Gids Buitenkans versie 25 mei 2022 zonder opmaak
Tekst van het document
4.2
Landbouw
Nieuwvestiging Nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven of verplaatste Enschedese bedrijven vestigen zich op bestaande locaties (agrarische bouwpercelen). Als blijkt dat, door welke reden dan ook, een bestaand agrarisch bedrijf verplaatst moet worden, zal hiervoor in beginsel altijd een andere geschikte al bestaande bedrijfslocatie binnen of buiten de gemeentegrenzen van Enschede worden gezocht. Nieuw voor oud Om ‘verstening’ van het landelijk gebied tegen te gaan, geldt voor de bouw van nieuwe agrarische schuren het motto ‘nieuw voor oud’. De voorkeur heeft dus vervanging van een oude schuur door een moderne stal boven het ‘’naast elkaar’ neerzetten van verschillende generaties aan gebouwen. De gemeente vraagt de initiatiefnemer te onderbouwen wanneer die de oude stal wil behouden. Bij verschil van inzicht gaan gemeente en initiatiefnemer over het gebruik van de bestaande gebouwen met elkaar in gesprek. Daarbij kan de gemeente een onafhankelijke adviseur raadplegen.
Ontwikkeling van de landbouw De veranderingen in de landbouw en het landbouwbeleid brengen grote uitdagingen met zich mee voor de agrarische sector, ook in Enschede. De gemeente ziet een belangrijke rol voor de grondgebonden landbouw. Daarbij heeft de gemeente voorkeur voor landbouw met een duurzame bedrijfsvoering met kringlooplandbouw als uitgangspunt; voor een verbrede bedrijfsvoering, die naast agrarische productie ook bijdraagt aan bijvoorbeeld waterbeheer, ecologie, landschap, recreatie, educatie en de energietransitie; en voor een meer op de stad betrokken bedrijfsvoering met directe afzet van de eigen kwaliteitsproducten aan de stedelijke bevolking. De gemeente steunt de agrarische ondernemers die invulling geven aan deze ambities uit de Visie landelijk gebied. Het is echter niet aan de gemeente om de keuze over de bedrijfsvoering te maken. Dat is aan de agrarische ondernemer zelf.
4.2.1 Nieuwvestiging of verplaatsing agrarische bedrijvigheid Hoofdlijn nieuwvestiging of verplaatsing agrarische bedrijvigheid Agrarische bedrijven zijn alleen mogelijk op bestaande agrarische bedrijfslocaties. De bestaande rechten voor agrarische bedrijfsgebouwen worden niet ingeperkt. Wel geldt bij nieuwbouw van agrarische schuren de regel ‘nieuw voor oud’ ofwel sloop van schuren die geen functie of waarde meer hebben.
37
In het omgevingsplan zijn regels opgenomen voor de bouw van bedrijfsgebouwen op agrarische percelen. De gemeente beperkt geen bestaande rechten. De gemeente wil bij nieuwbouw van agrarische bedrijfsgebouwen in afwijking van het omgevingsplan als voorwaarde stellen dat sloop plaatsvindt van de ‘oude schuur’ tenzij: • De schuur nog een functie blijft houden en van nut is voor de agrarische bedrijfsvoering. • De schuur van betekenis is voor de cultuurhistorische waarde van het erf.
Bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt op het moment van de aanvraag de meest recente jurisprudentie rondom het fenomeen plattelandswoning betrokken.
4.2.3 Tweede bedrijfswoning bij agrarische bedrijven Hoofdlijn tweede bedrijfswoning bij agrarische bedrijven De gemeente is terughoudend met het toestaan van een tweede bedrijfswoning en verleent alleen onder voorwaarden toestemming.
Vanuit het oogpunt van duurzaamheid stimuleert de gemeente zoveel mogelijk bestaande gebouwen en materialen te hergebruiken. Ook vraagt de gemeente duurzame opwek van energie (zonnepanelen op het dak) en/of andere duurzame technieken toe te passen dan wel in de toekomst mogelijk te maken.
4.2.2 Plattelandswoning of woonbestemming Hoofdlijn plattelandswoning of woonbestemming De gemeente is terughoudend in het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning of het geven van een woonbestemming. Aan het omzetten van een (agrarische) bedrijfswoning naar een woonfunctie kan alleen medewerking worden verleend als: • de agrarische bedrijfsvoering is gestaakt; • aan eisen voor het woon- en leefklimaat wordt voldaan; • de (agrarische) bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd. Het aantal landbouwbedrijven neemt af. De woning die van oudsher bij het bedrijf hoort, is bij het stoppen van een agrarisch bedrijf niet meer aan te merken als een agrarisch bedrijfswoning. Ook om andere redenen kan het zijn dat de agrarische bedrijfswoning niet meer wordt bewoond door de eigenaar of mede-eigenaar van het agrarisch bedrijf. Het omzetten naar een woonbestemming kan alleen plaatsvinden als de woning nu en in de toekomst niet meer nodig is voor het agrarische bedrijf en ter plekke aan de geldende eisen voor het woon- en leefklimaat wordt voldaan. De omzetting moet ook geen belemmering vormen voor de agrarische bedrijven in de omgeving. Het is immers agrarisch gebied, waar de landbouw -binnen alle regels die daar al voor gelden- haar bedrijfsactiviteit nu en in de toekomst moet kunnen uitoefenen.
Om ‘verstening’ van het landelijk gebied tegen te gaan is de gemeente terughoudend in het toestaan van een tweede bedrijfswoning op een agrarisch erf. De mogelijkheden zijn alleen aanwezig voor een veehouderijbedrijf. Bouw van een nieuwe woning is alleen toegestaan als het niet mogelijk is voldoende woonruimte tot stand te brengen door vergroting van de al aanwezige woning of door inpandige splitsing van de bestaande bedrijfswoning. Als dat niet kan met behoud van de bestaande karakteristiek van het hoofdgebouw, dan is een tweede vrijstaande bedrijfswoning mogelijk met een inhoud van maximaal 900 m³ (inpandige bedrijfsruimten inbegrepen). Als voorwaarde geldt dat de arbeidsbehoefte van het bedrijf tenminste twee volwaardige arbeidskrachten bedraagt en de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Er is ook zicht op een duurzame voortzetting (voldoende toekomstperspectief).
38
Bij verschil van inzicht over de noodzaak gaan gemeente en initiatiefnemer hierover met elkaar in gesprek. Daarbij kan de gemeente een onafhankelijke adviseur raadplegen. Ook andere regelingen bieden mogelijkheden om een tweede bedrijfswoning op het erf te realiseren, zoals met Rood voor Rood. Belangrijk aandachtspunt bij de bouw van een extra woning is dat de ruimtelijke kwaliteit verbetert en de ontwikkeling landschappelijk in te passen is.
4.2.4 Extra mogelijkheid woningsplitsing op een agrarisch bedrijf Hoofdlijn woningsplitsing op een agrarisch bedrijf Binnen een bestaande agrarische bedrijfswoning is het mogelijk een tweede woning te maken voor het huishouden van een meewerkend mede-eigenaar of een rustende boer. Op een volwaardig agrarisch bedrijf is het mogelijk de woning te vergroten tot 1000 m3 en te splitsen. Doel is om een eigen huishouding mogelijk te maken voor een meewerkend mede-eigenaar of een rustende boer. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als: Sprake is van een bedrijfseconomisch duurzaam, volwaardig agrarisch bedrijf Uitbreiding van de woning plaatsvindt binnen het oorspronkelijk hoofdgebouw, waar de bestaande woning deel van uitmaakt.
4.2.5 Activiteiten/functies naast bestaande bedrijfsvoering Hoofdlijn activiteiten/functies naast bestaande bedrijfsvoering Ruimte voor een nevenactiviteit naast de bestaande bedrijfsvoering is onder voorwaarden toegestaan.
Bedrijvigheid – tot en met categorie 2 van de VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering - met een oppervlakte kleiner dan 25 % van de bestaande bedrijfsgebouwen en met een maximum van 350 m² wordt gezien als nevenactiviteit en is daarmee toegestaan. Uitgezonderd: • Detailhandel (alleen als nevenfunctie en ondergeschikt aan de hoofdfunctie); • Opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen. • Zorgfuncties en kinderopvang (deze vergen een nadere afweging); • Horecafunctie (alleen als nevenfunctie en ondergeschikt aan de hoofdfunctie zoals een theeschenkerij en/of een conferentieruimte/zichtplek in een stal); Het realiseren van bedrijvigheid met een oppervlakte boven de 25% van de bestaande oppervlakte wordt als maatwerk gezien. De vormen van hergebruik die worden toegestaan zijn afhankelijk van de (ruimtelijke) effecten op de omgeving (milieu, verkeer, landschappelijke inpasbaarheid) en de geschiktheid voor de vestiging in het landelijk gebied. De gemeente staat bedrijven met milieucategorie tot en met 2 uit de VNGpublicatie Bedrijven en Milieuzonering onder voorwaarden toe: het betreft kleinschalige bedrijven (max. vijf werknemers) die passen binnen de definitie ambacht, dienstverlening, vergaderfaciliteiten, opleidingen, trainingen, aannemers, hoveniers, workshops, ateliers, workshops, beroepen aan huis, kleinschalige productiebedrijven, restaurateurs.
Daarbij wordt opgemerkt dat geen zware bedrijvigheid en milieubelasting wordt toegestaan, de gemeente
39
bepaald of een initiatief past binnen deze categorie en de impact op de omgeving. Voor bedrijvigheid in hogere categorieën, als het ruimtelijk wenselijk c.q. aanvaardbaar is, moet maatwerk worden toegepast. Voor alle nieuwe bedrijvigheid geldt dat in principe geen opslag of andere bedrijfsactiviteit buiten de gebouwen mag plaatsvinden.
4.2.6 Sloop niet waardevolle agrarische gebouwen met asbest Hoofdlijn sloop niet waardevolle bedrijfsgebouwen met asbest Sanering is mogelijk als het hele agrarische bedrijf stopt. Onder voorwaarden is het ook mogelijk een deel van het bedrijf (de intensieve tak) te beëindigen en de daarbij bijbehorende asbesthoudende bedrijfsgebouwen te slopen en de extensieve tak te behouden.
kleinere schaal kunnen de agrarische activiteiten worden voortgezet, door bijvoorbeeld als hobby land te beheren of hobbymatig dieren te houden. Voor zover dit mogelijk is binnen de bestemming Wonen. Bij een gemengd agrarisch bedrijf met een intensieve en een extensieve tak, kan ervoor gekozen worden de extensieve tak voor te zetten. Dat noemen we ontmenging. Mogelijk is de intensieve tak inmiddels al beëindigd. De daarvoor gebruikte gebouwen kunnen nog worden ingebracht, mits aan alle andere voorwaarden wordt voldaan. De gesloopte bebouwing mag niet in (bijna) dezelfde omvang worden teruggebouwd voor het resterende agrarische bedrijf. De resterende gebouwen mogen ook niet worden uitgebreid. De ontwikkeling op de locatie moet duidelijk bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.
4.3 Niet-agrarisch werken Hoofdlijn niet-agrarisch werken In principe geldt dat in het landelijk gebied geen plaats is voor bedrijven die op bedrijventerreinen thuishoren. Nieuwbouw van bedrijfsruimte en kantoren in het landelijk gebied is niet toegestaan. In vrijkomende bestaande gebouwen is alleen plek voor bedrijven die qua aard, schaal en impact passen in het landelijk gebied en geen overlast en (verkeers)hinder veroorzaken. Daarbij zal ook worden afgewogen of een niet-agrarisch bedrijf een toegevoegde waarde heeft voor een duurzaam en vitaal platteland. Door middel van een omgevingsvergunning kunnen afwijkende functies die niet toegestaan zijn binnen het omgevingsplan, maar wel passen in het landelijk gebied, worden toegestaan. Elke aanvraag zal worden beoordeeld op de (positieve) bijdrage aan de vitaliteit en levendigheid van het landelijk gebied en de te verwachten (negatieve) impact op de leefkwaliteit.
Gebouwen op een locatie in het landelijk gebied die niet meer agrarisch of bedrijfsmatig wordt gebruikt of waar het (agrarische) bedrijf geheel wordt beëindigd kunnen worden ingebracht in het sloopregistratiesysteem. Op
40
• •
•
• • • • • Door de terugloop van het aantal landbouwbedrijven en de opkomst van andere bedrijvigheid verandert de economie in het landelijk gebied. De nieuwe bedrijvigheid bestaat uit nevenfuncties bij agrarische bedrijven, vabbedrijvigheid, de omvorming van agrarische bedrijven naar andersoortige bedrijvigheid, economische activiteiten in woonhuizen, waaronder de snelle opkomst van ‘thuiswerken’ onder invloed van Covid. Dit alles draagt bij aan de leefbaarheid van het platteland. Bij het al dan niet toestaan van niet-agrarische bedrijvigheid gaat het om de vraag of de activiteit past in het landelijk gebied en bijdraagt aan de vitaliteit en kwaliteit van de leefomgeving. Het landelijk gebied moet niet worden gezien als een goedkoop of makkelijk alternatief voor vestiging op een bedrijventerrein.
De functie moet ondergeschikt zijn aan Wonen of Agrarische bestemming; Enkel milieucategorie tot en met categorie 2 van de lijst van de VNG Bedrijven en Milieuzonering. Dat zijn kleinschalige bedrijven die passen binnen de definitie ambacht, dienstverlening, vergaderfaciliteiten, opleidingen, trainingen, aannemers, hoveniers, workshops, ateliers, workshops, beroepen aan huis, kleinschalige productiebedrijven, restaurateurs. Geen zware bedrijvigheid en milieubelasting, de gemeente bepaald of een initiatief past binnen deze categorie en de impact op de omgeving. Voor bedrijvigheid in hogere categorieën of buiten de genoemde definities, indien het ruimtelijk wenselijk c.q. aanvaardbaar is, kan maatwerk worden toegepast. Voor alle nieuwe bedrijvigheid geldt dat in principe geen opslag of andere bedrijfsactiviteit buiten de gebouwen mag plaatsvinden; Kleinschalig bedrijf met een beperkt aantal werknemers en bezoekers. Wat beperkt is hangt af van de locatie, impact op de omgeving en de infrastructuur. Op de ene plek kan de draagkracht bij maximaal 5 werknemers of maximaal 10 bezoekers per dag liggen. In andere gevallen zijn grotere aantallen inpasbaar; Gelegen in gebieden waar goede infrastructuur aanwezig is, de verkeersaantrekkende werking is minimaal.
Parkeren vindt plaats op eigen terrein; Hoofdactiviteit betreft geen opslag; Detailhandel is alleen toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit; Landschappelijke inpassing; Volledig bestaand aanwezig legaal opgericht bedrijfsgebouw mag benut worden.
De kwaliteiten in een gebied kunnen onder meer op de volgende manier worden versterkt: • Bestaande landschappelijke kenmerken behouden en waar mogelijk versterken door deze te verbinden met de nieuwe ontwikkeling; • Versterken van ruimtelijke uitstraling en de beleefbaarheid en de toegankelijkheid vergroten; • Vergroten van de biodiversiteit en natuurwaarden; • Versterken van de duurzaamheid door de keuze van materialen en het besparen op of duurzaam opwekken van energie.
4.4
Landgoederen
Hoofdlijn Landgoederen en overgangsrecht
De voorwaarden voor niet-agrarische bedrijvigheid in het landelijk gebied zijn: 41
De gemeente hecht grote waarde aan de historische landgoederen in Enschede. De gemeente steunt binnen haar beperkte mogelijkheden landgoederen in hun ontwikkeling. De regels van de Gids zijn afzonderlijk en in combinatie in te zetten. De speciale regeling uit de Gids van 2014 voor vijf landgoederen over de mogelijkheid van nieuwe bebouwing vervalt met een overgangstermijn van één jaar. Voor nieuwe landgoederen wordt verwezen naar paragraaf 3.4.
heeft voorkeur voor ontwikkelingen die bijdragen aan de duurzame en toekomstgerichte exploitatie. Met andere woorden: bij maatwerk kan het behoud van de bijzondere cultuurhistorische waarde van het landgoed een overweging zijn om ontwikkelingen op het landgoed toe te staan die bijdragen aan de financiering van het beheer van het landgoed.
De gemeente hecht verder waarde aan de samenwerking tussen landgoederen om op die manier de ruimtelijke samenhang te versterken, de herkenbaarheid van de landgoederenzone te benadrukken en/of de effectiviteit van de maatregelen te vergroten. Denk aan recreatieve voorzieningen, de verjonging van de laanbeplanting, het tegengaan van verdroging, energievoorzieningen, bosvernieuwing etc. De landgoederen kunnen gebruik maken van de kaders en regelingen uit hoofdstuk 3 en 4 van deze Gids of een initiatief ontwikkelen dat valt onder de gebiedsaanpak of maatwerk van hoofdstuk 5.
Overgangsrecht bestaande landgoedregeling De regeling uit de Gids Buitenkans 2014 voor nieuwe bebouwing op vijf specifiek benoemde buitenplaatsen wordt beëindigd. Voor deze regeling in voorgaande versies van de Gids geldt een overgangstermijn van één jaar vanaf de datum van vaststelling van de Gids Buitenkans 2022. Als de regeling die valt onder de overgangstermijn binnen één jaar na vaststelling van de Gids Buitenkans niet concreet wordt ingezet dan vervalt het recht om daarvan gebruik te maken. De concrete inzet moet blijken uit een ondertekende overeenkomst met de gemeente én de start van de procedure voor een ruimtelijk plan of de indiening van de aanvraag van een omgevingsvergunning. Historische landgoederen De historische ontwerpen van landgoederen, zijn door de grote fysieke en maatschappelijke veranderingen in de huidige tijd, vaak toe aan een vernieuwingsslag. Een meer op de huidige tijd aangepaste vormgeving en gebruik, mits zorgvuldig en in samenhang ontworpen, kan de waarde en betekenis van landgoederen voor de komende decennia borgen. De gemeente steunt, binnen haar beperkte mogelijkheden, de landgoedeigenaren bij nieuwe ontwikkelingen. Ontwikkeling om het beheer veilig te stellen De gemeente wil haar profiel als stad met veel landgoederen benadrukken en benutten.
De Visie landelijk gebied stelt daarover: ‘De variatie aan landgoederen, met elk hun eigen kwaliteiten vraagt om maatwerk, waarbij de eigenaren flexibel kunnen inspelen op de bijzondere omstandigheden op hun landgoed. Daarbij zet de gemeente het publiek belang altijd voorop’. De Visie verwijst bij het publiek belang naar natuur, landschap en/of cultuurhistorie en naar de zichtbaarheid en toegankelijkheid van landgoederen. De gemeente
Nieuwe landgoederen Voor het realiseren van een nieuw landgoed zijn regels opgenomen in paragraaf 3.4 van deze Gids.
4.5 Bos, landschap, natuur 4.5.1 Bosaanplant en landschapsontwikkeling Hoofdlijn bosaanplant en landschapsontwikkeling Aanplant van bomen is gewenst, maar niet overal. Waar aanplant kan plaatsvinden en welke vorm daarbij past volgt uit de strategie die geldt voor het landschap: inpassen, aanpassen of transformeren. Voor de realisatie zelf bevat het Natuur-& Landschapsplan nadere regels.
42
Bosaanplant en landschapsontwikkeling De Visie landelijk gebied bevat de opgave om 170.000 bomen aan te planten, waarvan 120.000 bomen in het landelijk gebied. De provincie Overijssel heeft een soortgelijke ambitie: ‘Iedereen een boom’. Bosaanplant onder andere aaneengesloten bos, landschapselementen, bosschages, houtwallen of laanbomen omvatten. Over de vraag waar nieuwe aanplant terecht kan komen geeft het bestemmingsplan-/omgevingsplan een aantal regels. Het behoud en versterken van bestaand bos en van bestaande landschapselementen is in het hele landelijk gebied uitgangspunt. Voor agrarisch gebied met (landschaps)waarden gelden bovendien regels voor herstel en verbetering van landschapselementen.
worden gehouden. Wat betreft het proces is dan sprake van grootschalig maatwerk of mogelijk zelfs integrale gebiedsontwikkeling (zie hoofdstuk 5). Niet elke aanplant vraagt een even zware afweging. Herstel van bestaande landschapselementen of vernieuwing van bestaand bos kan passen binnen de ruimtelijke regels en behoeft dan geen nadere bestuurlijke afweging.
In het verlengde van de Visie landelijk gebied voegt de Gids aan het bestaande kader uit het bestemmings-/omgevingsplan het volgende toe. De Visie bevat de strategie om vanuit het landschap te ontwikkelen. Ook bij de aanplant van bomen zijn het landschapstype en de waardering en de daarbij horende strategie voor het landschap (zie kaart in paragraaf 1.2) uitgangspunt. Het schema, de onderstaande toelichting en het kader gaan daar nader op in. Strategie vanuit het landschap Zeer hoge kwaliteit ➔ inpassen Hoge kwaliteit ➔ aanpassen Basiskwaliteit ➔ transformeren
Aanplant is gericht op • Behoud, herstel, verbetering • Behoud, herstel, verbetering • Versterking van het oorspronkelijke landschap • Herstel, verbetering, vernieuwing, nieuwe passende functies • Een nieuw landschap met grote gebiedseenheden
In gebied met een zeer hoge en hoge landschappelijke kwaliteit volgt uit het aanwezige landschap al grotendeels wat de mogelijkheden en wenselijkheden voor aanplant zijn. In gebied met basiskwaliteit geeft het bestaande landschap veel minder houvast. Daar geldt immers de strategie ‘transformeren’, het tot stand brengen van een nieuw landschapsbeeld in grote ruimtelijke eenheden. In die gebieden wordt een door deskundigen opgesteld landschapsplan gevraagd met een ontwerp van het nieuwe landschap en de keuzen voor aanplant. Bij het opstellen van een dergelijk landschapsplan spelen tal van belangen een rol, zoals van landbouw en bewoning, waarbij rekening moet
Bosaanplant in de drie landschapsstrategieën In gebied met zeer hoge landschappelijke waarde: inpassen - De aanplant versterkt de aanwezige identiteit van het landschap. - De aanplant past in de opbouw en de schaal van het in de Visie landelijk gebied aangeduide landschapstype en herstelt de oorspronkelijke beplanting In gebied met hoge landschappelijke kwaliteit: aanpassen - De aanplant reconstrueert en herstelt de identiteit van het landschap. - De aanplant maakt de bestaande opbouw en schaal van het in de Visie landelijk gebied aangeduide landschapstype weer beter herkenbaar. In gebied met basiskwaliteit van het landschap: transformeren: - Bij aanplant (anders dan herstel van bestaande structuren) wordt een landschapsplan opgesteld voor de transformatie van de hele landschappelijke eenheid. - Het landschapsplan wordt opgesteld door een ter zake kundige landschapsarchitect en omvat de hele landschappelijke eenheid.
43
- Het landschapsplan houdt rekening met de ontstaansgeschiedenis, fysieke kenmerken. Het plan kan een nieuwe karakteristiek aan het gebied geven, passend bij de functies van het gebied. - Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met de verkaveling en het functioneren van de landbouw, met het woongenot van aanwezige woonbebouwing en andere gebiedsfuncties. In het ontwerp wordt gezocht naar een samengaan en versterking van het hele gebied.
Aanvullend op de vraag ‘waar’ bosaanplant kan plaatsvinden is ook veel te zeggen over ‘hoe’ de aanplant gaat plaatsvinden. De gemeente stelt een Natuur- & Landschapsplan op waarin ook wordt ingegaan op de keuzen bij de realisatie van bosaanplant: ontwerp, soortkeuze, financiering, beheer enzovoorts.
4.5.2 Voedselbos, volkstuin en andere semi-agrarische functies Hoofdlijn voedselbos en agro forestry Vernieuwend grondgebruik met bos en productie van voedsel zijn mogelijk mits passend in het landschap, met een natuurlijke uitstraling en met aandacht voor de gevolgen van de agrarische bedrijfsvoering in de omgeving. Hoofdlijn volkstuin Volkstuinen in het landelijk gebied zijn mogelijk mits voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid voor volkstuinen. Bovendien moet de ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit voldoen aan de Visie landelijk gebied, waaronder de landschapswaardering.
Voedselbos Aanplant van bos kan plaatsvinden in de vorm van een voedselbos, agroforestry. Deze vormen van semi-agrarisch grondgebruik passen in het beleid voor vernieuwing van de voedselproductie, de verbreding van de landbouw en een meer op de stad betrokken agrarische bedrijfsvoering. De intentie waarmee een voedselbos kan dan ook verschillen: meer commercieel of met een meer sociale en educatieve funcite. In alle gevallen geldt de voorwaarde dat de vernieuwing aansluit bij het karakter van het omliggende gebied, past in het landschap en de daarvoor geldende strategie en bijdraagt aan de diversiteit en kwaliteit van het landelijk gebied. Een voedselbos heeft een overwegend natuurlijke uitstraling. Hierin passen geen grootschalige hekwerken, verhardingen voor onder andere parkeerplaatsen of beheergebouwen. Bij een grootschalig voedselbos met een recreatieve functie moet met het bezoek en het verkeer rekening worden gehouden in het ontwerp. Inpassing voedselbos / agro-forestry in het landschap Een voedselbos of andere vorm van agro-forestry kan kleinschalig worden ingepast in een
44
gebied met zeer hoge landschapswaarde. In een gebied met hoge landschapswaarde kan een in te planten voedselbos onderdeel zijn van de aanpassing van het landschap, door het bos te gebruiken bij het herstel en weer herkenbaar maken van het oorspronkelijke landschap. Het meest voor de hand ligt de aanplant in gebied met basiskwaliteit. Het voedselbos moet dan onderdeel zijn van een vernieuwend landschapsplan voor een groter gebied.
Bij het verlenen van instemming voor genoemde semi-agrarische functies in een gebied met een agrarische bestemming moeten -naast inpassing in het landschap en rekening worden houden met bestaande woningen- ook de gevolgen voor de agrarische structuur en bedrijfsvoering op de ‘buurpercelen’ worden betrokken. Bij het toestaan van een voedselbos wordt een overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer gesloten, waarbij afspraken gemaakt worden over het gebruik van de gronden door een particulier, vereniging of stichting.
Volkstuinen Volkstuinen bestaan in veel soorten en maten. Volkstuinen zijn particuliere tuinen die niet bij de eigen woning liggen met meestal diverse gebruikers. De beheervorm verschilt. Een bijzondere vorm is een pluktuin waarin mensen (niet de eigenaar) bloemen plukken of andere producten oogsten. De gemeente staat initiatieven toe, mits ze voldoen aan regels over inrichting en beheer, zoals omschreven in de Nota Volkstuinen Enschede. Daarin is een maximale hoogte (1 meter) gesteld voor een berging of kas. Voor de ruimtelijke inpassing van volkstuinen gelden de regels over ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit uit de Visie landelijk gebied met onder meer de landschapswaardering en de daarbij horende strategie van inpassen, aanpassen of transformeren.
4.5.3 Ontwikkelingen in NNN Hoofdlijn activiteiten in NNN Binnen het Natuurnetwerk Nederland moet een initiatief bijdragen aan de ecologische kwaliteit, zoals beekherstel. Als bouwwerken onderdeel uitmaken van een initiatief moet ecologische toetsing duidelijk maken wat de gevolgen zijn, of die te vermijden zijn en hoe compensatie van resterende effecten plaatsvindt. Ook moet de maatschappelijke meerwaarde van gebouwen worden aangetoond en vraagt de landschappelijke inpassing aandacht.
De gemeente zet in op het versterken van de groenblauwe structuur. Met stevige ecologische netwerken en een duurzaam natuurlijk watersysteem wordt bijgedragen aan het behoud van biodiversiteit, natuur en landschap. Dit geldt zeker voor gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Initiatieven in NNN zijn altijd gericht op het versterken van de ecologische kwaliteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om beekherstel of andere maatregelen voor natuurontwikkeling. Kleinschalige uitbreiding van een bestaande of nieuwe functie of functieverandering bestaand gebouw Het is mogelijk om ontwikkelingen binnen NNN toe te staan wanneer het om een van de volgende ontwikkelingen gaat: 1. Het wijzigen van de functie van een bestaand gebouw waarbij er geen extra ruimteclaim binnen NNN wordt gedaan en de wijziging geen afbreuk doet aan aanwezige cultuurhistorische waarden van het gebouw of ; 2. Het uitbreiden van een bestaande gebruiksfunctie of het realiseren van een nieuwe gebruiksfunctie binnen NNN, waarbij geen gebouwen worden opgericht of bestaande gebouwen worden vergroot, met een maximale oppervlakte van 200 m². 45
Randvoorwaarden voor het verlenen van medewerking: • De impact op de kernwaarden van NNN wordt door de ontwikkeling niet in onevenredige mate verzwaard en; • Er is redelijkerwijs buiten NNN geen geschikte alternatieve locatie aanwezig. Voor deze kleinschalige uitbreidingen kan uitgebreid onderzoek achterwege blijven, omdat significante effecten redelijkerwijs niet te verwachten zijn. Dat moet in het plan wel worden gemotiveerd. Aantoonbaar moet zijn de kernwaarden van NNN niet in onevenredige mate worden aangetast. Meerdere kleine uitbreidingen van een functie op één locatie moeten in samenhang worden beoordeeld. Onderbouwing maatschappelijke meerwaarde gebouwen Naast de ecologische toetsing is een onderbouwing nodig van de maatschappelijke meerwaarde van de gebouwen die gerealiseerd worden met deze ontwikkelingen.
Een tijdelijke woning bedoeld voor mantelzorg is onder de volgende voorwaarden mogelijk: -
-
Mantelzorg vindt altijd plaats op het erf in of bij een bestaande woning. Het gaat om het gebruik van een bouwwerk voor mantelzorg. In de praktijk wordt wel gesproken over een “mantelzorgwoning”.. In of bij die woning mag een ruimte gemaakt worden voor de huisvesting van de mantelzorger of de zorgontvanger. In deze ruimte mag één huishouden van maximaal twee personen verblijven. Er is aantoonbaar noodzaak voor het verlenen van (mantel)zorg. Als de noodzaak voor mantelzorg vervalt, moet de huisvesting voor mantelzorg beëindigd worden. Het gebruik van het bouwwerk voor de mantelzorg moet dan weer teruggebracht worden naar de oorspronkelijke functie.
Verder wordt verwezen naar de gemeentelijke beleidsregels over mantelzorgwoningen.
Beleving en zichtbaarheid gebouwen De landschappelijke inpassing, beleving en zichtbaarheid moet in een grotere, historische context worden beschouwd. Hoe is de ontwikkeling te beleven, via zichtlijnen, door wandelaars en bezoekers aan bijvoorbeeld het landgoed.
4.6
Zorg
Onder bepaalde voorwaarden wil de gemeente medewerking verlenen aan zorginitiatieven. Om hiervoor een afweging te kunnen maken, zijn beleidsregels opgesteld.
4.6.1 Mantelzorg Hoofdlijn mantelzorgwoning Om iemand op een persoonlijke wijze zorg te kunnen verlenen in de eigen woonomgeving is een tijdelijke mantelzorgwoning toegestaan. De noodzaak voor het verlenen van mantelzorg is aantoonbaar. De voorziening is tijdelijk toegestaan voor de periode dat de zorg aan de betreffende persoon wordt verleend.
46
4.6.2 Zorginitiatieven Hoofdlijn zorginitiatieven In het landelijk gebied kan voor gerichte doelgroepen een relatief kleinschalige voorziening tot stand komen voor zorgverlening. Het gaat om een voorziening voor mensen met een binding met Enschede en waarvan vaststaat dat juist het verblijf op het platteland bijdraagt aan de kwaliteit van leven. Ook deze voorzieningen moeten ingepast worden in het karakter van het landelijk gebied.
Niet alleen de doelgroepen zijn van belang. De organisaties dienen aantoonbaar een duidelijke binding te hebben met Enschede, zoeken de samenwerking en afstemming met buurt, zorgorganisaties, verenigingen, corporaties. Ook bij deze initiatieven geldt een aantal voorwaarden: -
Deze initiatieven vormen altijd ‘maatwerk’ met de daarbij behorende besluitvorming. Onder voorwaarden is het toegestaan initiatieven te ontwikkelen om zorg te verlenen op erven in het landelijk gebied die daarvoor geschikt zijn. Qua aard en impact moet het passen in het landschap. De initiatieven waarbij de gemeente onder voorwaarden medewerking wil verlenen betreft de volgende doelgroepen: o Senioren/ouderen (65+) o Personen met een verstandelijke beperking o Mensen met psychische of psychosociale problematieken (waarbij behandeling niet (meer) op de voorgrond staat) o Kwetsbare jongeren die begeleid moeten wonen Uitzonderingen kunnen ter toetsing aan de gemeenteraad voorgelegd worden. Een belangrijke aanvullende voorwaarde is dat het mensen en organisaties betreft die een binding met Enschede (en omgeving) hebben en waarvoor het wonen op het platteland en in een groep, niet alleen een woonwens is, maar voor hen ook een meerwaarde heeft (bijvoorbeeld het beperken van prikkels).
4.7
Verbetering van ruimtelijke kwaliteit Voldoet aan de strategie voor het landschap volgens de waarderingskaart uit de Visie landelijk gebed Grondgebonden woningen Circulair bouwen en hergebruik van materialen wordt gestimuleerd.
Recreatie en toerisme
Hoofdlijn recreatie en toerisme Voor initiatieven die bijdragen aan recreatie en toerisme geldt een kwalitatief toetsingskader. Het gaat om twee hoofdvragen: (1) draagt het initiatief bij aan de kwaliteit en het aanbod voor recreatie en toerisme in Enschede (toets op het toeristisch-recreatief product); (2) is het plan inpasbaar op de locatie (toets op ruimte, landschap, milieu, verkeer etc.). De Nota Verblijfsaccommodaties bevat een toetsingskader voor voorzieningen voor overnachtingen. De mogelijkheden voor bewoning van recreatiewoningen volgen uit een op te stellen Verordening bewonen van recreatiewoningen. Voor overige toeristischrecreatieve voorzieningen is vaak sprake van omvangrijk of klein maatwerk (zie daarvoor H5), waarbij het kwalitatief toetsingskader voor verblijfsaccommodaties kan worden gebruikt.
Gewenst is dat er samenleefconcepten voor deze doelgroepen komen, die ook gemixt kunnen zijn (zorgvragers en zorgdragers) waarbij de bewoners elkaar aanvullen en ondersteunen (geclusterde woonvormen met gemeenschapszin). Een maximum van het aantal bewoners voor een dergelijk initiatief betreft 24 personen met een zorgvraag. Deze bepaling – in geval van voortschrijdend inzicht – kunnen doelgroepen toegevoegd worden of kunnen worden geschrapt via de woonvisie en/of het jaarlijkse woondebat in de Gemeenteraad.
47
Centrale doelstelling vormt de versterking van de verblijfsrecreatieve sector. Plannen van ondernemers die hieraan bijdragen, worden met een positieve insteek behandeld. Bij de afweging van een verbreding, uitbreiding of nieuwvestiging wordt met een aantal aspecten rekening gehouden. Het uitgangspunt is: Ja, mits…. •
•
Vanuit elk deel van de stad is op korte afstand een route voor wandelen, fietsen en een plek voor sport, spel of relaxen. Meer dan nu is op knooppunten van routes kleinschalige en kwalitatieve horeca aanwezig en/of zijn kleinschalige attracties te vinden. Enschede wil ook mensen van buiten aantrekken voor een (meerdaags) bezoek en daarbij invulling geven aan het begrip duurzaam toerisme met focus op het behoud van natuur, milieu, cultuur en de lokale bevolking. De vakantieganger en de vakantiebestemming profiteren op een positieve manier van elkaar. Daarbij past ook het begrip ‘Slow toerisme’ met nadruk op de beleving van ‘het lokale leven’. De bezoeker proeft lokale producten, beleeft de authenticiteit van de bestemming en waardeert de kwaliteit van het buitenleven.
Kwalitatief toetsingskader Verblijfsaccommodaties In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen voor bestaande recreatieve functies en nieuwe initiatieven. Om nieuwe initiatieven te beoordelen, is een toetsingskader opgesteld. Dit toetsingskader is onderdeel van de Nota Verblijfsaccommodaties.
Er sprake is van een kwalitatieve toevoeging o Nieuwe initiatieven dragen bij voorkeur bij aan diversificatie van het aanbod en/of hebben een aantoonbare meerwaarde voor het toeristisch-recreatieve product. o Nieuwe initiatieven springen in op de wensen van bestaande en toekomstige gasten. o Er is marktruimte voor het voorgestelde type accommodatie Het passend is in de omgeving o De impact op de omgeving beperkt is. Dat wil zeggen geen onevenredige overlast geeft op mens (bijvoorbeeld parkeren, vervoersbewegingen, geluid), natuur (geen aantasting van waardevolle groenstructuren, landschap, cultuurhistorie of flora en fauna) en bedrijf (geen beperkingen voor aangrenzende bedrijven) o De schaalgrootte moet passen bij de omgeving en het initiatief moet aansluiten bij het karakter van het gebied. Het juiste plan op de juiste plaats. o Benut unieke kwaliteiten van een gebouw en omgeving. o Bijdraagt aan onze duurzaamheidsopgaven
De Gids Buitenkans schetst geen nieuwe kaders ten opzichte van de Nota Verblijfsaccommodaties. Voor de precieze regels en toelichting daarop wordt hier verwezen naar de Nota Verblijfsaccommodaties.
De Gids Buitenkans schetst tevens geen nieuwe kaders ten opzichte van de Verordening bewonen van recreatiewoningen.
Overige toeristisch-recreatieve voorzieningen Andere initiatieven voor de versterking van recreatie en toerisme kunnen passen binnen het bestemmings-/omgevingsplan of voldoen aan de regels van hoofdstuk 3 of 4 van deze Gids. Waar dat niet het geval is, bepaalt de zwaarte 48
van het initiatief en de impact op de omgeving of sprake is van omvangrijk of klein maatwerk (zie daarvoor hoofdstuk 5).
dezelfde waarderingskaart van het landschap, die ook in deze Gids is opgenomen.
Bij de toetsing van overige toeristisch-recreatieve voorzieningen is het hiervoor gepresenteerde toetsingskader voor verblijfsaccommodaties te gebruiken. Dit geldt ook voor de in de Visie landelijk gebied genoemde initiatieven voor (kleinschalige) horeca en leisure-concepten in de stadsrand en in bestaande en nieuwe gebouwen op historische landgoederen. Voor deze nieuwe voorzieningen gelden telkens twee hoofdvragen: (1) draagt het initiatief bij aan de kwaliteit en het aanbod voor recreatie en toerisme in Enschede (toets op het toeristisch-recreatief product); en (2) is het plan inpasbaar op de locatie (toets op ruimte, landschap, milieu, verkeer etc).
Daarnaast geldt een paraplubestemmingsplan Zonnepanelen voor het landelijk gebied. Het paraplubestemmingsplan geeft regels weer wat aan zonnepanelen toegestaan is bij woningen in het landelijk gebied.
4.8
Bij zonnevelden van meer dan 2 hectare wordt altijd een integrale gebiedsaanpak gevolgd (zie ook hoofdstuk 5 van deze Gids). In zo’n aanpak worden verschillende opgaven die op een gebied afkomen op elkaar betrokken (energie, kringlooplandbouw, klimaatadaptatie (water en klimaat), biodiversiteit en landschap).
Energieopwekking
Hoofdlijn energieopwekking Het ruimtelijk kader voor de realisatie van zonnevelden en windturbines volgt uit de Energievisie van de gemeente Enschede en de daarbij horende beleidsregels zonne-energie en windenergie. Deze Gids voegt daaraan geen nadere voorschriften of regels toe.
Beleidskaders voor zonne-energie en windenergie De gemeentelijke Energievisie (21 december 2021) biedt het kader voor duurzame opwek van elektriciteit. Voor het landelijk gebied gaat het daarbij vooral om de beleidsregels zonne-energie en de kleine windturbines tot maximaal 35 meter tiphoogte. Op een later tijdstip kunnen daaraan regels voor grote windturbines worden toegevoegd. Deze Gids Buitenkans bevat geen aanvullende voorschriften of regels voor zonnevelden of windturbines en verwijst daarom naar de Energievisie en de daarbij horende beleidskaders. De Energievisie bepaalt de opgaven en nadere invulling aan locaties en condities voor de inpassing van zonnevelden en windturbines. Van belang is dat de lusten en lasten eerlijk verdeeld worden en dat balans bestaat tussen het aandeel van de maatregelen in stedelijk en landelijk gebied. De Visie landelijk gebied Enschede geeft verdere randvoorwaarden waar en op welke manier de duurzame opwekking kan worden gerealiseerd. In het landelijk gebied is het landschap leidend; de draagkracht van het landelijk gebied bepaalt wat op welke manier mogelijk is. Beide visies gaan daarbij uit van
49
5. Maatwerk en gebiedsgerichte aanpak 5.1 Drie categorieën van initiatieven die buiten de kaders vallen Niet alle initiatieven passen binnen de vaste regels van het bestemmings-/ omgevingsplan of onder de kaders en beleidsregels van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 van deze Gids Buitenkans. Toch kunnen ook deze initiatieven gewenst zijn en bijdragen aan de door de gemeente gewenste ontwikkeling van het landelijk gebied. De gemeente wil daarom ook de initiatieven die buiten de vaste kaders vallen positief tegemoet treden vanuit het beginsel ‘ja, mits’. Opgemerkt wordt dat ‘maatwerk’ niet mag worden gezien als een manier om een initiatief, dat niet aan de regels voldoet alsnog gerealiseerd te krijgen. Maatwerk is dus niet bedoeld voor ‘afgewezen’ voorstellen, maar voor voorstellen waarbij de regels tekort schieten / niet op zijn ingericht. Hier is geen sprake van maatwerk Een initiatiefnemer sloopt 780 m2 en levert dus te weinig sloopmeters in om via Rood voor Rood het bouwrecht voor een nieuw woonhuis te kunnen krijgen. De initiatiefnemer stelt voor om maatwerk toe te passen en met een fors landschapsplan en een bijdrage aan het Landschapsfonds het tekort aan sloopmeters te compenseren. Het niet voldoen aan de regels van hoofdstuk 3 is echter voor de gemeente geen reden om maatwerk toe te passen.
•
Ontwikkeling met impact op de omgeving Het betreft initiatieven waarvoor naast de basisinspanning een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving moet plaatsvinden. Bij ontwikkelingen met impact op de omgeving is mogelijk een herziening van het bestemmings- / omgevingsplan nodig.
Omdat de zwaarte van het initiatief en de impact op de omgeving per categorie afneemt, neemt ook de inspanning die nodig is om tot instemming te komen af. De overgang van de ene naar de andere categorie is niet eenduidig of met harde criteria aan te geven, maar kan aan de hand van het schema worden ingeschat. Binnen welke categorie (integrale gebiedsaanpak, omvangrijk of klein maatwerk) een initiatief valt, wordt bij de intake besproken. Aanpassing in de loop van het proces is mogelijk, als de uitwerking van het initiatief daar aanleiding voor geeft. Aard initiatief
Impact
Inspanning
Instemming
Integrale gebiedsaanpak
Gaat over verschillende thema’s of meerdere erven
In de wijde omgeving
Integrale aanpak met inbreng en weging van alle belangen
Omvangrijk maatwerk
Omvangrijke aanpassing / toevoeging op één erf óf Stapeling van diverse regelingen uit deze Gids Beperkte aanpassing / toevoeging
Omgeving van het erf
Kwaliteitsimpuls om de kwaliteit van het landelijk gebied in balans te houden
Integraal gebiedsplan gaat vooraf aan aanpassing omgevingsplan en verlenen Omgevingsvergunning Aanpassing omgevingsplan en/of verlenen omgevingsvergunning
Op eigen erf
Basisinspanning voor inpassing en behoud ruimtelijke kwaliteit ter plekke
De gemeente onderscheidt in afnemende zwaarte en impact drie categorieën van initiatieven die buiten de reguliere kaders vallen: Integrale gebiedsaanpak Omvangrijk maatwerk Klein maatwerk De indeling van klein en omvangrijk maatwerk volgt uit het KGO-beleid (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de provincie Overijssel voor ontwikkelingen die maatwerk vragen en binnen het huidige omgevingsplan en beleidskaders niet kunnen worden opgelost. De provincie maakt daarbij onderscheid tussen kleinschalige en grootschalige maatwerkontwikkelingen (zie kader). De gemeente voegt de integrale gebiedsaanpak toe. KGO-indeling • Ontwikkelingen met een kleine impact op de omgeving Bij een ontwikkeling met een kleinschalige impact op de omgeving hoeft volgens de provincie geen kwaliteitsimpuls in de groene omgeving te worden geleverd en kan worden volstaan met de basisinspanning. De toestemming kan worden verkregen met een omgevingsvergunning.
Klein maatwerk
Meestal alleen een omgevingsvergunning nodig
In de onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de aanpak die per categorie geldt. Het verschil komt vooral tot uiting in de aanpak die wordt gevolgd. De inhoudelijke afweging volgt in belangrijke mate de keuzen uit de Visie landelijk gebied, zoals die in hoofdstuk 2 van deze Gids is samengevat. Daarmee volgt de inhoudelijke afweging in elke categorie dezelfde beleidslijnen. Omdat de complexiteit en impact verschillen verschilt vooral de procedure.
50
Voorbeelden Integrale gebiedsaanpak: Omvangrijk maatwerk:
Klein maatwerk:
Groot zonneveld > 2 ha / gebiedsaanpak Broekheurne / herinrichting Usseler Es Natuurbegraafplaats, voedselbos, recreatiewoningen op landgoed, Rood voor Rood-project gecombineerd met VAB of andere regeling Aanleg één camperplaats, klein zonneveld op eigen erf, vergunning plichtige activiteit die niet geregeld is in bestemmingsplan bijv. windwokkel
5.2 Integrale gebiedsaanpak De Visie landelijk gebied ziet in de integrale gebiedsaanpak een belangrijk instrument voor de versterking van het landelijk gebied. Een integrale gebiedsaanpak is aan de orde bij omvangrijke plannen waar verschillende functies een rol spelen met veel invloed op de omgeving. Bij de gebiedsaanpak zijn verschillende personen, bedrijven en/of maatschappelijke organisaties en overheden betrokken met vaak uiteenlopende belangen. Integrale gebiedsaanpak De noodzaak voor de gebiedsaanpak komt voort uit de verscheidenheid en samenhang van thema’s én de betrokkenheid van een groot aantal stakeholders (bewoners, bedrijven, eigenaren, bezoekers en van organisaties). Een geografisch gebied leent zich er voor om een diversiteit aan onderwerpen, belangen en interesses samen te brengen. Het alternatief, waarin elke stakeholder afzonderlijk ambities nastreeft en plannen ontwikkelt, leidt in praktijk vaak tot een patstelling (er gebeurt niks) of tot een enkele winnaar ten koste van veel verliezers. Vanuit vrijwel alle thema’s bestaat de vraag om meer grond. Die extra ruimte is er niet. De combinatie van gebruik ligt daarom voor de hand. In de gebiedsaanpak kan daar werk van worden gemaakt. De Visie landelijk gebied wijst vijf gebieden aan voor een gebiedsgerichte aanpak.
Ook is voorgeschreven dat elk initiatief voor een zonneveld >2 ha een integrale gebiedsaanpak volgt.
51
Voor de integrale gebiedsaanpak ontwikkelt de gemeente een werkwijze voor de verschillende fasen van de planontwikkeling, de aanpak en participatie. Uit de gebiedsaanpak kunnen ook maatregelen of deelplannen volgen, waar de regels van de Gids op van toepassing zijn. De integrale gebiedsaanpak legt een groot beslag op de inzet van de gemeente en de betrokkenen. De gebiedsaanpak vraagt een forse inspanning en kent vaak een lange doorlooptijd. Daarom moet niet te snel naar dit instrument worden gegrepen. De Visie landelijk gebied noemt een aantal overwegingen om af te zien van een integrale gebiedsaanpak.
regels in de Gids zijn niet opgesteld en doordacht voor alle mogelijke combinaties van regelingen. Bij combinaties van regelingen gaat het vrijwel altijd om omvangrijk maatwerk. De procedure, die in hoofdstuk 2 van deze Gids staat beschreven, bestaat uit de stappen om tot goedkeuring (of afwijzing) van het initiatief te komen. Hoe ziet het proces er uit? Voor de omvangrijke en complexe gevallen kent de procedure zes stappen. Zo vindt alleen voor heel complexe gevallen een toets bij de Gemeenteraad plaats (stap 3) en is een herziening van het bestemmings-/omgevingsplan vaak niet nodig. Naarmate een initiatief kleiner is en weinig invloed heeft op de omgeving, kunnen ook de andere processtappen sneller en beknopter worden uitgevoerd. 1. 2.
De gebiedsaanpak leidt over het algemeen tot een gebiedsplan en maatregelen. Aanpassing van het bestemmingsplan kan nodig zijn om de maatregelen te kunnen uitvoeren en vergunningen te kunnen verlenen.
5.3 Omvangrijk en klein maatwerk Naast de integrale gebiedsaanpak staan initiatieven die wel buiten de kaders van deze Gids vallen, maar niet tot de ‘buitencategorie’ behoren waarvoor een integrale gebiedsaanpak wordt gevolgd. Het initiatief valt wel buiten de regels van het omgevingsplan en buiten de kaders van hoofdstuk 3 en 4 van deze Gids. Het kan zowel gaan om omvangrijke en complexe initiatieven als om kleine toevoegingen of aanpassingen. Voor al die grote en kleine initiatieven is de gemeenschappelijke noemer dat tenminste een vergunning nodig is, maar dat geen passende kaders (regels) beschikbaar zijn om het initiatief te kunnen beoordelen. Daarom is de beoordeling van deze initiatieven aangemerkt als ‘maatwerk’. De beoordeling vindt niet plaats door toetsing aan de regelingen en regels van hoofdstuk 3 en 4 van de Gids, maar door rechtstreeks na te gaan of het initiatief aansluit bij de doelen van het gemeentelijke beleid. De Visie landelijk gebied, andere gemeentelijke visies en diverse gemeentelijke beleidsdocumenten vormen de inhoudelijke maatstaf.
3. 4. 5. 6.
Initiatiefnemer komt met plan -> intake en eerste beoordeling / indeling categorie van maatwerk (omvangrijk of klein) Verkenning > hoe ziet het plan er uit, is het haalbaar en hoe wordt rekening gehouden met belangen van de omgeving (participatie) Toets bij de Gemeenteraad > ook bij een negatief advies zoeken naar mogelijkheden op welke wijze het wél mogelijk is Na positief advies van Gemeenteraad > principebesluit Waar nodig herzien bestemmingsplan/omgevingsplan Omgevingsvergunning > de uitvoering kan starten
Een toelichting op de procedure is verder te vinden in hoofdstuk 2
Bij de meest omvangrijke en complexe voorstellen zijn alle zes de stappen, inclusief vroegtijdige toetsing bij de Gemeenteraad, gewenst voor een zorgvuldige beoordeling van het maatwerkinitiatief. Bij kleinere initiatieven is tussentijds advies van de Gemeenteraad niet voorzien. Stap 3 kan dan worden overgeslagen. Dat is ook het geval bij een duidelijk precedent – als de Gemeenteraad eerder heeft ingestemd met een vrijwel identiek geval. Het formele sluitstuk van de besluitvorming is het verlenen van een aangevraagde omgevingsvergunning, al dan niet na voorafgaande herziening van het bestemmings-/omgevingsplan. Voor de kleine gevallen is geen herziening van het omgevingsplan nodig en kan een korte motivering bij de vergunningaanvraag volstaan.
Van maatwerk is ook altijd sprake als een combinatie van regelingen uit hoofdstuk 3 en/of hoofdstuk 4 nodig is om het initiatief te beoordelen. De
52
53
Over de grens tussen een omvangrijk en een klein maatwerkinitiatief geeft paragraaf 5.1 meer informatie. Zoals gezegd is geen harde lijst beschikbaar, waar eenduidig uit blijkt welke procedure van toepassing is. Bij stapeling van verschillende regelingen (zoals Rood voor Rood en VAB), bij de wijziging van een bestemmingsplan en bij effecten die de erfgrens duidelijk te buiten gaan, zal veelal sprake zijn van een ‘omvangrijk’ initiatief. Vanuit het ‘ja, mits’beginsel uit de Visie landelijk gebied is de insteek van de gemeente gericht op medewerking, waarbij het ‘mits’ aangeeft dat het initiatief de kwaliteit van het landelijk gebied niet mag aantasten. Voor de procedure betekent deze opstelling dat aan kleine initiatieven geen zware procedurele belemmeringen worden opgelegd. Voor een klein positief initiatief geldt een lichte procedure.
Inhoudelijke toetsing De hiervoor geschetste procedure is nodig om tot een goede en evenwichtige toetsing te komen, waarbij de inhoudelijke voor- en nadelen van het initiatief naast elkaar worden gezet. In algemene zin moeten het privébelang van de initiatiefnemer in evenwicht zijn met het algemeen belang van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Of anders gezegd: aan de ontwikkelingsruimte voor het realiseren van het initiatief worden voorwaarden gesteld om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te kunnen realiseren. In alle gevallen gaat het daarbij minimaal om een goede ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling zelf (basisinspanning). Bij ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van het bestaande) wordt, naast een investering in de ontwikkeling zelf, tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning). Dit vanuit de gedachte dat een aantasting van de omgevingskwaliteit daarmee wordt voorkomen, of gecompenseerd. Het kan ook gaan om behoud van cultuurhistorische kwaliteiten, bijvoorbeeld door met de nieuwe ontwikkeling of functieverandering van een gebouw het beheer van een landgoed voor lange tijd te borgen. De bijdrage aan de omgevingskwaliteit is te zien als een tegenprestatie voor de geboden ontwikkelingsruimte.
Voor de uitwerking moet per geval aan de hand van een ruimtelijke onderbouwing worden aangetoond of er sprake is van een balans tussen de geboden ontwikkelingsruimte en investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Per geval wordt door de gemeente beoordeeld of en wanneer het evenwicht bereikt is. Bij de toetsing bij maatwerkinitiatieven kan de gemeente niet terugvallen op het bestemmingsplan of de regels uit hoofdstuk 3 en 4 van de Gids. Daarom toetst de gemeente rechtstreeks aan de Visie landelijk gebied. Daarbij kijkt de gemeente of het initiatief bijdraagt of past bij:
-
De vier ontwikkelingsprincipes (hoofdstuk 4 van de Visie). Deze ontwikkelingsprincipes zijn: Versterken groenblauwe structuur, Vanuit het landschap ontwikkelen, Verbinden van stad en land, Vernieuwen: ruimtelijk, economisch, sociaal en bestuurlijk. Deze ontwikkelingsprincipes zijn toegelicht in paragraaf 1.2. van de Gids
-
Het beleid per thema (hoofdstuk 5 van de Visie). Het gaat om de thema’s Groene Pijler (de gecombineerde kwaliteit van landschap, bodem, water, lucht, natuur, cultuurhistorie, beleving van stilte en duisternis), Landbouw, Landgoederen, Wonen, Recreatie & Toerisme, Niet-agrarisch werken, Verkeer & Vervoer, Leefbaarheid en energie. Voor elk van deze thema’s geeft de Visie een Analyse, de Ambitie en een Aanpak.
-
De opgaven (hoofdstuk 6 van de Visie) De Visie landelijk gebied bevat twintig opgaven. Die zijn op te vatten als maatregelen om de ambities van de Visie concreet te maken. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om bij hun initiatief één of meer van de opgaven te helpen invullen. De opgaven staan beschreven in de Visie en gaan over het realiseren van (1) bloemrijke akkerranden; (2) groen bij zonnevelden; (3) 170.000 bomen; (4) beheer van houtwallen en landschapselementen; (5) Twentse erven; (6) Afronding van natura 2000; (7) Duurzaam berm- en slootkantbeheer; (8) Educatie over het landelijk gebied; (9)Streekproducten; (10) Verduurzaming landbouw; (11) inzet van gemeentegrond voor verduurzaming; (12) Voedselbos; (13) Versterking recreatieftoeristische routes; (14) Toeristische overnachtingen; (15) Toekomst landgoederen; (16) Gemeentelijke monumenten; (17) Vermindering verstening; (18) Organische stof; (19) Water vasthouden; (20) Afname stikstofdepositie.
Aangezien de initiatieven sterk van elkaar zullen verschillen is het niet mogelijk om op voorhand aan te geven wat de uitkomst van de beoordeling van de gemeente is. Het proces is erop gericht om in overleg met de initiatiefnemer tot een evenwichtige invulling te komen vanuit het oogpunt van beschermen en benutten en met toepassing van de vier ontwikkelingsprincipes, het beleid voor de verschillende thema’s en de invulling van de opgaven die in de Visie landelijk gebied zijn vermeld. De inhoud van het Natuur- & Landschapsplan kan bijdragen aan het vinden van de juiste ‘kwaliteits’maatregelen voor behoud en versterking van natuur, landschap en cultuurhistorie. 54
Suggesties voor het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit Voor het bereiken van evenwicht kan de initiatiefnemer denken aan een investering in: • Het verbeteren van landschappelijke waarden (waaronder het terugdringen van de verstening in het landelijk gebied) • Het verbeteren van ecologische waarden • Het duurzaam behouden en verbeteren van cultuurhistorische waarden • Het verbeteren van recreatieve waarden • Het verbeteren van sociale en/of maatschappelijke waarden • Het verhogen van de duurzame inrichting en gebruik Bij de invulling van maatregelen wordt de inhoud van het gemeentelijke Natuur- & Landschapsplan betrokken.
Waar dat zinvol is, kan ook een afdracht aan het Fonds landelijk gebied onderdeel uitmaken van de maatwerkoplossing. Met een bijdrage aan het Fonds landelijk gebied worden aanvullend op de inrichting van de locatie van het initiatief gelden beschikbaar gesteld om elders in het landelijk gebied maatregelen te treffen om de groene kwaliteit te versterken, zoals in de Visie landelijk gebied is aangegeven. Aan initiatiefnemers wordt geadviseerd om samen met een adviseur een plan op te stellen met daarin een voorstel op welke wijze wordt geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning). De gemeente bepaalt wanneer het evenwicht is bereikt en wanneer zij naast de basisinspanning met een erfinrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan medewerking wil verlenen aan een initiatief. De provincie Overijssel heeft een overzicht gemaakt van allerlei inmiddels uitgevoerde projecten in het landelijk gebied. Laat je inspireren door de mogelijkheden in Overijssel door www.buitenkansenoverijssel.nl te bezoeken.
55
Definities Aanvullende inspanning (KGO) Zodra sprake is van een grootschalige ontwikkeling, geldt een meer gebiedsgerichte benadering. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is dan van toepassing, náást de basisinspanning. Dat geldt voor nieuwe functies en grootschalige uitbreiding van bestaande functies in het landelijk gebied. Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van het bestaande) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf, tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning). Dit vanuit de gedachte dat een aantasting van de omgevingskwaliteit daarmee wordt voorkomen, of gecompenseerd. Het gaat dan om een tegenprestatie voor de geboden ontwikkelingsruimte. Appartement Een appartement is een woning in een groter gebouw met diverse woningen, waarbij elke bewoner het appartementsrecht heeft over het gebruik van de eigen woning en mede-eigenaar is van het hele gebouw. Basisinspanning Bij nieuwe initiatieven worden voorwaarden gesteld om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te kunnen realiseren. In alle gevallen gaat het daarbij minimaal om een goede ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling zelf (basisinspanning). Per locatie wordt door de initiatiefnemer een erfinrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan opgesteld.
Boerenerf Of sprake is van een waardevol boerenerf kan aan de hand van de volgende criteria worden bepaald: • Verwantschap in bebouwing • Ordening van de bebouwing en landschappelijke elementen • Hiërarchie en verbondenheid van de elementen . De ligging in het landschap (type en waarde van het landschap, de ontsluiting, de relatie tot andere erven) • De agrarische achtergrond van het erf • De erfinrichting en de erfbeplanting
Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van afhaalzaken. Erfcoach Iedere erfeigenaar krijgt te maken met keuzes, beslissingen of wensen gericht op de toekomst van zijn erf. De erfcoach biedt ondersteuning bij vraagstukken om na te denken welke mogelijkheden er zijn op het erf, is het erf klaar voor de toekomst en is dit het beste aan te pakken? De onafhankelijke erfcoaches van Overijssel staan klaar om een particulier, (agrarisch) ondernemer of samenwerkingsverband verder te helpen. Erfinrichtingsplan De landschappelijke inpassing en verbetering van het erf wordt weergegeven in het erfinrichtingsplan. Het resultaat van landschappelijke inpassing en verbetering van een erf is dat het erf zich voegt in het landschap, met behoud of verbetering van de erfstructuur. Die inpassing en verbetering moeten passen bij de gebiedskenmerken en overeenstemmen met de Visie Landelijk gebied en de Welstandsnota. Het proces van landschappelijke inpassing en verbetering leidt ook tot versterking van de cultuurhistorische en ecologische waarde van het perceel en de directe omgeving.
Fonds Landelijk gebied Het Fonds Landelijk gebied is bedoeld om aanvullend op de inrichting van de locatie van het initiatief gelden beschikbaar te stellen om elders in het landelijk gebied maatregelen te treffen om de groene kwaliteit te versterken. Een bijdrage aan het Fonds Landelijk gebied kan met name worden gevraagd in geval van Maatwerk initiatieven. Grondgebonden bedrijf Een grondgebonden agrarisch bedrijf (veehouderij, akkerbouw of tuinbouw) maakt voor zijn agrarische productie geheel of hoofdzakelijk gebruik van de eigen grond of van de producten van grond in de omgeving van het bedrijf. Grondgebonden woning Een grondgebonden woning is een woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het maaiveld. 56
Grondgebonden woningen hebben meestal een op de grond gelegen terras en/of een tuin.
Groene Pijler De gecombineerde kwaliteit van landschap, bodem, water, lucht, natuur, cultuurhistorie, beleving van stilte en duisternis. Hobbymatig houden van paarden Het hobbymatig houden van paarden dat veelal plaatsvindt bij of in de buurt van agrarische bedrijfswoningen of burgerwoningen in het landelijk gebied, dat zich kenmerkt onder andere door het ontbreken van een winstoogmerk en de beperkte omvang van het aantal paarden en is ten behoeve van de bewoners. In algemene zin wordt een bovengrens van 5 paarden aangehouden voor hobbymatig gebruik.
zwaarte en impact van het initiatief: integrale gebiedsaanpak, omvangrijk en klein maatwerk. Maatwerk is niet bedoeld om initiatieven die wel passen binnen de regels van H3 en H4, maar niet aan de voorwaarden daarvan voldoen, alsnog te beoordelen.