boekelerweg 399 Enschede

Rapport quickscan Wet natuurbescherming Hoge Boekelerweg 399, Enschede Opdrachtgever

Coöperatie Landschapsplanning U.A. Kasteel Daelenbroeckstraat 60 6043 XR Roermond

Rapportnummer

21820.001

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

11 mei 2023

Opsteller1

Mevrouw E. Hessel, MSc

Kwaliteitscontrole

De heer T.J.J. Versluis, MSc

1

AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 5

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 7

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 8 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ........................................................................................................................................... 11 Vleermuizen ................................................................................................................................. 15 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 16 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 18 Ongewervelden ............................................................................................................................ 19 Planten ......................................................................................................................................... 20

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 21 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht ....................................................................................................................................... 8 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 8 Gebiedenbescherming ................................................................................................................... 9 Houtopstanden ............................................................................................................................ 10

Broedvogels .................................................................................................................................. 21 Vleermuizen ................................................................................................................................. 24 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 24 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 26 Vissen ........................................................................................................................................... 26 Verlichting .................................................................................................................................... 26

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 28 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 28 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 29

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 31

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 32

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst

21820.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Coöperatie Landschapsplanning U.A. opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Hoge Boekelerweg 399 te Enschede. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. Econsultancy heeft in 2019 en in 2020 reeds twee keer een quickscan uitgevoerd op de onderzoekslocatie (Rapportage quickscan flora en fauna Bonekampweg te Enschede, project 9484.001, d.d. 9 mei 2019 en Rapportage quickscan flora en fauna Bonekampweg te Enschede, project 9484.002, d.d. 6 januari 2020).

21820.001 versie D1

1 / 34

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 1,7 ha) ligt aan de Hoge Boekelerweg 399 te Enschede. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is bebouwd met een woonhuis, oude paardenstallen, twee oude schuren en een oude koeienstal. De stallen op de onderzoekslocatie zijn al een poos buiten gebruik. Het woonhuis is opgetrokken uit bakstenen en heeft een zadeldak van dakpannen. De paardenstal en de schuur ten zuiden van de koeienstal zijn ook opgetrokken uit bakstenen en hebben een zadeldak van dakpannen. Ten oosten van de paardenstal staat een schuur die deels is opgetrokken bakstenen en verder uit metalen gevelbeplating. Deze schuur heeft een dak van golfplaten. De koeienstal is opgetrokken uit bakstenen en heeft een zadeldak van golfplaten. Ten zuiden van het woonhuis ligt gazon. Ten zuiden van de paardenstal, aan de Hoge Boekelerweg, staat een rij coniferen. Ten noorden van de koeienstal ligt grasland. In het noordoosten en noordwesten van de onderzoekslocatie lopen sloten met natuurlijke oevers. Ten noorden van deze sloten loopt de Bonekampweg.

21820.001 versie D1

2 / 34

De onderzoekslocatie wordt omringd door agrarische percelen en ligt op circa 4,5 kilometer ten noordoosten van de kern van Enschede. Op circa 1 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie ligt landgoed de Hooge Boekel. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De bebouwing is genummerd. Figuur 2.3 t/m figuur 2.814 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

5

4 1 2

3

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. De verschillende gebouwen op de onderzoekslocatie zijn genummerd.

21820.001 versie D1

3 / 34

Figuur 2.3 Zuidzijde van het woonhuis (gebouw 1), vanaf de Hoge Boekelerweg.

Figuur 2.4 Begroeiing in het zuiden van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.5 Noordzijde van de voormalige paardenstal (gebouw 2).

Figuur 2.6 Noordzijde van de schuur ten oosten van de paardenstal (gebouw 3).

Figuur 2.7 Binnenzijde van gebouw 3.

Figuur 2.8 Oostzijde van gebouw 4, kijkrichting naar het noordwesten.

Figuur 2.9 Zuidzijde van de koeienstal (gebouw 5), kijkrichting naar het noorden.

Figuur 2.10 Binnenzijde van gebouw 4.

Figuur 2.11 Noordzijde van gebouw 5, kijkrichting naar het oosten.

Figuur 2.12 Binnenzijde van gebouw 5.

Figuur 2.13 Noordzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.14 Sloot aan de noordwestzijde van de onderzoekslocatie.

21820.001 versie D1

4 / 34

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de onderzoekslocatie te herontwikkelen. De koeienstal (gebouw 5) zal worden gesloopt. De paardenstal (gebouw 2) en de schuur ten oosten van de paardenstal (gebouw 3) zullen worden gerenoveerd. De andere schuur (gebouw 4) en het woonhuis (gebouw 1) zullen worden gerestaureerd. In het noorden van de onderzoekslocatie zullen twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. De coniferen aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie zullen worden gekapt en de struiken en takkenhopen zullen worden verwijderd. De overige bomen zullen behouden blijven. De sloot in het noordwesten van de onderzoekslocatie zal worden gedempt. In figuur 2.15 en 2.16 is de voorgenomen ingreep weergegeven.

Figuur 2.15

Voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie (bron: Coöperatie Landschapsplanning).

21820.001 versie D1

5 / 34

Figuur 2.16

Voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie (bron: Coöperatie Landschapsplanning).

21820.001 versie D1

6 / 34

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 20 april 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van zolders/vlieringen is met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Overijssel opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek.

Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

21820.001 versie D1

7 / 34

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

21820.001 versie D1

8 / 34

• • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.

Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

21820.001 versie D1

9 / 34

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

21820.001 versie D1

10 / 34

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden, samen met verspreidingsgegevens, beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

5.1 Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarisch buitengebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, steenuil, roek, oehoe, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, torenvalk, ooievaar, slechtvalk, huiszwaluw, boerenzwaluw en grote gele kwikstaart. Ooievaar en slechtvalk De ooievaar en de slechtvalk kunnen op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden op hoge of torenvormige structuren als hoogspanningsmasten, (kerk)torens, kantoorgebouwen of nestpalen. Deze nestmogelijkheden ontbreken op en om de onderzoekslocatie. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van snelstromende beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Deze vogel nestelt graag in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers.

Vanwege het ontbreken van deze broedmogelijkheden op en om de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt niet noodzakelijk geacht. Roek Ook de roek kan op voorhand worden uitgesloten als broedvogel op de onderzoekslocatie. De roek is een koloniebroeder en broedt in de toppen van groepen hoge, vrijstaande bomen. Op de onderzoekslocatie zijn geen nesten en geen roeken waargenomen. Het is daarom voor deze vogelsoort redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soort wordt niet noodzakelijk geacht.

21820.001 versie D1

11 / 34

Oehoe, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief Deze vogels broeden hoofdzakelijk in bossen of halfopen landschappen, soms in solitaire bomen en vaak midden hoog tot hoog in een boomkruin of nestkast, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten of nestkasten waargenomen. Het is daarom voor oehoe, buizerd, havik en wespendief redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. De rij coniferen aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie zou gebruikt kunnen worden als roestplek door een ransuil. Onder de coniferen zijn echter geen braakballen gevonden. Op de onderzoekslocatie is ten zuiden van de paardenstal een middelgroot nest waargenomen (zie figuur 5.1). Dit nest zou gemaakt kunnen zijn door een ekster of zwarte kraai, en zou nu in gebruik kunnen zijn door een boomvalk, sperwer of ransuil. Nader onderzoek ten aanzien van boomvalk, sperwer en ransuil wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.1 Nest in een boom op de onderzoekslocatie, ten zuiden van gebouw 2.

Huismus De huismus is gebonden aan bebouwing als broedlocatie. Het is een koloniebroeder die vaak broedt onder dakpannen bereikbaar via de dakgoot of losliggende dakpannen. De koeienstal (gebouw 5) is door het golfplaten dak niet geschikt als nestlocatie voor de huismus. De paardenstal (gebouw 2) is door afwezigheid van een dakbeschot en de geringe hoogte van het gebouw ongeschikt. Het woonhuis (gebouw 1), gebouw 3 en de schuur ten zuiden van de koeienstal (gebouw 4) zijn door aanwezigheid van balken en losliggende dakpannen in potentie geschikt als broedlocatie voor de huismus. Nader onderzoek naar deze soort wordt nodig geacht (zie hoofdstuk 6). Kerkuil, steenuil en bosuil De steenuil en kerkuil hebben de voorkeur voor kleinschalige, half open tot open cultuurlandschappen. De steenuil is een holenbroeder die onder andere bebouwing, nestkasten en holle bomen gebruikt als broedlocatie. De kerkuil broedt typerend in schuren op boerderijerven of in speciale nestkasten. De bosuil komt voor in open loofbos of gemengd bos, boerenerven, (stads)parken, groene woonwijken met oude bomen en grote binnentuincomplexen. De bosuil nest in boomholtes, maar ook in nestkasten of ruimtes in gebouwen. De schu-

21820.001 versie D1

12 / 34

ren op de onderzoekslocatie zijn toegankelijk en in potentie geschikt als broedlocatie voor steenuil, kerkuil en bosuil. De stallen en schuren kunnen daarnaast gebruikt worden als roestplek. In de paardenstal (gebouw 2) is een braakbal op de grond aangetroffen, vermoedelijk van een kerkuil (zie figuur 5.2). Ook in de schuur ten oosten van de paardenstal (gebouw 3) zijn braakballen aangetroffen, op een vliering (zie figuur 5.3). De vliering van gebouw 4 konden vanwege veiligheid niet worden onderzocht op braakballen en uitwerpselen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de schuren en paardenstal (gebouwen 2, 3 en 4) op de onderzoekslocatie in gebruik zijn door een kerkuil, steenuil of bosuil. Nader onderzoek naar deze soorten wordt daarom noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6). Torenvalk De torenvalk is gebonden aan open en halfopen land met veel woelmuizen. De torenvalk bouwt zelf geen nest, maar broedt in oude kraaiennesten, in speciale open of halfopen torenvalkkasten met turf erin en in nissen in gebouwen. In de bomen op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte nesten waargenomen. Gebouwen 3 en 4 op de onderzoekslocatie zijn in potentie geschikt voor de torenvalk om in te nestelen. Tevens zou de torenvalk gebruik kunnen maken van het nest dat is waargenomen op de onderzoekslocatie (zie figuur 5.1).

Nader onderzoek naar deze soort wordt daarom nodig geacht (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.2 Braakbal, waarschijnlijk van een kerkuil, gevonden op de grond van de paardenstal (gebouw 2).

Figuur 5.3 Braakballen op de vliering van gebouw 3.

Huiszwaluw De huiszwaluw komt vooral voor in open gebied, in de omgeving van allerlei typen gebouwen en bruggen, die voor de huiszwaluw als alternatieve rotspartijen kunnen dienen. De huiszwaluw maakt nesten tegen gevels van huizen van baksteen of beton. De bebouwing is gecontroleerd op aanwezigheid van nesten van huiszwaluw. Op de onderzoekslocatie zijn geen nesten van huiszwaluw waargenomen. Nader onderzoek naar deze vogelsoort wordt daarom niet nodig geacht. Boerenzwaluw De boerenzwaluw broedt in open schuren en onder beschutte plaatsen, zoals brede dakoverstekken. In gebouw 3, gebouw 4 en gebouw 5 zijn nesten aangetroffen van de boerenzwaluw (zie figuur 5.4-5.6). In gebouw

21820.001 versie D1

13 / 34

4 zijn meer dan 10 zwaluwnesten waargenomen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat deze nesten in gebruik zijn. Nader onderzoek naar de boerenzwaluw wordt daarom noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.4 Boerenzwaluwnest in gebouw 3.

Figuur 5.5 Boerenzwaluwnest in gebouw 4.

Figuur 5.6 Boerenzwaluwnest in gebouw 5.

Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd) De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie meerdere nestkastjes aan bomen aangetroffen (zie figuur 5.7 en 5.8). In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is voldoende broedgelegenheid van minimaal eenzelfde kwaliteit voor de hierboven genoemde soorten. Tevens blijven de bomen waaraan de nestkasten hangen behouden. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is daarom voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.7 Nestkast aan boom ten oosten van het woonhuis (gebouw 1).

21820.001 versie D1

Figuur 5.8 Nestkast aan boom ten zuiden van de paardenstal (gebouw 2).

14 / 34

Overige broedvogels De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang tot ruimte onder de dakpannen (gebouw 1 en 4). Verder zijn bij alle gebouwen ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (zie figuur 5.9 en 5.10). In de schuren zijn daarnaast balken aanwezig waar de gewone grootoorvleermuis gebruik van zou kunnen maken. In de koeienstal is een vleugel van een dagpauwoog aangetroffen, wat kan wijzen op aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis (zie figuur 5.11). De bebouwing is daarom geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf. Nader onderzoek naar vleermuizen wordt daarom nodig geacht (zie hoofdstuk 6).

De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Tevens blijven alle bomen, op de coniferen in het zuiden van de onderzoekslocatie na, behouden.

Figuur 5.9 Ruimte tussen de dakpannen van gebouw 4.

21820.001 versie D1

Figuur 5.10 Ruimte tussen de gevel en gevelbetimmering van gebouw 5.

Figuur 5.11 Vleugel van een dagpauwoog, aangetroffen in gebouw 5.

15 / 34

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, zoals landgoed De Hooge Boekel. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, eekhoorn, das, egel en grote bosmuis. Boommarter Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Door het ontbreken van bos in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van de boommarter op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen.

Tijdens het veldbezoek zijn in gebouw 4 uitwerpselen aangetroffen (zie figuur 5.12). Dit duidt op het gebruik van de onderzoekslocatie door deze soort. Daarnaast konden niet alle vlieringen worden onderzocht op aanwezigheid van sporen, in verband met veiligheid. Op voorhand kan daarom niet worden uitgesloten dat op de onderzoekslocatie vaste rust- of voortplantingslo-

21820.001 versie D1

16 / 34

caties van deze soort aanwezig zijn. Nader onderzoek naar de steenmarter wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.12 Uitwerpselen, aangetroffen in gebouw 4.

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt minimaal geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het minimale bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De das is volgens de verspreidingsgegevens eenmaal waargenomen op circa 3 kilometer van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verlies van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Egel De egel komt voornamelijk voor in bossen, parken en tuinen waar voldoende dekking aanwezig is. Binnen de onderzoekslocatie is groen aanwezig waar de egel gebruik van zou kunnen maken (zie figuur 5.13).

Indien de vegetatie op de onderzoekslocatie verwijderd wordt, is overtreding van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) zijn sterk gebonden aan landschapselementen, zoals houtwallen en bosschages, die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien de aanwezigheid van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties is het niet uit te sluiten dat kleine marterachtigen gebruikmaken van de

21820.001 versie D1

17 / 34

onderzoekslocatie als vaste rust- of voorplantingsplaats. Negatieve effecten voor kleine marterachtigen als gevolg van de voorgenomen ingreep zijn niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.13 Groen in het zuiden van de onderzoekslocatie.

Grote bosmuis De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen met enige dekking, zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt deze soort voor in bosranden met weinig ondergroei, niet te nat rietland, parken, braakliggend land, duinen, heide en tuinen. De grote bosmuis heeft een voorkeur voor oude open eiken- en beukenbossen, met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei. Het groen in het zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 5.13) vormt geschikt habitat voor de grote bosmuis. Aangezien dit groen aangetast zal worden ten behoeve van de ingreep wordt nader onderzoek naar deze soort nodig geacht (zie hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptiel waargenomen: levendbarende hagedis. Levendbarende hagedis Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat voor de levendbarende hagedis. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oe-

21820.001 versie D1

18 / 34

vers en vochtige terreindelen. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor deze soort aanwezig. Nader onderzoek naar reptielen wordt niet nodig geacht. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en de streng beschermde kamsalamander. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De sloten die zich aan de noordwest- en noordzijde van de onderzoekslocatie bevinden kunnen onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder de boomstammen. Voor de algemene soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Kamsalamander De streng beschermde kamsalamander komt voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. De sloten op de onderzoekslocatie vormen geen geschikt habitat voor deze soort. Nader onderzoek naar de kamsalamander wordt niet nodig geacht. Vissen Er zijn slechts enkele zoetwatervissoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten.

De sloten, die zich aan de noordwest- en noordzijde van de onderzoekslocatie bevinden, kunnen leefgebied vormen voor vissen. De sloot in het noordwesten wordt gedempt ten behoeve van de ingreep. Het is daarom van belang aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht met betrekking tot vissen (zie hoofdstuk 6).

5.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde gevlekte witsnuitlibel waargenomen. Gevlekte witsnuitlibel Libellen zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. De gevlekte witsnuitlibel leeft in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Deze habitattypen zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie daarom niet te verwachten.

21820.001 versie D1

19 / 34

Vlinders Volgens gegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Geschikte waardplanten voor deze beschermde vlindersoorten, zoals iep, zoete kers, wilg (grote vos), kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) en boswilg (grote weerschijnvlinder) zijn op de onderzoekslocatie niet waargenomen. Het is uitgesloten dat binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige ongewervelden Op circa 2,7 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie is eenmaal het vliegend hert waargenomen. Het vliegend hert is, voor de ontwikkeling van haar larven, afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout. Dit ontbreekt op de onderzoekslocatie, waardoor op voorhand kan worden uitgesloten dat het vliegend hert gebruikmaakt van de onderzoekslocatie.

5.6 Planten Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin en erf is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Spits havikskruid Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde plant waargenomen: spits havikskruid. Deze soort groeit op droge, zure, onbemeste graslanden. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende plantensoorten waargenomen: paarse dovenetel, brandnetel, paardenbloem en winterpostelein. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties is de streng beschermde spits havikskruid niet te verwachten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde plantensoorten is daarom op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten.

21820.001 versie D1

20 / 34

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus in gebouw 1, 3 en 4 op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Steenuil, kerkuil en bosuil De steenuil en kerkuil en hun leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen en kerkuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil en kerkuil hebben twee relevante typen verblijfplaatsen.

Dit zijn: • de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats; • de plekken die regelmatig door de steenuil en kerkuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is. Steenuilen en kerkuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje van de kerkuil gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het

21820.001 versie D1

21 / 34

broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). De bosuil en zijn leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van de bosuil zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten: ‘zeer plaatsgetrouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar specifiek nest of afhankelijk is van bebouwing.’ Nader onderzoek in het broedseizoen moet uitwijzen wat voor potentiële functies de onderzoekslocatie biedt aan deze uilen. De gebouwen die onderzocht dienen te worden zijn gebouwen 2, 3 en 4. De meest optimale periode om de aanwezigheid van de steenuil aan te tonen, is van 15 februari tot en met 15 april. De meest optimale periode om de aanwezigheid van de kerkuil aan te tonen, is van februari tot en met augustus. De meest optimale periode om aanwezigheid van de bosuil aan te tonen is van januari tot en met juli. De (balts)roep van de bosuil wordt afgespeeld in de buurt van het waargenomen nest. Daarnaast wordt gelet op vleugelklappen en bedelende jongen die goed hoorbaar zijn.

Het beste moment om te inventariseren is in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang, tot middernacht. Daarnaast moet er overdag gezocht worden naar zaken die op de aanwezigheid van een territorium duiden, bijvoorbeeld sporen (Kennisdocument BIJ12 steenuil, 2017). Ook wordt geadviseerd navraag te doen bij de steenuilenwerkgroep en kerkuilenwerkgroep. Torenvalk De torenvalk en zijn leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van de torenvalk zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 4 van vogelnesten: ‘vogels die jaarlijks terugkeren naar specifiek nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.’ Gebouwen 3 en 4 op de onderzoekslocatie bieden in potentie geschikte broedgelegenheid voor de torenvalk. Om vast te kunnen stellen en dan wel uit te kunnen sluiten dat de onderzoekslocatie in gebruik is door een torenvalk dient nader onderzoek uit te worden gevoerd tussen begin maart en half juli. Dit onderzoek zal bestaan uit twee veldbezoeken, waarbij gelet wordt op balts- en nestindicerend gedrag. Boerenzwaluw De boerenzwaluw en zijn leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn.

De nesten van de boerenzwaluw zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten: ‘zeer plaatsgetrouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar specifiek nest of afhankelijk is van bebouwing.’ Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie meerdere nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Om vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten of deze nesten in gebruik zijn is nader onderzoek naar de boerenzwaluw nodig. De gebouwen die onderzocht dienen te worden zijn gebouw 3, 4 en 5. Het nader onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken die juni en juli uitgevoerd dienen te worden, bij zonnig en droog weer (Sovon).

21820.001 versie D1

22 / 34

Boomvalk en ransuil De boomvalk, ransuil en hun leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van de boomvalk en ransuil zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 4 van vogelnesten: ‘vogels die jaarlijks terugkeren naar specifiek nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.’ Om te bepalen of de onderzoekslocatie in gebruik is door boomvalk worden er drie veldbezoeken uitgevoerd in de periode april tot september, zoals beschreven staat in de inventarisatiemethode van SOVON Vogelonderzoek Nederland. Tijdens deze veldbezoeken wordt gedurende twee uur het nest op de onderzoekslocatie geobserveerd op nestindicerend gedrag. Daarnaast wordt er gelet op territoriaal gedrag van de boomvalk. Tussen de veldbezoeken in wordt een minimale tussenperiode aangehouden van 10 dagen (BIJ12, versie juni 2017). Om te bepalen of de onderzoekslocatie in gebruik is door ransuil worden tussen half februari en eind juli een drietal veldbezoeken uitgevoerd naar het voorkomen van nestlocaties, zoals beschreven staat in de inventarisatiemethodes van SOVON Vogelonderzoek Nederland. Tijdens de twee uur durende veldbezoeken wordt met name gelet op visuele en auditieve waarnemingen van de uilensoort.

De (balts)roep van de ransuil wordt afgespeeld in de buurt van het waargenomen nest, aangezien de ransuil, afhankelijk van zijn omgeving, kan reageren op deze geluiden. Daarnaast wordt gelet op vleugelklappen en bedelende jongen die goed hoorbaar zijn. Tussen de veldbezoeken in, wordt een minimale tussenperiode aangehouden van 10 dagen (BIJ 12, versie juni 2017). Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden (aan het groen en aan de bebouwing) buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn.

De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om de werkzaamheden uit te voeren zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

21820.001 versie D1

23 / 34

6.2 Vleermuizen De te slopen en restaureren bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop en restauratie van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. De functies die onderzocht dienen te worden zijn zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats en paarverblijfplaats. Voor een massawinterverblijfplaats is de bebouwing te laag en onvoldoende geïsoleerd. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021).

Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Overijssel, middels een ontheffingsaanvraag.

6.3 Overige zoogdieren Steenmarter Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Marterachtigen zijn sindsdien strenger beschermd dan voorheen. Het is verboden om deze dieren te doden, te verwonden en hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (art. 3.10). De provincie Overijssel heeft besloten om voor de steenmarter geen vrijstelling van de verbodsbepalingen te verlenen. De onderzoekslocatie vormt potentieel geschikt leefgebied voor de steenmarter. De steenmarter kan de schuren en paardenstal gebruiken als vaste rust- of voortplantingsplaats. Nader onderzoek is daarom benodigd om

21820.001 versie D1

24 / 34

vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten dat de onderzoekslocatie in gebruik is door de steenmarter. Het vaststellen dan wel uitsluiten kan worden gedaan door middel van aanvullend onderzoek met behulp van cameravallen (BuBo-methode). Dit onderzoek dient in de meest optimale periode uitgevoerd te worden: tussen maart en augustus. Het uit te voeren veldwerk behorende bij een dergelijk onderzoek zal minimaal 6 weken in beslag nemen. Egel en kleine marterachtigen Het is op grond van Artikel 3.10 lid 1 Wnb verboden om de egel en kleine marterachtigen opzettelijk te doden of te vangen of om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. De provincie kan een vrijstelling verlenen van één of meer van deze verboden, mits wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in Artikel 3.10 lid 2 jo. Artikel 3.8 lid 5 Wnb. Door provincie Overijssel is een brochure ‘soortenbescherming in Overijssel: bunzing, egel, hermelijn en wezel’ opgesteld. Om voor een ontheffing in aanmerking te komen dient aan elk van de volgende voorwaarden te worden voldaan: • • •

Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; De noodzaak voor de ontheffing houdt verband met één of meer van de belangen, genoemd in artikel 3.10 artikel 2 jo. Artikel 3.8 lid 5 sub b van de Wnb; Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven van populaties van de betreffende soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Volgens de brochure dient er allereerst een ecologische functiekaart voor habitatgeschiktheid van de betreffende soorten in beeld te worden gebracht. Op basis van het projectplan en de ecologische functiekaart kan een mitigatieplan worden opgesteld waarmee vervolgens eventueel een ontheffing kan worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. Grote bosmuis De grote bosmuis valt, net als alle in het wild voorkomende zoogdieren, onder het beschermingsregime van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. In tegenstelling tot algemene soorten zoals de gewone bosmuis, rosse woelmuis en egel heeft de grote bosmuis geen provinciale vrijstelling bij bestendig beheer en onderhoud. Om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat de grote bosmuis gebruikmaakt van de onderzoekslocatie is nader onderzoek naar deze soort nodig. Het nader onderzoek dient uitgevoerd te worden door middel van ‘life traps’. Voor het onderzoek naar grote bosmuis wordt voorgesteld om conform de ‘IBN-methode’ (Bergers, 1997) in de periode augustus tot en met oktober onderzoek uit te voeren. De periode augustus-oktober is de optimale periode voor het onderzoek, omdat dit buiten de voortplantingsperiode is gelegen. Onderzoek in de voortplantingsperiode kan als effect hebben dat grote bosmuizen vanuit een stresssituatie hun jongen werpen in de val.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=cba7848d-d4a1-400b-8adf-3dc6fc6d96cd